Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een wetgevingsoverleg

Dovnload 353.75 Kb.

Verslag van een wetgevingsoverleg



Pagina11/12
Datum28.10.2017
Grootte353.75 Kb.

Dovnload 353.75 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12
Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. De sluipende sloop van de cultuursector is met deze begroting nog niet afgelopen. Zelfs met het zeer gewaardeerde amendement van de heren Pechtold en Jasper van Dijk zal het nog niet helemaal opgelost zijn. Het zou echter een stap in de goede richting zijn. Ik ga dat amendement dus van harte ondersteunen. Tegelijkertijd stel ik vast dat we aan de ene kant deze reële discussie met elkaar voeren, maar dat aan de andere kant de woordvoerder van de VVD vooral het debat wil voeren over de verwijzing naar monumenten en of de borden wel op de goede plek staan, wat zich uiteindelijk beperkt tot een verkeerd geplaatst bord naar het Muiderslot. Ik geloof dat dit ongeveer de range is waarbinnen dit debat plaatsvindt.

Het debat over regionale spreiding wordt naar mijn mening echt op het verkeerde niveau gevoerd. Ik vind het een buitengewoon onhandige, en op deze manier valse tegenstelling. Maar die andere tegenstelling, dat andere dilemma, is: hoe ga je ermee om? Daarover heb ik een motie gedicht die ik hier graag wil voordragen.

Motie

De Kamer,



gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Raad voor Cultuur pleit voor een herbezinning van onze landelijke culturele infrastructuur, zoals de basisinfrastructuur en de fondsen, en dat in de Agenda Cultuur adviseert om te kijken naar stedelijke regio's;

overwegende dat het aanbod van cultuur in stedelijke regio's een belangrijke invloed heeft op het vestigingsklimaat;

verzoekt de regering, nader te onderzoeken hoe en in welke mate de culturele infrastructuur in stedelijke regio's van invloed is op het algemene vestigingsklimaat van huishoudens en bedrijven;

verzoekt de regering voorts, nader te onderzoeken hoe en in welke mate een sturend cultuurbeleid kan bijdragen aan behoud en versterking van het algemene vestigingsklimaat in belangrijke stedelijke regio's buiten de Randstad;

verzoekt de regering tevens, de conclusies van dit onderzoek te betrekken bij een herziening van het stelsel van basisinfrastructuur en de fondsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:


Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff en Pechtold. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (34550-VIII).

De heer Grashoff (GroenLinks):
Ik wil nog even ingaan op de diversiteit. De minister is op de goede weg met het leggen van de nadruk daarop. Ik wil haar echter een suggestie doen en haar vragen om na te denken over het toekennen van een prijs. Het gaat dan om een prijs voor diversiteit in programmering. Ik heb zelfs een suggestie voor naar wie die prijs vernoemd zou kunnen worden, ofschoon dat misschien wat brutaal is. Die prijs zou vernoemd kunnen worden naar Doro Siepel, directeur van Theater Zuidplein. Zij is juni van dit jaar overleden. Zij was als geen ander in staat om in de programmering iets voor elkaar te krijgen wat bijna nergens lukt: een heel divers publiek naar het theater krijgen. Ik denk dat dit een idee zou kunnen zijn en ik zou de minister willen vragen om eens na te denken over het instellen van een prijs en het naar haar vernoemen van die prijs.

Er is veel gezegd over de monumentenaftrek. Het is weliswaar logisch dat dit daarvoor de verkeerde plek is, omdat het nu eenmaal gaat om een fiscale regeling, maar vanwege onze te kleine fractie bevond ik mij in de rare situatie dat ik zowel woordvoerder Financiën als woordvoerder Onderwijs en Cultuur was en ook nog woordvoerder over een heleboel andere dingen. Ik heb met stijgende verbazing naar de discussie zitten luisteren met mijn collega's van Financiën. Het moet immers gaan om de vraag hoe je het monumentenbeleid effectief ondersteunt. Op één punt wil ik de minister graag bijvallen: het zou zeer wenselijk zijn als we die discussie in deze commissie voortzetten, wellicht met een stukje van de last eraf omdat het wetsvoorstel is aangehouden. Ik zou ook een oproep willen doen: praat met de collega's met Financiën. Op het inhoudelijke vlak —wat zouden we op dit punt wel of niet moeten doen? — moet de discussie hier gevoerd worden. Die discussie kunnen wij echt beter voeren dan de commissie voor Financiën.

