Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een wetgevingsoverleg

Dovnload 353.75 Kb.

Verslag van een wetgevingsoverleg



Pagina1/12
Datum28.10.2017
Grootte353.75 Kb.

Dovnload 353.75 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12



VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 21 november 2016 overleg gevoerd met mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:



  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2016 inzake de publicatie Cultuur in Beeld 2016 (32820, nr. 213);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 oktober 2016 inzake toekomst stimulering scholing en onderhoud monumenten (32156, nr. 75);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 oktober 2016 inzake restitutiebeleid cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog (25839, nr. 42);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 september 2016 inzake aanpassingen in de financiering van de monumentenzorg (32156, nr. 74);

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2017 (34550-VIII);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 26 september 2016 met de reactie op de motie van de leden Van Toorenburg en Pechtold over het verzekeren van collecties en collectiemobiliteit (32820, nr. 212);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 september 2016 inzake besluiten culturele basisinfrastructuur periode 2017-2020 (32820, nr. 211);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 september 2016 met het antwoord op vragen van de commissie over de monitor decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving en over de beleidsreactie op de verkenning arbeidsmarkt cultuur en het advies inzake versterking arbeidsmarktpositie kunstenaars (29544, nr. 742);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 augustus 2016 inzake aanvullende adviezen Raad voor Cultuur basisinfrastructuur 2017-2020 (32820, nr. 210);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 31 mei 2016 inzake monitor decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving (32820, nr. 188);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 25 mei 2016 met antwoorden op vragen van de commissie over de uitvoering van de motie-Ouwehand over de positie van de popmuziek (32820, nr. 187);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 maart 2016 inzake uitvoering van de motie-Ouwehand over de positie van de popmuziek (32820, nr. 183).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,


Wolbert

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,


De Kler

Voorzitter: Wolbert
Griffier: De Kler

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Jasper van Dijk, Dik-Faber, Grashoff, Pechtold, Van Toorenburg, Van Veen, Vermue en Wolbert,

en mevrouw Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 11.03 uur.

De voorzitter:
Goedemorgen. Op de agenda staat een wetgevingsoverleg. We hebben ruim de tijd vandaag. De leden zijn gerangschikt in begrotingsvolgorde. Zij hebben van de Griffie spreektijden gekregen. Ik spreek met de leden zo'n drie interrupties per fractie af. We kijken waar dat toe leidt. Ik heet de leden van harte welkom, evenals de minister en haar medewerkers en de mensen op de publieke tribune.

We gaan van start met de inbreng van de heer Van Dijk van de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. We bespreken vandaag voor de laatste keer met dit kabinet de cultuurbegroting. Wat kunnen we zeggen na vier jaar minister Bussemaker? Aanvankelijk was er hoop, na de harde bezuinigingen van haar voorganger, staatssecretaris Zijlstra. Hij bezuinigde maar liefst 20% op het cultuurbudget en sloeg daarmee diepe wonden in het cultuurbestel. Na vier jaar weten we dat deze minister het beleid van haar voorganger grotendeels in stand heeft gelaten. Andere toon, zelfde beleid. Er is wat extra geld bij gekomen, maar dat is per saldo een doekje voor het bloeden. Om het beeld te schetsen, er is in totaal 325 miljoen bezuinigd op de culturele sector: 200 miljoen door Rutte I en 125 miljoen door andere overheden. Er is hooguit wat geld bij gekomen uit de eigen begroting. Deze bezuinigingen zijn dus niet hersteld en dat is te merken. Nu schreef de minister in haar brief Cultuur in Beeld dat zij zich zorgen maakt over de sector. Is dat niet rijkelijk laat, zo aan het eind van de kabinetsperiode? Waarom maakte de minister zich niet eerder zorgen, toen de sector aangaf dat het water hem tot aan de lippen stond, toen bleek dat er veel stille armoede is onder kunstenaars? Het heeft wel wat weg van Lodewijk Asscher, die ineens zijn eigen wanbeleid ongedaan wil maken in zijn lijsttrekkersverkiezing met de heer Samsom. Dat is toch veel te doorzichtig, een paar maanden voor de verkiezingen huiliehuilie doen?

