Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van een wetgevingsoverleg

Dovnload 439.29 Kb.

Verslag van een wetgevingsoverleg



Pagina7/7
Datum28.10.2017
Grootte439.29 Kb.

Dovnload 439.29 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Het wetsvoorstel Goedkeuring van verdragen met het oog op het voornemen deze toe te passen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, en van het voornemen tot opzegging van verdragen voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (32047);

de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 22 september 2009 over het voornemen tot opzegging van verdragen voor de BES-eilanden, waarnaar wordt verwezen in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel 32047 (32047, nr. 5).
De voorzitter: Voordat ik de staatssecretaris het woord geef voor haar beantwoording in eerste termijn, wijs ik de leden erop dat hierbij ook de pagina's 38 t/m 45 van de schriftelijke antwoorden aan de orde zijn.
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Voorzitter. Ik kan heel kort zijn: ik heb niets toe te voegen aan de schriftelijke antwoorden.
De voorzitter: Daarmee zijn wij gelijk gekomen aan het einde van de eerste termijn van het kabinet. Het woord is aan de heer Van Bochove.
De heer Van Bochove (CDA): Voorzitter. Ik wil nog wel iets zeggen, want de staatssecretaris is in de schriftelijke beantwoording niet op mijn vraag ingegaan. Zij heeft een andere vraag beantwoord dan ik heb gesteld. Mijn vraag was echter heel serieus, omdat ik weet dat het op sommige plekken sterk leeft.

Er is niet ingegaan op mijn vraag over het handvest voor de regionale talen en de talen van minderheden. Er is in ieder geval niet op de door mij gestelde vraag ingegaan, want mijn vraag luidde: Is door een of meerdere van de BES-bestuurscolleges aangedrongen op het mede gelding geven aan het Europees handvest uit 1992 voor regionale talen of talen van minderheden om tot bescherming te komen van het Papiaments en het Engels? De staatssecretaris hangt een heel verhaal op over de verschillende talen, maar die discussie hebben wij zojuist al gevoerd. Mijn vraag was heel simpel: Is dat gebeurd?


De heer Leerdam (PvdA): Voorzitter. Ik heb een vraag gesteld over de toepasselijkheid van de verdragen. Meer in het bijzonder heb ik gevraagd welke ministeries hebben aangegeven meer tijd nodig te hebben. Op deze vraag is geen antwoord gegeven. Ik zou echter toch graag, desnoods schriftelijk, een antwoord van de staatssecretaris krijgen.

Ik heb verder gevraagd of er precedenten bekend zijn van de situatie dat verdragen niet in het hele land van kracht zijn. Die vraag betrof niet alleen de context van het Verdrag van Wenen. De staatssecretaris antwoordt dat niet alleen de vormgeving van ons Koninkrijk uniek is, maar daarmee ook a fortiori de staatkundige hervorming, waarbij de drie BES-eilanden worden toegevoegd aan Nederland. Mijns inziens impliceert dit echter niet dat de te scheppen situatie van het nieuw vormgegeven land Nederland, uitgebreid met drie eilanden in de vorm van een openbaar lichaam, in de internationale context nog wel zo uniek is. Het Koninkrijk, thans met drie landen, wijzigt, zich namelijk in een koninkrijk dat bestaat uit vier landen, maar elk van deze vier landen is op zichzelf in het licht van het internationaal recht toch als een nieuwe rechtseenheid op te vatten, ook in het licht van de geldigheid van verdragen. Mijn vraag was erop gericht of ten aanzien van die situatie precedenten, ook in de jurisprudentie, bekend zijn dat binnen een land verschillende internationale verdragsregimes van kracht kunnen zijn. Graag krijg ik op dit punt nog een helder antwoord.


De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Ik heb verder geen opmerkingen.
Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Dat geldt ook voor mij.
Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voor mij ook, voorzitter.
De voorzitter: Dan gaan wij over tot de tweede termijn van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Voorzitter. Ik vraag u om een schorsing van een minuutje, want ik moet mijn medewerkers eerst een paar kleine vragen stellen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Voorzitter. Allereerst excuses voor het feit dat we de vraag van de heer Van Bochove niet goed hebben begrepen. Zijn vraag was of er op is aangedrongen. Het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden geldt alleen voor het Europese deel. Het is mij niet bekend of er op is aangedrongen. Heel lang geleden heeft Bonaire wel een brief gestuurd over deze totale kwestie. Dat zou je dus als zodanig kunnen opvatten. Wij zien het als volgt: in de ABES 2 regelen wij de talen en daardoor is het goed geregeld met de bestuurstalen. Dat geldt voor het Papiaments, het Engels en het Nederlands.