De voorzitter:
Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de tweede termijn van de Kamer. Ik schors de vergadering om de minister de gelegenheid te geven om de voorstellen van de Kamerleden te bestuderen.

De vergadering wordt van 17.12 uur tot 17.30 uur geschorst.

De voorzitter:
We zijn toe aan de bespreking van de ingediende moties. Mevrouw Van Toorenburg heeft de vergadering moeten verlaten. Als zij haar auto niet zou weghalen van de plek waar die stond, zou zij niet meer thuiskomen. Het is wel van belang om thuis te komen.

De heer Pechtold (D66):


Bij mij gaat het niet om een geparkeerde auto, maar om twee kinderen die voedsel willen krijgen. Om 18.00 uur zal ik dus vertrekken.

De voorzitter:


Het gaat ons lukken om voor 18.00 uur in ieder geval uw moties besproken te hebben. Ik geef het woord snel aan de minister.

Minister Bussemaker:


Voorzitter. Ik wil eerst nog een paar vragen beantwoorden. De heer Van Dijk sprak nog een keer over het gratis openstellen van musea. Ik zeg nog maar eens dat we dat in 2006 hebben laten doorrekenen, toen het debat over gratis musea speelde. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat het resultaat zou zijn dat er dan 67.000 meer bezoeken zouden zijn maar vooral van mensen die de musea toch al binnenkomen en dat er sprake zou zijn van 5,6 miljoen aan gederfde inkomsten. Ook in reactie op de opmerking van de heer Grashoff over de voorstellen van Renzi in Italië zeg ik dat wij met de Museumjaarkaart, de halve prijs voor kinderen, het CJP en de MBO Card tot de landen behoren met het meest toegankelijke stelsel. Dit lijkt mij dus niet wenselijk.

De heer Van Dijk vroeg of ik zou willen kijken naar de Grote Prijs van Nederland, voor de popmuziek. Die organisatie heeft een aanvraag ingediend bij het Fonds voor Cultuurparticipatie voor festivals en talentontwikkeling. Die regeling is vooraf door mij goedgekeurd op basis van de criteria kwaliteit, spreiding, ondernemerschap en pluriformiteit. Een onafhankelijke commissie heeft een negatief advies gegeven over de aanvraag van de Grote Prijs van Nederland. Ik zeg daarbij dat voor talentontwikkeling — daar doet de Grote Prijs eigenlijk ook aan — andere organisaties op het terrein van de popmuziek al subsidie krijgen, namelijk Popsport, Popwaarts en Kunstbende. Die krijgen een meerjarige subsidie voor 2017 tot 2020. Tegen die achtergrond vind ik het dus niet wenselijk om de Grote Prijs te subsidiëren.

De heer Van Veen vroeg gegevens over de indemniteit: geldt die 6,3 miljoen voor één jaar? Nee. Misschien sprak ook ik te snel. Het gaat over de periode van 2005-2015, waarin met de indemniteitsregeling in totaal 6,3 miljoen aan premiereductie voor de musea is bereikt. Dat gaat dus over een periode van tien jaar.

Mevrouw Vermue vroeg of je ergens terechtkunt als je binnen de BIS en het fonds valt. Je hebt de BIS voor de meerjarige subsidies, de fondsen voor de meerjarige subsidies, maar je hebt ook de fondsen met projectsubsidies. Vanuit de extra 10 miljoen geef ik de fondsen ook extra geld voor talentontwikkeling. Dat is nog niet allemaal besteed. Vervolgens zijn er natuurlijk altijd nog private fondsen, de gemeenten en de provincies.

De heer Grashoff vroeg naar de diversiteitsprijs. Dat vind ik op zich een sympathiek idee, maar ik kan hem vertellen dat er al een diversiteitsprijs is, namelijk de Code Culturele Diversiteit Award. Die wordt in februari 2017 uitgereikt. Bij het Congres Cultuur in Beeld zullen we de aandacht daar nog eens op vestigen.

De opmerking van de heer Grashoff over monumenten en het hier voeren van dat debat is mij uit het hart gegrepen. Ik hoop dus dat ik het inhoudelijke debat daarover met deze commissie kan voeren. Als de commissie daar behoefte aan heeft, ben ik bereid om alles wat intussen in verschillende brieven staat, soms samen met de scholingsaftrek en soms in andere cultuurbrieven, nog eens bij elkaar te zetten, opdat we dat debat geordend kunnen voeren. Dat hoor ik dan nog wel.

