Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een wetgevingsoverleg

Dovnload 353.75 Kb.

Verslag van een wetgevingsoverleg



Pagina4/12
Datum28.10.2017
Grootte353.75 Kb.

Dovnload 353.75 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12
Dik-Faber (ChristenUnie):
Voorzitter. Kunst en cultuur horen bij ons mens-zijn en zijn waardevol voor een open en boeiende samenleving. Kunst kan het leven verrijken, mensen bij elkaar brengen en nieuwe inzichten geven, zowel in het mooie als in het lijden. Cultuureducatie helpt kinderen om hun eigen talenten te ontdekken en om over grenzen heen te kijken. Ieder kind verdient daarom een brede toegang tot cultuur met mogelijkheden om zich ook buiten schooltijden verder te ontwikkelen op het creatieve pad. Onze cultuur kent een rijke geschiedenis en is drager van onze identiteit. Kunst en cultuur zijn daarmee primair van en voor de samenleving, maar de overheid kan een rol vervullen als subsidieverstrekker, opdrachtgever en hoeder van ons culturele klimaat en erfgoed. Daarover spreken wij vandaag.

Onlangs was er op initiatief van de ChristenUnie en D66 een rondetafel over de toekomst van ons religieuze erfgoed. Een kerk is beeldbepalend en geeft, om met de woorden van mevrouw Gräper, gedeputeerde in Groningen, te spreken, een thuisgevoel. Voor veel Nederlanders zijn kerken dragers van herinneringen aan belangrijke momenten in het leven. Behoud van religieus erfgoed is echter nog niet zo gemakkelijk, horen we uit het veld. Er is sprake van achterstallig onderhoud en van leegstand. Er is de komende tientallen jaren extra inzet nodig om te komen tot een toekomstbestendig religieus erfgoed. We zien dan ook uit naar het vervolg op de Agenda Toekomst Religieus Erfgoed. Deze loopt ten einde, maar de vruchten van dit werk zijn zeker zichtbaar. De ChristenUnie heeft in haar verkiezingsprogramma ook extra geld beschikbaar gesteld voor behoud van ons kerkelijke erfgoed.

Bij religieus erfgoed is voortgezet gebruik naar de mening van eigenaren en Heemschut de beste keuze. De kerk behoudt dan zijn oorspronkelijke functie en kerk en interieur worden samen behouden. Door nevengebruik groeit de sociale functie die de kerk in wijk, dorp of stad heeft, maar dat gaat niet vanzelf. Ik spreek hierbij dan ook mijn waardering uit voor de duizenden vrijwilligers die meehelpen bij het in stand houden van onze kerkelijke monumenten.

Als voortgezet gebruik niet meer mogelijk is, komt herbestemming in beeld. Het is duidelijk dat niet één partij hiervoor verantwoordelijk is, maar dat er vanaf het begin samenwerking nodig is tussen eigenaren, gemeente, omwonenden, mogelijke kopers en zo veel anderen. Op lokaal niveau moeten beslissingen genomen worden. Er is een kleine herbestemmingssubsidie beschikbaar voor een haalbaarheidsonderzoek. Het structurele bedrag dat beschikbaar is voor die regeling, wordt echter elk jaar overvraagd. In 2015 kon zelfs de helft van de aanvragers geen subsidie ontvangen. Het is goed dat de minister de regeling heeft verlengd. Maar welke mogelijkheden ziet zij om het beschikbare bedrag voor de regeling weer op peil te brengen, zodat meer aanvragers een haalbaarheidsonderzoek kunnen doen? En wat heeft de minister gedaan met de aanbevelingen uit het rapport van Berenschot? Daarin stond dat in de regeling meer aandacht voor verduurzaming zou moeten terugkomen. Is de minister bereid om te inventariseren welke knelpunten in wet- en regelgeving bestaan voor herbestemming?

Het publieke belang is ook de verantwoordelijkheid van de burger. Deze overtuiging heeft geleid tot het schrijven van de initiatiefnota over coöperatief bestuur, waarin het recht op overname is opgenomen. Dit geldt mijns inziens ook voor herbestemming. Het zou mooi zijn als de direct omwonenden van een kerk als eersten het recht krijgen om te komen met een plan voor herbestemming. Wat vindt de minister van dit idee?

