Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004

Dovnload 0.99 Mb.

Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004



Pagina12/20
Datum04.04.2017
Grootte0.99 Mb.

Dovnload 0.99 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   20

7.1.2.d. proactieve recherche

Overeenkomstig de kadernota voor integrale veiligheid van 30 en 31 maart 2004 heeft het federaal parket eveneens de proactieve recherche op het domein van het terrorisme versterkt.


11 proactieve recherches inzake terrorisme werden sedert de oprichting van het federaal parket uitgevoerd.Vier daaronder werden reeds afgesloten, zeven zijn nog lopende. Vijf van deze proactieve recherches betreffen het milieu van het radicaal islamisme, terwijl de zes andere andere vormen van radicalisme betreffen. Acht proactieve recherches hebben een nationale draagwijdte.


7.1.3. Samenwerking met andere diensten
7.1.3.a. De samenwerking met de inlichtingendiensten
De samenwerking tussen het federaal parket en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (de Veiligheid van de Staat (VS) en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV) inzake terrorisme verdient een bijzondere aandacht.
De samenwerking tussen het openbaar ministerie met de veiligheid- en inlichtingendiensten wordt beheerst door de wet van 30 november (B.S. 18.12.1998) en de omzendbrief van het College van procureurs-generaal betreffende de samenwerking tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, het openbaar ministerie en de onderzoeksrechters van 22 juni 1999 (COL 13/1999).
Op 24 oktober 2004 werd een vergadering gehouden met de Staatsveiligheid om de richtlijnen, bevat in de COL 13/1999 inzake terrorisme te verfijnen. De volgende punten werden besproken.
1. een betere aflijning van de proactieve recherche versus het inlichtingenwerk ;

2. een betere aflijning van het begrip « technische bijstand »;

3. het statuut van de geclassificeerde nota’s van de VS;

4. de inzage en copiename door de VS


Een andere vergadering had op 21 januari 2005 plaats, tijdens dewelke een samenwerkingsakkoord tussen het federaal parket en de VS over deze punten werd afgesloten.
Discussies over dezelfde punten werden eveneens tussen het federaal parket en de ADIV gehouden.
Deze akkoorden voor nauwe samenwerking tussen het federaal parket, de VS en de ADIV werden ten slotte hernomen in het ontwerp van gemeenschappelijke omzendbrief van het ministerie van Justitie en het College van procureurs-generaal betreffende de gerechtelijke aanpak in zaken van terrorisme

7.1.3.b. De samenwerking met de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI)


Na een eerste vergadering op 18 juni 2003 werd een tweede vergadering belegd op 20 oktober 2003 tussen het federaal parket en de CIF, nogmaals met de deelname van de leidende officieren van GDA Brussel en DGJ/DJP/Terro. De werkwijze van CFI werd uiteengezet en de praktische samenwerkingsmodaliteiten werden vastgelegd voor de aangifte van dossiers-CFI, inhoudende “ernstige aanwijzingen van witwassen van geld uit een misdrijf dat in verband staat met terrorisme”.
Tijdens het eerste semester 2004 werden drie vergaderingen met de Cel voor Financiële Informatieverwerking belegd.
De bezinning ging over de groeiende rol die door het federaal parket moet gespeeld worden, meer bepaald inzake financiering van het terrorisme, als gevolg van de versterking door de aankomst van een magistraat specifiek belast met financiële dossiers. De bezinning betrof hoofdzakelijk het beheer van de financiële informatie met betrekking tot het terrorisme en er werd afgesproken niets te wijzigen aan de vroegere praktijk, die een evaluatie inhield in samenwerking met het parket van Brussel. Een akkoord in die zin werd eveneens afgesloten met het parket van Antwerpen.
Deze nauwe samenwerking tussen het federaal parket en de Cel voor Informatieverwerking werd hernomen in het ontwerp van gemeenschappelijke omzendbrief van het ministerie van Justitie en het College van procureurs-generaal betreffende de gerechtelijke aanpak in zaken van terrorisme.
7.1.3.d. Deelname aan de vergaderingen van het College voor inlichting en veiligheid (CIV)
Tussen 1 september 2003 en 31 december 2004 werd de federale procureur uitgenodigd deel te nemen aan 13 vergaderingen van het College voor inlichting en veiligheid.
Ter herinnering, het CIV ziet toe op de gecoördineerde uitvoering van de beslissingen van het Ministerieel Comité voor inlichting en veiligheid. Dit comité stelt de algemene politiek inzake inlichting vast en bepaalt de prioriteiten van de Veiligheid van de Staat en van de algemene Dienst van Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, en coördineert hun activiteiten. Het comité bepaalt bovendien de politiek inzake de bescherming van gevoelige informatie.
Omwille van zijn centrale positie in de strijd tegen het terrorisme en inzake de gerechtelijke informatiedoorstroming en mede gelet op de doorgedreven samenwerking met beide voormelde inlichtingendiensten kan het federaal parket een duidelijke meerwaarde bieden voor een nog efficiëntere werking van het CIV.
Aanbeveling
De aanbeveling, vermeld in het eerste activiteitenverslag, voor een wijziging van het Koninklijk besluit van 21 juni 1996 houdende oprichting van het College voor inlichting en veiligheid waarin de federale procureur opgenomen wordt, is nog steeds actueel.


