Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een notaoverleg

Dovnload 176.62 Kb.

Verslag van een notaoverleg



Pagina1/5
Datum05.12.2018
Grootte176.62 Kb.

Dovnload 176.62 Kb.
  1   2   3   4   5

VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG


De vaste commissie voor Defensie heeft op 25 juni 2012 overleg gevoerd met minister Hillen van Defensie over Veteranen.
Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Van Beek
De griffier van de vaste commissie voor Defensie,

Roovers

**
Voorzitter: Van Beek


Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten:
Van Beek, Bosman, Jasper van Dijk, Eijsink, El Fassed, Hernandez en Holtackers,
en de heer Hillen, minister van Defensie.

Aan de orde is de behandeling:



- de brief van de minister van Defensie d.d. 4 juni 2012 inzake de Veteranennota 2011-2012 (30139, nr. 98);

- de brief van de minister van Defensie d.d. 12 juni 2012 over de Regeling ereschuld veteranen (30139, nr. 100);

- de brief van de minister van Defensie d.d. 19 juni 2012 inzake een aanvullend hoofdstuk in de Veteranennota over de veteranen van de ISAF-missie in Uruzgan (30139, nr. 101).
De voorzitter: Goedemiddag. Ik heet de minister, zijn staf, en de collega's welkom bij dit notaoverleg over de veteranen. Er is een buitengewoon ruime spreektijdregeling, maar de leden hoeven hun spreektijd absoluut niet helemaal te benutten.

Het woord is allereerst aan de heer Bosman van de VVD-fractie.

**
De heer Bosman (VVD): Voorzitter. We bespreken vandaag de Veteranennota. Zaterdag is het weer Veteranendag, een dag om de veteranen landelijk onder de aandacht te brengen. Dat is nog steeds nodig. Ik wil hier de woorden van onze minister-president Mark Rutte aanhalen, die tijdens de laatste Veteranendag het volgende zei: "Té lang hebben we met elkaar net gedaan alsof een militaire uitzending gewoon een baan is als alle andere. Maar dat is natuurlijk niet zo. Veteranen hebben iets goeds en iets bijzonders gedaan, en deze inzet voor vrede en veiligheid verdient blijvend onze dank en ons grote respect." En zo is dat.

In het afgelopen jaar zijn twee mijlpalen bereikt. De Veteranenwet is aangenomen en dit kabinet heeft, ondanks de crisis, geld gevonden voor de ereschuld. De minister en het kabinet verdienen hiervoor alle respect. Ondanks de bezuinigingen is het benodigde bedrag alsnog gevonden. Dit laat zien hoe belangrijk de veteranen zijn voor dit kabinet. Het heeft echter wel tijd gekost, en dat is altijd jammer, zeker voor de betrokken veteranen. Maar de inspanningen van vooral deze minister hebben tot positief resultaat geleid, waarvoor dank.

De minister heeft aangekondigd, de uitwerking van de Veteranenwet nog dit jaar naar de Kamer te sturen. De Algemene Maatregelen van Bestuur laten wel lang op zich wachten. Ik begrijp dat er veel belangen van veel betrokken organisaties zijn bij dit proces. Maar de VVD spreekt uit dat al deze organisaties het belang van de veteraan laten prevaleren. De uitvoering van de Veteranenwet duldt geen vertraging, juist voor die veteranen. Kan de minister zeggen welk tijdpad hij in gedachten heeft voor de toezending van de Algemene Maatregelen van Bestuur?

Verder is het goed dat militairen die deelnemen aan antiterreuracties in eigen land na beoordeling door de minister als veteraan kunnen worden aangewezen. Daarbij wil de VVD vooral kijken naar de militaire uitvoering van de actie voor de militairen, los van de politieke context, want ook daar heeft de VVD oog voor.

Het is positief dat er hard wordt gewerkt om de erkenning van en de waardering voor veteranen te bevorderen. De veteranenpas wordt automatisch uitgereikt, jonge veteranen worden meer betrokken bij verschillende veteranenactiviteiten en er zal meer worden gedaan om de beeldvorming over de veteranen te richten op het belang van hun inzet in plaats van op de problemen van een kleine groep. Ook gaan de verschillende organisaties die zich voor erkenning en waardering inzetten, steeds meer samenwerken. Dat vind ik zeer belangrijk, want hoe beter de samenwerking, hoe beter de zorg. Inzicht in de besteding en de effectiviteit van het geld -- de 9,8 mln. die besteed wordt aan erkenning en waardering -- zou het resultaat misschien nog wel kunnen verbeteren.

Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat soldaten met een bepaalde biologische eigenschap en traumatische ervaringen meer kans hebben op een posttraumatische stressstoornis (PTSS) na uitzending. Dit onderzoek loopt tot 2015. Het is goed dat dit soort onderzoeken plaatsvindt en blijft plaatsvinden. Ik wil graag weten wat het vervolg zal zijn van het onderzoek. Is het denkbaar dat selectieprocedures en keuringen worden aangepast naar aanleiding van deze onderzoeken? De Raad voor civiel-militaire Zorg en Onderzoek (RZO) heeft geconcludeerd dat er middelen beschikbaar moeten komen en blijven voor verder wetenschappelijk onderzoek. Hoe is dit in de toekomst gegarandeerd?

