Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een notaoverleg

Dovnload 176.62 Kb.

Verslag van een notaoverleg



Pagina5/5
Datum05.12.2018
Grootte176.62 Kb.

Dovnload 176.62 Kb.
1   2   3   4   5
Eijsink (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn inbreng in eerste termijn. Sorry, ik bedoel: voor zijn beantwoording van de vragen. Wij leveren immers de inbreng, de minister de antwoorden.

Ik onderstreep graag wat de minister zelf heeft ingebracht over de ereschuld. Hij heeft veel moeite gedaan. Die inzet waardeert de PvdA-fractie zeer. Wel heb ik nog een vraag over de brief van de minister over de nieuwe schadevergoedingsregeling. Ik had de minister gevraagd de Kamer daarover te informeren. Ik krijg daarop graag nog een reactie.

Ik blijf met de minister van mening verschillen over de appreciatie van de Veteranennota. Wij appreciëren die verschillend. De minister zegt: de nota is omvangrijk, er staat veel in, hij is opgebouwd uit veel elementen van wat gebeurd is en we gaan terugkijken. Als je terugkijkt, moet je ook weten op basis van welke criteria je terugkijkt. Dat vind ik er niet in terug. Laat ik nog een keer gezegd hebben dat ik begrip heb voor de reorganisatie en voor mensen in de organisatie die overbelast zijn door wat van hen wordt gevraagd. Dat kan en mag echter niet wegnemen dat we een Veteranennota moeten hebben waarin alle bits and pieces benoemd worden. Ik vraag de minister om gebruik te maken van de inzet van de organisaties zelf. Ik zou bijna zeggen: zij kunnen de minister de bijlagen 1, 2, 3 en 4 gewoon aanleveren. Ik noem het voorbeeld van de inloophuizen, van de buddy support. Als de minister de nuldelijnsgroep, de "buddy support"-groep, vraagt om een rapportage te maken van wat die groep het afgelopen jaar heeft gedaan -- ik heb het verslag hier zelfs bij me -- laat de minister die dan zijn eigen rapportage sturen, laat de minister dan de vruchten plukken van wat hij door de jaren heen zelf heeft gezaaid. Datzelfde geldt voor andere organisaties, zoals -- ik zal geen uitputtende rij noemen -- de organisatie die zich bezighoudt met de UNIFIL-betrokkenheid. Dat zou veel meer zicht geven op de informele groepen, waarop we nu te weinig zicht hebben. Daarover maak ik me zorgen. Ik krijg daarop graag een reactie.

Over de brief over Uruzgan die we hebben gehad, verschillen we van mening. De toezegging aan de Kamer om een apart hoofdstuk over Uruzgan in te brengen, was wel duidelijk. Ik vraag de minister met klem om dat volgend jaar wel te doen. Het gaat niet om de aantallen pagina's, maar wel om capaciteit, kwaliteit en de antwoorden op de vraag wat er aan zorg is geboden en -- ik spreek collega Holtackers na -- de vraag welke trends zijn onderzocht, welke trends de minister in dat jaar heeft opgepakt en welke moeilijkheden hij is tegengekomen.

In de brief die de minister nagezonden heeft, lees ik dat 50% reageert op de vragenlijst en dat de respons van het thuisfront lager is, namelijk 20%. Over dat laatste hebben wij het niet eens gehad. Ik ben ambtenaar genoeg geweest om te weten dat, als hij schrijft "ongeveer 50%", het lager is dan 50%. Anders staat er "meer dan 50%". Als de vragenlijsten niet voldoen, als mensen daar gewoon geen behoefte aan hebben, dan vraag ik de minister met ons mee te denken om naar een andere, nieuwe manier te zoeken. Dat kan. Daar hebben wij door de jaren heen vaker over gesproken. Ik ben ervan overtuigd dat de minister daar uitputtend aan werkt. Het is geen kritiek van mij, maar het kan zo zijn dat mensen het niet willen, niet kunnen, er geen behoefte aan hebben en denken: weer zo'n vragenlijst. Laten wij dan kijken naar andere mogelijkheden.

