Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een notaoverleg

Dovnload 176.62 Kb.

Verslag van een notaoverleg



Pagina2/5
Datum05.12.2018
Grootte176.62 Kb.

Dovnload 176.62 Kb.
1   2   3   4   5
Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. We spreken vandaag over veteranen. In het afgelopen jaar is -- de regering schrijft het ook al -- een mijlpaal bereikt met het aannemen van de Veteranenwet. Hiermee wordt de nazorg voor veteranen geregeld.

Er is nog veel te doen in het kader van de positie van veteranen. Nu de crisis om zich heen slaat, mag de zorg voor veteranen niet achteropraken. Goede nazorg is te allen tijde van belang vanwege het gevaarlijke werk dat veteranen hebben verricht. Daarom hebben veteranen het volste recht op erkenning en waardering. Het verruimen van de mogelijkheden om met andere veteranen ervaringen te delen, is daarom belangrijk. Minstens zo belangrijk is het om ervaringen bespreekbaar te maken in de rest van de maatschappij. Iedereen zou zich bewust moeten zijn van de keuze voor een bepaalde politiek en wat dit betekent voor de inzet van onze jongens en meiden in de krijgsmacht.

Het akkoord over de ereschuld aan veteranen is goed nieuws. Het heeft wel lang geduurd. Ook wij ontvingen veel mails met de vraag wanneer dit nu wordt geregeld. Na het advies van de Ombudsman, de oproep van de Kamer, de toezegging dat er geld zou worden gevonden en de uitwerking ervan met de bonden, zeiden betrokken veteranen steeds: het zou komen, maar het komt niet. Er moesten steeds hobbels genomen worden, die leidden tot vertraging. Het is dan ook begrijpelijk dat de Ombudsman nog voor het akkoord via een brief aanspoorde tot snelle actie. Uitbetaling staat nu gepland voor het derde kwartaal van dit jaar. Wij hopen dat het nu echt geregeld zal worden. Ik wil graag een reactie op de brief van de Ombudsman.

Bij de Veteranenwet ontvangen we soortgelijke reacties: wanneer wordt deze ten volle uitgevoerd? De voorlichting over de Veteranenwet kan daarom niet goed genoeg zijn. Niet alleen wat met de wet wordt geregeld, moet duidelijk gemaakt worden, maar ook wat het verschil is met de bestaande praktijk. Graag wil ik hierop een reactie. Met de wet worden allerlei zaken geregeld, waarbij het zorgloket ons van groot belang lijkt. Wordt er gestreefd naar volledige implementatie op één vaststaande datum of is er kans op het eerder invoeren van bepaalde onderdelen?

De regering schrijft: "In 2011 was sprake van een lichte toename van het aantal veteranen dat in behandeling is bij het LZV. De aanmeldingen bij het CAP zijn steeds vaker afkomstig van veteranen van recente missies en van dienstslachtoffers." Dit kan veelbetekenend zijn. De ISAF-missie, een van de meest omvangrijke missies ooit, zal nog leiden tot een lange nasleep. Wat is de prognose van de ontwikkeling van dit cijfer?

De regering schrijft ook: "Bij de actief dienende militairen blijkt dat de meeste oorlogs- en dienstslachtoffers willen re-integreren bij de eigen eenheid. Commandanten spannen zich daarvoor in. Wanneer dat niet mogelijk is, worden de militairen overgedragen aan het DCR om elders bij Defensie of bij een andere werkgever te re-integreren." In het licht van de huidige omvangrijke reorganisatie, vragen wij ons af hoe het staat met de mogelijkheid om bij de eigen eenheid te re-integreren. Worden de mogelijkheden hiertoe beperkt?

Met de Partij van de Arbeid en de VVD heb ik eerder dit jaar schriftelijke vragen gesteld over zelfdoding onder militairen en veteranen. De minister heeft geantwoord dat hij bekijkt of dit kan worden geregistreerd op basis van cijfers van het CBS. Hoe staat het hiermee? Wanneer krijgen we hierover uitsluitsel? Het lijkt ons goed om dit in de Veteranennota op te nemen.