Dan kom ik bij de vragen van de heer Leerdam over de ministeries. Hij vroeg op welke beleidsterreinen er nog onderzoek plaatsvindt naar de toepassing van de verdragen op de BES-eilanden. Ik kan hiervan niet een volledig overzicht geven. Ik weet wel dat er in ieder geval nog gekeken wordt naar het terrein van de luchtvaart in het Caribische gebied. Hierover vindt nog overleg plaats met de Nederlandse Antillen. Ook op het terrein van de directe belastingen wordt er per type verdrag gekeken naar wat dit precies betekent voor de uitbreiding met de BES-eilanden. Over de termijnen waarop deze verdragen bekeken zijn en zullen gaan gelden, kan ik nu niets zeggen. Maar er wordt wel heel serieus naar gekeken.

Vervolgens kom ik bij de vraag van de heer Leerdam over de verschillende verdragsregimes. Daar is op geantwoord in de schriftelijke beantwoording op bladzijde 45. Wij hebben dat steeds gekoppeld aan artikel 29 van het Verdrag van Wenen. Er zijn geen precedenten; wat wij doen, is uniek in de wereld, maar past volgens ons wel binnen dat artikel 29. Daar is het van geëxtrapoleerd. Wij denken dus dat het op dit punt goed is geregeld.

Volgens mij waren dat alle vragen.


De voorzitter: Hiermee ronden we de behandeling van dit wetsvoorstel af. Het goedkeuren en opzeggen van verdragen kan plenair behandeld worden.

**
De brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 november 2009 over de oprichting Stichting BES pensioenfonds (32223, nr. 1).


De voorzitter: Ik wijs de Kamer op de pagina's 49 tot en met 52 van de schriftelijke beantwoording van het kabinet.

Wij gaan eerst luisteren naar de staatssecretaris die een reactie geeft in eerste termijn. Wij moeten in ieder geval met elkaar beoordelen hoe wij met dit wetsvoorstel omgaan.

**
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Het is geen wetsvoorstel, maar een brief, dus daarom wil ik daarover een voorstel doen.
De voorzitter: Het gaat om de voorhang.

**
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Ja. Voorzitter. Het laatste onderwerp van vandaag is de oprichting van de stichting BES-pensioenfonds. Op de verschillende vragen en opmerkingen op dit punt is reeds uitgebreid schriftelijk geantwoord. Ik heb goed geluisterd naar hetgeen door de Kamer is ingebracht. Het viel mij op dat wij eigenlijk weinig van mening verschillen over wat wij willen bereiken. Het lijkt mij goed om dat nog eens nadrukkelijk te schetsen. Ten eerste willen wij allemaal dat de sociale partners op de BES-eilanden volledig verantwoordelijk kunnen en moeten zijn voor hun arbeidsvoorwaarden, dat zij volledig de consequenties dragen van hun handelen op dit terrein en dat zij in dezen op eigen benen staan. Ten tweede willen wij dat er bij de uitvoering maximaal gebruik wordt gemaakt van de kennis, de professionaliteit en de massa die er bestaat bij grote uitvoerders; het is niet nodig om opnieuw het wiel uit te vinden, hetgeen de heer Remkes in zijn inbreng naar voren bracht. Suboptimaal werken is ook mogelijk vanwege de schaalgrootte. Ten derde zijn wij het erover eens dat de start van het pensioenfonds gezond en met een financieel houdbare regeling dient te geschieden. Over deze punten zijn wij het eens en ik begin erover omdat ik het belangrijk vind om dat markeren.

