Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een notaoverleg

Dovnload 176.62 Kb.

Verslag van een notaoverleg



Pagina3/5
Datum05.12.2018
Grootte176.62 Kb.

Dovnload 176.62 Kb.
1   2   3   4   5
El Fassed (GroenLinks): In mijn inbreng heb ik die twee zaken ook los van elkaar gezien, maar ik heb daar wel bij gezegd dat het in beide gevallen gaat om de verantwoordelijkheid van de Staat. De minister zegt dat hij een gesprek heeft met de Molukse gemeenschap. Kan daarbij misschien een ander kabinetslid aanwezig zijn om kenbaar te maken dat dit twee losse zaken zijn? Enerzijds gaat het over (de rol van) militairen. Anderzijds gaat het over een langslepende, moeizame kwestie die vraagt om verzoening van nabestaanden, slachtoffers en de Molukse gemeenschap. Dat is ook een verantwoordelijkheid van de Staat. Dat zou ik een mooi gebaar vinden.
Minister Hillen: Ik vind dat een goed idee.
De heer Jasper van Dijk (SP): Ik ben het zeer eens met die suggestie van de heer El Fassed. De zaak heeft heel duidelijk twee kanten. Kan de minister nog eens precies aangeven wat hij precies gaat doen? Gaat hij eerst een gesprek voeren met de Molukse gemeenschap en dan een besluit nemen over de uitreiking? Of gaat hij het anders doen? En hoe gaat hij om met de mensen die hebben gezegd dat ze helemaal geen insigne willen hebben?
Minister Hillen: Als het zo ver is, zal ik de Tweede Kamer op de hoogte stellen over de uitwerking: hoe een en ander zal gaan en in welke omvang en onder welke voorwaarden dat zal zijn. Ik ben er nu nog niet aan toe om daar nadere mededelingen te doen.

Dat waren de drie algemene opmerkingen die ik wilde maken in het begin. Ik wil nu alle woordvoerders langslopen om te kijken welke vragen er nog zijn. Ik probeer ze zo goed mogelijk te beantwoorden.

De heer Bosman heeft gevraagd naar de biologische geconditioneerdheid, de biologische en genetische oorzaken van PTSS. Op die manier zou je PTSS kunnen voorspellen. Dat zou behulpzaam kunnen zijn bij de selectie. Ondersteuning van het Prospectie in Stressgerelateerd Militair Onderzoek (PRISMO) door Defensie loopt in 2015 af. Dat onderzoek loopt tot 2018. Daarin worden militairen langere tijd gevolgd. Als dit onderzoek interessante gegevens oplevert, is het mogelijk om breder onderzoek te doen bij een grotere groep. Ik kan niet garanderen dat al het geld beschikbaar blijft, omdat elke volgende minister zijn eigen prioriteiten stelt. Wij vinden dat onderzoek echter van grote waarde. De kans dat wij nieuw onderzoek zullen volgen als dat eruit voortkomt, acht ik dus erg groot.
De heer Bosman (VVD): Ik vind onderzoek prima, maar wordt er ook iets omgezet naar wat in de realiteit is te gebruiken? Onderzoek, na onderzoek, na onderzoek tot 2018, 2025 en verder is prima, maar wordt op een gegeven moment gezegd: nu ga ik het gebruiken?
Minister Hillen: Ja, al vind ik het nu nog te vroeg om daar iets over te zeggen. De indicaties zijn dat dat waardevol is en dat wij dat ook kunnen gaan toepassen.
De heer Bosman merkte op dat de doorlooptijd van de herkeuringen nogal lang is. In 2011 was de gemiddelde doorlooptijd bij herkeuringen inderdaad veel te lang. Dat kwam mede door de onzekerheid over het overgangsrecht met betrekking tot de invoering van de keuringsprotocollen. In 2012 is de gemiddelde doorlooptijd aanzienlijk korter. We gaan dus weer de goede kant op. We zitten nu binnen de afgesproken norm van 180 dagen. We zaten in 2011 op 239 dagen. Dat was er dus ruim overheen. We zitten nu op 156 dagen. Dat is nog steeds lang, maar valt wel binnen de norm die ervoor staat.