In de motie op stuk nr. 61 wordt de regering verzocht om de bedoelde festivals niet in de BIS op te nemen en onmiddellijk toe te voegen aan het Fonds Podiumkunsten. Die motie ontraad ik. Dit kan ook niet meer, want die middelen zijn al toegewezen aan de BIS. Het is onmogelijk om deze motie uit te voeren. Ik vind het ook niet wenselijk om dit nu alsnog te doen, maar voor een nieuwe periode wil ik graag bekijken hoe we, ook indachtig wat ik tegen de heer Van Veen en mevrouw Vermue heb gezegd, tot een goede balans kunnen komen tussen wat in de BIS en wat in de fondsen moet. In de motie op stuk nr. 62 van de heer Van Veen wordt ertoe opgeroepen om in overleg te treden met provincies en gemeenten over bewegwijzering. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik vind het een sympathieke motie, maar ik zou daar wel het punt bij willen betrekken dat ik dat overleg niet alleen voer met provincies en gemeenten, maar ook met de ANWB. Ik wil er ook voor pleiten dat er dan vooral aandacht wordt besteed aan digitalisering, want misschien is het nog wel belangrijker dat dit in allerlei digitale bewegwijzeringsprogramma's zit, dan dat het op een bordje langs de kant van de weg staat. Ik hoop ook zeer dat de heer Van Veen tijdens zijn nieuwe baan, ook al is hij hier dan misschien niet als eerste verantwoordelijk meer voor, toch op de achtergrond iets kan betekenen.

In de motie op stuk nr. 63 van de heer Van Veen wordt verzocht om middelen uit het bestemmingsfonds te besteden aan drie onderdelen die te maken hebben met musea. Ik heb een paar kanttekeningen bij deze motie. Ik kan nog niet garanderen dat het bestemmingsfonds in 2017 gevuld zal zijn met 8 miljoen. Dat is dus een veronderstelling, maar als ik de motie zo mag lezen dat het hier gaat over de middelen die er zijn, is het al beter. In de motie wordt de regering verzocht om aanvullend advies bij de Raad voor Cultuur te vragen. Het probleem dat ik daarmee heb, is dat ik niet alleen bij de Raad voor Cultuur moet zijn maar wellicht beter bij de ADR advies kan inwinnen, omdat instellingen wel reserves moeten kunnen houden om eventuele ongewenste en onverwachte ontwikkelingen op te vangen. Ik moet weten hoeveel dat moet zijn. Tegen die achtergrond en met deze kanttekeningen wil ik het oordeel over deze motie aan de Kamer laten.

De heer Van Veen noemt in zijn motie trouwens drie mogelijkheden: een bijdrage aan het Mondriaan Fonds ten behoeve van het aankoopfonds, het buiten de BIS-criteria ondersteunen van twee musea in de regio, en het verhogen van het toegekende bedrag aan musea met een lagere BIS-bijdrage. Van die drie opties is de eerste wat mij betreft het meest wenselijk en ook het best te onderbouwen. Met deze kanttekeningen laat ik het oordeel over de motie dus aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 64 van de heer Van Veen wordt de regering verzocht om giften en erfenissen niet mee te tellen bij het bestemmingsfonds en om een evenwichtiger afdrachtmodel te kiezen. Mijn vraag is wat de indiener bedoelt met de aanstaande BIS-periode. Als dat de BIS-periode vanaf 2020 is, laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer. Als de indiener de BIS-periode bedoelt die op 1 januari 2017 ingaat, moet deze motie ontraden, want het kan ook praktisch niet meer om hier een heel nieuwe systematiek voor te maken.

De heer Van Veen (VVD):
Ik zou het niet netjes vinden als ik in 2016 ga opleggen wat men in 2020 moet gaan doen. Dat wil ik niet, want er zijn misschien nog wel twee Kamers die daartussen zitten. Ik constateerde alleen dat de berekening van de bijdrage aan het bestemmingsfonds op basis van de huidige criteria in mijn ogen niet goed is, en ik vind eigenlijk dat wij een moment moeten hebben om met de minister nog eens te praten over de techniek van berekenen. Maar ik begrijp dat de motie anders wordt ontraden, en ik vind het andere punt eigenlijk wel net zo belangrijk. Het gaat erom dat giften en erfenissen geen onderdeel uitmaken van de berekening van de bijdrage aan het bestemmingsfonds. Als dat zou kunnen, wil ik dat andere verzoek wel schrappen. Ik kijk even wat de reactie van de minister hierop is, en ik wacht even omdat er ook wat gepraat wordt.