Wij verschillen van mening over de inschatting van de weg die gevolgd moet worden om deze doelstellingen te bereiken. Tot nu staan er in de discussie twee opties tegenover elkaar: een eigen pensioenfonds voor de BES-eilanden en de onderbrenging van de pensioenen bij het ABP. Naar mijn stellige overtuiging liggen die opties veel dichter bij elkaar dan op het eerste gezicht lijkt. Ik zal dat uitleggen waarbij ik aangeef hoe de opties scoren in relatie tot de doelstelling. Allereerst de eerste doelstelling van maximale eigen verantwoordelijkheid; bij onderbrenging bij het ABP zullen de sociale partners op de BES-eilanden hoegenaamd niets meer in te brengen hebben ten aanzien van het reilen en zeilen van het fonds en de pensioenontwikkelingen. Die worden immers gedomineerd door de grote sectoren in Nederland. Zij krijgen over zich heen wat hier wordt besloten en kunnen voor de pensioenen in het arbeidsvoorwaardenoverleg geen eigen afweging meer maken. Is dat wat wij willen? Ik meende te begrijpen dat wij dat niet willen. Bij een eigen fonds komt de eigen verantwoordelijkheid volledig en maximaal uit de verf.

De tweede doelstelling is het maximaal gebruik maken van kennis en professionaliteit. Daarbij scoort onderbrenging bij het ABP automatisch goed. Het ABP heeft zijn uitvoerings- en beleggingsbeleid immers ondergebracht bij het APG. Op die punten scoort het goed: het uitvoerings- en beleggingsbeleid is goed geregeld. Dat APG is een grote en professionele uitvoerder en de BES-eilanden liften daar automatisch op mee. Dat kan echter ook bij een eigen fonds. Ik kom dus tot een soort combinatie. Ik heb er alle vertrouwen in dat het nieuw op te richten fonds zo verstandig is om voor het uitvoerings- en beleggingsbeleid een beroep te doen op een grote en professionele uitvoerder als het APG. Ik zeg graag toe dit te stimuleren, in lijn met wat de Kamer wil en naar voren heeft gebracht, dus dat het uitvoerings- en beleggingsbeleid bij het APG wordt ondergebracht.

De derde doelstelling, de financiële gezondheid, is bij onderbrenging bij het ABP wellicht te bereiken maar vergt veel en ingewikkelde specifieke aanpassingen, alleen voor de BES-eilanden, in het reglement van het ABP. Overigens gaan wij daar als wetgevers niet over omdat het ABP een volledig privaat pensioenfonds is. De ABP-regeling is in zijn bedragen en niveaus, zoals voor de franchise, op geen enkele manier in lijn met de salarissen en de niveaus van de AOV op de BES-eilanden. De eigen BES-pensioenregeling moet volledig in de vorm van afwijkingen op de bestaande ABP-regeling worden vormgegeven en betaald via extra premies bovenop de solidaire premie voor iedereen binnen het ABP. Wij moeten dat naar mijn mening niet willen. Bij een eigen pensioenfonds kan volledig afgestemd op de context van de regio een eigen regeling worden vastgelegd. Dat lijkt mij een stuk efficiënter en effectiever. Met de door mij bij de ABES 3 voorziene wijziging op de pensioenlandsverordening zal die regeling qua principes goed kunnen lijken op de in Nederland gebruikelijke regeling. De bedragen en niveaus zijn dan wel volledig afgestemd op de lokale situatie. De relatief kleine schaalgrootte van het nieuwe fonds is geen doorslaggevend bezwaar. Er zijn immers meer kleine fondsen in Nederland die eveneens gebruik maken van grote, professionele uitvoerders.
Concluderend durf ik te stellen dat een eigen pensioenfonds, met een uitvoering bij een grote professionele uitvoerder, zoals het APG, iets is wat wij ook willen stimuleren. Dit zal het beste van twee werelden in zich verenigen. In de praktijk komt het feitelijk tegemoetkomt aan wat wij met ons allen beogen. Daarvoor is nodig dat wij vandaag van een meerderheid van de Kamer de ruimte krijgen om tot de oprichting van die stichting over te gaan. De resterende negen maanden tot aan de transitie zal de stichting namelijk heel hard nodig hebben om alle voorbereidende maatregelen te nemen voor het op tijd van start gaan van het pensioenfonds.