Dan kom ik op de verborgen kosten. Als die er zijn en er samenhang is met PTSS en als er een dienstverband is aangetoond, dan worden de bijkomende kosten vergoed.


De heer Bosman (VVD): Dat is mooi, maar is die informatie ook bekend bij de mensen die het betreft? Kennen de mensen die in behandeling zijn deze mogelijkheden voor de betaling van dit soort kosten?
Minister Hillen: Dat zal ik nagaan. Als we op dat punt tekortschieten, zal ik ervoor zorgen dat er nadere voorlichting zal plaatsvinden.

Verschillende leden hebben gevraagd naar de concrete aanpassingen die het Comité Nederlandse Veteranendag voornemens is te plegen. Het comité houdt uiteraard rekening met de diversiteit onder de veteranen. Ook wordt de publiekscampagne niet langer alleen in juni, maar gedurende het gehele jaar ingezet. Tijdens de Veteranendag zal meer aandacht gegeven worden aan de publieksfunctie van onder meer het defilé en de ceremonie in de Ridderzaal. De regierol van educatie is versterkt. Voor scholen heeft Defensie €150.000 extra beschikbaar gesteld om een grotere inspanning te verrichten.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Houdt dit ook een aanpassing in van de statuten van het Comité Nederlandse Veteranendag? De Kamer heeft bij de oprichting van het comité de statuten gezien. Worden die nu aangepast?
Minister Hillen: Nee. De beleidsdoelstelling wordt aangepast, niet de statuten. De statuten bieden hiervoor voldoende ruimte.

De heer Hernandez vroeg of ik militairen weer verplicht in uniform te gaan reizen. Ik heb vorige keer niet gezegd dat ik dat planmatig zou promoten, maar wel dat ik er enthousiast over ben. Ik vind het prachtig als het gebeurt. Hoe meer de militair zichtbaar is in de straat, hoe groter de acceptatie van en het draagvlak voor militairen zal zijn. Ik heb dat ook intern verkondigd. Ik weet ook dat de OPCO's daarin geïnteresseerd zijn. Ik kan niet zeggen dat het planmatig gebeurt, want we kunnen de mensen er niet toe verplichten. Vroeger kon dat wel. Ik kan op dit moment nog geen resultaten laten zien, maar ik blijf bezig met verkondigen dat het goed is als het gebeurt.

Dan kom ik op de regionale veteranenbenadering. Defensie heeft het initiatief genomen voor periodiek overleg met het campagneteam van het Comité Nederlandse Veteranendag, het Nationaal Comité 4 en 5 mei, het Nationaal Comité Herdenking Capitulaties 1945 Wageningen, de Oorlogsgravenstichting, de Stichting Veteranen Platform, het Veteraneninstituut en het vfonds. Daaronder opereren vier werkgroepen, waaronder één die zich specifiek bezighoudt met de regionale benadering. De Stichting Veteranen Platform heeft het voorzitterschap van deze werkgroep en zal na de zomer voor de eerste keer bij elkaar komen. Dan komt die regionalisering dus aan bod. Wat daar de weerslag van is, moeten we afwachten.
De heer Hernandez (PVV): Dat klinkt op zich goed. Kan de minister de Kamer op de hoogte houden van wat er uit dat regionaliseringsoverleg komt?
Minister Hillen: Dat zal ik doen, zeker ook in de volgende Veteranennota, maar daar loop ik op dit moment nog niet op vooruit.
De heer Hernandez heeft ook gevraagd waarom de Veteranendag altijd in Den Haag wordt gehouden, zoals Koninginnedag vroeger altijd plaatsvond op Soestdijk. Hij heeft gevraagd of we de dag niet kunnen regionaliseren. Dat zou wel kunnen, maar we hebben er indertijd voor gekozen om het zo te doen. Ik heb op het ogenblik nog geen aandrift tot verandering, maar ik zal erover nadenken of er een aanleiding is om dat te doen. Het Malieveld in Den Haag is een bijna ideale plaats om het te doen. Een aantal deelveteranendagen zie ik niet zitten. Er is één Veteranendag, nationaal en met de kroonprins erbij. We moeten dat als instituut zo houden. Ik ga ernaar kijken of dit ooit ergens anders gehouden kan worden.

