Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een wetgevingsoverleg

Dovnload 353.75 Kb.

Verslag van een wetgevingsoverleg



Pagina6/12
Datum28.10.2017
Grootte353.75 Kb.

Dovnload 353.75 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12
voorzitter:
Mevrouw Van Toorenburg, gaat het om een onduidelijkheid?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


Nee, voorzitter. De minister haalt zoveel onderwerpen bij elkaar dat het niet zo goed te doen is om daarop aan het eind te reageren. Tussendoor zegt zij ook dingen die echt om een weerwoord vragen. De minister gaat door met heel veel praten, omdat iets misschien niet helemaal recht te praten is. Ik snap wel dat de minister daar heel veel woorden voor nodig heeft, maar ik vraag de minister toch om iets korter te zijn zodat de Kamer er wel op kan reageren.

De voorzitter:


De minister is bijna aan het einde …

Minister Bussemaker:


Dit was alles over de regio. Ik heb willen aangeven dat het veel complexer is dan wat ik van de kant van de Kamer heb gehoord. Het is dus geen kwestie van een vergelijking per individuele bewoner wat iemand in welke provincie of in welk stad betaalt. Het gaat erom hoe wij met elkaar tot een goed, landelijk dekkend cultureel aanbod komen dat aansluit bij de vraag van de bevolking, mogelijkheden geeft om cultuur op een heel hoog niveau te waarderen en een brug slaat tussen steden en de omgeving.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


Kan ik nu interrumperen?

De voorzitter:


Ik had met de commissie afgesproken dat dit aan het einde van een blokje zou gebeuren. U zei dat de blokjes veel te lang zijn. De minister was net klaar met het onderdeel regionale spreiding. Wat is uw voorstel, mevrouw Van Toorenburg?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


Dat ik nu aan mijn interruptie begin.

De voorzitter:


Dan vraag ik eerst of de minister aan het einde van haar blokje is.

Minister Bussemaker:


Wat is een blokje? Ik heb gezegd dat ik begin met alles wat te maken heeft met de periode 2017-2020. Dat is wel heel veel en ik heb dat dus onderverdeeld. Binnen dat kader is dit een blokje.

De voorzitter:


Goed, maar dan ga ik het nu even ordenen. Welke subblokjes in het grote blok tot 2020 hebt u dan nog?

Minister Bussemaker:


Dat heb ik net gezegd. Hierna ga ik nog in op specifieke instellingen, bestemmingsfonds en arbeidsmarkt en de amendementen.

De voorzitter:


Dat lijken mij wel vier stevige onderwerpen. Ik stel voor dat wij het hier even knippen en dat mevrouw Van Toorenburg haar vraag stelt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


De minister gaat niet in op het feit dat bijvoorbeeld bij het Fonds Podiumkunsten eerst nog een derde van de aanvragen in de regio's werd gehonoreerd, terwijl inmiddels 74% van het geld naar Randstad gaat. Dan kunnen wij wel heel lang erover praten dat het allemaal logisch is — en natuurlijk is het voor bepaalde gezelschappen logisch — maar deze verhouding is niet logisch en ook niet meer uit te leggen. Ik kom uit de regio en praat de hele dag met mensen die dit niet meer begrijpen. Dit verhaal van de minister komt daar ook niet binnen; niet in Brabant, niet in Limburg en niet in het oosten van het land. Vorige keer zei de minister: als de Nationale Reisopera in het oosten van het land komt, dan komt er niemand. Nee want, de mensen daar gaan naar de gezelschappen die daar vandaan komen. Daar ligt hun affiniteit. Dat hebben de orkesten de vorige keer bij dit debat al aan de minister aangegeven. Dat heeft de minister misschien niet willen onthouden, maar dat is wel het verhaal. Het gaat erom dat de mensen in de regio's niet altijd naar de Randstad hoeven te trekken om naar mooie cultuur te gaan, maar het gaat er daarnaast ook om — en ik begrijp niet dat de minister dat niet wil zien — dat het belangrijk is dat men geworteld is in een regio. Dat maakt dat scholen en muziekscholen ervan kunnen profiteren. Als wij alleen maar als een meeuwtje langs vliegen, wordt het niets. Waarom kan de minister nu niet zelf zeggen: wij hadden bedacht dat er meer spreiding zou komen, maar de facto is er minder spreiding? Natuurlijk heeft de minister met een paar festivals geprobeerd iets recht te trekken. Dat is fantastisch, dat heb ik ook gezegd. Ik heb echter de stukken van het fonds hier voor mij liggen: 74% gaat gewoon naar de grote steden. Ik snap het niet en vind het niet uit te leggen.