De veteranenzorg ontwikkelt zich steeds beter en dat is goed nieuws. Soms zijn alleen de wachttijden na herkeuringen van veteranen erg lang. Zoals besproken bij de behandeling van de Veteranenwet is een snelle interventie beter voor alle betrokkenen. Hoe eerder diagnose en behandeling plaatsvinden, des te eerder kunnen mensen weer het dagelijks leven in. Dat is beter voor de veteranen, voor zijn of haar omgeving en voor de samenleving. Ik wil weten wat de minister een fatsoenlijke tijd vindt voordat de resultaten binnenkomen bij veteranen. Herkeuring brengt veel onzekerheid. Als het nodig is, moet ernaar gestreefd worden, de wachttijd te verkorten. Kan de minister zeggen of dit mogelijk is?

Verder heb ik begrepen dat veteranen die voor PTSS worden behandeld bij instanties zoals Stichting Centrum '45 in Oegstgeest, verschillende verborgen kosten betalen, zoals dagkosten voor opvang. Zo worden zij alsnog met een hoge rekening geconfronteerd en dat is onterecht. De vraag is of deze kosten kunnen worden gedekt via de verzekering of dat de minister hiervoor verantwoordelijk is.

Inmiddels is na onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) bevestigd dat de nieuwe schattingsmethodiek van het PTSS-protocol betrouwbaar is.

Het is goed nieuws dat veteranen betrouwbaar worden gekeurd, zodat er niet, zoals een paar jaar geleden, sprake is van willekeur. Het nadeel is dat sommige veteranen met een tijdelijke-invaliditeitspercentage bij herkeuring een lager percentage krijgen toegekend, maar dat betekent vooral dat ze voorheen een te hoog percentage hebben gekregen.

Tot slot wil ik aandacht vragen voor de veteranen in de samenleving. Veteranendag is een mooi beeld van de landelijke erkenning en waardering. Ik wil echter ook alle gemeenten vragen om aandacht te schenken aan de veteranen in hun omgeving. Dat gebeurt al op veel plekken, ook door lokaal georganiseerde veteranendagen. Dat is mooi. Het zou echter nog mooier zijn als de veteranen die aandacht op allerlei momenten zouden krijgen, bijvoorbeeld bij nieuwjaarstoespraken en -bijeenkomsten, welkomstbijeenkomsten van nieuwe inwoners en wat dies meer zij. Het is goed om de veteraan blijvend te benoemen als deel van de samenleving en van de gemeente. Steeds meer veteranen maken deel uit van die samenleving. Het beeld van de oude ijzervreter met snor is aan verbetering toe. De veteraan van vandaag kan namelijk iedereen zijn: man, vrouw, jong, oud, allochtoon of autochtoon. Te lang hebben we met elkaar net gedaan alsof een militaire uitzending gewoon een baan is als alle andere. Maar dat is natuurlijk niet zo.
De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Vandaag spreken we over veteranen, in het bijzonder over de erkenning van en waardering voor deze categorie Nederlanders, die zich op een bijzondere manier hebben ingezet. Ook de Veteranenwet, die eind vorig jaar in de beide Kamers der Staten-Generaal is aangenomen, is een belangrijke mijlpaal geweest. Goede veteranenzorg is één, de verankering daarvan in de wet is twee. Erkenning en waardering zijn nu geborgd. De PVV is het niet altijd met de regering eens over het uitzenden van militairen naar bepaalde delen van deze wereld, maar dat maakt hun werkzaamheden er niet minder gevaarlijk op en laat onverlet dat onze fractie veel respect heeft voor de vele militairen die de afgelopen jaren zijn uitgezonden. Bij dezen spreek ik namens mijn hele fractie de waardering en het respect uit naar alle veteranen, militairen en oud-militairen die momenteel een missie uitvoeren of in het verleden een missie hebben uitgevoerd.

De minister streeft ernaar om dit jaar het Veteranenbesluit aan de Kamer aan te bieden. Dit valt te lezen in zijn brief. Bij het Veteraneninstituut in Doorn gaat men er echter van uit dat de Veteranenwet pas van kracht wordt in 2013. Kan de minister specifieker aangeven wanneer hij verwacht dat de Veteranenwet in werking treedt?

Daarnaast is de PVV blij dat de minister overeenstemming heeft bereikt over de Regeling ereschuld veteranen. Ze vraagt zich echter wel af waarom de veteranen, die veelal op hoge leeftijd zijn, zo lang moeten wachten op de daadwerkelijke uitkering. Waarom zal die pas in het laatste kwartaal van dit jaar worden uitbetaald?

Onze fractie vindt de Veteranennota 2011-2012 in vergelijking met de rapportage van vorig jaar vrij beperkt. Vorig jaar kregen we bijvoorbeeld de jaarlijkse Veteranenmonitor van het Veteraneninstituut als bijlage toegezonden. Dit jaar niet. Helaas, want hier staan zeer interessante gegevens in over het beeld dat de samenleving heeft van onze veteranen, en erkenning van en waardering voor de veteranen. Kan de minister aangeven waarom we dit jaar geen Veteranenmonitor hebben gekregen? Kan wellicht worden aangegeven hoe de erkenning van en waardering voor onze veteranen in de samenleving zich hebben ontwikkeld ten opzichte van vorig jaar? Hoe staat het nu met de jonge veteranen en hun veteranengevoel? Kan de minister toezeggen dat hij elk jaar een dergelijke monitor meestuurt met zijn Veteranennota?