Het is goed dat de minister besloten heeft om de fiscale aftrek voor onderhoudskosten van rijksmonumenten te behouden. Het is echter onduidelijk waar de minister nu 25 miljoen vandaan gaat halen om de OCW-begroting sluitend te krijgen. Wat de ChristenUnie betreft blijft het Brim (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten) ongemoeid. Er zijn veel subsidieaanvragen van groene monumenten afgewezen, onder andere voor de kasteeltuinen in Amerongen en het landgoed Middachten. Ze zijn niet afgewezen omdat ze niet aan de criteria voldeden, maar omdat het budget van het groene Brim uitgeput was. Tegelijkertijd is er een onderuitputting in het rode Brim. De ChristenUnie stelt voor dat een deel van dit geld beschikbaar wordt gesteld voor het groene Brim. Daarmee kunnen vermoedelijk alle 25 afgewezen aanvragen alsnog ingewilligd worden. Daarmee blijft het geld ook bestemd voor de instandhouding van cultureel erfgoed. Wil de minister dit ook? Ik overweeg op dit punt een motie in te dienen.

Het is goed dat de minister een deel van de onderuitputting in het Brim ook gebruikt voor de monumenten in Groningen. Achter de schermen is daarover veel gedoe geweest. Mijn motie daarover kon niet op steun van de minister rekenen. Ik ben blij dat er nu wel stappen gezet zijn. Eerder gaf de minister aan dat de NAM wel eerstverantwoordelijke is. Daar ben ik het mee eens. Ik moedig de minister dan ook van harte aan om druk uit te oefenen op de NAM zodat dit ook een vertaling krijgt in een financiële bijdrage.

Dit jaar heeft de Kamer mijn motie aangenomen om bij het verdelen van subsidies recht te doen aan een betere regionale spreiding. Ik ben erg blij dat Huis Doorn een extra subsidie heeft ontvangen van jaarlijks €150.000. Daarmee is sluiting van dit museum afgewend en kan het museum de plannen verder uitwerken, onder meer voor educatieve programma's en herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Minder gunstig heeft de BIS uitgepakt voor de noordelijke regio. Met het vorige advies van de Raad voor Cultuur verdwenen er al twee instellingen uit de BIS: Noord Nederlandse Dans en het Grand Theatre. Nu valt ook Noorderlicht buiten de BIS. De ChristenUnie vraagt de minister of dit niet anders kan.

De ChristenUnie wil ook een lans breken voor GeoFort: een museum en sciencecentrum over cartografie en navigatie in een prachtig fort, dat als rijksmonument deel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De bezoekersaantallen zijn gegroeid met 70%. Het museum mag zich het beste kindermuseum van de wereld noemen. De BIS-aanvraag voor deze nieuwe instelling is echter afgewezen. Ook een bijdrage vanuit de wetenschapskant van OCW was niet mogelijk. En nu? Welke mogelijkheden ziet de minister in de nieuwe BIS? Wil zij ervoor zorgen dat zulke innovatieve musea niet weer tussen wal en schip vallen?

Op dit moment wordt gewerkt aan een nieuwe visie op het bestel. Ik denk dat er veel draagvlak is om te komen tot een betere samenhang tussen lokale, regionale en landelijke culturele infrastructuur. Door eerdere bezuinigingen zijn culturele instellingen meer op de samenleving gericht en minder afhankelijk van subsidies. Daarbij is het ambitieniveau van de sector hoog gebleven. Dat valt te prijzen. Wie echter verder kijkt, ziet dat op veel plekken het culturele veld bezig is met overleven. Zzp'ers werken tegen zeer lage tarieven. Musici van het Metropole Orkest hebben de helft van hun salaris ingeleverd. Talentontwikkeling staat onder druk. De Ateliers en de Rijksacademie trekken aan de bel. Er dreigt een verschraling van het culturele aanbod. Ik verwijs naar alle brieven over de podiumkunsten. Een nieuwe visie op het bestel kan eigenlijk niet zonder extra geld en niet zonder een perspectief op de arbeidsmarkt. Is de minister dit met mij eens?