Minister Bussemaker:


Ik probeer het uit te leggen. Ik vind het een valse tegenstelling die hier wordt gecreëerd, laat ik het maar zo zeggen. Er wordt ten onrechte een tegenstelling gecreëerd tussen de Randstad en de regio. Dat gaat voorbij aan het feit dat er heel veel instellingen in de BIS en in het Fonds Podiumkunsten worden gefinancierd die buiten de Randstad hun standplaats hebben en daar ook worden gewaardeerd. Daarom noemde ik de Nederlandse Reisopera. Die heeft zijn standplaats in Enschede; dat is zijn thuisbasis. Ik stimuleer de Nederlandse Reisopera. Sterker nog, als men in de BIS zit, moet men tevens aandacht besteden aan cultuureducatie. Dat doet men dus ook in de regio. Daarmee raakt de Nederlandse Reisopera geworteld in de stad en in de regio.

Ik erken dat dit misschien nog beter kan, maar daar kom ik straks op terug. Dat zijn de discussies die wij over de toekomst voeren; hoe kunnen wij ervoor zorgen dat een gezelschap dat een plek heeft in het noorden van het land, bijvoorbeeld, zich uitgedaagd voelt om onderdeel te zijn van een stad? Deze gezelschappen geven mij zelf aan dat zij er behoefte aan hebben om nog meer in die stedelijke omgeving te worden getrokken. Dat moet dan wel vanuit de stedelijke regio komen. Ik erken dat daar nog dingen beter kunnen, maar ik werp het verre van mij dat wij alleen instellingen in de Randstad zouden subsidiëren. 46% van de aanvragen voor het Fonds Podiumkunsten komt inderdaad uit Amsterdam, maar slechts 16% van de voorgenomen speelbeurten vind daar plaats. Dat is niet nieuw; dat geldt ook voor de huidige periode. Ik vind de vergelijking echt niet terecht.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
De minister kan dit verre van zich werpen, maar ik werp het haar voor de voeten. Want dit is wat ik hoor in de regio's. Misschien is het een wethouder van Amsterdam, deze minister, als wij het toch over wethouders hebben ... De mensen in de regio's, in Limburg en in Brabant, die de minister niet eens noemt, want die zijn wel afgewezen, krijgen zo'n aversie tegen de manier waarop wij over cultuur spreken, alsof het inderdaad genoeg is dat zij met de trein naar de Randstand kunnen en dat het misschien genoeg is als een voorstelling ook in Brabant plaatsvindt. Zo wordt dat door de mensen niet beleefd en ik kan niet begrijpen dat de minister dat niet wil zien. Ik kan het echt niet begrijpen. Kan de minister opnieuw rondgaan en met wethouders en met gedeputeerden in de regio's spreken om echt te snappen waarom mensen aan hun bevolking niet uitgelegd krijgen dat in plaats van een derde in de regio's — met de inzet van deze minister om tot meer regionale spreiding te komen — nu nog maar een kwart in de regio's wordt uitgegeven? Ik kan het namelijk niet uitleggen.