De heer Hernandez heeft gevraagd naar de nazorg voor ISAF. Ik heb geen enkel gegeven dat die niet goed verzorgd zou zijn. De aandacht voor mensen die aan ISAF hebben deelgenomen is even intensief als bij andere missies. Mevrouw Eijsink vroeg om extra aandacht in de veteranennota in dit kader. Voor alle duidelijkheid, ik heb vorig jaar toegezegd dat dit op de Veteranendag extra aan de orde zou komen. Ik heb de organisatie van Veteranendag gevraagd om daaraan extra aandacht te geven in de Ridderzaal. Dat gaat ook gebeuren. Daarnaast staat er een en ander over vermeld in de veteranennota. Aanstaande zaterdag zal er op de Veteranendag met name voor Uruzgan extra aandacht zijn.


De heer Hernandez (PVV): Het was niet zozeer mijn punt dat ik mij daar zorgen over maak. Ik heb volgens mij heel duidelijk uitgesproken dat de nazorg voornamelijk met betrekking tot de ISAF-missie wel goed zit. Er wordt standaard echter niets over vermeld in de veteranennota. Dat is mijn punt van zorg. Ik zou dat graag in de volgende nota wel standaard willen zien verschijnen.
Minister Hillen: Dat is goed. Ik zal zorgen dat dit gebeurt.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Even een feitelijke opmerking. De minister verwijst naar een toezegging rondom Veteranendag, maar hij heeft een toezegging gedaan bij het uren durende overleg over de evaluatie van de ISAF. Daarbij is door mij met ondersteuning van collega's het verzoek gedaan om in de veteranennota een apart hoofdstuk over nazorg Uruzgan op te nemen en dat op te bouwen aan de hand van kwaliteit, capaciteit en cijfers. Het verzoek is om dat de komende jaren als inzet te hebben omdat dit een grote groep veteranen betreft waar we wellicht nog eens naar moeten kijken in de komende jaren.
Minister Hillen: Mij stond bij dat het voornamelijk van toepassing was op de Veteranendag. Ik heb dat ook onmiddellijk uitgevoerd. Waarvan akte.

Voorzitter. De heer Holtackers heeft iets gezegd over de Eerste Wereldoorlog. Ik heb het al eens in ander verband gezegd dat de Eerste Wereldoorlog vooral een soldatenoorlog is geweest, net zoals de Tweede Wereldoorlog een oorlog is geweest waarin veel meer burgers het slachtoffer zijn geworden. In Nederland is de aandacht voor veteranen eigenlijk pas laat op gang gekomen. Ten eerste hebben wij niet deelgenomen aan die oorlog en bovendien, ten tweede, is de impact van de Eerste Wereldoorlog in de staten die wel hebben deelgenomen, extreem geweest. Er zijn hele jaargangen jonge mannen verdwenen. In Nederland hebben wij die impact niet zo gekend. Daarom zijn de tradities in andere landen veel emotioneler en veel betrokkener. Bij ons is het later op gang gekomen. Even los van Nederlandse veteranen of Nederlandse militairen die op een of andere manier met de Eerste Wereldoorlog te maken hebben gemaakt, zijn kennis van en inzicht in de Eerste Wereldoorlog voor Nederland van het grootst mogelijke belang. Er zijn vaak zinloze offers gebracht. De loopgravenoorlog is verschrikkelijk geweest. De meest bittere en cynische constatering die je kunt doen is dat de oorlog indertijd gestopt is omdat de militairen op waren. Dat geeft aan, juist vanuit het ministerschap van Defensie, dat de Eerste Wereldoorlog een speciale plaats heeft. Ik heb daarom dit jaar bij de 4 en 5 mei-herdenking en met name op de erebegraafplaats in Loenen het accent gelegd op de Eerste Wereldoorlog. Deze oorlog verdient namelijk echt de aandacht.