7.1.4. Ontwikkelingen
7.1.4. a. Opstellen van een gemeenschappelijke omzendbrief van de Minister van Justitie en het College van procureurs-generaal in zaken van “terrorisme”.
De overwegende rol van het federaal parket in de strijd tegen het terrorisme en zijn toepassing op het terrein werden reeds uitvoering besproken in het eerste jaarverslag van het federaal parket. Deze aanpak werd in de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004 verder gezet. Dat heeft ten slotte ertoe geleid dat, op verzoek van de minister van Justitie en het College van procureur-generaal (een verbintenis die uitdrukkelijk in de kadernota voor integrale veiligheid van 30 en 31 maart 2004 vermeld was), de federale procureur een ontwerp voorbereidt van gemeenschappelijke omzendbrief betreffende de gerechtelijke aanpak in zaken van terrorisme, in samenwerking met de procureur-generaal van Gent (belast met terrorisme in het college van procureurs-generaal).
De richtlijnen die in deze omzendbrief vervat zullen zijn werden, in zover mogelijk, op het terrein vooraf uitgetest. Er werd dus beslist een inventaris op te stellen van alle domeinen die bijzonder gevoelig zijn voor het fenomeen terrorisme en van alle nationale en internationale partners met wie een samenwerking geboden is. Het federaal parket heeft in elk van deze domeinen initiatieven ontwikkeld en ten opzichte van elk van deze partners. De verworven ervaring werd thans in bovenvermeld ontwerp van omzendbrief vertolkt. De volgende hoofdstukken werden behandeld:

1. Inleiding en toepassingsveld.

2. De wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven.

3. De uitoefening van de strafvordering in zaken van terrorisme.

4. De (inter)nationale proactieve onderzoeken (artikel 28bis Sv.).


  1. De taakverdeling, de samenwerking en de coördinatie binnen de federale politie.

  2. De informatiedoorstroming naar de bestuurlijke overheden bij een gerechtelijke interventie.

  3. De informatieverplichting in hoofde van de onderzoeksrechter (artikel 56, §1, laatste lid Sv.).

8. Artikel 125 van het Koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.

9. De samenwerking met de inlichting – en veiligheidsdiensten (de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid).

10. De samenwerking met de anti-terroristisch gemengde groep (AGG).

11. Het NBCR terrorisme.

12. De terroristische gijzeling.

13. De aanpak van de financiering van het terrorisme.



  1. De administratieve bevriezing van vermogensbestanddelen van gelisteerde personen en organisatie

  2. De internationale samenwerking (Europol, Eurojust, Interpol, afhandeling rechtshulpverzoeken, politionele informatie-uitwisseling, …).

  3. De uitlevering en de extraterritoriale werking.

  4. De samenwerking met de Europese instellingen in Brussel.

  5. De samenwerking met de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ).

  6. Artikel 23 van het wetboek van Belgische nationaliteit van 28 juni 1984.

  7. De samenwerking van het gevangeniswezen

  8. De omgang met de media

  9. Bomaanslagen

  10. Publiek privaat overleg : communicatiekanalen inzake terrorisme

  11. Seiningen onder het statuut “Informatie Terrorisme)

7.1.4.b. Uitoefening van de strafvordering in zaken terrorisme door het federaal parket


Het beleid van het College van procureurs-generaal speelt hier uiteraard een zeer belangrijke rol. Het College bepaalt dat de federale procureur de strafvordering uitoefent in zaken terrorisme, zelfs in dien dit niet, uit wettelijk standpunt beschouwd, een uitsluitende bevoegdheid van het federaal parket betreft. Dit moet namelijk het federaal parket toelaten enerzijds een nog grotere expertise over dit criminele fenomeen te verwerven en, anderzijds door de behandeling van strafdossiers inzake soortgelijke feiten en dadergroeperingen hun onderlinge verknochtheid sneller en efficiënter te detecteren vanuit zijn centrale informatiepositie (panoptisch effect). Het federaal parket kan dus beter zijn rol als internationaal contactpunt terrorisme vervullen, dank zij de behandeling van strafdossiers.
Ten slotte draagt een centralisatie van alle onderzoeken in zaken terrorisme op het federaal parket onbetwistbaar bij tot de ontwikkeling van een coherenter en eenvormiger strafbeleid in zaken terrorisme en tot een efficiëntere samenwerking naar alle andere nationale en internationale betrokken partners.