Minister Bussemaker:


Ik zei al dat ik voor de zomer uitgebreid met gedeputeerden en wethouders heb gesproken, ook om na te denken over de manier waarop we het in de toekomst vorm kunnen geven. Zij geven allemaal aan dat zij inderdaad meer ruimte willen hebben voor een ontwikkeling die past bij hun regio. Daar wil ik ook ruimte voor maken, maar ik heb het te doen met de gegevens die we krijgen en het aantal instellingen. Als er veel meer in de Randstad zitten, ligt het ook voor de hand dat daar meer toekenningen komen. Om dat weer goed te maken, zorgen wij ervoor dat gestimuleerd worden om ook elders te spelen. Ik heb zojuist aangegeven hoe dat in elkaar zit. Een standplaats zegt niets over waar men speelt. Ik kan ook melden dat het aandeel van de speelbeurten in de Randstad van alle instellingen is afgenomen. Mevrouw Van Toorenburg kan haar hoofd wel schudden om duidelijk te maken dat het allemaal niet klopt, maar dit zijn wel de cijfers waar we het mee moeten doen. In 2010 vond 54% van de speelbeurten in de Randstad plaats en in 2015 is dat afgenomen naar 47%. Naar verwachting vindt in 2017 44% van de uitvoeringen in de Randstad plaats en in de regio Oost verdubbelde het aantal speelbeurten tussen 2010 en 2017.

Bij de regionale spreiding zou ik mij overigens niet alleen willen richten op fondsen en de BIS. Een heel mooi voorbeeld vind ik de Muziekimpuls. De Muziekimpuls moet eraan bijdragen dat scholen gaan samenwerken met culturele instellingen. Dat kan een concert zijn, een harmonie of een poppodium. Dat maakt mij allemaal niet uit, maar ze moeten vooral iets doen wat past bij de eigen omgeving. Ik vind het heel interessant wat ik in Limburg zie. Daar is men zeer voortvarend, overigens ook met een heel enthousiaste gedeputeerde, Ger Koopmans, aan de slag gegaan. Samen met vooral de lokale en de regionale muziekverenigingen maakt men daar een enorme slag. Ook dat is cultuur. Daar zouden we met elkaar misschien ook wat meer waardering voor moeten hebben.

De voorzitter:
Ik onderbreek u even, want de heer Grashoff en mevrouw Dik-Faber hebben een vraag.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


Mag ik nog een slotopmerking maken?

De voorzitter:


Nee, dit is geen einde van een blokje. De heer Grashoff heeft een vraag over de regionale spreiding en mevrouw Dik-Faber nog …

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


We doen de interrupties nu verder in tweeën, begrijp ik?

De voorzitter:


Ja, maar u hebt hem in tweeën gedaan, dacht ik.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):


We doen interrupties dus in tweeën en niet meer in drieën, zoals collega's doen?

De voorzitter:


U bent echt aan het tellen, maar ik heb twee keer twee collega's toegestaan een interruptie in drieën te doen. Als u dat straks wilt doen, krijgt u ook de gelegenheid. Nu de heer Grashoff.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Ik herken steeds weer de discussie van vorig jaar over de regionale spreiding, die een beetje een welles-nietesspel wordt. Het zou wijs zijn als we daar voorbij zouden kunnen komen. Ik heb daar in de interruptie met de heer Pechtold ook een punt van gemaakt. Is de minister het met mij eens dat we er verstandig aan zouden doen om een aantal zaken die zij zelf ook benoemt, bijvoorbeeld hoe we de stedelijke regio's ook buiten de Randstad een steviger positie zouden kunnen geven onder meer door samenwerking, nu eens wat grondiger en ook wat onafhankelijker te laten onderzoeken, zodat we een beetje uit het welles-nietesspel kunnen komen? Is de minister het ook met mij eens dat het wellicht al een veel langer durend geleidelijk proces is — waar ik deze minister niet per se de schuld van wil geven — waarin steeds meer de vestigingsplaats van culturele instellingen zich toch concentreert in de grote steden in de Randstad omdat daar voldoende massa is? Is de minister het met mij eens dat daarmee het effect optreedt dat het steeds meer een uitreizend gezelschap wordt naar andere plekken om daar nog een voorstelling te geven? Dat is echter geen cultureel klimaat waar een stedelijke regio zijn vestigingsvoorwaarden uit kan halen. Is de minister dat met mij eens en zouden we dat nu eens een keertje goed kunnen onderzoeken?