Wie na Rutte I hoopte op betere arbeidsvoorwaarden en meer werkgelegenheid, kwam bedrogen uit. De helft van de mensen met een creatief beroep verdient minder dan €30.000. De VVD stelt in haar verkiezingsprogramma dat zij de subsidies zo wil inzetten dat met dezelfde hoeveelheid geld meer cultuur tot stand kan komen. De Partij van de Arbeid-minister heeft dat deze periode tot beleid gemaakt. De armoede is groot, het aantal zzp'ers neemt snel toe, het aantal vrijwilligers bij instellingen neemt toe, steeds meer instellingen staan op omvallen en de creativiteit vloeit uit de sector: 20.000 banen zijn verdwenen. De schaarste wordt verdeeld, waardoor instellingen elkaar moeten beconcurreren in plaats van samen te werken. Festivals die een positief advies kregen van het Fonds Podiumkunsten verliezen hun subsidie. Het Metropole Orkest, IDFA, de Grote Prijs van Nederland en talloze andere instellingen moeten het met minder stellen. Verliest een instelling de landelijke subsidie, dan verliest ze vaak ook de lokale subsidie. Er gaat veel tijd zitten in de talloze subsidieaanvragen. Tijd en middelen die niet besteed kunnen worden aan daadwerkelijk iets maken of optreden. Creatief geld aanvragen is volgens mij niet de creativiteit die we willen stimuleren.

Deze minister maakt zich zorgen over de diversiteit, over de regionale spreiding en over de belabberde positie van kunstenaars. In Drenthe wordt €0,80 per inwoner aan landelijk cultuurgeld besteed. In Noord-Holland €41. Dat is wel heel scheef. Cultuur moet voor iedereen toegankelijk zijn, in Amsterdam, maar ook in Assen. Deelt de minister die mening? Kunst en cultuur zijn geen voorrecht van de elite, maar een verrijking voor ons allen. De SP wil extra investeren in onder meer theaters, festivals, orkesten en musea. Kunstenaars moeten kunnen leven van hun werk en dat werk moet vaker buiten de grote instellingen te zien zijn. We stimuleren kunst en cultuur in de openbare ruimte, overal in het land en dicht bij de mensen in de buurt.

De heer Pechtold (D66):


De heer Van Dijk en ik trekken altijd samen op om op te komen voor cultuur, maar nu hoor ik in zijn bijdrage weer die wat mij betreft opgeklopte tegenstelling tussen Randstad en regio, zoals ik het maar samenvat. Ik vind de heer Van Dijk nu nog korter door de bocht dan anders, want ik hoor hem nu ook nog suggereren dat de elite in Noord-Holland woont en niet in Assen. Dat zegt de SP-woordvoerder eigenlijk in één ademstoot. Ikzelf pleit voor een eerlijke verdeling, maar ik wil ook het realisme dat dit land één culturele sector heeft en dat we met z'n allen gebruik moeten kunnen maken van zaken die elkaar versterken. Is de heer Van Dijk het met mij eens dat we de tegenstelling niet moeten blijven opkloppen met de bewering dat al het geld naar de Randstad gaat en dat dit onterecht is?

De heer Jasper van Dijk (SP):


Ik noemde net de cijfers: €0,80 gaat naar Drenthe en €41 naar Noord-Holland. Ik heb de minister om een reactie hierop gevraagd. In mijn tekst staat ook een voorbeeld over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van cultuur. Een concertkaartje voor het Concertgebouworkest kan €140 per bezoek kosten — de duurste kaarten zijn dit jaar €14 duurder geworden — en de topdirigent van dat orkest verdient zo ongeveer €40.000 à €80.000 per week. Die vaststelling wil ik ook voorleggen aan de minister in het kader van de toegankelijkheid, niet alleen voor de rijken maar ook voor de armen. Ik hoop dat de heer Pechtold die mening deelt.