In maart heeft de Kamer om een brief gevraagd over de risico's van het middel Lariam. Uit berichten blijkt dat onder Cambodja-veteranen veel geweld wordt gebruikt. De minister ziet geen aanleiding tot onderzoek, maar hij sluit een verband ook niet uit. Is het niet goed om hier wel onderzoek naar te doen?

Hoe oordeelt de minister over de gang van zaken rond de uitreiking van de insignes voor de militairen die betrokken waren bij de treinkaping bij De Punt? Mevrouw Eijsink vroeg hier terecht ook al naar. Deelt de minister de mening dat de timing ongelukkig was, gezien de herdenking van de kaping?

Is de minister bereid hierover in gesprek te gaan met de Molukse gemeenschap? Wat is zijn reactie op de brief van de regering in ballingschap die we net binnen hebben gekregen?

Ik sluit af met een citaat uit Trouw over deze zaak, die volgens mij de kwestie precies goed verwoordt. "Het pijnlijke gevolg van al deze consternatie is dat het lintje niemand blij kan maken. Het verdeelt zelfs de militairen onderling tot op het bod nu hun meest prominente lid generaal b.d. Berlijn er openlijk afstand van neemt. Hij vindt dat een onderscheiding alleen passend is als ook het Molukse verdriet wordt erkend. De militair die de beschieting leidde, weigert het insigne. Voor het doden van mensen verdien je geen lintje, stelt hij. Als na zoveel jaar een gebaar wordt gemaakt, geldt: als je het doet, doe het dan goed. Misschien wordt het tijd, zoals Berlijn suggereert, om dan ook de Molukse vragen te beantwoorden."
De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Het afgelopen jaar is eindelijk de Veteranenwet op initiatief van deze Kamer van kracht geworden. Ook is de regeling betreffende ereschuld veteranen eindelijk uitgewerkt. Defensie staat onder druk en van haar medewerkers wordt veel gevraagd. Met minder budget blijft de Kamer veel vragen van Defensie. Juist daarom is het belangrijk dat zorgvuldig met onze veteranen wordt omgegaan.

De Veteranenwet regelt belangrijke zaken. De wet gaat uit van een bredere definitie van veteranen. Iemand die op missie is geweest, heeft recht op speciale zorg, ongeacht of betrokkene nog werkzaam is bij Defensie of niet. Daarnaast betekent het een betere aansluiting op zorg tijdens voorbereiding, uitvoering en achteraf. Waardering en erkenning zullen actief door de minister worden bevorderd. Daarnaast regelt het initiatiefwetsvoorstel een proactieve en op re-integratie gerichte begeleiding van veteranen. Er komt één loket voor veteranen en er komt een onafhankelijke klachtenafhandeling. Tot slot biedt de wet zekerheid en duidelijkheid, doordat dit beleid verankerd is in een wet.

Bij de behandeling van deze wet in de Eerste Kamer is gesproken over uitbreiding van de definitie van veteraan met militairen die worden ingezet tegen terroristische acties op Nederlands grondgebied. Immers, de internationale rechtsorde kent geen grenzen. Ook wat mijn fractie betreft, verdienen deze oud-militairen erkenning. Ik wil echter wel graag nog eens benadrukken dat erkenning en waardering niet uitsluitend zitten in het uitgeven van allerhande medailles, maar vooral in goede zorg en ondersteuning. Dat is een belangrijke verantwoordelijkheid van de Staat.

Het is ook een belangrijke verantwoordelijkheid van de staat om zorgvuldig om te gaan met langslepende en moeizame kwesties uit het verleden en gevoeligheden die leven in een gemeenschap, bijvoorbeeld in Assen en Bovensmilde, waar slachtoffers, nabestaanden, de Molukse gemeenschap, militairen en hun families zich proberen te verzoenen met het verleden. Dat staat hier, wat mij betreft, los van. Daar gaat de Veteranenwet niet over, maar het was een onnodige handeling van de minister om dit aspect te politiseren. Die twee zaken staan los van elkaar. Dat laat echter onverlet dat ook dit een verantwoordelijkheid is van de Staat.