Het laatste punt waarvoor ik vandaag aandacht vraag, is het Nationaal Holocaust Museum. Ook vorig jaar al vroeg ik aandacht voor dit nieuwe museum. Op 15 mei van dit jaar is de eerste fase van het museum geopend. Nu staat het museum voor fase twee, die gepland is vanaf 2019. Daar is veel geld voor nodig, dat zeker niet alleen uit publieke middelen hoeft te komen. Het museum heeft contacten met fondsen en particulieren in binnen- en buitenland. Daar wordt met verbazing gereageerd als men hoort dat de overheden niet bijdragen. Maar er is nog tijd. Het is nog geen 2019, maar het museum is wel met plannen en fondsenwerving bezig. Kan de minister het belang van het museum met haar collega's in het kabinet opnemen? Naast OCW, dat een relatie met het Joods Historisch Museum heeft en indirect dus ook met het Nationaal Holocaust Museum, is namelijk ook VWS hierbij betrokken vanwege de thematiek van de Tweede Wereldoorlog. Wil ze ook de gemeente Amsterdam hierbij betrekken?

Ik was aanwezig bij de tentoonstelling met werken van Jeroen Krabbé. Misschien heeft de minister die tentoonstelling ook bezocht. Jeroen Krabbé gebruikte een metafoor voor de Holocaust: een grote steen die destijds in het water is gegooid. De steen kennen we, maar de rimpelingen die de steen in het Nederlandse water veroorzaakt heeft, rollen tot de dag van vandaag verder.

De heer Grashoff (GroenLinks):
Voorzitter. Vanochtend was ik even op mijn hoede, want vorig jaar kregen we een uur voor de begrotingsbehandeling de overval van ons roversduo, dat een greep in het Gemeentefonds wilde doen. Het wilde de cultuur redden door de cultuur bij gemeenten de nek om te draaien. Dat was geen goed plan. Dat hebben we gelukkig als Kamer uiteindelijk tegengehouden. Er is iets positiefs uitgekomen, namelijk een gezamenlijk amendement, het amendement-Van Veen. Ik wil toch vermelden dat, ere wie ere toekomt, de heer Pechtold daarin een redelijk cruciale rol heeft gespeeld. Dat mag ook best gezegd worden.

Ik kom op dit jaar. Vorig jaar eindigde het op 10 miljoen meer voor kunst en cultuur. We zien nu dat dat structureel wordt en dat het wordt besteed aan de zaken waarvoor dat hard nodig is. Dat is dus positief. Het is hard nodig, maar het is eigenlijk veel te weinig. De cultuursector staat er niet goed voor. We willen in Nederland nog steeds voor een dubbeltje op de eerste rang in het theater zitten. En dat gaat niet. Landelijke en regionale bezuinigingen zijn ingeslagen bij de cultuursector. Al met al zou je het de sluipende sloop van de cultuursector kunnen noemen. De sluipende sloop, want in eerste instantie leken de bezuinigingen van ruim 200 miljoen van staatssecretaris van Cultuur Zijlstra nog niet zo'n enorm effect te hebben, maar geleidelijk aan wordt duidelijk dat die taaie cultuursector, waarin ze het uiteindelijk allemaal voor de helft of minder gaan doen om hun vak te kunnen blijven uitoefenen, toch enorme schade lijdt. Niet de grootste en meest pretentieuze instellingen — die worden door de VVD nog wel een beetje in bescherming genomen — ondervinden daar grote problemen van, maar juist het fijnmazige, diverse cultuuraanbod overal in Nederland, overal in stedelijke regio's. Aan de ene kant houdt de cultuursector zich dus kranig, maar aan de andere kant is het duidelijk dat het zo niet vol te houden is. De Raad voor Cultuur geeft instellingen die subsidie krijgen, een compliment. Men is tevreden over de plannen en het artistieke niveau, maar letterlijk zegt de Raad voor Cultuur in het persbericht: "Maar achter de schermen laten de geslonken budgetten wel diepe sporen na: het zijn vooral de makers, kunstenaars en het personeel die financieel de klappen opvangen. Zij werken vaker in deeltijdaanstellingen, als zzp'er en voor relatief zeer lage vergoedingen." Graag krijg ik een reactie van de minister op deze conclusie van de Raad voor Cultuur. Is dit nu de bedoeling? Deelt de minister de mening van GroenLinks dat nog maar een fractie van de bezuinigingen van Rutte I is teruggedraaid en dat de sluipende sloop van de culturele sector moet worden gestopt?