De heer Pechtold (D66):


Ik vind het jammer als we de discussie zo voeren. Ik geloof dat Drenthe evenveel inwoners heeft als Amsterdam, of net iets minder zelfs. Los daarvan denk ik dat we de zaken niet zo tegen elkaar moeten afzetten. De dirigent is natuurlijk op internationale basis ingevlogen. Daarmee doe ik niets af aan de oproep om te kijken naar het inkomen van kunstenaars in het algemeen, maar ik ben bang dat de cultuursector er niet beter van wordt als we de tegenstelling in de sector op deze manier verder aanwakkeren. Ik hoop juist dat we, door in een volgende periode meer geld voor de totale cultuursector uit te trekken, kunnen voorkomen dat we dit soort naar mijn gevoel oneigenlijke en veel te wiskundige reeksen van cijfers tegenover elkaar blijven zetten. Ik hoop dat de heer Van Dijk, met wie ik straks financieel samen optrek bij het indienen van een amendement, daarvoor openstaat.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Ik vind dat interessant. Als Drenthe evenveel inwoners heeft als Amsterdam … De voorzitter heeft de exacte cijfers, begrijp ik.

De voorzitter:


Het zijn er 450.000.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Drenthe heeft 450.000 inwoners.

De heer Pechtold (D66):


Dat zijn er minder dan in Amsterdam.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Wil de minister de bedragen die Drenthe ontvangt eens afzetten tegen de bedragen die Amsterdam ontvangt? Dan krijgen we daar een goed beeld van. Ik kom terug op de toegankelijkheid. Ik heb nog een voorbeeld. De minister maakt zich ook zorgen over het publiek: het culturele publiek is geen afspiegeling van de bevolking. Het zijn bepaalde groepen mensen — de luisteraar mag zelf invullen welke groepen dat zijn — die naar musea en theaters gaan; andere groepen gaan daar veel minder naar toe. Ik heb het voorstel — misschien wil de heer Pechtold op dat punt ook met de SP samenwerken — om rijksmusea een dag per week gratis te maken. Volgens mij kun je daarmee de groepen die minder vaak naar musea gaan, beter naar binnen krijgen.

Ik heb intussen alweer twee alinea's van mijn betoog gehad, dus dat schiet lekker op. Ik ga verder. De SP heeft ook altijd veel belang gehecht aan popmuziek. We hebben een popnota geschreven, waarin we pleiten voor een fonds voor popmuziek om talent te stimuleren. Nu dreigt de Grote Prijs van Nederland in zijn geheel om te vallen door het uitblijven van structurele subsidie. Door ook het Fonds voor Cultuurparticipatie extra budget toe te kennen, kan dit voorkomen worden. Daarbij gaat het om €90.000. Ik krijg hierop graag een reactie.

De SP pleit ook voor de oprichting van een nationaal historisch museum. Dat is een bekend verhaal. Dat hebben we jaren geleden bedacht en is helaas door Halbe Zijlstra geannuleerd, maar ik denk dat historisch besef in deze tijd meer dan ooit nodig is. Ik vraag de minister of zij deze mening deelt.

Ook willen wij het fonds voor archeologische vondsten versterken en willen wij zo veel mogelijk bibliotheken in zo veel mogelijk wijken.

Wij investeren niet in bubbels maar in cultuur op de korte termijn en maken op lange termijn de schade van deze kabinetten ongedaan. Wij zorgen ervoor dat er structurele cultuureducatie komt; dus we maken geen zzp'er van de muziekdocent bij de muziekschool. Deze minister heeft in haar periode wat geld uit haar eigen begroting geregeld. Vervolgens heeft de Kamer daar nog eens 10 miljoen bij gedaan, op basis van het roemruchte amendement-Van Veen. Dat was echter eenmalig geld. In de nieuwe begroting, die we vandaag bespreken, is opnieuw 10 miljoen geregeld. Dat is mooi, maar in de kunst- en cultuursector is er nu brede overeenstemming over dat er nog 14 miljoen bij moet om de grootste pijn weg te nemen.