Concluderend denk ik dus dat wij met deze combinatie het beste van twee werelden kunnen verenigen. Daarbij is goed geluisterd naar wat de Kamer hierover heeft ingebracht. Wij kunnen het op deze manier regelen. Ik vraag de Kamer dus om mandaat om tot de oprichting van de stichting over te gaan.


De voorzitter: Het lijkt mij verstandig om weer een rondje te maken.

**
De heer Van Bochove (CDA): Voorzitter. Ik kom zo terug op de laatste vraag van de staatssecretaris.

De staatssecretaris is echter niet ingegaan op het aspect van het toezicht. Dat aspect blijft in dit traject nadrukkelijk onderbelicht. Toch wil ik graag haar reactie daarop vernemen.

De staatssecretaris wil vandaag toestemming hebben voor de oprichting van de stichting. Zij hield hierover een gloedvol betoog; daarover bestaat geen misverstand. Zij heeft de punten helder toegelicht, ook in de schriftelijke beantwoording. U moet mij niet euvel duiden, voorzitter, mijn inbreng was op een bepaald niveau. Ik wil wat de staatssecretaris heeft gezegd ten minste even terugkoppelen naar mijn fractie om vast te stellen welke lijn wij na de beantwoording door de regering zullen kiezen.

Nogmaals, ik nodig de staatssecretaris uit om in onze richting vertrouwenwekkende opmerkingen te maken over het toezicht.
De heer Leerdam (PvdA): Voorzitter. Ook wij hebben goed geluisterd naar het antwoord van de staatssecretaris. Wij hebben dezelfde vragen als de heer Van Bochove zojuist heeft verwoord.

Er wordt gezorgd voor een professionele uitvoerder en vermogensbeheerder. Ook plaatsen wij dezelfde kanttekening als de heer Van Bochove bij het toezicht. Ik wil dus graag dat de staatssecretaris daarop terugkomt. Hoe lang zal het duren voordat het toezicht op niveau is gebracht?


De voorzitter: Ik hoor de staatssecretaris de vraag stellen: op welk niveau?

**
De heer Leerdam (PvdA): Op dat van het ABP.


De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Nadat ik de schriftelijke beantwoording had gelezen en toen ik de staatssecretaris hoorde, dacht ik: het lijkt erop dat tot dusver doven en blinden geprobeerd hebben om met elkaar te communiceren. In eerste termijn heb ik namelijk vrij uitdrukkelijk gezegd dat ik begrijp dat er gekozen wordt voor een aparte constructie. Tevens heb ik gezegd dat het mij niet gaat om de discussie over de bestuurlijke "kop". Ik begrijp dat de verantwoordelijkheid daar moet komen te liggen. Er bestaat kennelijk geen verschil van mening over dat het in de rede ligt om gebruik te maken van de schaalvoordelen van APG, dus niet ABP. Dat werd in de stukken tot dusver steeds open gelaten.

Ik realiseer mij dat de staatssecretaris niet helemaal een resultaatsverantwoordelijkheid kan aangaan, maar volgens mij zijn er al zulke zware argumenten dat het mij zou verbazen als daar een andere oplossingsroute uit zou komen. Immers, de schaalvoordelen in het beleggingenbeleid en in de uitvoering zijn zodanig evident dat het buitengewoon onlogisch zou zijn, alsook financieel risicovol, wanneer daar een andere route uit zou komen.

Ik lees hier dat het toezicht gewoon via de Nederlandsche Bank loopt, dus ik heb toch goed begrepen dat dit handeltje onder de normale Nederlandse toezichthouders valt?

Verder noem ik nog twee aspecten. Die vind ik nog wel interessant. Er is sprake van een boedelscheidingsrapport van de kant van de Nederlandse Antillen. Dat zou ik graag willen zien om wat nader financieel inzicht te krijgen. Ik begrijp verder cijfermatig dat er 2400 mensen onder zullen vallen die op dit ogenblik nog pensioen opbouwen. Ik zie hier ook de gezondheidszorg staan. Het aantal van 2400 moet een beetje in dat perspectief worden geplaatst. Ik hoor dat het op Saba bijna allemaal ambtenaren zijn. Dat wilde ik wel gezegd hebben.