De PVV vindt dat Defensie met zijn veteranenbeleid naast de zorgplicht voor veteranen ook als doel moet hebben om de zichtbaarheid van Defensie in de samenleving en het patriottisme in Nederland te vergroten. Net als vorig jaar wil ik mijn waardering uitspreken voor het onderwijsproject Verhalen van Veteranen, waarbij veteranen hun verhaal vertellen voor de klas. Wij bevorderen graag dat alle basisscholen en middelbare scholen in Nederland gebruikmaken van dit initiatief en vinden dat de regering hierin een actieve, stimulerende rol kan vervullen. Dit project is een absoluut succesverhaal en steeds meer leerlingen worden bereikt door het toenemende aantal schoolbezoeken van veteranen. Dit bevordert daarnaast de zo gewilde zichtbaarheid van Defensie in de samenleving. Is de minister bereid om de bekendheid van dit onderwijsproject namens de regering te vergroten op Nederlandse basisscholen en middelbare scholen?
Om de zichtbaarheid van militairen in de maatschappij te vergroten heb ik er vorig jaar ook voor gepleit om militairen verplicht in uniform te laten reizen in het openbaar vervoer. De minister heeft toegezegd het reizen in uniform binnen de krijgsmacht te promoten. Hoe is dit het afgelopen jaar gepromoot?

Net als vorig jaar confronteer ik de minister vandaag met onze voorkeur voor de regionale benadering van het veteranenbeleid. Wij willen het veteranenbeleid regionaal benaderen. Ook het veteranenplatform en de 42 lidverenigingen met zo'n 70.000 veteranen zijn hier voorstander van. Krijgsmachtdelen in de verschillende regio's kunnen hierbij worden gekoppeld aan de regionale veteranenorganisaties. Steeds meer veteranen van oudere generaties ontvallen ons, waardoor steeds meer besturen van regionale veteranenorganisaties wegvallen en individuele veteranen ongeorganiseerd achterblijven. Daarmee gaan automatisch ook de tradities verloren. Waarom zouden wij deze veteranenorganisaties niet regionaal binden aan de krijgsmachtdelen om te voorkomen dat organisaties met alle tradities van dien een stille dood sterven?

Defensie moet zich meer inzetten voor het voortbestaan van regionale veteranenorganisaties. Krijgsmachtdelen kunnen hier een essentiële rol in spelen en initiatieven met veteranenorganisaties in de regio afstemmen. De minister heeft aangegeven dat eind 2012 het symposium Toekomst Veteranenland wordt georganiseerd over de samenstelling van het veteranenlandschap over tien jaar. Is hij het met ons erover eens dat de regionale benadering weleens het kader kan gaan vormen voor het veteranenlandschap in de nabije toekomst?

De jaarlijkse Nederlandse Veteranendag is een nationaal evenement dat elk jaar in Den Haag wordt georganiseerd. Welke toegevoegde waarde geeft de minister aan het feit dat dit mooie evenement elk jaar in Den Haag wordt georganiseerd? De PVV krijgt namelijk signalen vanuit de veteranenorganisaties dat oude veteranen uit het hele land vaak moeite hebben om naar Den Haag af te reizen. Is het niet mooier om de jaarlijkse Nederlandse Veteranendag wisselend te organiseren in bijvoorbeeld de provinciale hoofdsteden of het hele gebeuren te verdelen over vier Nederlandse regio's? Hierbij valt te denken aan de regio's noord, zuid, oost en west. Ook hier kan voor een regionale insteek worden gekozen. De spreiding van de organisatie van dit mooie evenement draagt ook bij aan de zichtbaarheid van de krijgsmacht in heel Nederland. Dit zou nader uitgewerkt moeten worden in een concreet voorstel. Graag een reactie van de minister.

Het terugkijken op de zware missie in Afghanistan zal voor Nederlandse veteranen de komende decennia een grote positie innemen. Duizenden Nederlandse militairen hebben een herinnering aan Afghanistan, onder wie ikzelf. Ik ben positief over de aanvulling op de veteranennota, waarin de evaluatie van het nazorgsysteem voor militairen die hebben deelgenomen aan de ISAF-missie, centraal staat. De nazorg bij Defensie is gewoon goed geregeld. Dat weet ik ook uit eigen ervaring. Het grootste gedeelte van de uitgezonden militairen heeft geen behoefte aan nazorg of steun na een uitzending. Het is echter geruststellend dat de veteranen die het wel nodig hebben, van dit zeer goede nazorgsysteem gebruik kunnen maken. Punten van aandacht zoals onduidelijke, niet inzichtelijke of onvolledige registraties heeft de minister onderkend. In de volgende veteranennota ziet de PVV graag eenzelfde hoofdstuk over veteranen van de ISAF-missie verschijnen.
De heer Holtackers (CDA): Voorzitter. Wij bespreken vandaag de veteranennota van de minister. Naar aanleiding van de nota wil ik namens het CDA in chronologische volgorde zeven onderwerpen aan de orde stellen die daarin aan bod komen. Voordat ik dat doe, wil ik de minister feliciteren met het gevoerde beleid en de vele activiteiten die worden ontplooid. Ik noem bijvoorbeeld het initiatief van de zilveren roos. Deze onderscheiding komt nu weer beschikbaar voor partners van militairen die uitgezonden zijn vóór 1994. Dat is een mooi eerbetoon aan het thuisfront. Er is op het gebied van veteranenbeleid belangrijke vooruitgang geboekt, maar er is nog veel werk aan de winkel.

Allereerst wil ik de aandacht vestigen op een grote en helaas vergeten groep veteranen, waarbij ik achter de kwalificatie "veteranen" nog even een vraagteken zet.