Vorige week dienden D66 en SP in het kader van het Belastingplan een amendement in om 11 miljoen vrij te maken, met een uitstekende dekking: geen verlaging op de accijns voor champagne. Helaas kreeg het geen meerderheid. Ik vraag aan de Partij van de Arbeid waarom zij champagne boven cultuur verkiest.

De heer Pechtold (D66):
Terechte vraag!

De heer Jasper van Dijk (SP):


Daarom moeten we het vandaag regelen. De heer Pechtold sprake er al over. Ik heb de eer om samen met hem een amendement in te mogen dienen, waarin wij 10 miljoen regelen voor cultuur, met wederom een uitstekende dekking. Wij gaan straks naar de coalitie luisteren. Daar zullen ongetwijfeld mooie woorden worden gesproken, maar u kent het spreekwoord: put your money where your mouth is. We hebben dinsdag van de sector een petitie gekregen. Als we echt wat willen doen, dan moet er geld bij, met andere woorden: steun dat geweldige amendement Pechtold/Jasper Van Dijk.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


De heer Van Dijk geeft aan dat een fatsoenlijke spreiding van onze culturele middelen over het land wel belangrijk is. Niet iedereen is daarvan overtuigd, maar wij wel. Ik ben benieuwd hoeveel geld dat is uitgetrokken voor dit amendement, straks echt naar de regio's gaat. Of is het een amendement dat ervoor zorgt dat er weer louter geld naar de Randstad gaat?

De heer Jasper van Dijk (SP):


Dat is een terechte vraag van mevrouw Van Toorenburg. Het amendement is echt vers van de pers. Het wordt nu gemaakt. Mag ik mevrouw Van Toorenburg vragen om daar in tweede termijn op terug te komen? Dan kan ik dat toelichten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


Misschien is het dan nog leuker als ik het amendement voor die tijd kan zien, want ik vind het belangrijk dat het geld echt naar de regio's gaat. In plaats van dat we het Metropole Orkest straks weer een klap geld extra geven, zodat het in Londen kan excelleren, moeten we onze eigen regionale cultuur laten bloeien.

De heer Jasper van Dijk (SP):


Ik hoop ook op steun van mevrouw Van Toorenburg voor ons geweldige amendement, dus ik weet niet hoe stekelig ik nu moet reageren op deze opmerking over het Metropole Orkest, dat ik zeer waardeer. Ik wijs mevrouw Van Toorenburg erop dat een groot deel van de 10 miljoen die het kabinet heeft geregeld, naar de regio's gaat. Zo heb ik het althans begrepen. Ik blijf constructief. We gaan het straks bespreken. Zo gauw het er is, gaan we bij elkaar zitten. Toch wil ik de nadruk leggen op en-en in plaats van of-of. Straks, als deze termijn van de Kamer is afgelopen, bent u allen van harte uitgenodigd om naar Nieuwspoort te komen. Daar zal Gijs Scholten van Aschat exclusief een vertolking geven van een nummer van Tom Waits, zo heb ik mij laten vertellen. Ook zal hij een statement doen dat gericht is op meer aandacht voor cultuur, om het maar even zo samen te vatten. Hij heeft zaterdag een prachtig stuk in NRC geschreven. Ik wil afsluiten met dit citaat daaruit: "Geachte Kamerleden, op 21 november behandelt u de Kunsten begroting, neem geen risico het spel te verliezen. Er zal meer verloren gaan dan het spel alleen."