7.1.4.c. Verdeling van de dossiers terrorisme en politionele en gerechtelijke capaciteit


De federale strafonderzoeken in zaken terrorisme zijn nog steeds in het gerechtelijk arrondissement Brussel gecentraliseerd. Dit is vooral te wijten aan de aanwezigheid in deze stad van de zetel van diverse nationale en internationale instellingen, aan de symboliek ervan, aan het statuut van Brussel als hoofdstad van België en Europa, aan het kosmopolitisch karakter van deze stad, aan de aanwezigheid van talrijke buitenlandse gemeenschappen en extremistische en subversieve groepen op zijn territorium, aan de aanwezigheid van talrijke persagentschappen, aan de bijzondere belangstellig van de media die ermee verbonden is,enz.

Dit verklaart dat in de praktijk een groot deel van de terrorismedossiers in België een link met het arrondissement Brussel hebben.


Er valt nochtans op te merken dat het gerechtelijk arrondissement Antwerpen eveneens bijzonder geconfronteerd wordt met het fenomeen terrorisme. Dat heeft aanleiding gegeven tot een bijzondere samenwerking tussen het federaal parket en het parket van Antwerpen. Er werd geopteerd de terrorismedossiers in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen te federaliseren maar tegelijkertijd in deze dossiers systematisch een magistraat van dit parket als federale magistraat te delegeren.

Op het federaal parket wordt telkens ook een federale magistraat aangeduid om samen met deze gedelegeerde magistraat het dossier op te volgen.


Het is de bedoeling enerzijds tegemoet te komen aan de duidelijke beleidskeuze alle terrorismedossiers bij het federaal parket te centraliseren en deze onderzoeken ook de meerwaarde van een federale behandeling te bieden, maar anderzijds niet voorbij te gaan aan de vaststelling dat de opvolging van bepaalde lokaal ingeplante terroristische groepen of personen gelieerd aan een dergelijke groep ook een gespecialiseerde lokale expertise en “terreinkennis” vereist die in hoofde van de magistraten van het parket te Antwerpen voorhanden is.

7.1.4.d. Beslissing van de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004
Er valt eveneens de beslissing van de buitengewone Ministerraad van 30 en 31 maart 2004 te vermelden, om enerzijds de gespecialiseerde recherchecapaciteit in zaken terrorisme aanzienlijk te versterken in de verschillende gerechtelijke arrondissementsdiensten en anderzijds het kader van het federaal parket met vier magistraten uit te breiden om het federaal parket toe te laten de gewenste supplementaire inspanning in de strijd tegen de rondtrekkende dadergroeperingen te leveren.
Op de vergadering van 10 november 2004 heeft het ministerieel comité voor inlichtingen en veiligheid deze kaderuitbreiding in verband met de strijd tegen het terrorisme aangehaald.
In afwachting van een versterking van de gespecialiseerde recherchecapaciteit is de federale procureur gedwongen geweest, op zijn initiatief, de prioriteiten met GDA Brussel inzake de lopende onderzoeken terrorisme vast te leggen.

7.1.4.e. Wetgevende initiatieven en aanbevelingen


De wet van 19 december 2003 (B.S. van 29 december 2003) heeft het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding in de Belgische wetgeving omgezet.
Deze wet definieert de begrippen “terroristisch misdrijf” (artikelen 137-138 van het Strafwetboek), “terroristische groep”, (artikel 139 Strafwetboek), stelt de deelname aan en de leiding van een terroristische groep strafbaar (artikel 140 Strafwetboek), stelt de hulp met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf strafbaar (artikel 141 Strafwetboek), zij breidt eveneens de territoriale rechtsmacht uit (artikelen 6.1°ter en 10ter.4° Sv.)