Over anderhalf jaar is het 2014. Dan is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon. Een verschrikkelijke oorlog. Een oorlog die de wereld vier jaar zou teisteren, een onwaarschijnlijk hoge human toll zou eisen en economische schade zou aanrichten. Hoewel Nederland een neutrale positie innam, is die oorlog niet zomaar aan ons voorbijgegaan. Uit NIOD-onderzoek is duidelijk gebleken dat Nederland vanaf 1914 in crisis was. Vlak voor het uitbreken van de oorlog is in Nederland de mobilisatie gestart. Onder commando van luitenant-generaal Snijders werd een kleine 200.000 man van het veldleger en van de landweer op de been gebracht. In de periode daarna zijn op een bevolking van toen 6 miljoen mensen maar liefst 400.000 Nederlanders opgeroepen om hun land te verdedigen tegen eventuele agressors. Ze werden uit hun normale leven, hun gezin en werk weggerukt om maanden- of jarenlang grenzen te bewaken, vitale infrastructuur te bewaken, vluchtelingenstromen te begeleiden en het toezicht op krijgsgevangenen uit te voeren.

De druk op onze mensen was enorm. Het was namelijk allerminst zeker dat Nederland niet bij de oorlog betrokken zou worden. Historici zeggen dat het uiteindelijk een combinatie van een grote dosis wijsheid en een grote dosis geluk is geweest dat dit niet is gebeurd. Ook de confrontatie met diepmenselijk leed van krijgsgevangenen en 1 miljoen vluchtelingen was indringend. Nederland was formeel niet in oorlog, maar werd wel geconfronteerd met oorlogsomstandigheden. Het mag niet onvermeld blijven dat er ook Nederlandse militairen gesneuveld zijn. Zo vermeld het marinemonument in Den Helder de namen van 58 omgekomen militairen van de Koninklijke Marechaussee. Wat is de opvatting van de minister over bijvoorbeeld de in mei 1918 omgekomen marinemensen van de mijnenveger Frans Naerebout? Of over de marinemensen die in november 1914 bij Westkapelle omkwamen tijdens het demonteren van een aangespoelde zeemijn? Vallen zij misschien onder de definitie "veteraan"?

Er speelde nog iets. Nederland was niet in staat om gemobiliseerde landgenoten op een behoorlijke manier te huisvesten, te bewapenen of te kleden. Uit alle hoeken van het land kwamen berichten over de buitengewoon deplorabele omstandigheden waaronder gemobiliseerden langdurig werden gehuisvest. De bewapening was ver onder de maat. Daarnaast waren het uniform en de persoonlijke uitrusting in de verste verte niet geschikt om militairen te beschermen tegen regen en kou. Ook dit eiste zijn tol. Honderden gemobiliseerde landgenoten verloren hun leven of werden ernstig ziek met blijvende gevolgen. Bovendien leden veel gezinnen van gemobiliseerde militairen bittere armoede door de karige vergoedingen.

Het CDA ziet met lede ogen aan dat de inzet en de enorme offers van deze groep oud-militairen vrijwel geheel aan de herinnering is onttrokken en aan de vergetelheid is prijsgegeven. Het CDA staat pal voor de veteranen en voor de burgers die met gevaar voor eigen leven het land hebben gediend tijdens oorlogsomstandigheden. Veteranen verdienen erkenning en waardering. Herinnering en herdenking zijn daar onlosmakelijk aan verbonden, niet alleen de uiting van de nabestaanden of de veteranen zelf, maar vooral van de samenleving. De veteranen zijn van ons. Daarom wil ik de minister de volgende vragen voorleggen. Is hij bereid toe te zeggen de erkenning en waardering van onze oud-militairen die gediend hebben in de Eerste Wereldoorlog, te bevorderen en dit vanaf 2014 duidelijk tot uiting te brengen in een herdenkingsprogramma, al dan niet gecombineerd met bestaande uitingen van eerbetoon aan onze veteranen? Is de minister bereid de Kamer voor 1 maart 2013 te informeren over de wijze waarop hij invulling geeft aan dit verzoek, als hij ermee instemt? Ziet de minister mogelijkheden om het NIOD en het Nationaal Comité 4 en 5 mei actief te betrekken bij het levend houden van de herinnering aan de inzet en ontberingen van Nederlandse burgers en veteranen uit de Eerste Wereldoorlog? Zo ja, welke mogelijkheden ziet hij dan? Zo nee, waarom niet?

Dit brengt mij bij mijn volgende punt: de ereschuld en de Veteranenwet. In het afgelopen jaar zijn er verschillende mijlpalen bereikt in het veteranenbeleid. Niet alleen werd de Veteranenwet aangenomen, maar werd er ook financiële dekking gevonden voor de betaling van de ereschuld.

Nogmaals onze complimenten aan de minister en het kabinet, die dit nota bene in deze tijden van crisis en bezuinigingen mogelijk hebben gemaakt. Het is geen verrassing dat deze gebeurtenissen leidden tot opgetogenheid bij onze veteranen en hun naasten. Tegelijkertijd werd het geduld van deze mensen op de proef gesteld, omdat de uitwerking van beide besluiten logischerwijs op zich liet wachten. Het CDA was dan ook verheugd over de brief van 12 juni jl. waarin de minister meedeelde, een akkoord bereikt te hebben met onder meer vakorganisaties. Als het goed is, ontvangen de veteranen die er recht op hebben nog dit jaar de bijzondere uitkering, die netto wordt uitgekeerd. Het gaat om een substantiële tegemoetkoming die wat het CDA betreft recht doet aan het offer dat de veteranen hebben gebracht. Dat is goed nieuws, zo vlak voor Veteranendag. Overigens benadruk ik dat de voor deze doelgroep ook beschikbare immateriële vergoedingen en voorzieningen minstens zo waardevol zijn. Zijn er nog uitvoeringsproblemen te verwachten die spoedige betaling van de ereschuld in de weg staan en, zo ja, welke zouden dat kunnen zijn?

