Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004

Dovnload 0.99 Mb.

Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004



Pagina16/20
Datum04.04.2017
Grootte0.99 Mb.

Dovnload 0.99 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20

7.4.7.b. Verdeling per land waar de inbreuk werd gepleegd:





land

aantal dossiers

Afghanistan

68

Benin

8

Duitse Bondsrepubliek

211

Burundi

1

Cambodja

1

Democratische Republiek Congo

9

Frankrijk

10

Groot-Brittannië

13

Kosovo

31

Laos

2

Littouwen

3

Luxemburg

2

Nederland

4

Portugal

1

Rusland

1

Saoedie-Arabië

1

Verenigde Staten

1

Andere oorsprong (b.v. rechtstreekse klachten – aanmeldingen bij de federale politie enz.

57





totaal : 423

7.4.7.c. Vordering van de dossiers


Stand van zaken op 31 december 2004


opsporingsonderzoek

63

Gerechtelijk onderzoek

8

Tot beschikking

101

sepot

211

Minnelijke schikking

13

Voeging

19

Terechtzitting (vastgestelde zaken)

5

vonnissen

1

Hoger beroep

2

7.4.7.d. aantal dossiers in onderzoek


Op 31 december 2004 waren 8 federale dossiers in onderzoek



arrondissement

aantal dossiers

materie

Bruxelles

2

fraude, verduistering, overlijden (ander dan misdaad/misdrijf/zelfmoord)

Gent

1

diefstal

Hasselt

1

Ongeluk militair vliegtuig

Turnhout

1

Ongeluk militair vliegtuig

Nijvel

1

Ongeluk militair vliegtuig

Doornik

1

verduistering

Charleroi

1

verduistering ten nadele van de Staat (wapens)

7.4.7.e. Wederzijdse rechtshulp in strafzaken.



Nationale rechtshulpverzoeken:


        • verzoeken om verhoor van beklaagden, getuigen of benadeelden: 3

        • verzoeken om informatie, consultatie/kopie van dossiers: 2


Internationale rechtshulpverzoeken:

- verzoeken om informatie, consultatie/kopie van dossiers: 4

(3 uit Duitsland en 1 uit Kosovo)

- andere: begroting kostenstaat Duitse dokter/expert: 1

7.4.7.f. Bijzondere bevoegdheden van het federaal parket
Luchtvaartongevallen:
a) in België : in Havelange (09.12.2003) - dossier in onderzoek in Hasselt

in Beauvechain (25.02.2000) - dossier in onderzoek in Nijvel


b) in Nederland : in Sellingen (24.04.2002) - in onderzoek te Turnhout.
Feiten a/b van een Belgisch militair schip buiten de Belgische territoriale wateren:
In Bayonne (Frankrijk): vrijwillige slagen en verwondingen

in St.-Petersburg (Rusland): geweldplegingen tegen superieur

7.4.7.g. Verplaatsing van magistraten naar het buitenland
1. van federale magistraten in het kader van een gerechtelijk opsporingsonderzoek
Naar aanleiding van een opsporingsonderzoek betreffende een ongeval met een Belgisch militair pantservoertuig met een zwaar gekwetste te Kaboul (Afgh) op 7 januari 2004 begaf een federaal magistraat van cel VI zich ter plaatse in de periode van 23 tot en met 31 januari 2004, ten einde te Kaboul, samen met twee leden van de federale politie (DGPMM) het opsporingsonderzoek te verrichten (vaststellingen, wedersamenstelling – verhoren en contacten met de UNO-ISAF autoriteiten).
2. van magistraten in het kader van artikel 309bis van het gerechtelijk wetboek
Ingevolge artikel 309bis van het gerechtelijk wetboek zijn er momenteel 27 magistraten aangeduid om de Belgische militairen in vredestijd met opdracht in het buitenland te begeleiden.
Op initiatief van de procureur-generaal van Bergen en in samenwerking met het federaal parket hebben 17 magistraten van het openbaar ministerie een opleiding

«brevet in militaire technieken» gevolgd. Deze opleiding werd gegeven in de Infanterieschool in Aarlen, van 22 november tot 3 december 2004. Daarop werd er op het federaal parket een informatievergadering gehouden waarop het vervolgingsbeleid ter zake werd uiteengezet en waarop de deelnemers hun wens te kennen hebben gegeven om nog andere door de generale staf van de strijdkrachten gegeven opleidingen te kunnen volgen.