Niet alleen de Raad voor Cultuur had kritiek. Ook de Sociaal-Economische Raad was zeer bezorgd over de arbeidsmarktcijfers. Bij de culturele instellingen met rijkssubsidie werkten eind 2013 ruim 13% minder mensen in loondienst dan in 2010. In één arbeidsjaar daalde de werkgelegenheid nog iets sterker, namelijk met bijna 15%. Het aandeel zelfstandigen is gestegen naar gemiddeld 42%, onder kunstenaars zelfs 60%. Dit gebeurde vaak gedwongen en zonder adequate verzekering. Het aantal mensen met tijdelijke contracten is fors gestegen. Dat ligt veel hoger dan het landelijke gemiddelde. De helft van de mensen met een creatief beroep verdient onder de €30.000 per jaar en veel betaald werk wordt eigenlijk vervangen door vrijwilligerswerk. Het is armoe. Ik schrik daarvan. Wij wisten dat de arbeidsmarktpositie slecht was, maar die gaat nog verder achteruit. Wat gaat de minister hieraan doen?

In de brief die wij hebben ontvangen, las ik dat de eigen verantwoordelijkheid van de sector vooral een probleem is. Dat bevreemdt mij. Ik kan het verkeerd hebben gelezen, maar misschien kan de minister dat dan corrigeren. Is de minister het met mij eens dat er meer bekostiging moet komen voor instellingen, zodat zij een fatsoenlijk loon kunnen betalen? Vindt zij ook dat er strenger moet worden getoetst of de gesubsidieerde instellingen een fatsoenlijk loon betalen? Ik krijg te horen dat er nu een marginale toetsing zou zijn. Wat een marginale toetsing in dit kader eigenlijk betekent, is mij een beetje een raadsel. Wat vindt de minister van de uitspraken van vertrekkend voorzitter Joop Daalmeijer van de Raad voor Cultuur? Hij stelt dat er 15 miljoen bij moet komen voor een betere arbeidsmarktbeloning.

Niet alleen kunstenaars, musici en toneelspelers hebben het zwaar, maar ook kleine instellingen. Mijn VVD-collega komt vaak met cijfers over het Rijksmuseum of het Van Gogh Museum, maar die instellingen overleven de crisis en de bezuinigingen wel. Het gaat veelal om de kleinere instellingen. Dat blijkt ook uit onderzoek van de Museumvereniging, die stelt dat een museum met een jaaromzet tot 3,2 miljoen euro gemiddeld een negatief exploitatiesaldo heeft en dat deze tendens al een paar jaar zichtbaar is. Het is dus eindig. Ik maak mij daar zorgen om en ben benieuwd wat wij daaraan gaan doen.

Mijn fractie deelt de mening van de Raad voor Cultuur dat het stelsel van de basisinfrastructuur en de cultuurfondsen moet worden herzien. Niet dat er in de kern van die verdeling op zichzelf geen reden zou zijn, want die is er, maar de samenhang is toch te onduidelijk. De Kamer moet zichzelf ook rekenschap geven van het feit dat zij soms bij motie wel wat willekeurig wil schuiven. Wat mijn fractie betreft zou er met de sector een landelijke discussie gevoerd moeten worden over een cultuurvisie die uitmondt in een nieuw stelsel of in elk geval in een aangepast en duidelijker omlijnd stelsel. Dan heb je het ook over vragen zoals regionale verdeling of de rol van stedelijke regio's. Dat geldt ook voor de grote stedelijke regio's buiten de Randstad die er nu — ik zeg dit ook tegen de heer Pechtold — bekaaid af lijken te komen. Het is dus niet alleen een discussie over de verschillen tussen stad en platteland, maar ook een discussie over een zwaar overgewicht in de regio's Amsterdam en Utrecht en een ondergewicht in andere belangrijke stedelijke regio's. Dat moeten wij ons echt aantrekken.