Ik kom te spreken over de ereschuld. Ik begin met het uitspreken van mijn waardering dat deze kwestie in overleg met de militaire vakbonden eindelijk is geregeld. Maar het proces en vooral de duur ervan blijf ik onzorgvuldig vinden. In juni 2010 is er een akkoord tot stand gekomen en pas twee jaar later is de uitwerking rond. De druk die deze groep veteranen, vakbonden, de Kamer en de Ombudsman hebben moeten opvoeren totdat er uitsluitsel kwam, had niet nodig moeten hoeven zijn.

Ik hoor graag van de minister een toelichting op de reactie op de brief van de ombudsman. Na een traject dat de minister volgens mij zelf ook geen schoonheidsprijs zou geven, vind ik het niet gepast dat hij de Ombudsman verwijt dat hij de klachten van veteranen overbrengt. De Kamer heeft zelf ervaren dat de minister bij het vinden van budget voor de regeling en het uitwerken van het akkoord, weinig communiceerde en geen duidelijkheid bood over de gedane toezeggingen. Ook de Ombudsman schrijft dat hij geen zicht kreeg op een termijn waarbinnen dit dossier zou worden afgerond. Ik wil de minister meegeven dat zorgvuldigheid op dit punt juist de waardering voor en erkenning van veteranen zou moeten illustreren.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Volgens mij delen wij hier achter de tafel allemaal de zorg over dat het lang heeft geduurd. Heeft de heer El Fassed net als ik de brieven gelezen van de minister, waarin hij ons heeft gerapporteerd over het moeizame proces met minister De Jager? De heer El Fassed heeft natuurlijk gelijk als hij zegt: dat is een interne zaak van de regering. Ik geloof echter niet dat zijn opmerkingen over de minister helemaal terecht zijn. Ik heb namelijk wel de indruk -- daarover verschillen we dan misschien van mening -- dat de minister veel heeft getrokken en geduwd. Het was een moeizaam proces, maar hij heeft zijn best gedaan.
De heer El Fassed (GroenLinks): Het is natuurlijk een lang proces geweest. Bij de behandeling van de Veteranenwet hebben wij druk uitgeoefend en gewezen op de noodzaak van een regeling; wij zijn blij dat die er is gekomen. Van de brieven van de Ombudsman en de reactie daarop word ik echter niet heel erg blij.
Mevrouw Eijsink (PvdA): De Ombudsman afgelopen vrijdag nog een brief gestuurd, cc aan de Kamer, waarin hij schrijft: de minister heeft er wel iets aan gedaan, ik ben niet altijd van het proces op de hoogte geweest. Dat is terecht, want als het goed is, gebeurt dat niet voor onze ogen. Ik neem aan dat de heer El Fassed die brief ook heeft gelezen?
De heer El Fassed (GroenLinks): Ja.

Voorzitter. De evaluatie van het veteranenbeleid is overwegend positief. Op de punten waardering en erkenning, registratie en zorg wordt langzamerhand vooruitgang geboekt. De evaluatie van de nazorg levert mijn fractie nog wel een aantal zorgen op. Zo komt naar voren dat de informatieoverdracht sociaal-medische teams op papier goed in orde is, maar in de praktijk blijkt die af te hangen van de personen in kwestie. Zo lees ik dat verschillen in uitzendtermijnen zorgen voor verstoringen in de informatieoverdracht en dat registraties onvoldoende inzichtelijk en helder zijn. De beschrijving van de voorgestelde verbetering komt mij enigszins summier over, namelijk dat er een richtlijn is uitgegeven. Op welke wijze gaat deze richtlijn voor verbeteringen zorgen?

