Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een notaoverleg

Dovnload 176.62 Kb.

Verslag van een notaoverleg



Pagina4/5
Datum05.12.2018
Grootte176.62 Kb.

Dovnload 176.62 Kb.
1   2   3   4   5
Hillen: We hebben geen regie op hoe zich dat verder naar beneden toe doorvertaalt. Het Veteraneninstituut en het Veteranen Platform zullen vervolgens daarmee "wirtschaften" en zullen proberen iedereen recht te doen. We kunnen navragen hoe dat gaat, maar in principe sturen wij niet tot in de haarwortels mee.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik zeg nogmaals dat deze nota schraal is. De minister heeft een en ander aan de Kamer geschreven, maar we weten allemaal dat zo'n 80% in de informele zorg zit. Het is hartstikke goed dat 42 organisaties zijn aangesloten bij het Veteranen Platform, maar 80% van de veteranen moet het hebben van inloophuizen en veteranenontmoetingsplekken. Het gaat om de organisaties waarvan ik nu de foldertjes in mijn hand houd. Mensen gaan bij die plekken naar binnen. Ze komen daar niet voor het invullen van een vragenlijst maar voor een pilsje en een babbeltje. Dat is de nuldelijnsopvang. De Kamer moet die opvang in beeld krijgen. We kennen allemaal het geïnstitutionaliseerde en het formele, maar het gaat de komende jaren om het informele. Ik maak mij grote zorgen als de minister zegt: ik schrijf het wel in de nota, maar ik weet er eigenlijk niet zo veel van. Dat kan, maar dan vraag ik hem om samen te werken met desbetreffende organisaties, opdat daarover wel in de Veteranennota wordt geschreven. Ik begrijp dat de minister heeft gemeld wat andere organisaties doen in de tweede en derde lijn.
Minister Hillen: Dat is het grote probleem dat je altijd zult houden bij de vraag wat particulier initiatief is, wat de overheid regisseert en wat de grensgevallen daartussen zijn. Als particuliere initiatieven proberen tot samenwerking te komen, kunnen wij helpen door bijvoorbeeld geld beschikbaar te stellen of kaderregelgeving op te stellen of wat dan ook. In principe is het dan echter aan de particuliere sector om een en ander uit te voeren en er inhoud aan te geven. Als ik precies zou melden wat er gebeurt, is het alsof het ministerie van Defensie er verantwoordelijk voor is. Het is echter aan de particuliere sector om dit te doen.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat begrijp ik. Ik heb hier de nota inzake buddy support van 2010 voor me liggen, waarin de voorwaarden staan waaraan moet worden voldaan. Wat kan de Kamer controleren als 80% gebruikmaakt van informele kanalen? Daar krijgen we dan geen zicht op. Ik lever geen kritiek, maar ik probeer met de minister te overleggen over de vraag hoe de Kamer controle kan krijgen op alles wat er gebeurt rond onze veteranen. De Veteranenwet kan namelijk geen invulling krijgen als 70% tot 80% gebruikmaakt van informele kanalen. Ik doe hier hardop de volgende suggestie: de minister vraagt aan de organisaties of ze ons jaarlijks willen rapporteren en publiceert deze gegevens als bijlage bij de Veteranennota, zodat wij inzicht krijgen in wat er door het jaar heen gebeurt. Deze folders gaan over die twaalf organisaties. Zij hebben af en toe geld nodig. Dat is niet zo veel; ze vragen om een paar duizend euro. Die organisaties vangen mensen op met een kop koffie en een pilsje. Daar vinden de gesprekken plaats. Als wij het hier allemaal mee eens zijn -- volgens mij is de minister het hier ook mee eens -- dan moet de Kamer daar de komende jaren inzicht in krijgen. We moeten dus een soort rapportage ontvangen, een gesprek voeren of iets dergelijks, want anders heeft het bespreken van een hoofdstuk over zorg helemaal niet zo veel zin.
Minister Hillen: Ik ben het niet met eens met de laatste conclusie van mevrouw Eijsink, want die is wel heel pessimistisch.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat is een bal voor open doel.
Minister Hillen: Natuurlijk, als er meer informatie is, kun je een bredere kijk hierop krijgen. Ik zeg toe dat ik in de volgende Veteranennota een caleidoscopisch overzicht geef van wat er op het ogenblik allemaal aan zorg beschikbaar is, ook in de particuliere sfeer, de manier waarop zich dit ontwikkelt, wat ons beeld daarvan is en wat de posities daarin zijn, ook financieel. We bekijken dus of het financieel gezond is wat daar gebeurt. Ik zal een dwarsdoorsnede geven van wat daar op het ogenblik te zien is. Dan doen wij wat we moeten doen. Ik zal eveneens inzichtelijk maken wat Defensie eraan bijdraagt.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat is een belangrijke toezegging. Ik dank de minister daarvoor. Het is echter niet alleen van belang om een overzicht te geven. Dat is prima, maar het moet ook duidelijk zijn wat daar gebeurt. Ik heb gehoord dat de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, de heer Oostendorp, bij verrassing diverse keren veteranencafés heeft bezocht en daar een pilsje met veteranen heeft gedronken. Dat is zeer positief. Dat betekent dat juist informele contacten van groot belang zijn en dat we veel meer inzicht moeten krijgen in wat daaruit voortkomt.
Minister Hillen: Ik heb mevrouw Eijsink goed verstaan.