Verder moet duidelijk worden geformuleerd welke condities en voorwaarden er nodig zijn opdat de cultuursector kan floreren, wie welk deel op zich neemt en in hoeverre je sturend wilt zijn met cultuurgeld. Daarnaast zal er kritisch gekeken moeten worden naar sectorale verdeling. Ik geef een voorbeeld. De Nationale Opera krijgt in zijn eentje meer dan alle theaters, jeugdtheaters en productiehuizen in het hele land bij elkaar opgeteld. Is dat nu toch niet een beetje erg onevenwichtig?

In deze tijd is investering in cultuur belangrijk, heel belangrijk. Wij hameren daar steeds op. Sommige fracties maken er zelfs karikaturale dingen van. Ze beginnen over het verlies van onze westerse cultuur of over de teloorgang van onze joods-christelijke cultuur. Maar cultuur is wel beschaving. Niet voor niets meten wij in de historie culturen en beschavingen af naar de mate waarin zij cultuur produceerden. In het woordenboek zijn "cultuur" en "beschaving" zelfs synoniem geworden. Wij zullen hierin moeten investeren.

Mijn fractie is geïnspireerd geraakt door de visie van premier Renzi van Italië: als je investeert in veiligheid, investeer je eigenlijk evenveel in cultuur, want dat is wat je daarmee zou willen beschermen. Cultuur spiegelt, laat diversiteit zien en verbindt. Dat zouden wij met elkaar moeten stimuleren. In de tegenbegroting staat dan ook dat GroenLinks in deze zin zo'n 130 miljoen extra wil investeren in onze vrijheid en cultuur.

Dat brengt mij op het laatste punt: diversiteit. De Raad voor Cultuur stelde terecht dat instellingen zich meer moeten inspannen om een divers publiek te trekken. De manier waarop de nu gesubsidieerde instellingen daar invulling aan geven, is toch te mager, behalve dan de jeugdtheatergezelschappen en de filmfestivals. De Code Culturele Diversiteit werkt dus onvoldoende. Hoe wil de minister hierin verandering aanbrengen? Wat vindt zij van het nog steeds ontbreken van de diversiteit in de raden van toezicht van de cultuursector? Graag een reactie. Wat ons betreft zou dit bij de herziening van de BIS en de fondsen een van de kernpunten moeten zijn.

De voorzitter:
Hiermee zijn wij aan het einde van de inbreng in eerste termijn van de kant van de Kamer gekomen. Ik schors de vergadering en wijs erop dat u allen bent uitgenodigd voor een miniconcert en een statement over de podiumkunsten in Nieuwspoort.

De vergadering wordt van 12.42 uur tot 13.45 uur geschorst.

De voorzitter:
We zijn toe aan de beantwoording door de minister.

Minister Bussemaker:


Dank u wel, voorzitter. Mijn beantwoording zal ik ongeveer als volgt indelen. Ik begin met een aantal algemene opmerkingen, waarbij ik ook zal reageren op algemene opmerkingen van de woordvoerders. Vervolgens zal ik themagewijs dieper ingaan op de periode 2010-2020. Wat is de rol van de BIS, wat is de rol van de fondsen? Daarbij zal ik ook ingaan op vragen over het Fonds Podiumkunsten, zowel ten aanzien van de uitwerking als de categorieën, en een aantal specifieke organisaties die in dat kader genoemd zijn. In dat verband komen ook de vragen over de arbeidsmarkt en het bestemmingsfonds aan bod. Vervolgens ga ik in op de uitdagingen voor de periode daarna. Wat gaan we doen vanaf 2020? Hoe zorgen we in een nieuwe periode voor een nog betere afstemming tussen onder andere BIS-fondsen en regio? Ik sluit af met specifiekere vragen over internationaal cultuurbeleid, restitutie, monumenten, een aantal musea en nog wat zaken.