Minister Bussemaker:


Het is ook gewoon een praktische kwestie. Het is de vraag wat er allemaal mogelijk is op een zeer korte termijn omdat hiervoor allerlei regelingen aangepast moeten worden. Ik vrees dat dit heel ingewikkeld gaat worden. Ik kan wel toezeggen dat ik nog eens schriftelijk op deze motie zal reageren.

De heer Van Veen (VVD):


Dan trek ik de motie in.

De voorzitter:


Aangezien de motie-Van Veen (34550-VIII, nr. 64) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Bussemaker:


Ik zeg dan toe dat ik een brief stuur over de mogelijkheden die er zijn om op een andere manier met de systematiek van de bestemmingsfondsen om te gaan. Ik zeg ook toe dat ik, mocht de motie die ik overlaat aan het oordeel van de Kamer aangenomen worden, ook op de motie die nu is ingetrokken nog dieper in zal gaan.

Dan kom ik nu op de motie-Van Veen/Vermue, op stuk nr. 65, waarin de regering wordt verzocht, het advies van het Fonds Podiumkunsten en de Raad voor Cultuur minimaal twaalf maanden voor de behandeling van de OCW-begroting aan te vragen. Die motie moet ik ontraden nu die zo strak is geformuleerd. Twaalf maanden naar voren halen kan om heel veel redenen niet. Ik kan dat omstandig gaan uitleggen, maar het zou ook de instellingen zeer belasten qua tijd die ermee gemoeid is. Wel kan ik bij een nieuw stelsel bezien hoe de adviesprocedure beter kan en hoe die misschien ook versneld kan worden. Daarbij wil ik ook de vraag betrekken hoe wij meer rekening houden met gemeentelijke adviesorganen. Sommige gemeenten hebben namelijk hun eigen fonds. Dat wil ik wel toezeggen, maar de motie in de huidige formulering moet ik echt ontraden. De motie moet dus worden aangepast, of de indieners moeten genoegen nemen met de toezegging die ik zojuist heb gedaan.

De heer Van Veen (VVD):
Dat gaat wel weer heel snel, want het gaat om een in mijn ogen belangrijk punt. Op het moment dat je buiten de fondsen of buiten de basisinfrastructuur valt, wil je als organisatie de tijd hebben om je in te richten op die nieuwe situatie. Ik kan mij voortellen dat er vandaag instellingen zijn die de hoop hadden dat er uit dit debat nog iets zou komen voor de toekomst van die instellingen. Stel je voor dat daar mensen ontslagen moeten worden of dat het programma moet worden aangepast omdat de middelen ontbreken. Met de huidige structuur hebben wij ervoor gezorgd dat er nog één jaar is voordat het nieuwe jaar start. Wat dat betreft zou ik de motie willen handhaven. Wij moeten daar iets aan veranderen, want dit is niet werkbaar.

Minister Bussemaker:


Het nadeel voor de instellingen is dat iedereen dan een jaar eerder allerlei voorstellen moet indienen. Als je nog bezig bent, juist in de stedelijke regio's die ik wil stimuleren, om samenwerking te zoeken en rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen die je nog niet goed kunt overzien — denk aan digitalisering — dan lijkt mij dat daar zomaar ook een heleboel onwenselijke aspecten aan vastzitten. Misschien is dat ook zo omdat je te maken krijgt met middelen waarvan je nog niet weet of je die kunt krijgen, van een gemeente, van een provincie of misschien uit private fondsen. Dat zou dan ten koste gaan van de tijd die instellingen nodig hebben om zich goed voor te bereiden op de nieuwe periode. Het is eenvoudigweg niet mogelijk om meer tijd te nemen voor de aanvragen en voor de adviezen van de Raad van Cultuur. Ik zie dus echt niet hoe dit zou moeten en blijf de motie dus ontraden.

Ik ontraad de motie-Van Veen op stuk nr. 66 over projecten in Egypte, Libanon, Mali, Marokko, Rusland, Turkije en Palestijnse gebieden. Deze projecten worden betaald uit middelen van BuHa-OS. De middelen zijn vaak ODA-gerelateerd. De begroting van BuHa-OS is vorige week in de Kamer besproken. Voor zover ik weet is dit toen niet ter discussie geweest. Ik heb al gezegd dat ik het punt van Marokko ga bespreken.

De heer Van Veen (VVD):
Ik wil even opmerken dat de brief van de minister is verstuurd op 17 november. Dat is de reden waarom de VVD deze motie wel in stemming zal brengen.