Minister Bussemaker:


Ik maak een onderscheid tussen de effecten en de besluiten die wij nu nemen. Ik stel overigens vast dat het Fonds Podiumkunsten en de Raad voor Cultuur voldoende gekeken hebben naar regionale spreiding, met daarbij de vraag hoe het beter kan. Voor het nieuwe stelsel, waarvoor opnieuw geijkt moet worden, moeten we opnieuw de balans tussen de BIS en de fondsen opmaken evenals tussen stad en Rijk. We moeten kijken hoe dat beter kan voor de toekomst. Ik heb geprobeerd dat te scheiden in mijn inbreng en ik kom daar straks op terug. Ik moet de uitdagingen voor de toekomst voor een belangrijk deel overlaten aan mijn opvolger. Die zitten precies hierin: hoe kun je die stedelijke regio beter positioneren? Ik ben er overigens vooralsnog niet van overtuigd dat dat altijd een beweging naar de Randstad is, want ik zie wel degelijk stedelijke regio's, denk aan Eindhoven, waar men heel actief is, juist ook op cultureel terrein. Of misschien nog breder: Brabantstad als regio. Juist dat soort samenwerkingsvormen zouden daarin ook een plek moeten krijgen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):


Ik kan op zich wel een heel eind meegaan met het betoog van de minister, zeker als zij zegt: kijk niet alleen naar de BIS, er zijn ook de fondsen, de provincie en de gemeente. Wat mij betreft volstaat het niet. Bij de verdeling van het budget vanuit de BIS heeft de minister echt haar best gedaan om ook te kijken naar instellingen in de regio. In het noorden van het land dreigt er echter een verschraling van het culturele aanbod. Ik maak mij daar niet alleen zorgen over vanwege het aanbod van de cultuur op zichzelf, maar ook vanwege het belang van cultuureducatie. Het is nog maar een halfjaar geleden dat de Raad voor Cultuur een rapport heeft geschreven waarin staat dat in de regio's buiten de grote steden de culturele infrastructuur afbrokkelt. Mede daardoor is het aanbod van cultuureducatie beperkt. In hoeverre je toegang hebt tot cultuur hangt er dus vanaf waar je als kind opgroeit. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Daarop hoor ik graag een reactie van de minister.

Minister Bussemaker:


Dat zou ik zeer onwenselijk vinden, want cultuur moet voor iedereen bereikbaar zijn. Daarom zet ik ook zo in op cultuureducatie. Daarom vind ik het belangrijk dat alle jongeren toegang hebben tot cultuur, met een CJP of met een MBO Card, maar ook dat men juist daar de regionale samenwerking zoekt. Dat kan in een grote stad met een stedelijk museum of een rijksmuseum, maar dat kan ook heel wel met een streekmuseum. Ik heb archeologen gezien die met een kruiwagen met een aantal onderdelen die men in de nabijheid van de school heeft gevonden, een klas binnenrijden en op een fantastische manier cultuuronderwijs geven. Daarom heb ik er bij de Muziekimpuls voor gezorgd dat men dat op zo'n manier kan doen dat het aansluit bij de scholen en de muziekgezelschappen in de regio en dat het niet voor iedereen op dezelfde manier hoeft.

Ik beantwoord gelijk de vraag van mevrouw Van Toorenburg over het vervoer om breed naar culturele voorzieningen te kunnen gaan. Het CJP en de ov-partijen hebben samen afgesproken dat er een schooltoer wordt aangeboden waarmee leerlingen in de daluren voor €7 per persoon in alle treinen kunnen reizen. Ik snap dat dat niet elke dag of elke week is, maar er gebeurt daar van alles. Overigens krijgt de Kamer binnenkort een brief over cultuureducatie, waarin ik op al die vragen en ook op deze vraag uitgebreid zal ingaan.