De uitwerking van de Veteranenwet loopt gestaag. Ik zal daar kortheidshalve niet op ingaan, omdat collega's er al een en ander over hebben gezegd.

Met belangstelling heeft mijn fractie kennisgenomen van de opbrengsten van de rondetafelconferentie veteranen, die plaatshad op 16 juni 2011 op De Zwaluwenberg. Wij delen ten zeerste de visie dat de beeldvorming over de krijgsmacht bepaald moet worden door de bereikte resultaten en de formidabele inzet van onze mensen. Het zoeken van aansluiting bij lokale of landelijke activiteiten is daarvoor een uitstekende strategie. Het versterkt het collectieve bewustzijn van het belang van het werk van veteranen. Tegelijk sterkt deze strategie het collectieve geheugen. In de nota vermeldt de minister dat de conferentie leidde tot concrete aanpassingen in de strategie van het Comité Nederlandse Veteranendag. Kan de minister hier wat explicieter in zijn? Wat zijn de concrete aanpassingen?

Het is verheugend om te zien dat er vanuit de samenleving steeds meer initiatieven worden ontplooid voor veteranen. Ik noem er twee, allereerst het initiatief waarbij kinderen van gesneuvelde militairen met elkaar in contact treden om ervaringen te delen en te verwerken. Ook bestaat het voornemen om naar Amerikaans voorbeeld een wielerronde door Nederland te organiseren. Het gaat dan niet alleen om het fietsen, maar ook om de loutering en de positieve effecten op het zelfrespect dat van zo'n evenement uit kan gaan op veteranen, hun begeleiders en hun naasten.

In het hoofdstuk zorg presenteert de minister een indrukwekkend overzicht van het zorgaanbod voor onze militairen. Het is goed dat dit aanbod beschikbaar is. Met de minister is het CDA van mening dat het noodzakelijk is dat het zorgaanbod goed op elkaar moet worden afgestemd. Ook valt het op dat er een evenwichtig aanbod lijkt te zijn tussen voorzorg en nazorg. De kern is dat afstemming en coördinatie moeten plaatsvinden tussen alle partijen. Kan de minister aangeven in welke mate dit gebeurt? In de uitwerking van de Veteranenwet is dit een van de echte succesfactoren. Ook wordt de zorg meermalen geuit door mensen die betrokken zijn bij veteranenzorg dat de coördinatie hier en daar misschien beter kan.

In een media-uiting slaat een van de militaire vakorganisaties, de AFMP, alarm over gezondheidszorg voor militairen. Men stelt dat de bezuinigingen de medische zorg voor militairen zouden raken en dat die onder druk komt te staan. Klopt dat bericht en, zo ja, in hoeverre raakt dit bericht de zorg voor veteranen?

Ik dank de minister voor de beantwoording van mijn mondelinge vragen en de uitwerking naar aanleiding daarvan over het gezondheidsonderzoek van de universiteit van Boston naar het effect van de zogenoemde blasts op onze mensen. Het is goed om te weten dat de krijgsmacht daar ook zelf onderzoek naar doet. Toch wil ik dit punt preciseren. Het Amerikaanse onderzoek is niet, of in ieder geval niet alleen een onderzoek naar de gevolgen van blasts op de mens. De wetenschappers hebben een techniek ontwikkeld om eventuele hersenbeschadigingen vroegtijdig zichtbaar te maken. Men ontwikkelt apparatuur om succesvol preventief onderzoek te doen. Mijn vragen vloeiden primair voort uit de zorg dat Defensie niet over de best mogelijke medische technieken beschikt, terwijl zij dat wel behoort te doen. Kan de minister toezeggen dat hij het Amerikaanse onderzoek ook op dit aspect en op deze wijze betrekt bij de medische zorg voor veteranen?


Mevrouw Eijsink (PvdA): Voorzitter. Deelnemen aan een gewapende strijd of vredesmissies is een bijzondere ervaring in het leven van degenen die het hebben meegemaakt. Vaak geldt dit voor de rest van hun leven.

De betekenis van die ervaring is voor velen positief, maar voor enkelen negatief voor langere of kortere tijd. Dit gaat vaak ook op voor het gezin, voor wat wij "het thuisfront" noemen. Wij denken vandaag ook aan hen die gesneuveld zijn of gewond zijn, aan hun geliefden en aan allen die gemist worden. De samenleving zendt militairen als instrument van buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking uit naar allerlei gebieden over de gehele wereld. Op dit moment zijn er meer dan 1000 militairen werkzaam in missies in opdracht van ons, van de politiek. De regering en het parlement stemmen daarmee in, met alle consequenties van dien.

Vandaag bespreken wij de achtste Veteranennota over de actieve dienende en de gewezen militair. Er is in het afgelopen jaar veel bewerkstelligd. Dat verdient respect en complimenten. De militair en zijn relaties staan centraal. Wat hebben wij voor die mensen bedacht? Werkt het voor hen? Doet het recht aan de zorgen en de pijn? De PvdA-fractie is zeer kritisch over de achtste Veteranennota. Ik kom hier zo meteen op terug.