In de periode waarop dit jaarverslag betrekking heeft, heeft mijn ambt regelmatig de aandacht gevestigd op de wetgevende initiatieven die zouden kunnen genomen worden, teneinde niet enkel de strijd tegen het terrorisme te verbeteren maar ook tegen de georganiseerde criminaliteit in het algemeen, in de volgende materies:



  • de mogelijkheid beroep te doen op burgerlijke infiltranten

  • de mogelijkheid van maatregelen tot afluisteren in het kader van proactieve onderzoeken

  • de mogelijkheid beroep te doen op gespecialiseerde onderzoeksrechters (in zaken van terrorisme en georganiseerde criminaliteit)


7.2. De getuigenbeschermingscommissie
7.2.1. Wettelijke basis
De wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen (de artikelen 102 tot 111 van het Wetboek van Strafvordering ) bepaalt dat de federale procureur het voorzittershap van de getuigenbeschermingscommissie waarneemt.
De federale procureur is bovendien bevoegd, als voorzitter van de Commissie, bij voorlopige beslissing gewone beschermingsmaatregelen toe te kennen, indien bij hoogdringendheid beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn.
7.2.2. Werkingsmiddelen
a. Huishoudelijk reglement
Het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd op de vergaderingen van de getuigenbeschermingscommissie van 23 mei 2003 en 22 oktober 2003.
In toepassing van artikel 103, §1, laatste lid Sv., heeft de federale procureur op 10 november 2003 dit huishoudelijk reglement aan de minister van Justitie toegestuurd met het oog op de goedkeuring ervan door de Koning.
Het huishoudelijk reglement werd in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2004 bekendgemaakt.
Ten gevolge van een tegenspraak tussen de Nederlandse en de Franse tekst inzake het vereiste quorum om op geldige wijze te kunnen vergaderen, zal een Koninklijk besluit houdende een corrigendum in het Belgische Staatsblad bekendgemaakt worden. Het corrigendum werd door de Commissie op 4 oktober 2004 goedgekeurd en naar de Federale Overheidsdienst Justitie gestuurd op 11 oktober 2004 voor bekendmaking.
b. Financiële middelen
Artikel 11 van de wet van 7 juli 2002 bepaalt dat de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken de bijzondere organisatorische maatregelen nemen, die noodzakelijk zijn om de in deze wet vervatte bescherming van getuigen mogelijk te maken. Het betreft hoofdzakelijk de ter beschikkingstelling van de nodige financiële middelen.
Deze maatregelen werden tot heden nog niet genomen door de betrokken ministers.
De federale procureur, in samenwerking met de dienst getuigenbescherming van de federale politie, heeft aan de minister van Justitie een voorstel gedaan om een eigen specifiek budget te voorzien. Dit specifiek budget werd goedgekeurd en wordt opgenomen in de budgettaire besprekingen betreffende het jaar 2005.
Dit budget werd nog niet ter beschikking gesteld van de getuigenbeschermingscommissie. De beschermingsprogramma’s zijn dus nog steeds gedekt door een speciaal fonds (provisie A) aan de federale politie toegekend, dat echter een andere bestemming heeft.



      1. Statistieken

7.2.3.a. Vergaderingen


De eerste vergadering van de getuigenbeschermingscommissie vond plaats op 1 april 2003.
In de besproken periode hebben 7 vergaderingen plaatsgevonden:

  • Op 22 oktober en 5 december 2003

  • Op 29 januari, 7 juni, 19 juli, 4 oktober et 20 december 2004.

7.2.3.b. Aantal dossiers




  1. op verzoek van de Belgische gerechtelijke autoriteiten

Tussen 1 september 2003 en 31 december 2004 heeft de Commissie verschillende zaken behandeld. Zeven dossiers handelden over het toekennen van nieuwe maatregelen of de wijziging van de bestaande.





Verzoekende gerechtelijke autoriteit

Datum van het verzoek

materie

Dringende maatregelen door de voorzitter te treffen

Beslissing van de Commissie

PK Brussel

2/07/2003

Mensenhandel

/

22/10/2003

PK Brussel

5/05/2004

Moord

10/05/2004

7/06/2004

PK Brussel

5/08/2004

Groot banditisme

17/09/2004

23/12/2004



04/10/2004

25/01/2005



OR Brussel

22/08/2003

Mensenhandel

22/08/2003

5/12/2003

OR Neufchâteau

9/12/2004

Corruptie

/

/

PK Luik

15/12/2004

Groot banditisme

20/12/2004

25/01/2005

PK Luik

16/10/2002

Groot banditisme

09/10/2003

04/11/2003




22/10/2003

05/12/2003

07/06/2004

De Commissie werd eveneens op de hoogte gebracht van de (wettelijke) opvolging van de lopende zaken (drie dossiers).