Een andere zorg is de methodiek van vragenlijsten. Er blijkt een respons te zijn van 50% en de respons van het thuisfront is slechts 20%. Vanzelfsprekend zie ik het probleem dat mensen niet gedwongen kunnen worden om deze vragenlijsten in te vullen, maar ik maak me wel zorgen over het grote gedeelte veteranen dat op deze manier onder de radar van de nazorg verdwijnt. Ik ga ervan uit dat dit grotendeels veteranen zijn zonder zorgvraag, maar ook de groepen met het grootste risico zullen mogelijk niet reageren. Graag krijg ik een toelichting van de minister op de maatregelen om de respons te verhogen.
De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.30 uur geschorst.
Minister Hillen'>Hillen: Voorzitter. Ik dank de Kamer zeer voor de inbreng in eerste termijn. Ik begin met een puntje van orde. Dit betreft het overleg dat hierna komt, met name over de verklaring van geen bezwaar. Ik ben zwanger van een brief maar ik ben nog niet bevallen. Ik hoop dat de brief tijdens dit overleg afgerond wordt. Als wij klaar zijn met dit overleg, moeten wij een korte pauze hebben, denk ik. Dan kunnen de leden de brief hebben.
Mevrouw Eijsink (PvdA): De brief voor het overleg hierna hebben wij al gehad, voorzitter.
De voorzitter: Nee, deze brief gaat over een ander onderwerp, namelijk de berichten van het afgelopen weekend. Hij betreft de vgb's.

**
Minister Hillen: Voorzitter. Vandaag spreken wij over de Veteranennota. Mevrouw Eijsink stelde vragen over de omvang van deze nota. Wat moet daar precies in staan? In de afgelopen twee jaar is veel gebeurd met betrekking tot veteranen. Toen heeft er ook veel in de nota gestaan, omdat er allerlei zaken aan de orde waren die werden opgebouwd. Dit jaar hebben wij ervoor gekozen om terug te kijken op wat er is gebeurd. Je kunt natuurlijk van alles herhalen, bijvoorbeeld over de zorg, maar dit jaar hebben wij ervoor gekozen om met een soort afvinkschema na te gaan wat er allemaal is gebeurd en of wij op tempo zijn. Dat is een keuze. Dat wil niet zeggen dat de nota volgend jaar nog minder zal omvatten. Het wil alleen zeggen dat wij dit jaar, terugkijkend, tot de conclusie kwamen dat er eigenlijk heel veel gebeurd was en dat wij de vraag of wij nog op schema liggen, de kern van de nota vonden.

Ik noem de punten die in verband hiermee werden aangesneden. Het eerste betreft de Algemene Maatregel van Bestuur. De wet is al een jaar geleden aangenomen. Waarom duurt het dan zo lang voordat de AMvB klaar is? De belangrijkste reden daarvoor is capaciteit. Wij zijn aan de grenzen van onze mogelijkheden. Er moest ook nog een aantal andere zaken geregeld worden, zoals het Sociaal Beleidskader en de cao met de bonden. Wij zijn voortdurend met een toch onderbezette groep bezig om heel veel tegelijk te doen. Het is dus een kwestie van capaciteit. Er is ontzettend hard aan gewerkt. De teksten voor de AMvB zijn klaar. Eerst bespreken wij de AMvB in het kabinet. Vervolgens hopen wij binnen niet al te lange tijd overleg met bonden te hebben. Daarna zal de AMvB naar de Kamer komen. Wij hopen dat wij dit met stoom en kokend water in de loop van het najaar gereed kunnen hebben. Dat wil zeggen dat de AMvB als alles goed gaat, in het begin van het volgend jaar, per 1 januari of zo kort mogelijk daarna, volledig ingevoerd kan worden. Materieel maakt dat niet veel uit. Wij handelen immers nu al alsof de wet van kracht is, in de geest van de wet. De paar maanden plus of min maken daarvoor niet uit. Wij proberen het proces zo zorgvuldig mogelijk te doen. Wij denken ook dat het in ieders belang is dat deze teksten goed geformuleerd zijn, want bij dit soort teksten luistert het meestal nauw. Ook is het van belang dat het overleg met het veld goed is gedaan.