Er werd in dit kader geen enkele verplaatsing naar het buitenland gemaakt.
7.4.3. Opmerkingen en aanbevelingen
Een wetgevend initiatief zou moeten overwogen worden ten einde een oplossing te vinden voor de volgende twee problemen:


        1. Aflevering van een aanhoudingsbevel ten aanzien van een in het buitenland gestationeerd lid van de gewapende strijdkrachten:

De federale procureur is bevoegd om misdaden en wanbedrijven te vervolgen die in het buitenland door leden van de gewapende strijdkrachten werden gepleegd.


Ingeval er bijzonder zware feiten zouden worden gepleegd die het afleveren van een aanhoudingsbevel door een onderzoeksrechter binnen de 24 uur na de vrijheidsberoving van de dader zouden vereisen, dan zal, in de huidige stand van zaken, deze maatregel onmogelijk getroffen kunnen worden, als de Staat waar de feiten werden gepleegd bijzonder ver van België af ligt (in Afghanistan bijvoorbeeld).
Bij toepassing van artikel 16§2 van de wet op de voorlopige hechtenis, moet de onderzoeksrechter, alvorens een aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de beklaagde ondervragen over de feiten die hem ten laste worden gelegd en zijn opmerkingen horen.
Welnu, er is geen enkel transportmiddel voorhanden dat hetzij de onderzoeksrechter ter plaatse zou kunnen brengen, hetzij de dader van de feiten te zijner beschikking zou kunnen stellen in België, binnen de bij artikel 12 van de Grondwet voorziene termijn van 24 uur.
Wel is het zo dat artikel 16§2 van de wet op de voorlopige hechtenis, aangevuld met artikel 50 van de wet van 10 april 2003 voorziet in het aanwenden van audiovisuele middelen bij de ondervraging.
Dan nog is het artikel 112 §1 Sv van toepassing, dat bepaalt, enerzijds, dat het verhoor door een onderzoeksrechter per videoconferentie enkel mogelijk is bij verdachten die in het buitenland verblijven (wat men toepasselijk zou kunnen beschouwen voor militairen die deelnemen aan langdurige opdrachten) en, anderzijds, met het akkoord van deze persoon.
Mochten, bij toepassing van artikel 112§ 1 Sv, de technische middelen ter beschikking staan die verhoor per videoconferentie mogelijk maken vanuit een land als Afghanistan, wat momenteel nog niet het geval is, dan zou men dus nog het akkoord van de beklaagde moeten zien te krijgen, die dan nog altijd via een weigering hindernissen kan opwerpen tegen het afleveren van een aanhoudingsbevel te zijnen laste.

Aanbeveling


Het zou wenselijk zijn, hetzij in de uitbreiding van de termijn van vrijheidsberoving van 24 uur in de zin van artikel 12 van de Grondwet te voorzien, hetzij, op zijn minst, de voorwaarde van toestemming van de in het buitenland verblijvende verdachte in de zin van artikel 112§1 Sv te schrappen.

7.4.3.b. De verwijzing van de beklaagde naar de korpstucht (art. 24 du CPPM)


De afschaffing van artikel 24 du Code de procédure pénale militaire heeft bij de wet van 10 april 2003 een einde gesteld aan de mogelijkheid om de strafvordering voor kleinere of minder ernstige bedrijven te beëindigen doordat het parket of het onderzoeks- of vonnisgerecht de beklaagde naar de korpstucht verwijst.
Het opnieuw instellen van dat artikel zou het federaal parket in staat stellen om op efficiënte wijze de militaire discipline bij de militaire detachementen die in ver van België verwijderde Staten gestationeerd zijn te handhaven, doordat een disciplinaire sanctie genomen kan worden onmiddellijk na het plegen van feiten die niet voor een correctionele rechtbank vervolgd moeten worden of de transfer naar België van de dader ervan noodzakelijk maken.