De heer Van Veen (VVD):


Voorzitter. Nederland kent een cultuur met een rijke geschiedenis en een springlevend heden. Nederlanders zijn daar ook trots op. Maar ze maken zich ook zorgen over de vraag of het cultureel erfgoed goed beschermd wordt. Blijft Nederland echt wel Nederland? Nederlanders kunnen zich enorm ergeren als belastinggeld over de balk wordt gegooid. Meer en meer is een groot deel van de cultuursector zich gaan richten op het publiek in plaats van op de subsidieverstrekker. Cultuur is er namelijk niet voor politici, maar voor het publiek. Dat resulteert in een rijksgesubsidieerd aanbod van hoge kwaliteit en in veel gevallen ook in toegenomen publieke belangstelling. Ik hoop oprecht dat deze trend zich in de komende vier jaar voortzet.

Vandaag bespreken wij de verdeling van de BIS-middelen en ook de diverse fondsen. Ik zal vandaag niet pleiten voor instelling A of B, precies zoals u dat van mij gewend bent. Ik wil wel aandacht vragen voor het proces. Het gaat daarbij om het advies van de Raad voor Cultuur en de fondsen, het proces van hoor- en wederhoor, het uiteindelijke besluit van de minister op Prinsjesdag en vervolgens de aanvullende adviezen van de fondsen. Dit alles vindt plaats binnen een halfjaar tijd, inclusief het zomerreces. Volgens mijn partij moet dat anders kunnen. Wat is het standpunt van de minister over dit tijdspad? Zouden wij bij een volgende periode niet zeker één jaar langer de tijd moeten nemen en het advies voor de Raad voor Cultuur eerder in ontvangst moeten nemen?

Bij de meer dan 20 centimeter lobbypost zat een opvallende hoeveelheid afkomstig van zowel de samenwerkende noordelijke provincies als het zuiden van het land, waar de gevolgen van de miserabele landelijke spreiding van cultuurgeld het hardst gevoeld worden. Dit moet, in het belang van de cultuursector, echt anders om draagvlak in de Nederlandse samenleving te behouden. Dat geldt voor zowel de fondsen als de BIS. Wij hebben inmiddels een brief ontvangen van de minister, maar ik wil toch dat de minister hier nog een keer uitlegt hoe zij ervoor gaat zorgen dat het geluid uit de regio beter gehoord wordt.

In dat proces moet ik één fonds eruit lichten. Voor de volgende periode is het Fonds Podiumkunsten in staat om 5% meer instellingen op te nemen in de fondsenstructuur dan in de voorgaande periode. Dat is mogelijk dankzij deze minister. Ik zou dan ook complimenten verwachten. Het adagium van het regeerakkoord was immers: geen geld eraf, geen geld erbij. Maar deze minister heeft mogelijkheden gezien om toch ruimte te maken binnen haar begroting. Ondanks al dit — volgens mij — goede nieuws, is het Fonds Podiumkunsten er niet in geslaagd om een van de belangrijkste opdrachten uit te voeren waarmee de minister het fonds naar aanleiding van het uitgangspuntendebat in 2015 op pad heeft gestuurd, namelijk de regionale spreiding en de verankering van het cultuuraanbod. Aan wie ligt dit? Ligt dit aan het fonds of aan de minister? Hoe verklaart de minister dat bij de toekenning van extra geld de keuze niet voor de regio gemaakt wordt, maar voor Amsterdam? Is het kwaliteitsverschil werkelijk zo groot? Ik heb namelijk het gevoel dat niet alleen kwaliteit de doorslag heeft gegeven. Wij hebben met de minister over veel meer criteria dan kwaliteit alleen gesproken. Wij hebben het Fonds Podiumkunsten in ieder geval niet gevraagd om een A- en B-lijst te presenteren en vervolgens aan instellingen de boodschap te geven: u hebt een perfecte aanvraag ingediend, dus gaat u maar naar de politiek in Den Haag en regel daar zelf 14 miljoen euro. Ik wil heel graag dat de minister hier een reactie op geeft.