Ik ga over tot de ereschuld.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Bouwt de minister zijn betoog op aan de hand van een inleiding, of gaan wij thema's langs? Ik ken de minister namelijk. Voor je het weet, hebben wij alles gehad, en ben ik het al kwijt.
Minister Hillen: Ik begin met twee of drie algemene punten: de AMvB, de ereschuld en het punt van De Punt. Vervolgens ga ik de vragen van de geachte afgevaardigden langs.
Mevrouw Eijsink (PvdA): De Algemene Maatregel van Bestuur bij de Veteranenwet is hiermee dus al besproken?
Minister Hillen: Ja.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Mag ik daar een vraag over stellen, voorzitter?
De voorzitter: Eentje.

**
Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister zei dat er een gebrek aan capaciteit is. In mijn inbreng heb ik gezegd dat ik begrip heb voor de reorganisatie.

In hoeverre maakt de minister gebruik van kennis bij de organisaties? In hoeverre worden Algemene Maatregelen van Bestuur samen met hen geschreven? De Veteranennota is samen met de veteranen tot stand gekomen; door, voor en met veteranen. In hoeverre is het voor de minister mogelijk om gebruik te maken van de expertise die overal in die organisaties aanwezig is, tot juristen aan toe uiteraard, zodat het proces versneld kan worden?
Minister Hillen: Dat is al gebeurd. Er is overleg geweest, niet formeel en iedereen afvinkend, maar hier en daar. We zijn nu bijna toe aan toezending aan het kabinet. Daarna kan het formeel nog in overleg met de bonden aan de orde komen. Vanwege onze capaciteit en het tempo waarin gewerkt moest worden, was er minder tijd voor heel breed overleg dan normaal gesproken het geval is.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Als ik zo vrij mag zijn, de ervaring binnen veteranenland leert dat als u zo veel mogelijk vooraf overlegd, dit productiever is dan als alles al dichtgebeiteld is door het departement.
Minister Hillen: Ik illustreerde al dat de uitvoerders van de wet bij de vormgeving van de AMvB betrokken geweest.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Mag ik ervan uitgaan dat het Veteraneninstituut, de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, Inspecteur der Veteranen, en organisaties als UNIFIL betrokken zijn geweest? Dat maakt namelijk dat de uitwerking van de AMvB veel beter ontvangen wordt dan als het dichtgebeiteld zit.
Minister Hillen: Niet uitputtend. Misschien is er hier of daar iemand gemist. We hebben geen afvinklijst. In principe zijn of worden die organisaties erbij betrokken. Maar we willen wel zo gauw mogelijk naar het kabinet en de Raad van State toe, opdat we op enig moment de wetgeving met de Kamer kunnen afronden. Het scharniert dus allemaal op elkaar.

Voorzitter. De ereschuld is heel snel geregeld. De Ombudsman heeft daar wat op gemopperd. Ik heb een kritische brief naar hem teruggestuurd. Die brief had voornamelijk als ondertoon: ja, door de veteranen wordt wel kritiek geuit, maar als je die een-op-een doorgeeft -- de Ombudsman is toch een instituut met groot gezag in de samenleving -- onderlijnt dat dat het kabinet kennelijk niet hard werkt. Als je weet hoeveel werk verzet moest worden om het op tijd klaar te krijgen, kun je dat gewoon niet staande houden.

