Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004

Dovnload 0.99 Mb.

Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004



Pagina20/20
Datum04.04.2017
Grootte0.99 Mb.

Dovnload 0.99 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20


Verslag van de federale procureur

aan het College van procureurs-generaal

periode gaande van 1 september 2003 tot 31 december 2004


BIJLAGEN


BIJLAGEN A




  1. ALGEMEEN ORGANOGRAM VAN HET FEDERAAL PARKET

  2. ADMINISTRATIEF ORGANOGRAM VAN HET FEDERAAL PARKET

  3. ORGANOGRAM VAN DE AFDELING STRAFVORDERING


BIJLAGE B



ALGEMENE DIENSTNOTA

ORGANISATIE VAN HET FEDERAAL PARKET

BIJLAGE C



ARRESTEN EN VONNISSEN


BIJLAGE D



VERSLAG INZAKE DE OPDRACHT VAN TOEZICHT OP DE WERKING VAN DE CDBC


1 De omzendbrief werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 mei 2002.

2 B.S. 10 februari 1999.

3


 B.S. 20 juli 2001.

4 Zie Hoofdstuk II, “Bijzondere opdrachten” onder punt 7.1.


5 Wet van 7 juli 2002 houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen, B.S. 10 augustus 2002. Zie Hoofstuk II, “Bijzondere opdrachten” onder punt 7.2.


6 Wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden en de Koninklijke besluiten van 26 maart 2003 tot bepaling van de werkingsregels van de nationale en lokale informantenbeheerders en van de contactambtenaren en van 9 april 2003 betreffende de politionele onderzoekstechnieken, B.S. 12 mei 2003.


7 Wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd, B.S. 7 mei 2003.


8 Wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, B.S. 7 augustus 2003.

9 Belangrijk: er werd geen rekening gehouden met de federale strafdossiers die werden gevoegd aan een bestaand federaal strafdossier. Deze gevoegde dossiers kunnen talrijk zijn.

10 Artikel 24 en 25 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.


11 Zie hoofdstuk III, punt 8.1. “De wederzijds informatieplicht – Informatieplicht van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur en de procureur-generaal – Proces-verbaal van aanhangigmaking (saisine)”.

12 B.S. van 22 december 2003.

13 PB ven 18 juli 2002, L 190, pagina 1.

14 Art. 19 §2 van de wet van 19 december 2003.

15 Art. 29 van de wet van 19 december 2003.

16 Art. 30 van de wet van 19 december 2003.

17 Art. 33 §4 van de wet van 19 december 2003.

18 Materies die voor coördinatie in aanmerking komen: terrorisme, Italiaanse maffia, mensenhandel, georganiseerde misdaad, motorbendes, fraude ten nadele van de Europese Unie.

19 In de praktijk worden veel rechtshulpverzoeken naar het federaal parket gestuurd door de operationele directie van DGJ (DJO) zonder dat DSO, de centrale politiële autoriteit, daarvan op de hoogte wordt gebracht.

20 De federale politieraad is samengesteld in overeenstemming met artikel 6 WGP en met het koninklijk besluit van 26 oktober 2001, B.S. van 20 november 2001.


21 Wet van 10 april 2003 tot regeling van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede van het behoud ervan in oorlogstijd B.S.van 7 mei 2003.

22 Dossiers die op initiatief van het federaal parket geopend werden ( bijvoorbeeld op basis van een verslag van de inlichtingendiensten).

23 gemeenschappelijke omzendbrief van het College van procureurs-generaal van 5 januari 2004 – COL 1/2004, betreffende de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd alsmede het behoud ervan in oorlogstijd – wetten van 10 april 2003, blz. 36.

24 Het betreft de volgende beslissingen :

  • Cass., 24 september 2003, in zake Bush G.H.W en consorten, R.G.P.03.1216.F

  • Cass., 24 september 2003, in zake Sharon A. en consorten

  • R.G.P.03.1217.F

  • Cass., 24 september 2003, in zake Yaron A en consorten,

  • R.G.P.031218.F

  • Cass., 10 december 2003, in zake Al Marrakchi, R.G.P.03.1469.F

  • Cass., 10 december 2003, in zake Castro F. en consorten,

  • R.G.P.03.1506.F

  • Cass., 17 december 2003, in zake Service A. en consorten,

  • R.G.P.03.1476.F

  • Cass., 17 december 2003, in zake Nezzar K. en consorten,

  • R.G.P.03.1475.F

  • Cass., 17 december 2003, in zake Biya P. en consorten,

  • R.G.P.03.1517.F

  • Cass,. 10 maart 2004, in zake Hussein S. en consorten

  • R.G.P.04.0231.F




25 Cass,. 5 mei 2004, in zake Totalfinaelf en consorten, R.G.P. 04.0482.F

Cass., 19 mei 2004, in zake Kagame P. en consorten, R.G.P. 04.0352.F




26 De prejudiciële vragen ,aan het Arbitragehof gesteld luiden als volgt.

-“ Schendt artikel 29, §3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, wanneer het zo geïnterpreteerd wordt dat de onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht zou vereisen, ook al heeft ten minste één klager als vreemdeling het statuut van vluchteling in België op het ogenblik dat de strafvordering oorspronkelijk werd ingesteld, terwijl het die onttrekking verhindert wanneer er op datzelfde ogenblik ten minste één Belgische klager was?”

(Cass., 5 mei 2004, R.G. P. 04.0482.F)

- “ Schendt artikel 29 ,§ 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht oplegt, hoewel minstens één klager een vreemdeling was die wettig in België verbleef op het ogenblik dat de strafvordering ingesteld werd, ook al is hij kandidaat-vluchteling, terwijl het die onttrekking verhindert wanneer minstens één klager op datzelfde ogenblik een Belgisch onderdaan was ?”.


- “Schendt artikel 10, 1°bis, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het toestaat de strafvordering uit te oefenen wegens een in het buitenland gepleegde misdaad tegen het internationaal humanitair recht, wanneer het slachtoffer Belg was op het ogenblik van de feiten, maar zulks niet toestaat wanneer het slachtoffer op datzelfde ogenblik een vreemdeling was die sinds drie jaar wettig in België verbleef,ook al is hij kandidaat-vluchteling ?”. (Cass., 19 mei 2004, R.G. P.04.0352.F)



27 De overige dossiers betreffen feiten die plaats hadden in Chili, in Congo, in Cambodja, in Marokko, in Iran, in Tsjaad, in Guatemala, in Congo-Brazzaville, in Israël, in Koweit en in Mauretanië.

28 Dit standaardmodel werd in het openbaar ministerie verspreid door de omzendbrief COL 8/2002 van het College van procureurs-generaal.

29 Zie Hoofdstuk III, punt 8 .1 «  de wederzijdse informatieplicht  - beperkt aantal meldingen ».

1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   20

  • BIJLAGE B

  • Dovnload 0.99 Mb.