Ik lees in diezelfde brief dat er voorts plannen zijn om de taken van de commandant uit te breiden en deze een nog nadrukkelijkere rol te geven. Hoe kan dat? Wij hebben immers al eerder in de Kamer gesproken over de taken van de commandant. Dat zijn er te veel. Commandanten hebben heel veel op hun bordje. En als je weet dat je in een reorganisatietraject zit en dat je baan er misschien aangaat, dan ga je toch niet naar je eigen commandant toe om te vertellen: ik heb het heel erg lastig, ik zit niet zo lekker in mijn vel? Graag een reactie daarop.

Ik hoop dat de minister in de volgende nota wel weer ingaat op het thuisfront, waar wij eerder wel altijd over hebben kunnen lezen. Ik vraag hem met klem weer uitvoerig in te gaan op wat de Kamer nodig heeft om controle te kunnen uitoefenen op kwaliteit, capaciteit en lessons learned.

Het volgende zeg ik in mijn woorden en ik hoop daarmee recht te doen aan de woorden van de minister. Ik ben blij dat de overheid een resultaatsverplichting heeft bij de re-integratie van onze gewonde militairen en burgers bij Defensie en dat wij mensen straks niet tussen wal en schip laten vallen.

Ik wil graag in de volgende nota uitvoerig informatie over de inloophuizen. Dat kan ook in de vierde bijlage, met een fantastische rapportage vanuit die ontmoetingscentra. Die denken en schrijven heel graag met de minister mee.

Er zit zo ongelooflijk veel energie in de organisatie van de minister, als ik het zo mag verwoorden. Zijn mensen helpen en ondersteunen hem graag bij het uitbreiden van de Veteranennota. Dat is voor de Kamer van belang. Dat helpt ook bij het probleem van de minister dat hij onvoldoende capaciteit heeft. Misschien is dat zo aan de overkant op Plein 2, maar die capaciteit zit in zijn organisatie. Afgelopen zaterdag heb ik mogen spreken op de Heemsteedse veteranendag, de zaterdag daarvoor in Naarden-Bussum. Gelet op de energie in de organisatie bij de nuldelijn en bij de buddy support, zou ik zeggen: gebruik het. Use it, you're not gonna lose it.


De heer Jasper van Dijk (SP): Voorzitter. Dank voor de antwoorden, de toezegging over de kwestie van de insignes en het feit dat de minister hierover in gesprek gaat met de Molukse gemeenschap. Hierbij is een zorgvuldige afweging van groot belang. Ik zie dan ook uit naar de brief hierover.

Verder wens ik de minister en de volgende regering veel steun toe bij een adequate uitvoering van de Veteranenwet.


De heer El Fassed (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Er zijn toezeggingen gedaan om in gesprek te gaan om die twee losse delen en de verantwoordelijkheid van de Staat te bespreken. Er is toegezegd daarbij een collega-minister mee te nemen. Bij voorkeur zou dat de minister van VWS kunnen zijn.

Je ziet dat het bij de uitvoering van de wet -- we hebben dat al vaker besproken als het om veteranenbeleid ging -- ook gaat om leren en lessen trekken uit onderzoeken. Ik hoop dat we in de toekomst zullen zien wat bijvoorbeeld zo'n nonresponsonderzoek kan doen en dat we mensen niet moeten vergeten of onder de radar laten verdwijnen. We moeten dat zorgvuldig doen.

Ik sluit me verder aan bij de vragen die mevrouw Eijsink gesteld heeft.
Minister Hillen: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in tweede termijn. De heer Bosman vroeg of alle betrokkenen bij de AMvB betrokken zullen worden. Ja, dat zullen we zo veel als mogelijk doen.