Allereerst was het heel moeilijk om de 100 mln. te regelen. We hebben het er met elkaar over gehad. We hebben geprobeerd om het via de Kamer te doen. We hebben geprobeerd om het op andere manieren te doen. Het was echt moeizaam. Vorig jaar rond deze tijd, toen Veteranendag nog moest komen en we met de Veteranenwet bezig waren, zaten we elkaar aan te kijken en heb ik de inspanningsverplichting op mij genomen om eruit te komen. Ik heb uiteindelijk in december afgelopen jaar de toezegging kunnen krijgen dat het geld beschikbaar kwam. Tegen de klippen op heb ik het in het kabinet kunnen regelen, tegen alle financiële zorgen in en buiten mijn begroting, want die is geteisterd. Ik zal niet precies verslag doen van hoe het gegaan is, maar neemt u allen van mij aan dat er een zekere overredingskracht voor nodig was. Vervolgens kreeg ik het probleem van de toedeling. Op welke manier doe je dat? We hadden het idee om het forfaitair te doen volgens een bepaald systeem. Daarover moesten we met de bonden overleggen. Vervolgens kwam natuurlijk de discussie met het ministerie van Financiën over de fiscalisering. Het heeft best de nodige voeten in de aarde gehad voordat het op een fatsoenlijke manier geregeld was. Als je het van week tot week bekijkt, kun je het tempo waarin gewerkt is zelfs uitzonderlijk hoog noemen.

Ik kan mij best voorstellen dat elke week wachten een week te lang is als je betrokkene bent en erop zit te wachten. Maar ik vind dat er in de anderhalf jaar dat ik nu minister ben, erg veel bereikt is voor de veteranen. Toen ik binnenkwam, trof ik twee wetsvoorstellen aan, een van de regering en een van de Kamer, die ten opzichte van elkaar in een impasse zaten. Dat hebben we met elkaar kunnen oplossen. Ik heb voorrang gegeven aan het wetsvoorstel van de Tweede Kamer. Dat is gelukkig voortvarend met algemene stemmen aangenomen en in het Staatsblad gekomen. Alle andere punten die er nog lagen, zijn ook opgeruimd. Daarom was ik wat bedroefd dat de Ombudsman toch vond dat hij het beeld moest geven dat ik achter mijn broek gezeten moest worden, terwijl ik juist in volle vaart bezig was. Ik heb ontzettend veel dingen tegelijk omhoog, maar de veteranen hebben bij mij altijd boven alles nog voorrang gehad. Binnen anderhalf jaar tijd -- tegenwoordig de normale zittingsperiode van een kabinet -- is het geregeld. Dat is behoorlijk snel.

Hoe het ook zij, de ereschuld wordt in het najaar uitgekeerd, voor het einde van het jaar.

Mevrouw Eijsink heeft op dat punt gevraagd om een rapportage ergens in oktober. Ik denk dat het verstandiger is om een rapportage te geven over de uitvoering daarvan, want als de rapportage waar mevrouw Eijsink nu om vraagt, zou komen, dan staat er hetzelfde in als wat ik vandaag weet, namelijk dat we in het najaar gaan uitkeren. De afgesproken verdeelsleutel is duidelijk en dus zullen we volgens de ingediende aanvragen uitkeren. Ik kan me voorstellen dat ik een rapportage stuur over hoe het allemaal is gegaan. Dat geldt voor meer dingen die dan nog te melden zijn. Het meest logische lijkt mij dat hiervan in de volgende Veteranennota verslag wordt gedaan. Dan kunnen we uitgebreid met elkaar bespreken hoe het is gegaan. De uitkering is in ieder geval voor het eind van het jaar afgerond.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik vraag de minister toch om in oktober met een rapportage te komen, met een soort stand van zaken. Meer dan 1000 mensen wachten hierop. De minister zei zelf al: de verdeelsleutel is duidelijk. Dat wil echter nog niet zeggen dat voor iedereen duidelijk is wat de verdeelsleutel betekent voor het eigen dossier. Gezien de vragen die wij als Kamerleden hierover krijgen en de verontrusting die nog bij sommige mensen heerst, stel ik de minister daarom voor om de Kamer met een stand-van-zakenbrief in oktober op de hoogte te stellen van hoe ver hij is, hoeveel dossiers zijn afgehandeld, hoeveel mensen hij dan al blij heeft kunnen maken en voor hoeveel mensen het mogelijk nog even duurt. Dat is goed voor beide kanten, zowel voor de regering als voor de Kamer.
Minister Hillen: Ik ben nooit te beroerd om een brief te sturen, maar allen die er recht op hebben, worden individueel op de hoogte gesteld en hoeven zelf niet meer te reclameren. Allen die op tijd hun aanvraag hebben ingediend, krijgen van ons te horen hoe, wanneer en om welke bedragen het gaat. Ik kan mevrouw Eijsink alleen in het algemeen melden wat ons tijdschema dan definitief zal zijn. Ik wil best een brief toezeggen, maar ik weet niet of daar veel meer in zal staan dan we vandaag weten.