Minister Bussemaker:


Ik blijf de motie ontraden. Ik vind het echt onwenselijk als hier moties worden ingediend die dusdanig het beleidsterrein van een collega raken. Ik zal aan haar vragen of zij nog reden ziet om de Kamer schriftelijk te informeren over het onwenselijke karakter hiervan. Mocht dat bevestigend zijn, dan zult u de brief nog voor de stemmingen krijgen.

Ik ontraad de motie Van Toorenburg-Dik-Faber op stuk nr. 67, over de subsidieaanvraag uit de regio's noord, oost en zuid die positieve beoordelingen hebben gekregen. Deze motie kan ik echt niet uitvoeren. Dat heeft te maken met de systematiek van het Fonds Podiumkunsten. Dat heeft een rangorde aangebracht. Ook ik ben niet bij machte om zo te shoppen in de rangorde die het Fonds Podiumkunsten op grond van kwaliteit, maar ook ondernemerschap, publieksbereik en regionale verdeling heeft gemaakt. Het kan ook niet omdat de bestemmingsfondsen pas medio 2017 komen en het om incidenteel geld gaat. Hier wordt nu de indruk gevestigd dat het om meerjarige subsidies gaat.

Ik zou willen vragen, de motie Van Toorenburg-Dik-Faber op stuk nr. 68 over het primair onderwijs en financiële drempels aan te houden, omdat de Kamer binnenkort de brief cultuureducatie krijgt. Mocht dat niet gebeuren, dan ontraad ik de aanneming van de motie zoals die nu is geformuleerd. Het lijkt mij echter onwenselijk om de motie op deze manier te behandelen zonder veel discussie daarover, want omdat er nog een brief komt over cultuureducatie, heb ik dat onderwerp vrij kort behandeld.

Ik ontraad de motie op stuk nr. 69 van de leden Van Toorenburg en Dik-Faber om aan het Orkest van het Oosten en Het Gelders Orkest met spoed een positieve beschikking voor de periode 2017-2020 af te geven. Op Prinsjesdag heb ik beide orkesten subsidie gegeven voor de periode 2017-2020, maar ik heb daaraan de voorwaarde verbonden die de Raad voor Cultuur in zijn advies heeft genoemd, namelijk dat er een gezamenlijk plan moet komen. Ik gebruik het advies van de Raad voor Cultuur om mijzelf een oordeel te vormen over deze plannen. Ik kan ook het Orkest van het Oosten en Het Gelders Orkest niet buiten de orde plaatsen. Ik ben al extra coulant voor deze twee orkesten geweest. Zij hebben van de Raad voor Cultuur een "nee, tenzij" gehad. Als ik ze nu een positieve beschikking zou geven, zou ik buiten de orde en buiten de functie van de Raad van Cultuur om opereren.

Het oordeel over de motie op stuk nr. 70 van de leden Vermue en Van Veen om de €500.000 voor de versterking van de arbeidsmarkt ter beschikking te stellen aan het Fonds Podiumkunsten met inachtneming van de rangorde, laat ik aan de Kamer. Ik heb al gezegd dat die middelen ook anders kunnen worden besteed. De rangorde is daarbij wel van groot belang. Nogmaals, ook ik kan niet buiten de rangorde van het Fonds Podiumkunsten treden. Ik kan dus niet zeggen: doe die of die maar. Ik kan in ieder geval niet garanderen dat hier meer uitkomt voor de regio. Ik zal in overleg treden met het Fonds Podiumkunsten om te bekijken hoe binnen de systematiek van het fonds en binnen dit bedrag nog een aantal instellingen tegemoet kan worden gekomen.

In de motie op stuk nr. 71 van de leden Vermue en Van Toorenburg wordt de regering verzocht, in 2017 eenmalig €50.000 vrij te maken voor activiteiten in het kader van Beste Buren in de provincies Zeeland, Brabant en Limburg. Ik laat het oordeel daarover aan de Kamer, als ik mag begrijpen dat de dekking uit het Fonds Cultuurparticipatie komt uit de middelen die nog geheel zijn vastgelegd.

Mevrouw Vermue heeft een motie op stuk nr. 72 ingediend om bij de verdeling van de 0,55 miljoen die bij Prinsjesdag beschikbaar is gekomen voor talentontwikkeling er zorg voor te dragen dat initiatieven uit de regio bij voorrang worden gehonoreerd. Ik laat het oordeel hierover aan de Kamer. De dekking zit in de talentontwikkelingsmiddelen die ik al binnen de 10 miljoen beschikbaar heb gesteld en die nog niet belegd zijn. Nu wordt aangegeven dat die middelen vooral naar de regio moeten.