Mevrouw Eijsink breekt een lans voor de betrokkenheid van de hele sector. In de verschillende facetten van het veteranenbeleid zullen wij dat ook optimaal proberen. Ik zal in de volgende nota een validatie geven van de vele bloemen die bloeien aan het front. Ik zal die beschrijven en een oordeel geven over hoe het allemaal loopt. Overigens is de gevraagde monitor vorig jaar strikt genomen ook niet meegezonden. Die is door het Veteraneninstituut gezonden en dat is dit jaar niet gebeurd. Misschien zal de monitor de Kamer nog bereiken, maar dat weet ik verder niet. Zij staat in ieder geval op de website. De Kamer kan haar volgend jaar ook weer krijgen.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat over die duizend bloemen klinkt goed. Ik weet van diverse organisaties, bijvoorbeeld rond buddy support of nuldelijnszorg, dat zij hun eigen rapportages hebben. Het lijkt me dat het de minister werk uit handen neemt, op zijn validatie na dan, als hij daarnaar verwijst. Hij kan het als bijlage meesturen of op welke andere manier dan ook doen. Dat vergemakkelijkt het gesprek. Dat is heel dicht bij de veteraan en heel dicht bij de militair. Dan kunnen we zelf door de jaren heen zien hoe het verloop is.
Minister Hillen: Ik zie dat punt wel, maar ik kan alleen verantwoording afleggen voor wat er gebeurt. Dat is de essentie. Mevrouw Eijsink wil allerlei informatie over zaken waarvoor ik niet verantwoordelijk ben. Zij mag van mij alles weten, maar als mijn handtekening eronder staat, betekent dat ook dat ik me verantwoordelijk verklaar voor wat ik de Kamer stuur. Het is goed dat we dit even met elkaar uitpraten. Mevrouw Eijsink kan van mij, bij wijze van spreken, best een aantal bijlagen krijgen met wat er zoal verschenen is, maar dat is niet onder mijn verantwoordelijkheid gebeurd. Ik probeer de Kamer zo veel mogelijk te informeren over zaken waarop zij mij kan aanspreken.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Daar wil ik nog wel even verder over discussiëren. De minister zegt onder verwijzing naar het vfonds tegen ons dat hij niet kan rapporteren over de inloophuizen. Maar waarom zet hij het dan in zijn nota, terwijl hij zegt dat de nota een terugblik is? Dan weet ik niet op basis van welke criteria en welke verantwoordelijkheid we hier spreken. De minister stuurt de Kamer dus informatie toe waarvan hij nu zegt: ik ben er niet verantwoordelijk voor. Het is one way or the other: we kunnen controleren of niet. Als ik doorvraag op een onderdeel uit de Veteranennota zegt de minister dat ik bij de Stichting Veteranen Platform moet zijn. Of die bijlage moet erbij. Als ik doorvraag, blijkt de minister bij nader inzien niet verantwoordelijk voor zijn appreciatie. Ik snap dat niet.
Minister Hillen: Het is ook een moeilijk leerstuk. Ook als er kleinere bedragen worden neergezet, wil de Kamer natuurlijk controleren hoe die bedragen besteed worden. Anderzijds moet een overheid particuliere initiatieven niet willen reguleren. Misschien bedoelen we hetzelfde of misschien zit er verschil, maar ik denk dat het van groot gewicht is om vast te stellen dat we hier doen wat van de overheid is. Al het andere wat erbij georganiseerd wordt en waarvoor ik grote belangstelling heb en grote warmte voel, is niet per definitie iets waarop de minister van Defensie kan worden aangesproken, ook een volgende minister niet.