De voorzitter:


Ik wil met de leden het volgende afspreken. Als de minister een blokje heeft afgerond, kunt u uw vragen stellen. Dat helpt erg in de structuur van de vergadering.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Ik ben het helemaal met u eens, maar soms ontbreekt het aan helderheid over de begrenzing van de blokjes. Als u die helderheid kunt bewaken?

De voorzitter:


Daarvoor hebt u een voorzitter. Als ik dat met u kan afspreken, denk ik dat we een heel eind komen.

Minister Bussemaker:


Ik begin met een aantal algemene opmerkingen. Hoe stonden we er vier jaar geleden voor? Op 5 november 2012 trad ik aan. Op de kop af vier jaar geleden zaten we hier voor het eerst bij elkaar om de cultuurbegroting van 2013 te bespreken. Het regeerakkoord sprak duidelijk zijn waardering uit voor cultuur, maar we hadden te maken met de heftige bezuinigingen van het kabinet daarvoor, die voor heel veel organisaties pas ingingen bij het aantreden van het nieuwe kabinet. Als ik me die eerste vergadering goed herinner, was de uitstraling heel anders dan nu. Ik zal de laatste zijn om te zeggen dat er geen problemen in de cultuursector zijn. Die zie ik heel duidelijk. Ik zie echter ook dat na de vorige kabinetsperiode, waarin 20% van het cultuurbudget werd wegbezuinigd — 200 miljoen waarvan 125 miljoen ten koste van de basinfrastructuur — de rust nu voor een belangrijk deel is hersteld. De cultuursector was toen in mineur. Men was boos, er was woede, er heerste ongeloof. Ook de relatie tussen politiek en cultuur was zeer verstoord. Ik heb niet pas nu maar toen al mijn zorgen geuit, zo zeg ik tegen de heer Van Dijk, bijvoorbeeld over de arbeidsmarktpositie en een aantal instellingen die er financieel slecht voor staan. Dat heb ik vanaf het allereerste moment gedaan. Ik ben blij, zo zeg ik tegen de heer Pechtold, dat we op dat moment al een aantal zeer belangrijke knelpunten met elkaar hebben kunnen oplossen. In dat verband denk ik aan het Rijksmuseum Twenthe, aan Slot Loevestein en aan Huis Doorn. Overigens behoren die instellingen zeker niet allemaal tot de Randstad en al helemaal niet tot de grote steden.

Mijn inzet was het om de waarden van cultuur weer terug op de kaart te zetten en, zo zeg ik de heer Pechtold na, om het vertrouwen van de sector te herwinnen en deze weer vertrouwen te geven. Dat geldt hier in Den Haag voor het politieke debat, maar ook voor alles wat daarbuiten gebeurt. Ik denk dat dat voor een belangrijk deel gelukt is, met name door de inzet en de kwaliteit van de cultuursector zelf. Ik heb al eerder gezegd dat ik zeer veel bewondering heb voor de veerkracht van deze sector. Ook heb ik bewondering voor het vakmanschap en de verbeelding van kunstenaars, theatergroepen, musea en tal van andere uitingen in de cultuursector. Die verbeelding hebben wij als politici, zeker ook de toekomst, heel hard nodig. Verbeelding die mij de afgelopen jaren heeft geïnspireerd, gelet op de wegen die orkesten, musea en andere instellingen zijn ingeslagen om zich aan te passen aan de veranderingen in hun omgeving. Veranderingen op artistiek gebied, in de voorkeuren van het publiek en in de financiering.