Ik begin echter met een welgemeend compliment aan de minister voor hetgeen hij deed op het vlak van de inlossing van de ereschuld. Hier is jaren over gesproken. Het was een moeizaam proces. Er was veel geld mee gemoeid. Het zijn bovendien moeilijke, ingewikkelde regelingen. Er werd teruggekeken en toen werd het nog eens ingewikkelder. Dat is niet gemakkelijk. Ik geef de minister ook een compliment voor zijn overleg met de minister van Financiën. Ik wil dat gevecht niet voor mij zien, maar het zal waarschijnlijk een bokswedstrijd geweest zijn. De minister kennende heeft hij alles uit de kast gehaald en op die manier bewerkstelligd dat hij die bokswedstrijd ging winnen. Dat is van groot belang. Dit meen ik echt.

Nu zijn de volgende stappen van belang. Hoe gaat het met de aanbetalingen? Hoe gaat het met de rapportage? Kan de minister de Kamer in oktober wederom een rapportage sturen over de stand van zaken van de uitbetaling en de regeling voor de inlossing van de ereschuld? Ik heb nog een vraag over de brief over de nieuwe schadevergoedingsregeling. Over deze regeling is namelijk ook overeenstemming bereikt. De vergoeding van de restschade is voorzien in het Besluit Aanvullende Arbeidsongeschiktheid- en invaliditeitsvoorzieningen militairen. Kunnen wij in oktober in een brief een verdere uiteenzetting krijgen van deze toezegging?

Op 19 december vorig jaar werd de Veteranenwet aangenomen in de Eerste Kamer. De minister heeft in de Veteranennota destijds een toezegging aan de Kamer gedaan over het mogelijke toekennen en uitzoeken van een draaginsigne voor de BBE van 1977. Het is niet ongemerkt gebleven dat dit een aantal vragen heeft opgeroepen in de Molukse gemeenschap en pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Heeft de minister impliciet voorzien wat de uitwerking zou zijn? De minister valt in dezen niets te verwijten. Hij heeft een toezegging gedaan en daarmee een verzoek van de Eerste Kamer horende bij de Veteranenwet ingewilligd. De brief van de minister is op 4 juni naar de Kamer gestuurd en op 11 juni vond de herdenking plaats van de gebeurtenissen 35 jaar geleden in De Punt. Ik kan mij voorstellen dat men even verdrietig is. Kan de minister hierop reageren? Is de minister in gesprek geweest of gaat hij in gesprek met een afvaardiging van Molukse organisaties? Ik heb afgelopen vrijdag een gesprek met hen gevoerd en dat was voor mij zeer verhelderend. Het was plezierig en goed om erover te spreken. Als er een kink in de kabel komt, is het namelijk van belang om de verzoening -- de pogingen daartoe die nu aan alle kanten zijn ingezet -- verder voort te zetten en uit te dragen. Dit is juist nu van belang gezien de situatie die nu heerst in de Molukse gemeenschap. Wij delen dit alles immers samen. Wij delen al dat indringende en indrukwekkende verleden. Graag krijg ik een reactie van de minister hierop.

Ik ga nu verder met de nu voorliggende Veteranennota. De zevende Veteranennota vorig jaar viel een beetje tussen wal en schip, want in juni hadden wij de Veteranenwet ingediend. Vervolgens moest die behandeld worden. Wij hebben de minister daarom toen zijn gang laten gaan. Op 27 oktober en 19 december werd de Veteranenwet aangenomen. Ik vraag nu net zoals mijn collega's waar de uitwerking van die wet blijft. Ik zeg hier duidelijk bij dat ik begrip heb voor de reorganisatie, voor het feit dat er heel hard gewerkt wordt en dat nog niet alles voor elkaar is. Wanneer komen echter de Algemene Maatregelen van Bestuur naar de Kamer? Ik heb namelijk tijdens een informeel gesprek begrepen dat die er al in concept waren. Worden die op dit moment al besproken met de vakbonden? Maakt de minister, juist vanwege het feit dat er een interne reorganisatie plaatsvindt, ook gebruik van alle kennis van al die organisaties? De Veteranenwet is er gekomen door de veteranen en met de veteranen. Het zou fijn als ook de Algemene Maatregelen van Bestuur tot stand komen in samenwerking met al die mensen die hieraan gewerkt hebben. Het gaat daarbij om het delen van kennis. Ik vraag de minister om de Algemene Maatregelen van Bestuur in september naar de Kamer te sturen, zodat wij daar zo snel mogelijk verder over kunnen spreken.
Ik zei het al, de nota is wel heel schraal. De heer Hernandez gebruikte het woord beperkt. Ik heb de zes andere nota's voor me liggen en ik heb enig vergelijkend onderzoek gedaan. Deze nota gaat over het proces en niet over de capaciteit, de kwaliteit, de geleerde lessen en de dingen die we zouden moeten doen. De Kamer heeft een controlerende taak, maar ik kan hier geen controle op toepassen. Wij willen weten hoe het met de veteraan als mens gaat. In de afhandeling van de problemen moet de veteraan centraal staan, niet de instantie of de procedures. Kortom, waar is de warme deken over de veteraan?