Aanbeveling


Het is wenselijk, mits de nodige aanpassingen, om de regel voorzien in het oude artikel 24 van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger opnieuw in te voeren, die stelde dat « Het (…) openbaar ministerie, de kamer van inbeschuldigingstelling of de raadkamer, de rechterlijke commissie bij het Militair Gerechtshof of bij een krijgsraad en elke strafrechtbank die wordt belast met de vervolging van een misdrijf dat weinig ernstig schijnt te zijn, mogen de verdachte militair naar diens korpscommandant verwijzen om hem disciplinair te doen straffen. »

7.5. de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht
7.5.1. Wettelijke basis

Sedert de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003 is de federale procureur exclusief bevoegd voor de uitoefening van de strafvordering in het domein van de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (art. 144 quater Ger.W.)


Deze wet heeft aanzienlijk strengere criteria van extraterritoriale rechtsmacht dan de vroegere wet opgesteld.
7.5.2. Overgangsperiode
De wetgever, die daarmee rekening hield, heeft voorzien in een overgangsregeling voor de rechtsgedingen in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet aanhangig zijn.
7.5.2.a. Procedure voor de zaken in onderzoek
Voor de rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt heeft de wetgever voorzien dat zij door de federale procureur aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie overgezonden worden met uitzondering van de zaken waarvoor een onderzoeksdaad was gesteld op datum van de inwerkingtreding van de wet op voorwaarde dat er ofwel tenminste één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering ofwel tenminste één vermoedelijke dader in België zijn hoofdverblijfplaats had op datum van de inwerkingtreding van de wet.
Wanneer de federale procureur deze dossiers toestuurt aan de procureur-generaal in het Hof van Cassatie voegt hij er voor ieder overgezonden zaak een verslag bij waarin hij de conformiteit of de non-conformiteit aan de nieuwe bevoegdheidscriteria aangeeft bepaald in de artikelen 6, 1° bis, 10,1° bis en 12 bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie zal dan, indien hij het gegrond acht, het Hof van Cassatie vorderen de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges uit te spreken op grond van de criteria bepaald in voormelde artikelen van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
7.5.2.b. Statistieken
Op datum van 31 december 2004 had de federale procureur elf dossiers aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie overgezonden.
In negen dossiers waarvoor een gerechtelijk onderzoek liep, heeft het Hof van Cassatie een beslissing van onttrekking uitgesproken24.
Twee andere dossiers werden eveneens onderzocht25 maar het Hof van Cassatie heeft in de twee gevallen de uitspraak aangehouden tot het Arbitragehof zal uitspraak gedaan hebben over de prejudiciële vragen gesteld ten gevolge van de verzoeken geformuleerd door de klagende partijen over de eventuele schending van de artikelen 10,11 en 191 van de Grondwet door de artikelen 10, 1° bis nieuw van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en 29, §3, lid 2, van de wet van 5 augustus 2003.26
7.5.2.c. Procedure voor de dossiers in opsporingsonderzoek
Betreffende de dossiers in opsporingsonderzoek heeft het federaal parket de dossiers moeten seponeren die niet aan de nieuwe bevoegdheidscriteria voldoen, namelijk:


  • Hetzij de aanwezigheid van een vermoedelijke dader van Belgische nationaliteit of die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, (deze criteria kunnen zowel op het tijdstip van de feiten als bij het instellen van de vervolging beoordeeld worden);




  • Hetzij de aanwezigheid, op het tijdstip van de feiten, van een slachtoffer van Belgische nationaliteit of een persoon die sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft;




  • Hetzij het bestaan van een rechtsregel van internationaal verdrags- of gewoonterecht die België verplicht tegen de inbreuk in kwestie vervolging in te stellen.

In toepassing van deze overgangsbepalingen heeft het federaal parket vijf dossiers geseponeerd.


Na toepassing van de overgangsbepalingen van de wet van 5 augustus 2003, blijven er in totaal over:


  • 12 dossiers in opsporingsonderzoek waarvan 8 over de gebeurtenissen die in 1994 in Rwanda in plaats hadden;


- 20 dossiers in gerechtelijk onderzoek waaronder 9 over de gebeurtenissen in Rwanda van 1994, en die zouden kunnen leiden tot een proces 27 ; in twee van deze dossiers bevinden zich twee personen in voorlopige hechtenis waaronder één wegens de moord op de tien Belgische blauwhelmen in Kigali in april 1994 ;

Het andere dossier waarin een persoon in hechtenis is werd door de procureur van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aan de Belgische autoriteiten toegestuurd.