  1. Op verzoek van de internationale strafrechtelijke instanties

Het internationaal straftribunaal voor ex-Joegoslavië en het internationaal straftribunaal voor Rwanda hebben drie verzoeken gericht tot de Belgische autoriteiten om beschermingsmaatregelen te treffen ten opzichte van personen (en de leden van hun familie) die zich op Belgisch grondgebied bevonden en aan wie deze straftribunalen reeds het statuut van beschermde getuige verleend hadden.


Voor dit soort verzoek heeft de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het internationaal strafhof en de internationale straftribunalen aan de minister van Justitie, als de centrale autoriteit, de zorg overgelaten te beslissen welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek van Strafvordering, ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen.

De minister van Justitie moet voorafgaand de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, dus de federale procureur, raadplegen.

Na beslissing van de minister van Justitie wordt de federale procureur belast met de inwerkingstelling van de getroffen beschermingsmaatregelen, meer bepaald door de bevoegde politiediensten te vorderen.
De getuigenbeschermingscommissie is van oordeel dat de uitvoering van de beschermingsmaatregelen van een persoon aan wie een internationaal straftribunaal het statuut van beschermde getuige verleend had, als een internationaal rechtshulp verzoek moest beschouwd worden
3. Op verzoek van de buitenlandse gerechtelijke autoriteiten
De federale procureur heeft 7 steunaanvragen uit het buitenland ontvangen in zaken waar in het buitenland reeds een volledig programma inzake getuigenbescherming liep, en waarvoor aan ons land enkel een kleine materiële hulp werd gevraagd. Deze steunaanvragen konden politioneel worden afgehandeld zonder tussenkomst van de getuigenbeschermingscommissie. De steun werd wel steeds onderworpen aan een voorafgaand principieel akkoord van de federale procureur.



      1. Ontwikkelingen en aanbevelingen

De Commissie werd herhaaldelijk geconfronteerd met aanvragen tot getuigenbescherming in het kader van dossiers over doodslag en groot banditisme.


Thans laat de Wet over de bescherming van bedreigde getuigen niet toe het beschermingsprogramma van bedreigde getuigen aan te wenden voor personen die beschuldigd werden of vervolgd door het openbaar ministerie voor feiten waarover zij getuigenis afleggen.
De bevoorrechte getuigen bevinden zich soms in de naaste omgeving van daders die betrokken zijn bij feiten waarover de getuigenis, van kapitaal belang voor de afloop van het onderzoek, wordt opgenomen.

Deze getuigen zouden in mindere of meerdere mate, rechtstreeks of onrechtstreeks zelf bij deze feiten kunnen betrokken worden.


Indien deze personen aanvaarden een getuigenis af te leggen, en daarbij het risico lopen het slachtoffer van represailles te worden, is het normaal dat zij het statuut van beschermde getuigen bekomen.
Aanbeveling
Het zou aangewezen zijn dat de beschermingscommissie voor bedreigde getuigen de mogelijkheid onderzoekt om in een beschermingsprogramma van bedreigde getuige een persoon op te nemen die zelf beschuldigd is, door wijziging van artikel 108 §4, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.
De praktijk heeft uitgewezen dat de beschermingsdienst bedreigde getuigen van de federale politie niet over efficiënte middelen beschikte om na te gaan of de bepalingen van het memorandum nageleefd werden. De toegekende beschermingsmaatregelen kunnen echter door beslissing van de beschermingscommissie ingetrokken worden indien de bepalingen van het memorandum niet worden nageleefd (artikel 108 §3,4° van het Wetboek van Strafvordering).
Het zou noodzakelijk zijn dat de beschermingsdienst bedreigde getuigen van de federale politie over de mogelijkheid beschikt observaties uit te voeren (met of zonder technische hulpmiddelen) op een persoon aan wie het statuut van bedreigde getuige toegekend werd, na toestemming van de voorzitter van de beschermingscommissie van bedreigde getuigen.
Deze observaties zouden niet vallen onder de toepassing van de wet op de bijzondere opsporingsmethoden.

Aanbeveling
Er zou in hoofdstuk VIIter van het Wetboek van Strafvordering - bescherming van bedreigde getuigen – de mogelijkheid moeten ingelast worden voor de beschermingsdienst van bedreigde getuigen van de federale politie om observaties uit te voeren (met of zonder technische hulpmiddelen) met oog op een eventuele toepassing van artikel 108 §3, 4° van hetzelfde Wetboek.

1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   20

  • 7.1.3. Samenwerking met andere diensten
  • 7.2. De getuigenbeschermingscommissie 7.2.1. Wettelijke basis
  • Verzoekende gerechtelijke autoriteit Datum van het verzoek materie
  • Ontwikkelingen en aanbevelingen

  • Dovnload 0.99 Mb.