Wij hebben achteraf nog om een hoofdstuk over Uruzgan moeten vragen. Het is zeer beperkt en het is wederom een procesbeschrijving. Voor in inga op de nota zelf, vraag ik de minister waarom niet is ingegaan op zaken die normaal wel in de nota stonden. Waar is het hoofdstuk over het thuisfront? Waarom is er geen aandacht voor de MGGZ en de zorgmijders? Heeft de IGK de nota gezien? Hij is nota bene ook de inspecteur van de veteranen! Hoe staat het met zorgmanagers en casemanagers, kortom het ABP-onderdeel? Er staat niets over de geestelijke verzorging en Beukbergen, terwijl wij gewend waren dat hiervoor aandacht was in de nota. Dit is uitermate van belang. Hoe staat het met het integrale zorgconcept? Dat is toegezegd in 2010. Bovendien wil ik graag dat de kosten inzichtelijk worden gemaakt. Dat hoort bij de nota. Ik lees niets over maatschappelijk werk en Stichting de Basis. Ook niet onbelangrijk is een uitleg per missie. Wij hebben nu een overzicht gekregen, een plaatje zonder praatje, maar ik wil graag het praatje erbij. Wij hadden eerder afgesproken dat per missie een en ander zou worden uitgelegd, vooral gericht op de toekomst en op de 20.000 militairen die in Uruzgan zijn geweest. Normaal gesproken zat er een overzicht van de uitstaande onderzoeken in het overzicht, maar dat hebben we nu niet. Wanneer kan de Kamer dit overzicht verwachten en waar staan we nu? En hoe zit het met de nazorg voor onze tolken?

Ik zal nu wat vragen over de nota zelf stellen. Ik zal daarbij de paginanummers noemen; dat is wellicht wat makkelijker voor de beantwoording. Op pagina 3 lees ik: "Voor het uitdragen van deze positieve beelden doen de deelnemers een beroep op alle betrokken partijen." Dit gaat over het effect van de inzet van militairen en de trots daarover. Ik begrijp deze zin in het geheel niet. Uiteraard spreken we over alles wat goed gaat, maar we mogen problemen niet reduceren of minimaliseren. Eerder hadden we vaak een discussie omdat gezegd werd: het is maar 5% van de militairen. Dat is veel! Deze mensen verdienen onze blijvende aandacht. Ik wil daarom graag een toelichting op de betreffende zin.

Het Comité Nederlandse Veteranendag heeft een andere taakstelling gekregen. Ik zou graag willen weten wat dit betekent.

Onder het kopje Uitvoering van het veteranenbeleid staat dat het Veteraneninstituut tevens de loketfunctie naar de zorg vervult. Ik mis in dit onderdeel de veteranencafés. De inloophuizen blijven volledig buiten beeld, terwijl juist die instituten van groot belang zijn. Het gaat om de niet-georganiseerde veteranen. Ook al zijn er 42 organisaties bij het Veteranen Platform aangesloten, wij weten allemaal dat 80% van de veteranen niet georganiseerd is. Deze inloophuizen kunnen een belangrijke rol spelen voor deze mensen. Ik heb hier een foldertje met twaalf inloophuizen en er zijn er nog meer in opkomst, maar ze zitten in moeilijkheden, terwijl ze een grote rol te vervullen hebben.

In het kader van de Open Militaire Kampioenschappen is het wellicht aardig om na te denken over Paralympics voor veteranen. Die worden ook in de VS gehouden.

In de nota wordt voor de uitgaven verwezen naar de Defensiebegroting. Graag wil ik meer informatie over de kosten.

Het derde hoofdstuk, over de zorg, opent met het kopje Re-integratie. Ik meen dat wij een toezegging over een evaluatie gekregen hadden. Graag een reactie. Aan het eind van de alinea staat: "Wanneer dat niet mogelijk is, worden de militairen overgedragen aan het DCR (Dienstencentrum Re-integratie) om elders bij Defensie of bij een andere werkgever te re-integreren." Ik wil graag weten wat dit betekent. Is dit een resultaatsverplichting of een inspanningsverplichting? Ik mag aannemen dat het een resultaatsverplichting is.

Onder het kopje Dienstverlaten staat: "Militairen zijn verplicht deel te nemen aan dit onderzoek." Ik zou graag van de minister vernemen of bij de uitkering ook heel goed wordt gekeken naar de schokkende ervaringen die militairen meemaken. Ik krijg signalen dat deze factor niet of onvoldoende wordt meegenomen.

Onder het kopje Nazorgvragenlijsten staat: "Na analyse van de gegevens bleek dat uiteindelijk 5,4 procent van de respondenten zorg nodig had." Dit wordt gevolgd door een cruciale zin: "Dit percentage lijkt door de jaren heen gelijk te blijven." Dat is onmogelijk vast te stellen. In de brief over Uruzgan staat dat maar 50% de lijsten invult. Hoe kunnen wij vaststellen dat die 5,4% gelijk blijft? Ik vind dat nogal wat. Ik wil graag een uitleg van de minister. We hebben eerder al discussies gehad over de zorgmijders en over het onderzoek van de MGGZ, dat overigens nog naar de Kamer moet komen.

Wellicht is het goed om de vragenlijsten eens na te kijken. Ik heb ze ook weleens mogen inkijken. Ze zijn door professionals opgesteld -- dat is prima -- maar misschien is het goed om de doelgroep zelf eens te laten meekijken naar wat er wordt gevraagd.