Er zijn Nederlanders bij betrokken geweest. De heer Holtackers heeft gesproken over de vele honderdduizenden die gemobiliseerd zijn geweest en die alle ellende daarvan hebben gemaakt. Natuurlijk zijn er ook slachtoffers gevallen, zoals marechaussees en anderen. In 2014, het jaar waarin het 100 jaar geleden is dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zal in Checkpoint apart aandacht hieraan worden gegeven.

Bij de eeuwherdenking komt dit dus al behoorlijk in beeld. Wij kunnen in dit kader niet met terugwerkende kracht de veteranenstatus aan iemand verlenen. Ik ben er echter zeer mee bezig om de Eerste Wereldoorlog onder de aandacht van de Nederlandse samenleving en de Nederlandse politiek te houden.

De heer Holtackers heeft ook gevraagd hoe het staat met de afstemming van het zorgaanbod. Hij vroeg in hoeverre er coördinatie plaatsvindt tussen de zorgaanbieders. Het zorgaanbod voor een veteraan wordt altijd multidisciplinair aangepakt. De zorgvraag en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan, wordt besproken in een speciaal daarvoor ingesteld coördinatieoverleg van het LZV. Tussen het LZV en het Zorgloket zijn afspraken gemaakt over de doorverwijzing en de afstemming van zorgvragen. De zorg voor veteranen is met andere woorden altijd een bezigheid waarbij een behoorlijk zorgvuldige afstemming plaatsvindt tussen de verschillende instanties.

De vakbond AFMP heeft een alarm afgegeven over de gezondheidszorg voor militairen. De vakbond vroeg of de medische zorg voor militairen door de bezuinigingen onder druk komt te staan en of de veteranen hierdoor geraakt worden. De militaire zorg staat echter niet onder druk van de bezuinigingen. De zorg wordt hier en daar wel op een andere manier georganiseerd. De AFMP doelt op het verwijsbeleid, maar dat heeft te maken met de militairen. Er is geen verband met de zorg voor de veteranen.

De heer Holtackers en mevrouw Eijsink hebben aandacht gevraagd voor de blast-incidenten en voor het onderzoek daarover dat op dit moment in de VS loopt. De eerste resultaten daarvan zijn beschikbaar. Defensie volgt dit onderzoek. Wij vinden dit ook van belang. Wij hopen dat er een techniek of een apparaat beschikbaar komt voor de vroege detectie van dit soort problemen, maar dat is nog zeer de vraag. Zover zijn wij dus nog niet. Er wordt bovendien bekeken of enzymen in dit verband een voorspellende waarde kunnen hebben.
De heer Holtackers (CDA): Het gaat om twee dingen. Ten eerste zijn er de effecten van blast op mensen. Binnen onze krijgsmacht besteden wij daar gelukkig aandacht aan. Ten tweede is het Amerikaanse onderzoek belangrijk omdat men kennelijk medische technieken heeft die zeer behulpzaam kunnen zijn bij het onderzoek naar blast. Begrijp ik het goed dat de minister zal bekijken of dat instrument geschikt is voor Nederland en of het sowieso geschikt is? Zo ja, zal dit dan deel gaan uitmaken van het instrumentarium van de militaire gezondheidszorg?
Minister Hillen: Wij erkennen sowieso de potentiële effecten van blast op het lichaam. Wij vinden dit een serieus probleem en kijken daar dus naar. Alles wat daarbij kan helpen, zullen wij proberen in te zetten. Als er technieken beschikbaar komen, zullen wij die inzetten. Wij houden dat Amerikaanse onderzoek dus in de gaten. Bovendien proberen wij zelf te bezien wat er op dat punt gevonden kan worden. Alles wat daarbij kan helpen, is meegenomen.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Welk onderzoek wordt er op dit terrein dan zelf gedaan?
Minister Hillen: Wij volgen het Amerikaanse onderzoek. Ik dacht aan het Gronings onderzoek, maar dat is een ander onderzoek. Wij volgen dus het Amerikaanse onderzoek.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik vraag dit omdat de minister tijdens het vragenuur, toen collega Holtackers hierover vragen stelde, verwees naar een onderzoek. Ik had gehoopt dat onderzoek in de lijst van de Veteranennota aan te treffen.
Minister Hillen: Op de een of andere manier heb ik mij een Gronings onderzoek in het hoofd gezet. Dat zal dan wel de blast zijn waar ik last van heb.