Mevrouw Eijsink vroeg of schokkende ervaringen worden meegenomen bij de uitkering. Ja, de essentie van de keuring is de verklaring van de militair zelf. Daar begint de hele keuring mee. Schokkende ervaringen maken daar uiteraard deel van uit. Als het percentage van 5,4% gelijk blijft, wil dat niet zeggen dat wij iets proberen te relativeren of wat dan ook. Er zijn natuurlijk zorgmijders.



Wij denken echter dat de constructie zodanig is dat we zo langzamerhand een vrij goed overzicht hebben gekregen van de verschillende categorieën. Natuurlijk zal er best wel eens iemand tussen wal en schip vallen, maar de getallen blijven redelijk hetzelfde. Als die 5,4% hetzelfde blijft, gaat het om 5,4% van het totaal. Dat verandert niet.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik had graag gezien dat er meer in de nota had gestaan. De minister geeft aan dat ongeveer 50% van de zorglijsten ingevuld wordt, maar trekt wel de conclusie dat 5,4% van de respondenten betekent dat het percentage gelijk is gebleven. Ik begrijp wetenschappelijk gezien niet hoe de minister die redenering gestand kan houden. Als je kijkt naar die 5,4%, dan gaat het dus blijvend gewoon om veel gevallen. Ik heb begrepen dat hier ook de nazorg van onze Uruzgan-mensen in zit. Daar moeten we nu juist zicht op krijgen. Ik vind het nogal wat om te zeggen: 50% vult de lijst in en 50% niet. Dan hebben we toch een heel grote zorg? Ik zeg meteen de minister na dat het waanzinnig moeilijk is om ervoor te zorgen dat die zorglijsten goed ingevuld worden. Maar dan zullen we misschien met hem moeten nadenken over een andere en betere manier van benaderen. Ik noem weer de inloophuizen, ik noem weer de contacten. Dat is voor de komende jaren van essentieel belang. Als wij bij deze cijfers wegkijken, dan hebben wij over een paar jaar gewoon een groot probleem. Dan hebben we volgend jaar weer hetzelfde verhaal. Wij zijn ook als Kamer -- ik kijk ook naar mezelf -- verantwoordelijk voor een verbetering hiervan.
Minister Hillen: Als het verbeterd kan worden, zal ik dat niet nalaten. Tot nu toe hebben wij echter geen indicatie dat we verkeerd zitten. Als hiermee wordt versluierd dat ergens nog een groter probleem zit, dan zouden de zorgen van mevrouw Eijsink onmiddellijk de mijne zijn. Dat idee hebben wij echter niet. Wij hebben de indruk dat de informatie uit onze monitoring betrouwbaar is en dat die door haar statistische "voorspelbaarheid" ook echt op ervaringen is gebaseerd. Het zou erg opvallend zijn als er forse afwijkingen zouden ontstaan. Dat zou inderdaad onmiddellijk aanleiding geven tot ingrijpen. Tot nu toe is dat echter niet het geval. Dat geldt ook voor de mensen die zich aanmelden of al zorg ontvangen. Die percentages zijn al jaren hetzelfde. Wat dat betreft, hebben we het gevoel dat we de doelgroep goed in de vingers beginnen te krijgen. We hebben het gevoel dat we adequate zorg kunnen bieden.
De heer El Fassed (GroenLinks): In de brief staat dat uit het non-responseonderzoek blijkt dat militairen te kennen geven dat zij te vaak worden gevraagd om deel te nemen aan onderzoeken door middel van vragenlijsten. Er staat echter niet bij welke lessen daaruit getrokken worden. Op welke manier kunnen we die andere 50% ertoe brengen om in ieder geval aan te geven of zij wel of geen problemen hebben?