Wat betreft de dossiers die niet over Rwanda handelen, zal tijdens het eerste trimester 2005 een RHV naar Guatemala gestuurd worden.


  • Een dossier over de gebeurtenissen in Rwanda in 1994 werd verwezen naar het assisenhof van het bestuurlijk arrondissement van Brussel-hoofdstedelijk gewest dat deze zaak vanaf 9 mei 2005 zal onderzoeken; in dit dossier zijn twee personen in aangehouden.


7.6. andere opdrachten van het federaal parket


      1. De gemeenschappelijke omzendbrief van de Minister van Justitie en het College van procureurs-generaal (COL 9/1998) betreffende de criminele motorbendes

Het federaal parket blijft deze problematiek actief opvolgen.




      1. Het koninklijk besluit van 9 februari 1999 tot oprichting van het Interdepartementaal Coördinatiecomité ter bestrijding van illegale wapentransfers

Voor de betrokken periode heeft de federale procureur van dit coördinatiecomité geen documenten noch uitnodiging ontvangen.


Ter informatie, in januari 2005 werd er toch een federale magistraat aangesteld om de problematiek van de wapenhandel op te volgen.


      1. De gemeenschappelijke omzendbrief van de Minister van Justitie en van het College van procureurs-generaal (COL 4/2000) betreffende de proactieve recherche

Herinneren wij eraan dat de federale procureur momenteel bevoegd is om zelf de strafvordering uit te oefenen over het hele grondgebied. Hij kan dus tot eigen opsporingsonderzoeken met een nationale dimensie laten overgaan (met inbegrip van proactieve recherche). Zo maakt de (inter) nationale proactieve recherche van nu af aan het voorwerp uit van federale opsporingsonderzoeken, uitgevoerd onder de leiding en het gezag van de federale procureur. Het spreekt vanzelf dat deze (inter)nationale proactieve onderzoeken zich alle moeten inschrijven in het kader van de prioriteiten die door de Minister van Justitie en het College van procureurs-generaal voor het crimineel beleid vastgelegd zijn.


In de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004 maken 14 (inter)nationale proactieve onderzoeken het voorwerp uit van een federaal dossier.
De omzendbrief COL 4/2000 van het College van procureurs-generaal dient steeds geactualiseerd.
Om de nationale proactieve onderzoeken te reactiveren die ten tijde van de nationale magistraten opgestart werden, heeft de federale procureur het initiatief genomen om op 29 juni 2004 de gerechtelijke directeur-generaal en diens betrokken directeurs, vertegenwoordigers van de procureur-generaal van Gent (die voor deze materie verantwoordelijk is), de dienst crimineel beleid van de FOD Justitie en de betroffen federale magistraten bijeen te brengen.

Op die vergadering werd het onderscheid tussen het werken met programma’s of projecten (in de zin van artikel 95 van de wet op de geïntegreerde politie) en proactieve recherche (in de zin van artikel 28bis Sv) verduidelijkt.

Deze eerste stap leidde tot een werkvergadering op 15 september 2004, waarop, naast voornoemde personen, ook vertegenwoordigers van de kabinetten van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken waren uitgenodigd. Deze laatsten werden van de lopende projecten / programma’s op de hoogte gebracht en van de rol die ze moeten spelen bij de validatie van deze programma’s/projecten. De keuze ervan, evenals de problematiek van het beheer en de controle van de verzamelde informatie werden eveneens aangesneden.
Deze zelfde problematiek kwam ook nog aan bod binnen het college van procureurs-generaal en de werkgroep « artikel 44 » waarop de federale procureur aanwezig is.
Gelet op het cruciale belang van het behoud van deze programma’s / projecten met betrekking tot belangrijke criminele fenomenen, blijft het federaal parket deze problematiek verder opvolgen en zal, zo nodig, in de loop van het jaar 2005 andere initiatieven nemen.