Mevrouw Eijsink heeft een heleboel vragen gesteld over elementen die wat haar betreft in de nota ontbraken. Ik heb al gezegd dat dit te maken heeft met de opzet waarvoor wij dit jaar gekozen hebben. Er had een aantal onderwerpen bij kunnen komen dat dan voor een belangrijk gedeelte een herhaling van zetten zou zijn geweest. Volgend jaar zal de opzet van de nota weer wat breder zijn. Dan is de Veteranenwet inmiddels in werking getreden en zijn er weer punten waarop wij kunnen doorwerken. Dit was een terugkijknota.

Ik kom nu bij de tolken. Bij de ISAF-missie in Afghanistan is gebruikgemaakt van de diensten van Afghaanse tolken. Het persoonlijk verleden van de tolken, die meestal gevlucht waren uit Afghanistan, de beperkte voorbereiding op intensieve uitzendingen -- dat waren ze immers -- de hoge uitzenddruk, de incidentele betrokkenheid bij gevechtshandelingen en het feit dat de Afghaanse gemeenschap hun lang niet altijd accepteerde, hebben bij zestien tolken tot langdurig ziekteverzuim geleid, met vooral psychische klachten.

De tolken zijn aangesteld als militair. Defensie heeft dan ook een zorgplicht voor deze tolken. Vanwege deze zorgplicht zijn sommige tolken, die eerder uit dienst zijn getreden, opnieuw als militair aangesteld. De tolken worden nader medisch onderzocht, ondergaan passende behandelingen en worden intensief begeleid bij hun re-integratie. In september 2012, over twee maanden, wordt voor de tolken een lotgenotendag georganiseerd. Enkele tolken hebben melding gemaakt van mogelijk strafbare handelingen die door Nederlandse militairen zouden zijn verricht tijdens de ISAF-missie. Deze mededelingen worden onderzocht. Wanneer daartoe aanleiding is, zal aangifte worden gedaan.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Vorig jaar hebben collega Ten Broeke en ik hier afzonderlijk vragen over gesteld. De minister zegt nu dat er meldingen zijn gedaan van strafbare handelingen. Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer hierover zo snel mogelijk zal informeren? Zoals de minister zegt, hebben wij inderdaad een zorgplicht voor deze tolken. Wij spreken er nu over, maar ik zou graag zien dat de minister de Kamer hierover een brief stuurt. Is het mogelijk om dat nog deze week te doen?
Minister Hillen: Nee, dat is niet mogelijk. Ik zou dat wel willen, want hoe sneller dit tot het verleden behoort, hoe mooier het is. Zorgvuldigheid gaat hier echter boven snelheid. Hier spelen twee dingen. Ten eerste zijn er de psychische gevolgen en de ziektebeelden die de tolken kunnen vertonen als gevolg van hun uitzending, met alle ellende die erbij hoort. Ten tweede is het mogelijk dat er door Nederlandse militairen strafbare handelingen zijn verricht. Die kunnen ook een psychisch effect hebben gehad, maar los daarvan zijn het strafbare handelingen, als die zich tenminste hebben voorgedaan. Wij onderzoeken dit nu. Daarop ga ik niet vooruitlopen, want dan zou ik speculeren. Zodra dit voldoende onderzocht is en ik weet of ik hiervan aangifte moet doen of niet, zal ik de Kamer op de hoogte stellen en mijn appreciatie daarvan geven. Ik kan nog niet zeggen op welke termijn dat zal zjin.
Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister heeft het over strafbare handelingen die door de tolken zijn waargenomen en kenbaar zijn gemaakt. Hij zal de Kamer daarover informeren. Wij hebben hier diverse malen overlegd om de missie in Afghanistan te evalueren. Toen is geen melding gemaakt van deze strafbare handelingen. Mag ik ervan uitgaan dat de minister daarvan toen niet op de hoogte was?
Minister Hillen: Dat is correct.