Minister Hillen: Dat is best moeilijk. Natuurlijk kun je daar nog wel verschillende technieken voor ontwikkelen, maar we moeten er ook voor oppassen dat we niet bezig zijn met het opdringen van zorg. We moeten niet met alle geweld iedereen maar de hele tijd in onze aandacht willen hebben. Er zijn een heleboel militairen die met iets anders bezig zijn. Die vinden het gewoon gezeur dat ze de hele tijd vragenlijsten moeten invullen. Die mening respecteer ik evenzeer als de mening van degenen die de vragenlijst wel invullen of die heel direct zorg aanvragen.
De heer El Fassed (GroenLinks): Misschien moet er gekeken worden naar het aantal vragenlijstonderzoeken en naar de vraag welke daarvan prioriteit hebben. Ik mag toch aannemen dat dit soort vragen wel prioriteit hebben.
Minister Hillen: De vragenlijsten zijn geen doel op zich. Ons doel is om te proberen optimale zorg te geven. Dat gebeurt in het belang van de betrokkenen. Op het moment dat we dat niet zouden doen, zou dat ook snel genoeg blijken. Dat zouden wij heel vervelend vinden, niet alleen voor degenen die de zorg missen maar ook gezien het beeld dat zou kunnen ontstaan dat het niet goed genoeg is. Veteranen moeten er staat op kunnen maken dat wij goede zorg geven. Wij denken dat datgene wat wij nu toepassen en wat wij ook geleidelijk door ervaring hebben opgebouwd, behoorlijk dekkend is. Als het nog beter kan, zullen wij dat niet nalaten. Wij denken echter dat het op het ogenblik voldoende dekkend is. Laten we gewoon voortgaan en in een goede gedachtewisseling met de Kamer voortdurend de vinger aan de pols houden om te kijken of we ergens tekort komen. We hebben de bonden en ook de verschillende organisaties die ook als een bok op de haverkist zitten. Ik denk dat we met elkaar bezig zijn om een heel goede begeleiding van veteranen te organiseren of al georganiseerd hebben. Ik ben op dat punt niet zorgeloos, want dat mag je hier nooit zijn, maar ik heb wel het gevoel dat we de zaak goed in de vingers hebben.
De heer El Fassed (GroenLinks): Is bij het non-responsonderzoek bezien op welke alternatieve wijze hiernaar gevraagd kan worden?
Minister Hillen: Als een militair steeds niet reageert, dan wordt nagevraagd bij hem waarom hij geen antwoord geeft. Meestal blijkt dan dat hij er geen behoefte aan heeft.

Mevrouw Eijsink heeft ook gevraagd naar de politie. Ik vat het kort door de bocht samen: er is een tekort aan geestelijke verzorging bij de krijgsmacht en als de politie erbij komt, wordt het wel heel veel. Het gaat veel meer om het uitwisselen van ervaring met traumatische ervaringen, wat kan nu onze geestelijke zorg ook beschikbaar is voor de politie. Er is dus een andere bedoeling.

Is het Veteranenregistratiesysteem nu gevuld? Ja. En werkt het? Ja. Kan de uitzendduur ook korter dan vier maanden zijn? In principe kan alles, maar we gaan ervan uit dat heel zware uitzendingen voor vier maanden zijn en standaarduitzendingen voor zes maanden. In een voorkomend geval -- tot nu toe is dat nog niet nodig geweest -- kan het natuurlijk korter. Dit staat los van de individuele waardering. Het kan heel goed zijn dat iemand eerder wordt teruggehaald omdat hij de stress van een uitzending niet kan verwerken. Vier maanden blijft in principe de termijn voor zwaardere uitzendingen. Dit hangt samen met de operationele eisen, de opgedane ervaring, het samen trainen, kortom alles wat te maken heeft met die uitzending. Vier maanden blijft in dat licht het standaardrecept.