Deze Kamer weet dat wat ons betreft een aantal musea toe zou kunnen met een lagere subsidie, zodat er meer middelen vrijkomen, zo zeg ik nadrukkelijk, voor andere musea. Ook bij de fondsen zouden we het kritisch moeten blijven bekijken. De afgelopen periode laat zien dat dit mogelijk is geweest. Maar hoe werkt het nu als achteraf blijkt dat je toch te veel aangevraagd hebt? Dan komt een deel van dat bedrag in het bestemmingsfonds OCW. Beste collega's, dit fonds is de afgelopen periode met 6,7 miljoen gegroeid. Aan het einde van 2016 zal het het bedrag van 8 miljoen overschrijden. Ik merk hier terloops bij op dat dit bedrag veel hoger had kunnen zijn als bepaalde musea bijvoorbeeld hun managementkosten niet uit de klauwen hadden laten lopen.

Maar goed, voor dat bedrag van 18 miljoen had de minister een bestemming moeten aanwijzen bij het aanbieden van de BIS. Dat heeft ze nog niet gedaan. Wat mijn fractie betreft gaan we hier vandaag verandering in brengen. De vraag is dan: hoe? Als eerste stel ik voor om de historische schuld die een aantal musea hebben opgebouwd bij het bestemmingsfonds te verevenen. Dat bevordert — dat ga ik echt zeggen — de interne solidariteit binnen de museumwereld.

Daarnaast vind ik het niet meer dan logisch dat die middelen, die ooit bestemd waren voor de musea, ook binnen die sector blijven. Ik noem een aantal voorbeelden van waar het naartoe zou kunnen gaan. Het zou kunnen gaan naar het Mondriaan Fonds, dat aankopen doet voor alle museumbezoekers en alle musea. Om te voorkomen dat dit bedrag abstract blijft, zou je kunnen denken aan een bedrag van 1,5 miljoen. Ik kan me ook voorstellen dat we de kleine musea in de BIS het bedrag toekennen dat ze hebben aangevraagd, waarbij we wel de eigeninkomstennorm in acht nemen. Ik zou me ook zomaar kunnen voorstellen dat we vooruitlopend op een nieuwe structuur twee musea buiten de BIS, bijvoorbeeld in het zuiden en in het noorden van het land, een financiële injectie geven, waardoor provincies en gemeenten in die regio aantoonbaar geld overhouden voor andere cultuuruitgaven. Maar misschien is het het beste als de Raad voor Cultuur buiten de door ons opgestelde uitgangspunten een aanvullend advies mag uitbrengen om het geld met het oog op de toekomst beter in te zetten. Ik krijg graag een reactie van de minister, zodat ik in tweede termijn door middel van een motie inhoud kan geven aan onze wensen.

Wat mij betreft zijn we er dan nog niet. Mijn collega's zullen mij er immers terecht op wijzen dat ik geen structurele oplossing bied. De vormgeving van het bestemmingsfonds moet wat mij betreft dan ook anders. Nu wordt bij het bepalen van de verplichte bijdrage aan het bestemmingsfonds alleen gekeken naar het percentage eigen inkomsten ten opzichte van de verleende subsidie. Dat is niet eerlijk, want op deze manier worden het eigen vermogen, de mogelijkheid om voor één jaar de salarissen van het personeel te betalen, het voorzieningenniveau en de ongefundeerde extra exploitatiekosten buiten beschouwing gelaten. Ik vraag de minister of zij ook vindt dat de wijze waarop de bijdrage aan het bestemmingsfonds tot stand komt, moet worden gemoderniseerd. Is zij bereid de eerder door mij aangehaalde elementen daarin mee te nemen?

Ik heb nog een allerlaatste punt over de musea. De indemniteitsregeling zit mij en mijn partij namelijk dwars. Het is goed dat de minister heeft geprobeerd om deze aan te passen. Ik heb de vorige keer al gezegd dat het geen oplossing is. De wens van mij en mijn partij staat in ons verkiezingsprogramma: wij willen een regeling zonder financiële beperkingen. Denkt de minister dat zij daar nog in gaat slagen? Kan de minister becijferen wat dit de musea aan premiekosten zou schelen? Zo zou er opnieuw extra geld voor cultuur beschikbaar komen. Ik vind dat de minister zich niet langer moet verschuilen achter de minister van Financiën maar zelf moet zeggen wat ze vindt. Het draagvlak in de Kamer lijkt aanwezig.