Ik heb mevrouw Eijsink al gezegd dat de inloophuizen wel degelijk betrokken moeten kunnen worden bij de veteranenzorg. Dat is mogelijk, want daarvoor is geld beschikbaar. Op welke manier dit precies georganiseerd wordt, is niet alleen aan Defensie, maar vooral aan het Veteraneninstituut en de andere organisaties daaromheen. Het is vanzelfsprekend dat wij op de werkvloer gefocust moeten blijven.

Wij proberen te promoten dat veteranen deelnemen aan militaire kampioenschappen. Sport is altijd goed. Zowel over Paralympics als over militaire kampioenschappen zijn wij in gesprek met NOC*NSF om te bekijken wat wij kunnen organiseren en op welke manier wij een en ander kunnen bevorderen. Als veteranen die invalide zijn geworden, kunnen deelnemen aan de Paralympics, kan door Defensie/ABP worden bijgedragen om dit mogelijk te maken.

Mevrouw Eijsink heeft gevraagd of re-integratie een taakstelling of een inspanningsverplichting is. In principe is het een inspanningsverplichting. Re-integratie kan nooit taakstellend zijn. Iemand is pas gere-integreerd als hij echt gere-integreerd is. Dat wil niet zeggen dat ik mij op voorhand excuseer of zeg dat de inspanning minder zal zijn. Ik wil dit geen seconde bagatelliseren. Toch is dit een inspanningsverplichting. Wij halen alles uit de kast. Voor de militaire oorlogs- en dienstslachtoffers gaan wij zo ver mogelijk.