Mevrouw Eijsink heeft veel vragen gesteld, maar ik ben nu volgens mij een heel eind. Daarmee kom ik bij de heer Van Dijk. Hij vroeg naar de registratie van zelfdoding. Het Amerikaanse onderzoek waarnaar in krantenberichten wordt verwezen, kennen wij niet. De berichten kennen wij uiteraard wel, maar het originele artikel niet. Van onze operationele commando's zijn geen signalen bekend over bijzonderheden op het gebied van zelfdoding. De studie naar de haalbaarheid van onderzoek naar zelfdoding bij veteranen -- aangekondigd in antwoord op Kamervragen hierover -- wordt over enkele weken voltooid. Deze studie heeft betrekking op het combineren van gegevens uit het Veteranenregistratiesysteem met gegevens inzake overlijdensoorzaken bij het CBS. Indien dit juridisch en financieel mogelijk is, wordt het onderzoek ondergebracht bij het Veteraneninstituut.


De heer Jasper van Dijk (SP): Mijn vraag was of het ook wordt opgenomen in de Veteranennota. De minister houdt die mogelijkheid ook open in antwoord op vraag 8: "Indien de studie leidt tot inzicht in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013 in de Veteranennota worden opgenomen." Gaat de minister dat ook doen?
Minister Hillen: Indien dat inzicht er komt, zullen we dat inderdaad doen.
De heer Jasper van Dijk (SP): En wanneer horen we dat?
Minister Hillen: Dat wordt duidelijk zodra het onderzoek uit is. Zoals ik heb gezegd, wordt dat binnen enkele weken voltooid. Indien blijkt dat het mogelijk is, zal het voortaan worden opgenomen in de Veteranennota.

De heer Van Dijk heeft ook vragen gesteld over het antimalariamiddel Lariam. Ik bedacht me dat ik het zelf ook weleens heb geslikt, dus als ik wat gewelddadig word … Er zijn geen aanwijzingen dat bij Nederlandse militairen sprake is van langdurige, ongewenste effecten op psyche en gedrag ten gevolge van het gebruik van Lariam. Wanneer in het verleden bijverschijnselen optraden, werd er een alternatief geboden.

Tegenwoordig kan Lariam in een incidenteel geval nog steeds worden voorgeschreven, maar het is geen middel van eerste keuze, en het zal alleen worden voorgeschreven na zeer zorgvuldige afweging.

De heer El Fassed vroeg hoe de informatieoverdracht van sociaal-medische teams plaatsvindt. Is die onvoldoende? Zijn daar richtlijnen voor? Wat ons betreft, is daar een goed protocol voor en werkt dat goed. Op dat punt hebben wij dus geen verbeteringen of suggesties in voorbereiding. Voor ons werkt het goed.

Ik denk dat ik hiermee de meeste vragen beantwoord heb.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik zou graag nog mijn vragen over het integraal zorgconcept en over de wachtlijsten bij het Landelijke Zorgsysteem voor Veteranen en over de reactie van de RZO beantwoord krijgen. Daarnaast heb ik gevraagd wat de zin die begint met "Voor het uitdragen van positieve beelden" op pag. 3 van de nota betekent. Bij het integraal zorgconcept doel ik op de toezegging over re-integratie uit de evaluatie van 2010. Met de wachtlijsten doel ik op de achttien, negentien instellingen van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen. De veteranenzorgorganisatie RZO legt de nadruk op professionalisering van het LZV. De RZO verwijst daarbij naar het rapport van december 2010. Volgens mij zouden er dan nu al stappen moeten worden gezet.
Minister Hillen: Mede voor haar nauwgezetheid heeft mevrouw Eijsink erkenning gekregen van de Bond van Wapenbroeders. Met die onderscheiding feliciteer ik haar van harte.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Charmant! En nu het antwoord.
Minister Hillen: Het integraal zorgconcept is bijna gereed. De Kamer krijgt daarover nog voor het reces een brief. Dat zal dus volgende week zijn. Wat betreft de wachtlijsten: er zijn wachtlijsten in de ggz, maar specifiek voor Defensie zijn daarvan op het ogenblik geen bijzonderheden bekend.