De voorzitter:
Mevrouw Dik-Faber tot slot.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):


Het antwoord van de minister stelt mij nog niet helemaal gerust. Ik hoor haar zeggen dat zij voor cultuureducatie is en dat zij het belangrijk vindt dat er een goed, landelijk dekkend cultureel aanbod is. Tegelijkertijd signaleer ik dat bij het verdelen van het budget uit de BIS de regio's — ik noem weer even de noordelijke regio's — zeggen echt te maken te hebben met een verschraling van het culturele aanbod. Het antwoord van de minister is dat zij gaat werken met de stedelijke regio's en dat er iets kan gebeuren vanuit de provincie en de gemeente. Er is overleg zodat jongeren de trein kunnen nemen. Ik zeg er maar even bij dat de trein niet overal rijdt. Dat is vooral in de Randstad. Ik zie echt een neerwaartse spiraal als het gaat om de toegang tot kunst en cultuur voor jongeren die opgroeien in de regio's. Het spijt mij dat de minister dat niet wil zien. Ik wil eigenlijk meer inzet van haar om de culturele infrastructuur in de regio's op peil te houden, zodat iedereen, onafhankelijk van waar hij woont, daar een goede toegang toe heeft.

Minister Bussemaker:


Ik wijs er toch op dat wij ook de regeling voor de BIS heel uitgebreid met elkaar besproken hebben. Ik heb aangegeven dat er in de BIS ruimte zou zijn voor bijvoorbeeld één theater in landsdeel Noord, voor twee of drie productiehuizen in bepaalde regio's, et cetera. Daar komen de cijfers nog bij. Ik houd niet van die tegenstelling, want ik blijf het een valse tegenstelling vinden, maar kijk eens naar de verdeling tussen Randstad en niet-Randstad in euro's. In de periode 2013-2016 ging 49% van de BIS en 64% van de fondsen naar de Randstad. In de nieuwe periode, die van 2017-2020, gaat er 40% van de BIS naar de Randstad. Dat is een vermindering van 9 procentpunt. In de huidige periode gaat er 49% naar de Randstad, maar vanaf volgend jaar 40%. Van de fondsen gaat nu 64% naar de Randstad. Straks wordt dat 58%. Er gaat dus meer naar de gezelschappen buiten de Randstad, met alle mitsen en maren die ik al genoemd heb, bijvoorbeeld dat een standplaats nog niet hetzelfde is als een speelplaats, dat je algemene ondersteunende instellingen hebt, et cetera. Maar de cijfers spreken dus tegen dat alles alleen maar meer naar de Randstad gaat.

Er zijn een paar vragen gesteld over meer specifieke instellingen, onder andere over Noorderlicht. Het CDA, de ChristenUnie en de PvdA hebben daarnaar gevraagd. De Raad voor Cultuur heeft twee keer geadviseerd om geen subsidie aan Noorderlicht te verlenen omdat anderen een kwalitatief beter plan hadden ingediend. Het gaat dus niet alleen over een strikte verdeling naar regio. Kwaliteit speelt altijd een grote rol, zeker bij de BIS. In de Prinsjesdagbrief heb ik wel €700.000 van de extra 10 miljoen vrijgemaakt voor presentatie-instellingen in de regio. Dat is een regeling bij het Mondriaan Fonds. Het fonds zal met deze middelen een extra ronde openstellen voor presentatie-instellingen, waarbij, bij gelijke kwaliteit, voorrang zal worden verleend aan presentatie-instellingen uit de regio. Ook daar kan Noorderlicht dus heel goed weer een aanvraag indienen. Nogmaals, als je niet in de BIS zit, is dat niet het einde van het verhaal. Dan kun je ook weer bij de fondsen terecht, en niet alleen voor de vierjarige periode. Dat geldt ook voor de presentatie-instellingen.