Ik kom nu op het draaginsigne voor BBE'ers uit 1977. In de eerste plaats is de datum ongunstig gekozen. Ik denk dat elke datum ongunstig is, zeker als het om gevoelige onderwerpen gaat. In de Veteranennota moest een en ander vermeld worden. De Veteranennota verschijnt omstreeks deze tijd. Dus dat dit daarin een plaats zou krijgen, is daarvan de weerslag. Vorig jaar is in de Eerste Kamer de openbare positie daarin ingenomen. Dit heeft nu meer publiciteit gekregen dan vorig jaar, maar vorig jaar is dit in de Eerste Kamer in een openbaar debat behandeld. Toen heeft de Kamer daarom gevraagd. Ik heb toen de toezegging gedaan om ernaar te kijken in de geest waarin de Eerste Kamer dat gevraagd heeft. Dat heeft z'n weerslag gekregen in de Veteranennota.

Het is nooit mijn bedoeling geweest om de Molukse gemeenschap te provoceren en evenmin is het mijn bedoeling geweest om bijvoorbeeld een bepaalde groep veteranen extra te contenteren. Het is mijn bedoeling geweest om uitvoering te geven aan een verzoek dat mij redelijk lijkt. Ik begrijp de gevoelens van de Molukse gemeenschap wel degelijk. Ik ben ook bereid tot een gesprek daarover met de Molukse gemeenschap.

Voor mij als minister van Defensie is het echter mijn eerste taak om, als dat kan, een draaginsigne toe te kennen aan veteranen, aan militairen, voor de uitvoering van de hun opgedragen taak. De manier waarop dat gaat, zal nog nader bekend worden gemaakt. Ik heb eerst ook nog een gesprek met de Molukse gemeenschap. Ik begrijp heel goed de gevoelens van die kant, maar als het gaat om de militaire uitvoering van een opdracht, kun je niet de verschillende gevoelens van de betrokkenen raadplegen. Het gaat om de uitvoering van de militaire opdracht. Als een aantal militairen of gewezen militairen daar met terugwerkende kracht een negatief oordeel over heeft, laten we er dan alsjeblieft voor oppassen dat de oordelen over militaire acties achteraf politiek of anderszins worden ingekleurd. Dat probleem hebben we ook met Indië, en er zijn nog wel meer voorbeelden te geven. Ik wil die dingen strikt van elkaar scheiden. Datgene wat maatschappelijk gebeurt en wat er maatschappelijk aan waardering voor prestaties bestaat, moet in de samenleving en in de politiek zijn weerslag krijgen.

Maar militairen moet je niet achteraf zelf voorwerp laten worden van twijfel over wat ze toen hebben gedaan, ook niet als militairen daar zelf aan doen. Als iemand zoiets namelijk in het openbaar zegt, zegt hij dat ook tegen zijn collega's van toen. Dat luistert heel nauwkeurig. Veteranen staan bij mij altijd in hoog aanzien. Ik zal hen altijd door dik en dun verdedigen en proberen maximale maatschappelijke steun voor hen te verwerven, omdat zij vaak onder heel moeilijke omstandigheden militaire opdrachten van de politiek hebben moeten uitvoeren. Zij zitten in een positie waarin zij vrijgesteld moeten worden van kritiek achteraf, anders dan kritiek die op de politiek van toepassing is.
De heer

1   2   3   4   5

  • Eijsink
  • Hillen
  • Hillen : Ja. Mevrouw Eijsink

  • Dovnload 176.62 Kb.