Als er een aantal verslagen zou zijn van het werk van al die instanties, dan zou ons inzicht gegeven worden in de manier waarop dingen gaan. Het inzicht kan ook zijn dat er hiaten of wat dan ook zijn. Daar kan de Kamer mij vervolgens op aanspreken. Hoe de instellingen hun werk doen, is echter hun zaak.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik probeer toch even de verbinding te leggen met de Veteranenwet. Daarin staat heel duidelijk dat er een connectie moet komen met inloophuizen en veteranencafés. Kortom, dat gaat om de 80% die nu in het informele circuit een zorg kan uiten bij een kop koffie of een pilsje. Het gat mij er niet om dat we dat geld kunnen controleren. Het gaat erom welke zorg aangeboden wordt. Hoe krijgen we zicht op de nuldelijnszorg en de buddy support? Dat is immers ons gezamenlijke belang. Ik begrijp heel goed wat de minister zegt. We proberen elkaar te naderen. Maar volgens mij is dat toch een zorgpunt dat uit de Veteranenwet voortkomt, want de minister en de Kamer moeten zicht krijgen op de zorg die nodig is voor de veteraan die risicomijdend is, die bij de nuldelijnszorg zit et cetera. Daarover moeten we nadenken. Dat is wel controle van de regering.
Minister Hillen: Daarom heb ik ook gezegd dat ik caleidoscopisch zal aangeven wat in het veld al is gebeurd en dat ik er een appreciatie van zal geven of wat wij als zorg zien, voldoende gedekt is. Dat is evenwel iets anders dan dat ik verantwoordelijk word voor alle particuliere organisaties of daarin kan ingrijpen. Dat is vaak niet het geval; hoogstens kan ik zelf aanvullend beleid presenteren. Het onderscheid zal heel subtiel blijven, maar is niet onbelangrijk.

Voorzitter. De heer Hernandez heeft nogmaals het belang onderstreept van verhalen van veteranen voor de klas. Zijn eerste motie, die op stuk nr. 102, heeft mijn hartelijke steun, maar ik mag niet stemmen. Ik ben het er geheel mee eens en zou de motie niet eens nodig hebben als aansporing voor het beleid.

De tweede motie van de heer Hernandez, die op stuk nr. 103, over Veteranendag is een ander verhaal. Ik heb gezegd dat ik best eens wil kijken of regionalisering een mogelijkheid is. Den Haag is echter niet voor niets ingesteld met alle faciliteiten zo die erbij horen. Ik neem kennis van deze motie en ontraad haar op dit moment. Ik denk namelijk dat we eerst maar eens moeten nadenken of dat nodig zou zijn voordat we de samenleving het gevoel geven dat dit op handen is. Wat dat betreft vind ik de motie enigszins voortijdig.

De heer Holtackers heeft gevraagd naar de trend in het veteranenbeleid in de komende jaren. Ik denk dat deze voor de hand ligt. Ik denk dat de trend voornamelijk jonge veteranen betreft, de overgang van de kort naoorlogse generatie naar de generatie van de veteranen van deze tijd. Die zal op tal van punten onze aandacht vragen.

Mevrouw Eijsink heeft gevraagd naar de restschade. De Kamer krijgt daarover een brief.

Ik zeg toe dat er volgend jaar een hoofdstuk over ISAF komt. Dat komt niet apart per brief, maar wordt in de totale nota opgenomen. Ik zeg niet dat dit elk jaar is, maar volgend jaar wel. Gaandeweg zullen we moeten kijken of dit een speciale categorie is. Voor volgend jaar zeg ik dit echter toe.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Er is een eerdere toezegging dat we sowieso per missie wat meer informatie zouden krijgen om zicht te blijven houden op het verloop van de mensen die zorg nodig hebben vanuit de verschillende missies. Ik vraag de minister juist wel om dat opnieuw op te nemen, net zoals in de nota's waarin dat wel gedaan werd.
Minister Hillen: U doelt op alle verschillende missies?
Mevrouw Eijsink (PvdA): Hierover is eerder gesproken in de Kamer. Het is eerder toegezegd. Ik heb ze hier voor mij liggen. Voorheen kon dat wel. Volgens mij is het verstandig voor beide partijen, zowel voor de minister als voor ons, om zicht te houden op het verloop, niet alleen op de cijfers, maar ook op de problemen. We hebben eerder gesproken over de Indiëgangers, die met name als zij boven de 80 zijn meer zorg nodig hebben. Dat blijkt ook uit de cijfers. Ik noem het even praatje-plaatje; ik zou behalve het plaatje ook graag het praatje weer terugzien.
Minister Hillen: Sommige missies zijn ook niet zo verschrikkelijk groot, maar ik zal in ieder geval een geannoteerde tabel proberen te presenteren. Dat is praatje-plaatje. Over heel grote missies, zoals ISAF, zal ik in ieder geval een paragraaf opnemen. Ik zal kijken of dat voor een aantal andere ook nodig is.
Ik kom nu op de vragenlijsten die niet voldoen, omdat zij geweigerd worden of iets dergelijks. Wij zullen die vragenlijsten zelf voortdurend onder schot houden. Wij zullen nogmaals met de verschillende organisaties in het veld bekijken of wij op dat punt nog tot verbetering moeten komen.