Mevrouw Vermue vroeg naar de provincies Zeeland, Brabant en Limburg in verband met BesteBuren. Het BesteBuren-jaar liep van februari 2015 tot en met februari 2016. De aanleiding daarvoor was twintig jaar samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland. Hiervoor was in totaal €500.000 beschikbaar. Het doel was duurzame creatieve en culturele samenwerking in de Lage Landen stimuleren. Dit was in principe een eenmalig initiatief, maar ik ben blij dat de provincies Zeeland, Brabant en Limburg nu samen met de Vlaamse provincies aanleiding zien om dit initiatief te verlengen.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg naar de orkesten in het oosten, Het Gelders Orkest en het Orkest van het Oosten. In de motie-Van Toorenburg/Dik-Faber werd mij verzocht om een nieuwe rol te geven aan de symfonische voorziening. In de motie-Pechtold/Monasch werd mij gevraagd om daarbij de brede steun van alle betrokken te organiseren. Wij hebben met beide orkesten en de bestuurlijke partners gesproken. Ik heb beide orkesten gevraagd om een door mij goed te keuren, gezamenlijk opgesteld en gezamenlijk gedragen procesplan voor te leggen. Dat plan moet voorzien in één duurzame en kwalitatief hoogwaardige symfonische voorziening in de regio Oost, die start op 1 september 2019. Ik heb de orkesten wel verplicht om voor 1 juni 2018 het definitieve ontwerp van de symfonische voorziening in de regio Oost aan te leveren. In afwijking van het advies van de raad leg ik niet de verplichting op om de opstelling en begeleiding van dit plan in handen te geven van een externe deskundige. Ze mogen dit dus zelf doen.

Inmiddels hebben wij dat plan ontvangen. Ik heb dat nu wel voorgelegd aan de raad, omdat die de oorspronkelijke plannen nog onvoldoende vond. De raad had een "nee, tenzij" uitgesproken. Ook dit is niet alleen een kwestie van "u vraag en wij draaien". Het maakt mij niet uit waar orkesten vandaan komen en wat hun standplaats in Nederland is; ze moeten wel laten zien dat ze goede plannen hebben. Als de raad ook kritisch is over een nieuw plan — wat ik niet hoop — dan kan ik de orkesten verplichten tot een verdere aanpassing.

Mevrouw Dik-Faber vroeg naar GeoFort. Dat is een mooi fort bij de Hollandse Waterlinie. Dat museum is inderdaad heel educatief en interactief, maar het kan pas weer een aanvraag indienen bij de volgende basisinfrastructuur in 2020.

Ik kom op de vragen over het bestemmingsfonds. De heer Van Veen vroeg waarom we bij de aanbieding van de besluiten over de BIS 2017-2020 niet ook een besluit genomen hebben over de aanwending van het bestemmingsfonds OCW. Dat zit zo. Het besluit over het bestemmingsfonds OCW kan alleen genomen worden na de vaststelling van een subsidie, en dat gebeurt na afloop van de betreffende vierjarige periode. Ik kan dus in 2017 de afrekening van de subsidies maken over de periode 2013-2016 en dan is pas duidelijk wat de definitieve stand van zaken is. Die duidelijkheid was er nog niet toen ik de BIS-besluiten 2017-2020 aan de Kamer zond, want toen was de periode 2013-2016 nog niet voorbij, en die loopt nu ook nog. Medio 2017 is die duidelijkheid er wel, op basis van de laatste jaarverantwoording, en de besluitvorming over het bestemmingsfonds vindt dus plaats in 2017.

De heer Van Veen vroeg ook wat ik dan kan doen met die middelen, als die beschikbaar zijn. Laten we dat vooropstellen. Want er moeten middelen in het bestemmingsfonds gestort worden en dat bedrag is nu nog niet bekend. Maar als dit bekend is, dan is de suggestie van de heer Van Veen om kleine musea tegemoet te komen. Ik heb echter voor dit doel al wel via de extra middelen uit de 10 miljoen het één en ander structureel verhoogd. Het gaat bij het bestemmingsfonds om incidentele middelen. Daarom is het heel lastig om daaruit instellingen structureel te subsidiëren. Stedelijke musea, zoals de heer Van Veen die noemt, kunnen nu al subsidie aanvragen in de basisinfrastructuur. Zij krijgen alleen geen voorrang zoals musea in de Erfgoedwet dat wel hebben. Ten slotte loopt de heer Van Veen ook vooruit op de herijking van het cultuurbeleid door deze musea nu te financieren, met de verwachting dat zij in de periode na 2017 een plek in de basisinfrastructuur hebben.