Mevrouw Eijsink verwees naar de "positieve beelden" waarover gesproken wordt in de nota. Het is helemaal niet de bedoeling om daarmee iets te bagatelliseren. Misschien las zij dat erin. Op pag. 3 staat: "Volgens de deelnemers wordt de beeldvorming over veteranen nog te veel gekleurd door de problemen van een kleine groep en de zorgvraag van deze groep." De problemen van die groep proberen wij daarmee niet te bagatelliseren. De volgende zin begint als volgt: "De beeldvorming over de veteraan zou zich volgens de deelnemers meer moeten richten op het effect van de inzet van militairen". Dit is niet om de groep die problemen heeft, wat weg te drukken. Als mevrouw Eijsink dat erachter leest, is mijn reactie dat dit niet de bedoeling van de nota is. Of heb ik haar verkeerd begrepen?


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik begrijp heel goed wat de minister zegt, maar ik vind het, na zo veel jaar, toch opmerkelijk. Dit was de discussie van jaren geleden. De realiteit is dat er mensen zijn die problemen hebben, hetzij incidenteel, hetzij structureel. Daar gaat dit over. Hopelijk zijn wij in 2012 toch op een punt beland waarop dit verschil kan worden gemaakt. Het is anders dan tien of vijf jaar geleden. Ik zou zo graag willen dat dit in de nota weerspiegeld werd. Deze opmerking zet mij dus, misschien niet op een verkeerd, maar in ieder geval wel op een ander been.
Minister Hillen: Dat was niet de bedoeling. De nota gaat over het algemeen over de mensen die problemen hebben. Dit is een weerslag van de discussie die wij op De Zwaluwenberg hebben gehad.
De voorzitter: Wij gaan nu over naar de tweede ronde. Ik kijk even naar de collega's en ik constateer dat daaraan behoefte bestaat.

**
De heer Bosman (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording.

Het is belangrijk dat we spreken over veteranen in het kader van erkenning en waardering. In dat licht bezie ik ook de laatste opmerking van de minister over de beeldvorming over de veteranen. Zoals ik al in mijn inbreng heb gememoreerd, zijn veteranen meer dan een groep die alleen zorg nodig heeft. Het is een groep die geïntegreerd is in de samenleving. Het doet aan allerlei dingen actief mee in de samenleving en zou daarbij herkenbaar benoemd kunnen en moeten worden.

Ik dank de minister voor de toezegging dat we begin 2013 volledig aan de slag gaan met de AMvB. Het is goed te horen dat al in de geest van de wet gehandeld wordt. Het is echter verstandig en goed voor de beeldvorming als alle participerende organisaties eensgezind tot de AMvB komen en in de verantwoordelijkheid kunnen delen, zodat de zorg voor de veteranen zo goed mogelijk geregeld wordt.

Ik kom op de ereschuld. Het beeld dat mensen oproepen dat deze minister een vuurtje nodig had, vond ik niet overtuigend. Ik denk dat de minister uitstekend het vuur op verschillende plekken aangestoken heeft om vooruitgang te boeken, waarvoor dank.

Voorzitter. Het is goed dat we dit jaar weer gesproken hebben over de veteranen. Ik kijk uit naar Veteranendag komende zaterdag.


De heer Hernandez (PVV): Voorzitter. Ook ik kijk daarnaar uit. Het is altijd een heugelijk moment.

Ik wil de minister ook bedanken voor zijn antwoorden. Ik denk dat de lange schorsing geholpen heeft. Het gebeurt wel eens dat niet alle vragen in een keer goed beantwoord worden. In dit geval wel.

Ik ben erg enthousiast over het project Verhalen van Veteranen. De minister zegt dat hij daar €150.000 voor beschikbaar stelt en zelfs denkt aan vte's om er een nog betere invulling aan te geven. Dat was echter niet helemaal zoals ik het bedoeld had. Waar het mij om gaat, is dat de bekendheid onder de basisscholen en middelbare scholen vergroot wordt, zodat de vraag van die scholen toeneemt en daarmee dus ook de bekendheid met en de zichtbaarheid van de krijgsmacht in de samenleving. Ik wil de minister daarin steunen. Ik dien daarom de volgende motie in.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het onderwijsproject "Verhalen van Veteranen" erg succesvol blijkt te zijn en steeds meer leerlingen worden bereikt door het toenemend aantal schoolbezoeken van veteranen;
overwegende dat de koppeling van veteranen aan scholen een welkome aanvulling is op het onderwijsprogramma op basisscholen en middelbare scholen, alsmede de zichtbaarheid van Defensie bevordert in de samenleving;
overwegende dat kennisvergroting van ons militaire verleden onder de jeugd begint in het onderwijs en veteranen voor de klas hier een enorme bijdrage aan kunnen leveren;
overwegende dat er in Nederland nog vele basisscholen en middelbare scholen niet bekend zijn met dit onderwijsproject en gestreefd moet worden om zo veel mogelijk scholen deel te laten nemen aan dit project;
verzoekt de regering, de bekendheid van het onderwijsproject "Verhalen van Veteranen" te vergroten onder Nederlandse basisscholen en middelbare scholen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hernandez. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 102 (30139).