Ik doe nu alweer een toezegging; dit keer over het thuisfront. Volgend jaar zal ik in de Veteranennota ook een paragraaf wijden aan het thuisfront.

Mijns inziens hebben wij voldoende van gedachten gewisseld over re-integratie. Wij zitten daar volgens mij hetzelfde in. Zodra er echt geen arbeidsvermogen meer is, probeer je misschien wel te beginnen, maar zul je niet eindigen. In de regel krijgt de te re-integreren militair echter voorrang op allen. In principe eindigt hij dus op een functie.
Mevrouw Eijsink (PvdA): Ik ga nog even in op de vragenlijsten. Als minder dan 20% van het thuisfront die invult en van de rest ongeveer 50%, wat gaan wij daar dan mee doen? Door de jaren heen is hier van de kant van de minister veel aan gedaan. Ik heb ook verwezen naar de rol van de commandant die de minister blijkbaar wil vergroten, want hij wil hem een nadrukkelijkere rol geven. Volgens mij betekent dit dat wij een nieuw proces in moeten en moeten bekijken op welke manier de minister dan wel de informatie krijgt. Die informatie is immers leidend voor de diverse onderzoeken, voor de maatregelen en voor de trends. Wij halen die informatie er onvoldoende uit. 50% is natuurlijk niet veel. Slechts 20% van het thuisfront is al helemaal niet veel. Dat is eigenlijk onder de maat, zeker omdat wij door de jaren heen gezegd hebben dat het belang van het thuisfront steeds groter wordt. Dat hebben wij steeds gezegd. Als wij er aan de hand van deze cijfers geen verdieping uit halen, hebben wij de komende periode een probleem. Wij kunnen dit op basis van deze cijfers toch niet herhalen?
Minister Hillen: Ik begrijp best wat mevrouw Eijsink heeft gezegd over de commandanten. Tegelijkertijd proberen wij de verantwoordelijkheid van de commandanten steeds meer in beeld te brengen, niet alleen bij de verwerking, maar ook bij de voorkoming. Zij moeten echt een goed beeld hebben van hun mensen.

Wij ervaren de uitval van de invulling van de vragenlijsten op dit ogenblik niet als een heel dringend probleem. Ik zeg toe dat ik daar nog eens heel goed naar zal kijken. Bovendien zal ik in de volgende Veteranennota verantwoording afleggen over de manier waarop wij omgaan met de vragenlijsten. Ik zal bekijken of wij op dat vlak problemen zien en op welke wijze die getackeld zijn. Ik zeg echter niet iets toe, voordat ik zelf nog eens goed daarover heb kunnen nadenken en heb kunnen bekijken waar het precies misgaat en of ik het erg vind dat het misgaat.


Mevrouw Eijsink (PvdA): Dat begrijp ik heel goed. Die toezegging is prima. Het gaat mij meer om die 50% militairen van wie wij het niet weten. Onder hen zal een percentage zorgmijders zitten. Hoe krijgen wij dit alles op tafel? Misschien kan de minister daarover nadenken.

Ik koppel hier ook een vraag aan. Er komt weer een symposium. Wellicht is het goed als de Kamerleden in voorbereiding op de volgende Veteranennota hierbij uitgenodigd worden, puur voor onze eigen informatie en voor ons eigen denken en misschien meedenken.


Minister Hillen: Ik stel dat zeer op prijs.