Er werd ook gevraagd of het mogelijk zou zijn om de middelen in het aankoopfonds van het Mondriaan Fonds te storten. Als er middelen zijn — en we kunnen die afrekening maken in 2017 — en als het de wens van de Kamer is om die middelen te storten in het aankoopfonds van het Mondriaan Fonds, dan zou dat wel kunnen, want dat is ook eenmalig. Overigens zou ik zelf ook graag zien dat dat fonds weer aangevuld wordt. Maar we zijn nu bezig met het inrichten van de jaarverantwoording, en in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid zijn de regels omtrent toevoeging en onttrekking van middelen aan het bestemmingsfonds OCW vastgelegd. Vanuit dat kader zullen we in 2017 bekijken wat er vrijkomt en wat we daar vervolgens mee kunnen. Dat bestemmingsfonds kan dan theoretisch tot de mogelijkheden behoren, veel meer dan de kleine musea.

De voorzitter:


Ik geef de heer Van Veen het woord voor een vraag over het bestemmingsfonds, en daarna mevrouw Dik-Faber. Dan zijn we klaar met dit punt.

De heer Van Veen (VVD):


Ik begin bij het begin. In 2015 hebben wij gesproken over de uitgangspuntennotitie voor de Cultuurnota 2017-2020. Het grappige is dat de minister op pagina 14 van die notitie stelt dat zij in de periode 2017-2020 het budget voor de fondsen voor ten minste drie jaar vooralsnog voor 2,5 miljoen per jaar verhoogt uit de inkomsten uit het bestemmingsfonds OCW van de fondsen. Dat is gewoon een technisch ding, en de mensen thuis zullen er niets van begrijpen, maar ik lees zo'n brief en ik zie dat men het wel heeft gedaan voor een ander bestemmingsfonds. Nu ben ik op zoek naar geld voor de cultuursector, en ik vind het bestemmingsfonds OCW voor de musea. Daar stel ik ook vragen over en dan krijg ik een heel net overzicht van de minister waarin staat dat voor de periode 2013-2016 al 6,2 miljoen euro gereserveerd is voor het bestemmingsfonds. Vervolgens ga ik op werkbezoek en ga ik een aantal van dit soort musea langs, en daarbij vraag ik wat hun prognose is voor dit bestemmingsfonds en dan kom ik uit op een totaal van meer dan 8 miljoen over een periode van vier jaar, dat afgestort zal zijn in het bestemmingsfonds.

Vervolgens ga ik in gesprek met die musea over de vraag waarom sommige musea niets in het bestemmingsfonds kunnen storten en andere musea extreem veel. Dat verhaal beluister ik en ik ga het hier niet verder uitdiepen, maar ik snap wel dat er een probleem is. Dat is met name gelegen in de scheve verhouding tussen het exploitatieresultaat van sommige musea en de exploitatielast van andere musea, die veel meer moeite hebben om geld te verdienen.

Als ik dan de minister vraag wat de criteria zijn op basis waarvan dat bestemmingsfonds wordt gebruikt, dan vind ik het vreemd om te lezen dat de minister bij de BIS had moeten aangeven wat er met het geld zou gaan gebeuren, zoals de minister ook heeft gedaan voor het andere bestemmingsfonds. Ik vind het daarom raar dat de minister nu zegt dat we er nu niet over praten en dat we dat pas in 2017 doen, met als reden we nu nog niet weten wat er in zit. Ik zeg ook niet dat we dat weten, maar mijn voorspelling is dat er 8 miljoen in zit en als we dat we dat delen door vier hebben we vier jaar lang 2 miljoen extra. Dat is ook precies het bedrag dat ik heb genoemd. Dat bedrag komt vrij op basis van het exploitatieresultaat van musea in Nederland, en daarbij zeg ik dan dat dat geld voor musea beschikbaar moet blijven, tenzij we daar nu een heel andere uitvoerige discussie over gaan voeren. Kan de minister aangeven waarom de gegevens die ik heb en het onderzoek dat ik doe, nooit overeenkomen met de antwoorden van de minister tijdens het debat?

Minister

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

  • Van Toorenburg

  • Dovnload 353.75 Kb.