**
De heer Hernandez (PVV): De minister zegt dat hij in beginsel niet negatief staat tegenover de spreiding van Veteranendag over een aantal regio's in het land. Even voor de duidelijkheid: het was niet mijn bedoeling om Veteranendag op te knippen. Het moet een landelijk iets blijven. Het is een mooi evenement, dat we er zeker in moeten houden. Mijn punt is dat het alleen in Den Haag is. In het kader van een stukje bekendheid wil ik voorstellen om regio's in het leven te roepen en Veteranendag dan wisselend het ene jaar hier en andere jaar daar te organiseren. Ik wil de minister hierin steunen met de volgende motie.
*M
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de jaarlijkse Nederlandse Veteranendag ieder jaar in Den Haag plaatsvindt;
overwegende dat spreiding van de organisatie van dit nationale evenement over de gehele natie bijdraagt aan de zichtbaarheid van de krijgsmacht in Nederland;
overwegende dat veel oudere veteranen woonachtig door het hele land vaak moeite hebben om helemaal naar Den Haag af te reizen;
verzoekt de regering, de jaarlijkse Veteranendag wisselend te organiseren in provinciale steden verdeeld over vier Nederlandse regio's (Noord, Zuid, Oost, West) en om de Kamer hierover met een concreet voorstel nader in te lichten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Hernandez. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 103 (30139).

**
De heer Bosman (VVD): Het klinkt sympathiek, maar ik mij toch zorgen. Er zijn nu veel lokale initiatieven. Er is een Zeeuwse veteranendag. Drenthe heeft een grote veteranendag.

Als je het grote evenement laat circuleren, loop je dan niet het risico dat die lokale initiatieven teniet worden gedaan? Dat circuleren zou dan een averechts effect hebben op datgene wat je wilt bereiken, namelijk het bekend zijn van veteranen overal in de haarvaten van de samenleving, niet één keer per jaar of één keer in de drie jaar, maar op ieder moment van de dag.


De heer Hernandez (PVV): Ik zeg ook niet dat dit in plaats van die initiatieven moet worden gedaan. Ik stel alleen voor dat de nationale Veteranendag, die ieder jaar in Den Haag plaatsvindt, te laten rouleren over het land en die niet alleen in Den Haag te laten plaatsvinden, om zo meer recht te doen aan het nationale karakter ervan. Ik wil helemaal geen afbreuk doen aan lokale initiatieven. Sterker nog, misschien kunnen ze elkaar ondersteunen.
De heer Holtackers (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden op mijn vragen. Ik heb de minister horen zeggen dat hij in 2014 aandacht zal besteden aan de prestaties en het leed van Nederlandse militairen in de Eerste Wereldoorlog en de honderdduizenden burgers die daarbij betrokken waren. Ik weet dat dit misschien wordt overvleugeld door de miljoenen dodelijke slachtoffers in andere landen, maar ook deze categorie mensen verdient erkenning en waardering. Daarom zijn herinnering en herdenking op z'n plaats.

Ik had voor de tweede termijn nog een vraag over de "vragenlijstenmoeheid", maar daarover heeft collega El Fassed al het nodige gezegd.

Ik kom op mijn laatste vraag in dit notaoverleg. In de nota is te lezen dat er ontzettend veel dingen op de rit zijn gezet. Onze minister heeft daarin een heel prominente rol vervuld. In de boom van het veteranenbeleid is de jaarring van minister Hillen een heel grote. Maar laten we nu nog even naar de toekomst kijken. Als we nu een conclusie trekken uit wat er de laatste jaren is gebeurd en een doorkijk maken naar de komende jaren, wat zouden dan de trends in het veteranenbeleid zijn? Ik krijg graag daar graag een kort overzicht van.
Mevrouw

1   2   3   4   5

  • Hillen
  • El Fassed
  • Jasper van Dijk

  • Dovnload 176.62 Kb.