Je zou kunnen zeggen dat de zorgmijders nooit in beeld komen, omdat zij geen vragenlijsten indienen. Dat is echter niet waar. Als er zich bij hen een zorgvraag ontwikkelt, komen zij bijvoorbeeld via de particuliere zorg of wat dan ook uiteindelijk wel in beeld en kunnen de links wel degelijk gelegd worden. Het is dus niet zo dat je per definitie nooit zicht op hen hebt. Via allerlei kanalen kunnen zij weer in beeld komen. Wij ervaren dit bovendien op dit ogenblik niet als een heel relevant probleem. Ik zal echter uitzoeken of dit wel zo is. In de volgende nota zal ik daar inzicht in geven met een verantwoording van de manier waarop wij op het ogenblik de vragen stellen en waarom wij denken dat wij met de antwoorden de hele doelgroep voldoende kunnen bedienen.


De voorzitter: Nu echt de laatste keer, mevrouw Eijsink.
Mevrouw Eijsink (PvdA): U bent heel coulant geweest. Dank u wel, voorzitter.

Het gaat erom dat de minister daarin ook de achttien of negentien instellingen van het Landelijk Zorgsysteem voor Veteranen meeneemt. Daar komt namelijk voor een deel een inzicht in de werkelijke problematiek terug. Wat is de wachtlijst? Hoeveel mensen maken gebruik van de zorg? Hoe lang maken zij daar gebruik van? Volgens mij krijgen wij dan een beter inzicht en overzicht van de trends voor de komende jaren, waar de minister naar vraagt.


Minister Hillen: Dat noem ik een "open deur"; dat is dan logisch.
Mevrouw Eijsink (PvdA): De minister heeft ze echter niet meegenomen in de nu voorliggende nota, sorry.
De voorzitter: Nee, dat was de laatste keer, mevrouw Eijsink.
Minister Hillen: De vragen van de heer El Fassed en de heer Van Dijk heb ik impliciet al beantwoord tijdens de behandeling van alle punten die aan de orde zijn gekomen.

Ik zal uiteraard verslag doen van mijn gesprek met de Molukse gemeenschap. Ik weet nu nog niet wanneer dat zal plaatsvinden, want het is nog niet geagendeerd. Ik weet ook nog niet wie ik zal meenemen. Wellicht is dat staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten, de verantwoordelijke bewindpersoon. Het kan ook zijn dat ik minister Leers vraag. Ik zal nog bekijken in welke samenstelling dat gesprek zal plaatsvinden.


De voorzitter: Ik bedank de minister voor zijn beantwoording in tweede termijn. Er zijn acht toezeggingen gedaan.

- De minister zal de Kamer in oktober 2012 een brief sturen over de stand van zaken omtrent de uitwerking van een regeling ereschuld veteranen.

- De minister zal de Kamer te zijner tijd informeren over de uitkomsten van de gesprekken met de Molukse gemeenschap over het draaginsigne voor militairen naar aanleiding van het ingrijpen bij De Punt in 1977.

- De minister zegt toe dat hij de Kamer in de Veteranennota 2013 zal informeren over het overleg over regionalisering van de Veteranendag.

- De minister zal de Kamer te zijner tijd informeren over de nazorg jegens de tolken die in Uruzgan voor de Nederlandse militairen hebben gewerkt, ook in relatie tot mogelijke strafbare handelingen door militairen waarvan de tolken al dan niet ooggetuigen zijn geweest.

- De minister zal in de Veteranennota 2013 caleidoscopisch ingaan op de particuliere zorgverlening aan veteranen.

- De Kamer ontvangt voor 5 juli 2012 een brief over een integraal zorgconcept.

- De Kamer ontvangt een brief over de restschade. Ik begrijp nu van de minister dat die voor 1 september 2012 verstuurd zal worden.

- De Veteranennota 2013 bevat een passage over de invulling van de vragenlijsten door veteranen.

**
Sluiting 15.10 uur.



1   2   3   4   5

  • Jasper van Dijk
  • Hillen

  • Dovnload 176.62 Kb.