Ik zei het al: we mogen met zijn allen verwachten dat we weten wat we met ons belastinggeld doen. De beleidsevaluatie van het internationale cultuurbeleid was op dat punt uitermate kritisch. Daarom diende ik hierover een motie (31482, nr. 99) in. Het moge duidelijk zijn dat ik blij ben met de smart-aanpak en de jaarlijkse rapportages. Ik ben zelfs zeer blij met het ontsluiten van VOC-archieven, zoals de minister in haar brief heeft aangegeven. Maar in de door de Kamer aangenomen motie gaat het om de Nederlandse belangen. Volgens de minister gaan we toch weer een miljoen verspijkeren in Mali en Marokko. Ik vind dat lachwekkend. Ik snap werkelijk niet waarom de cultuursector in Nederland niet zelf in opstand komt tegen deze geldverspilling in landen die niets om onze cultuur geven. Sterker nog: ik denk dat Nederland in rep en roer zou zijn als landen als Saudi-Arabië hun cultuur hierheen zouden exporteren. Minister, zet in plaats daarvan in op handelsmissies en staatsbezoeken van onze Koning. Dan blijft het geld voor cultuur behouden, maar wel voor de Nederlandse cultuur.

Het restitutiebeleid is zo'n 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog nog steeds actueel. Nog altijd zijn er families die de kunst die van hen werd geroofd door de nazi's, weer in hun rechtmatig bezit krijgen of willen krijgen. De VVD is blij om te zien dat de minister wel alert blijft op de uitvoering van het huidige beleid. In haar brief van 4 oktober jongstleden heeft de minister, naar aanleiding van het onderzoek van bureau Berenschot, enkele wijzigingen aangekondigd. Wat denkt de minister van de gevolgen van deze aanpassingen? Verwacht zij dat dit tot een heropening van oude zaken uit het verleden gaat leiden?

Ik sluit af met een cri de coeur. In voorbereiding op dit debat heb ik diverse instellingen bezocht; instellingen die vaak een ondernemende houding hebben. De minister weet dat de VVD zo'n houding op prijs stelt en ook graag mogelijk maakt. Maar dat kan natuurlijk alleen als potentiële bezoekers ook daadwerkelijk hun weg naar onze culturele instellingen of ons erfgoed kunnen vinden. In Frankrijk wordt elke kerk, elke ruïne of elk voormalig klooster goed bewegwijzerd, in Nederland vooral de Efteling, een dierenpark of een recreatieplas. Wie op zoek is naar het Muiderslot, moet eerst een geluidsscherm voorbij. En wie onderdelen van de Hollandse Waterlinie of kasteel Huis Doorn wil bezoeken, moet niet harder rijden dan 15 km/u, want anders raas je eraan voorbij. Ik wil de minister vragen om nader te onderzoeken in hoeverre via ons bewegwijzeringsbeleid de bekendheid en bereikbaarheid van ons cultureel erfgoed kan worden bevorderd.

Dit is de laatste cultuurbegroting van deze minister en het is de laatste begroting van de voorzitter van de Raad voor Cultuur, de heer Daalmeijer. Ik dank de minister voor de prettige samenwerking. Ik zelf zal binnenkort ook vertrekken. Ondanks het feit dat ik het lang niet altijd met de minister eens ben, heb ik de samenwerking wel als zeer prettig ervaren. Tevens dank ik vanaf deze plaats de heer Daalmeijer voor zijn inzet, visie maar vooral zijn openheid.

De heer

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

  • Voorzitter: Wolbert Griffier: De Kler
  • Jasper van Dijk
  • Pechtold

  • Dovnload 353.75 Kb.