Het is prachtig dat er ondersteuning in de nulde lijn is. Daaronder valt het "buddy support"-programma. Ik lees dat het vfonds en het Veteranen Platform de regiefunctie en financiering van nuldelijnszorg bij het Veteranen Platform willen onderbrengen. Ik kom dan terug op mijn eerdere opmerking dat de private instellingen van de inloophuizen geen lid zijn van het Veteranen Platform. Zij hebben momenteel de grootste aanloop van niet-geregistreerde veteranen. Het is mij nu al gebleken dat de inloophuizen niet kunnen rekenen op financiële steun van het Veteranen Platform. Als het Veteranen Platform de regiefunctie krijgt voor deze laagdrempelige ingang, vrees ik dat er een heel groot probleem ontstaat. Wij hebben eerder gesteld dat de organisaties die we nu kennen, veelal zijn voor de oudere veteranen. Vraag mij nu niet om een definitie van "ouderen" te geven. Iedereen weet over het algemeen welke mensen daarmee worden bedoeld. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Ten aanzien van de RZO wil ik graag weten hoe het zit met het onderzoek naar de consumer index. Dat is namelijk ook jaren geleden toegezegd. In de RZO-evaluatie wordt verwezen naar het rapport van 5 december, maar ik wil graag weten hoe het er nu voor staat. Er staat dat de nadruk ligt op verdere professionalisering van de landelijke zorg voor veteranen. Ik wil weten wat de wachtlijsten zijn. Dat is namelijk de controlerende taak van de Kamer. Hoe zit het met de achttien à negentien instellingen? Hoe zit het met de wachtlijsten? Hoe is de opvang door het land heen? Voldoen de ggz-instellingen, de MGGZ, Centrum '45, Sinai et cetera aan de verwachtingen? Die zijn namelijk cruciaal in de zorg en opvang. Ik mag hopen dat de minister daarop in een volgende veteranennota uitvoeriger ingaat. Ik vraag de minister daar bij dezen om. Dat is immers de controle van de Kamer.

Collega Holtackers heeft al verwezen naar belastingincidenten. Ik had diezelfde vraag. Graag krijg ik daarop een reactie.

Dan kom ik op de uitzendduur. Er staat dat er een uitzendduur is van vier tot zes maanden. Kan dat ook korter zijn, als er sprake is van heel zware belasting ten aanzien van de continuïteit en de intensiteit? Ik kan mij voorstellen dat het soms wenselijk is om korter dan vier maanden te gaan. Graag krijg ik hierop een reactie.

De titel van een heel klein hoofdstukje is: "Adaptatie, afwikkeling en nazorg". Ik zou graag weten wat het verschil is tussen de disciplines adaptatie en afwikkelzorg, want dat is mij onbekend. Wellicht is dit een heel onnozele vraag, maar graag krijg ik daarover uitleg. In de nota staat: "De inspanningen van de thuisfrontorganisatie zijn door de kleinschalige en persoonlijke aanpak door deze groep als waardevol beoordeeld." Ik haal deze zin er even uit, omdat in de hele nota staat dat deze waardevol zijn beoordeeld. Dat geldt ook voor een aantal andere punten. Dat is heel fijn en dat waardeer ik, maar mag de Kamer weten wat de vooruitgang is en op basis waarvan dit wordt geconcludeerd? Collega Hernandez verwees eerder al naar de monitor. Ja, die mis ik ook, want die hoort bij een notaoverleg geagendeerd te zijn.

Ik wil graag van de minister weten of het veteranenregistratiesysteem gevuld is. Daarover is namelijk nog weleens wat onenigheid geweest. Is iedereen werkelijk opgenomen en werkt het systeem adequaat? Toen wij het in 2007-2008 instelden, was het een middel tot een doel. Ik heb nu af en toe het idee dat het nog steeds een doel is, hoewel het ook voor onderzoek gebruikt wordt na instemming van de mensen. Graag krijg ik hierop een reactie.

Dan kom ik op de samenwerking met de politie op het gebied van herkenning, waardering en zorg. Ik vind het prima dat die er is. Er staat echter ook dat de diensten van Defensie daarvoor ook worden ingezet. Daarover heb ik enige zorg. Ik vind het uiteraard prima dat er ervaring wordt gedeeld -- dat is uitstekend zelfs -- maar er is een tekort aan geestelijk verzorgers binnen alle takken van Defensie, of zij nu katholiek, protestants of humanistisch zijn. De minister wil hen delen met andere sectoren. Ik vraag mij af hoe de minister dat gaat doen. Graag krijg ik daarop een reactie, want er is een tekort aan militaire verzorgers en aan capaciteit.

Het mag duidelijk zijn dat ik kritisch ben op deze achtste veteranennota. Ik zeg dat niet voor niets. Ik heb de zesde nog eens even doorgekeken. Ik begrijp oprecht niet waarom de Kamer niet informatie krijgt waarop controle mogelijk is. Ik vind het prima dat het proces wordt beschreven en dat de minister de Kamer iedere keer bij de les houdt bij veranderingen.

Als ik echter niets hoor over het thuisfront, zorgmanagers, casemanagers en de basis, kortom over alle zaken die in het afgelopen jaar gepasseerd zijn, dan maak ik mij enigszins zorgen. De minister denkt vast: de uitwerking van de Veteranennota bespreek ik later wel. De afspraak is dat er iedere twee jaar een evaluatie is, maar dat er ieder jaar een veteranennota wordt opgesteld, tenzij we andere afspraken maken over de inhoud en de controletaak van de Kamer in dezen. Ik hoop daarover zo meteen meer van de minister te horen.


De heer
  1   2   3   4   5

  • Voorzitter: Van Beek
  • - de brief van de minister van Defensie d.d. 12 juni 2012 over de Regeling ereschuld veteranen (30139, nr. 100);

  • Dovnload 176.62 Kb.