      1. De omzendbrief van het College van procureurs-generaal (COL 6/2001) op de gerechtelijke aanpak van feiten van home- en carjacking en garagediefstal.

Bij toepassing van de circulaire COL 6/2001 van het College van procureurs-generaal, heeft een federale magistraat een coördinatievergadering belegd waarop de referentiemagistraten van alle parketten van het land, een vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal en de dienst « voertuigzwendel » van de centrale directie DGJ /DJB van de federale politie uitgenodigd waren.


Deze vergadering heeft tot vruchtbare contacten tussen de referentiemagistraten en het federaal parket geleid.


      1. De strijd tegen de schadelijke sektarische organisaties

De samenstelling van de Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties die bij toepassing van de wet van 2 juni 1998 houdende oprichting van een Informatie- en adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties in de schoot van de FOD Justitie opgericht werd, voldeed niet langer aan de wijzigingen die politiediensten en federale openbare diensten moesten ondergaan. Het federaal parket is nog altijd vertegenwoordigd, maar het voorzitterschap van de Cel zal toevertrouwd worden aan een vertegenwoordiger van de procureur-generaal van Luik.


Deze cel is in de betrokken periode niet meer bijeen geweest.


      1. Gewapende overvallen

Het federaal parket was op enkele vergaderingen van het overlegplatform « Veiligheid Zelfstandige Ondernemers » aanwezig. Een federale magistraat heeft in het federaal directiecomité « partnership » gezeteld.




      1. De kansspelen


In de betrokken periode heeft het federaal parket aan geen enkele door de kansspelcommissie georganiseerde werkvergadering deelgenomen. Deze Commissie heeft evenmin bepaalde verzoeken naar het federaal parket gestuurd.
Een federale magistraat onderhoudt niettemin contacten met de voorzitter van deze commissie.


      1. Cybercriminaliteit

Het federaal parket is nauw betrokken bij de strategische opvolging van dit fenomeen dat zich sedert enkele jaren versneld is beginnen verspreiden en vanaf 2004 in België uitdrukkelijk op de voorgrond is getreden.


1°.- de « klassieke » criminaliteit die gebruik maakt van de nieuwe technologieën en de persoonlijke gegevensbanken die door de « communicatiemaatschappij » via planetaire netwerkverbindingen ter beschikking worden gesteld.
Samen met DGJ/DJF/CDGEFID, FCCU, verschillende federale openbare diensten, voornamelijk de FOD Economische Zaken, het BIPT, de FOD Justitie, de FOD Binnenlandse Zaken en andere toevallige partners, te veel om hier op te noemen, maar onder andere de Staatsveiligheid, de ADIV (dienst inlichting en veiligheid van de krijgsmacht), de netoperatoren, verschillende vakorganisaties en consumentenverenigingen, enz … heeft het federaal initiatieven genomen of eraan deelgenomen, op basis van informatie vanuit de lokale parketten, met het oog op het benadrukken van preventie om te pogen feiten van kennelijke oplichting zo veel mogelijk te beperken. Het gaat hier dus eerder om coördinatie.
2.°- de specifiek elektronische criminaliteit, in de zin van de wet van 28 november 2000.

Dit soort criminaliteit kan toe te schrijven zijn aan kleine welomschreven criminele organisaties, zelfs gedeeltelijk aan specifieke cellen van grotere criminele organisaties, maar we beschikken daaromtrent nog niet over voldoende informatie.

In overeenstemming met zijn wettelijke opdracht zal het federaal parket de strafvordering uitoefenen tegen criminele organisaties die in België ontmaskerd zouden worden.


      1. Illegale handel in kustvoorwerpen

Naast verschillende rechtshulpverzoeken met betrekking tot illegale handel in kustvoorwerpen, heeft het federaal parket, in partnerschap met het Art Research Team van de federale politie en met de samenwerking van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, over het hele land de coördinatie gevoerd in een dossier van gestolen kunstvoorwerpen, ten nadele van zowel instituten als privé-personen, en de nodige internationale stappen gezet voor de teruggave van de stukken die in Frankrijk werden teruggevonden..


1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20

  • Nationale rechtshulpverzoeken
  • Aanbeveling

  • Dovnload 0.99 Mb.