Het oordeel over de motie op stuk nr. 73 van de leden Pechtold en Dik-Faber over de Agenda toekomst religieus erfgoed laat ik aan de Kamer. Ik vind het een sympathieke motie om de volgende stap te zetten met de partners van de Agenda, de provincies en de gemeenten om te bezien wat nog nodig is, gezien de leegstandsontwikkeling.

In de motie op stuk nr. 74 van de leden Dik-Faber en Pechtold wordt de regering verzocht, te kijken naar mogelijkheden om de omwonenden in de omgeving van een monument een mogelijkheid te geven om een plan in te dienen voor de herbestemming van hun monument. Ik vind dit een sympathieke motie, maar in de huidige formulering moet ik die toch ontraden. Ook bij religieus erfgoed is er doorgaans iemand die de kerk bezit. Dat kan een stichting of een vereniging zijn. Ik kan niet daarbuiten treden en tegen de omwonenden zeggen dat ik het recht aan hen geef. Ik kan wel vragen om een zodanige projectopzet dat de opvatting van omwonenden goed is vertegenwoordigd, maar dan zal ook moeten worden gekeken naar andere competenties, bijvoorbeeld specifieke kennis op het gebied van monumenten, restaureren, technische aanpassingen en financieren. Als de indieners de motie zo herformuleren dat er wordt gevraagd om omwonenden in de omgeving van een monument erbij te betrekken en hun oordeel mee te nemen naast de specifieke kennis die nodig is bij de herbestemming van een monument, dan zou ik het oordeel aan de Kamer kunnen laten.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):


De indieners van de motie gaan op zoek naar een tekst die recht doet aan de woorden van de minister. Wij willen inderdaad niet om de eigenaar heen. Het betrekken van omwonenden is eigenlijk staande praktijk. Wij vinden het belangrijk dat er een right to challenge komt, uiteraard met respect voor de positie van de eigenaar. Wij willen daar inderdaad niet omheen gaan en dat wil de minister ook niet. Dat begrijp ik ook.

Minister Bussemaker:


Dan stel ik voor dat mevrouw Dik-Faber en de heer Pechtold de motie binnen korte tijd herformuleren. Dan kan ik er ook nog op reageren in de schriftelijke reactie die ik al heb toegezegd. Dat is misschien ook nuttig voor het oordeel van de andere leden.

De motie op stuk nr. 75 van de leden Dik-Faber en Pechtold gaat over verduurzamingsmogelijkheden. Ik laat het oordeel daarover aan de Kamer. Ik merk overigens wel op dat er twee kerken waren bij de pilots, anders dan mevrouw Dik-Faber zei, namelijk de Nicolaaskerk in Kloosterburen en de Sint-Josephkerk in Amsterdam. Ik ben graag bereid om daarmee verder te gaan.

In de motie op stuk nr. 76 van het lid Dik-Faber wordt de regering verzocht, de onderuitputting in de rode Brim in te zetten voor groene monumenten. Ik vraag mevrouw Dik-Faber om de motie aan te houden, want er loopt allerlei onderzoek naar de rode Brim en de onderuitputting. In het debat met de fiscaal woordvoerders hebben we geconstateerd dat er nog wel wat andere uitdagingen op ons bord liggen. Ik wil dat onderzoek graag daarbij betrekken. Mocht de motie gehandhaafd worden, dan ontraad ik die. Dat onderzoek loopt nu en verschillende organisaties, zoals de Federatie Instandhouding Monumenten, de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen en de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen, zijn daar nauw bij betrokken. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek begin volgend jaar en wil die betrekken bij de hele discussie over de herijking van het monumentenstelsel.

De voorzitter:


Houdt u de motie aan, mevrouw Dik-Faber?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):


Ik ga daar nog even over nadenken. De minister geeft nu aan dat het onderzoek begin volgend jaar gereed is. Groen blijft gewoon groeien, dus dat moet onderhouden worden. Begin volgend jaar, met de wintertijd, zou dan nog te tolereren zijn. Maar als zij vervolgens zegt dat zij het betrekt bij de herziening van het monumentenbeleid, dan zitten we alweer een jaar verder, in 2018. Dat vindt mijn fractie echt te laat.

Minister

1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   12

  • Pechtold
  • Van Veen

  • Dovnload 353.75 Kb.