Zij hebben daarbij de garantie dat er bij de aard van de beperkingen passende arbeid komt. De reorganisatie beperkt de mogelijkheden bij de eigen eenheden, dat wel. De cavalerie bijvoorbeeld wordt ingekrompen. Dit beperkt echter niet de zorgplicht van Defensie als geheel. De MOD'ers hebben een absolute voorrangspositie bij het vervullen van functies en vacatures. Volledige re-integratie blijft een inspanningsverplichting die door ons zeer serieus wordt genomen.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat vind ik niet voldoende. Hier staat dat zij bij Defensie of bij een andere werkgever re-integreren. Als de minister dat zo schrijft aan de Kamer, betekent dat wat mij betreft een resultaatsverplichting. Het is mogelijk dat iemand binnen de organisatie niet meer een herplaatsing kan vinden. Wij hebben het het afgelopen jaar telkens gehad over samenwerking met organisaties, het bedrijfsleven en noem maar op. Het is dan toch een resultaatsverplichting? Iemand die gewond is geraakt tijdens een missie kan toch uiteindelijk niet vertrekken bij de overheid zonder dat hij een baan heeft? Wij bespreken hier van alles over veteranen en nazorg. Dan kunnen wij het toch niet hebben over een inspanningsverplichting? Kortom, wij hebben alles gedaan wat wij konden doen. Wat mij betreft is het een resultaatsverplichting.
Minister Hillen: Ik begrijp dat mevrouw Eijsink dat zegt. Ik denk dat de instelling waarmee zij de vraag stelt en die waarmee ik antwoord geef, hetzelfde zijn. Bij iemand die bijvoorbeeld volledig arbeidsongeschikt is -- dat blijkt gaandeweg in het proces -- loop je op een gegeven moment aan tegen een onmogelijkheid. Wij hebben wel onze zorgplicht, maar re-integratie is dan niet haalbaar. Wij halen alles uit de kast, het maximum, om iedereen te re-integreren. Praktisch gesproken leidt dat altijd tot resultaat, maar het blijft een inspanningsverplichting.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Er is nu een wetsvoorstel dat heet Wet werken naar vermogen. Dat is op dit moment even op de plank gelegd. Als dit wetsvoorstel in werking wordt gesteld, voor iedereen en ook voor de gewezen, gewonde militairen, betekent dit dat zij verplicht zijn om te werken. Als een dergelijk wetsvoorstel mogelijk in werking treedt, betekent dat dat de overheid -- ik kijk dan niet alleen naar Defensie -- een resultaatsverplichting heeft. Het kan niet zo zijn dat deze mensen met al onze mooie wetgeving tussen wal en schip vallen.
Minister Hillen: Laten wij met elkaar afspreken dat wij niemand tussen wal en schip laten vallen. Met mensen die geen werkvermogen meer hebben ga je aan de slag, maar gaandeweg kan blijken dat je op een gegeven moment moet passen. Dat wil niet zeggen dat je geen inspanning meer levert, maar het kan zijn dat het resultaat niet kan worden bereikt. Die uitzondering genoemd hebbend, komt er voor alle overigen resultaat.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik begrijp wat de minister zegt. Ik kan mij ermee verenigen, als wij afspreken dat wij gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben dat niemand tussen wal en schip valt. Defensie moet niet apart staan en kijken naar re-integratie voor deze mensen, terwijl er vervolgens een andere wet is die bepaalt dat deze mensen toch aan het werk moeten. Dan vallen zij weer tussen wal en schip. Met die harde afspraak kan ik mij verenigen, anders niet.
Minister Hillen: Ja, ik denk dat het daarop neerkomt. Ik denk dat wij dezelfde taal spreken.

Ik wil nog even iets uitgebreider ingaan op de inloophuizen, omdat wat ik net zei misschien een beetje kort door de bocht was. Ik lees nu keurig een tekst voor. Naast het netwerk van relaties, vrienden en lotgenoten vormen inloophuizen, veteranencafés, ontmoetingscentra, verenigingen van het Veteranen Platform en de bonden het nuldelijnsondersteuningssysteem. Een belangrijk kenmerk en succes van dit initiatief is dat dit plaatsvindt door en voor veteranen. Er is een studiegroep buddy support waar het Veteranen Platform, BNMO en het Veteraneninstituut deel van uitmaken en dat zich inspant om structuur aan te brengen in de nuldelijnsinitiatieven en om de kwaliteit daarvan te borgen. Het vfonds heeft het Veteranen Platform gevraagd om een coördinerende rol te spelen in de besteding van de financiering van het vfonds. Daarom betrekt het Veteranen Platform alle partijen. Daarnaast heb ik onlangs besloten om voor 2012 voor het Veteraneninstituut €150.000 te reserveren voor het nuldelijnsondersteuningssysteem om een goede basis te vormen voor het initiatief van het vfonds en het Veteranen Platform.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik hoor wat de minister zegt, maar ik begrijp het nog niet. Ik heb inmiddels begrepen dat het moeizaam is om geld te halen uit de reservering voor met name de inloophuizen, want de inloophuizen zijn gewoon de informele kanalen. De vraag is welke verdeelsleutel er is en hoe de samenwerking verloopt, als dat geld er is. Wat de minister zei, weet ik al. Die samenwerking staat namelijk gewoon in het instellingsbesluit van buddy support in 2010. Dat valt echter wel onder het VI en het BNMO, maar niet onder het Veteranen Platform.
Minister
1   2   3   4   5

  • Hillen
  • Hernandez
  • Eijsink

  • Dovnload 176.62 Kb.