De eigenwaarde van cultuur was en is voor mij het vertrekpunt. Ik denk dat er heel nadrukkelijk andere accenten zijn gezet. Ik vind het jammer dat ik bij de heer Van Dijk het idee kreeg dat hij een visie op beleid alleen in financiële termen uitdrukt. Komt er meer of minder? En hoeveel meer of minder? Ik denk dat we een aantal wissels hebben verzet door weer veel meer de eigenwaarde van cultuur te benadrukken. Die waarde is niet alleen te vatten in sociale of economische effecten of in de verbinding met, en het nut van of het rendement voor andere beleidsterreinen. Nee, de intrinsieke waarde van cultuur staat centraal. Daar vloeien belangrijke maatschappelijke en economische waarden uit voort. Maar als de kunst en de cultuur zelf niet van waarde zijn, dan is het zinloos om die verbinding met andere maatschappelijke terreinen te zoeken.

In die visie werd ik gesterkt door de verkenning Cultuur herwaarderen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 2015. De WRR pleitte al voor een herwaardering van het culturele binnen het cultuurbeleid. Ik voelde me zeer aangesproken door een benadering waarbij de aandacht in de eerste plaats naar de inhoudelijke ontwikkeling binnen de cultuursector uitgaat. De WRR adviseerde mij om ervoor te zorgen dat het cultuurbeleid zich meer richt op wat eigen is aan cultuur en bijdraagt aan het vermogen van de culturele sector om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden. Ik heb geprobeerd daaraan vorm te geven en ik hoop van harte dat mijn opvolger die lijn zal blijven bewandelen.

De heer Pechtold (D66):
Nu de minister over haar opvolger begint te praten, neem ik aan dat zij klaar is met het eerste blokje. Ik wil niet in het verleden blijven hangen, maar ik heb deze minister gevraagd om te reflecteren op de tegenbegroting van de PvdA tijdens Rutte I. Dat was nog onder Job Cohen. Daarin werd heel duidelijk gesteld dat de btw-verhoging op cultuur zou worden teruggedraaid, net als 75% van de cultuurbezuinigingen; dat is 130 miljoen. Een jaar later waren de verkiezingen en vervolgens is er geen cent extra voor cultuur uitgetrokken. Ook voor onderwijs heeft deze minister niks extra uitgegeven. Sterker nog: er werd 100 miljoen bezuinigd op onderwijs. Ik heb de minister vier jaar lang geprezen voor haar andere toon, maar er was geen andere portemonnee. Als de PvdA een jaar voor de verkiezingen belooft om 130 miljoen ter beschikking te stellen, dan vind ik dat er te weinig resultaat is geboekt als er na vier jaar alleen maar hier en daar gaten zijn gedicht. Er was namelijk een andere belofte gedaan.

Minister Bussemaker:


Ik zit hier als minister van een kabinet en niet als woordvoerder van de PvdA, maar ik wil daar ook niet voor weglopen. Natuurlijk zie ik dat er financiële problemen zijn. Natuurlijk zie ik dat die bezuinigingen heel hard zijn aangekomen. Ik ben blij dat ik op een aantal punten wat heb kunnen bijsturen en dat ik wat extra middelen heb gevonden. De Raad voor Cultuur heeft een jaar geleden gezegd: er moet 30 miljoen bij. Vorig jaar heb ik 18,5 miljoen uit eigen middelen kunnen bijpassen; dat ging niet vanzelf. Voor dit jaar hebben we 10 miljoen structureel erbij geplust. Dat betekent dat we in de buurt van die 30 miljoen komen, namelijk 28,5 miljoen. Daarmee is natuurlijk niet alles gerepareerd. Ik zie ook dat er instellingen zijn die hun reserves opmaken. Ik zie ook dat de arbeidsmarktpositie van veel mensen in de cultuursector kwetsbaar is. Ik ben dus blij dat een aantal verkiezingsprogramma's voor extra middelen pleit; D66 doet dat, maar ook de PvdA. Ik vind het echter te gemakkelijk om terug te verwijzen naar de periode dat dit kabinet aantrad, want toen waren er heel veel en grote financiële problemen. Ik zei al in het begin: ik zal de laatste zijn om te zeggen dat er geen problemen meer zijn. Die zie ik ook en die verdienen aandacht. En ja, daarvoor is het wenselijk dat er middelen bij komen in de toekomst.

De heer

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

  • Grashoff

  • Dovnload 353.75 Kb.