Omwille van de tijd sluit ik af met de opmerking dat de staatssecretaris wat mij betreft het groene licht krijgt als zij echt helder aangeeft dat er nadrukkelijk wordt gestreefd naar koppeling van de geprivatiseerde uitvoeringspoot aan de geprivatiseerde uitvoeringspoot APG.
De heer Van Bochove (CDA): De heer Remkes had het over het toezicht door de AFM en de Nederlandsche Bank. Ik ben het ermee eens. Ik had het ook al geconstateerd. Ik vind alleen dat dat eigenlijk stap 2 in het proces is. Het begint met het eerstelijnstoezicht. Dat heeft te maken met de besturen en de raden van toezicht en dergelijke. Mijn vraag ging meer daarover. Zit dat nu voldoende vertrouwenwekkend in elkaar? Wie gaat dat doen en hoe gaan wij dat precies invullen? Wil de staatssecretaris daarover nog iets zeggen? Dat bedoelde ik namelijk.
De voorzitter: En de vraag is of de heer Remkes dat ook graag wil weten?

**
De heer Van Bochove (CDA): Ik ging ervan uit dat de heer Remkes het ermee eens was dat ik de vraag even verduidelijkte.


De heer Remkes (VVD): Daarmee ben ik het vanzelfsprekend eens, maar ik heb de reglementen gelezen.
De heer Brinkman (PVV): Voorzitter. Ik heb het gloeiende betoog van de staatssecretaris ook goed aangehoord. Daarbij kom ik eigenlijk tot de conclusie dat er maar één echt specifiek voordeel is voor het eigen pensioenfonds. De andere zijn allemaal een beetje afgeleide voordelen of in ieder geval voordelen die de ander dan ook weer niet heeft of misschien in iets mindere mate. Het enige echte voordeel is het voordeel van die sociale partners, dat u als eerste noemde. Dat is inderdaad waar. Die sociale partners vallen natuurlijk in het niet op het moment dat zij zich moeten richten naar het ABP en daarmee om de onderhandelingstafel zouden moeten gaan zitten. De rest is gewoon niet echt een specifiek voordeel. Gezien de beantwoording van de vragen, constateer ik dat de staatssecretaris vijf heel belangrijke voordelen van juist wel dat ABP noemt. Ik noem ze maar: een gerenommeerd en professioneel pensioenfonds, een stukje vertrouwen, een groot fonds met een brede basis en veel vermogen, een bestaande organisatie, waardoor er niets nieuws hoeft te worden gestart. Dit zijn allemaal heel belangrijke voordelen die juist voor het ABP pleiten. Ik vraag mij dus eigenlijk af waarom niet gewoon alsnog bij dat ABP wordt aangesloten.

Ik ben ook benieuwd naar het boedelscheidingsrapport, waarover ik iets heb gelezen. Verder wacht ik de beantwoording van de vragen door de staatssecretaris af.


Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Voorzitter. Ik heb natuurlijk ook met belangstelling naar het betoog van de staatssecretaris geluisterd. Ik moet zeggen dat ik de lijn waarvoor wordt gekozen, verstandig vind.

Ik ga ervan uit dat de Nederlandsche Bank, maar ook de AFM toezicht zullen houden en dat dat nu juist het verschil is ten opzichte van het verleden, zodat zich nooit meer de situatie voordoet dat geld, gereserveerd voor pensioenen, aan andere zaken wordt uitgegeven. Daarvoor zijn wij natuurlijk allemaal bang, maar ik ga ervan uit dat het nu piekfijn is geregeld in de systematiek waarvoor is gekozen. Misschien kan dit nog even aan mij worden bevestigd.

De Nederlandsche Bank en de AFM zijn ook niet perfect. Dat zal de komende week ook blijken in een ander zaaltje, hier aan de overkant van het Plein, maar zo is het wel geregeld. Het APG lijkt mij prima. Ik zou zeggen dat dit het beste is van twee werelden. De fractie van GroenLinks hecht er wel aan dat ook sociale partners hier nog wel een vingertje in de pap hebben. Wat ons betreft, is het dus: go.
Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik vind een nieuwe sector erbij inderdaad slim gevonden, maar ik ben niet overtuigd of wij hier niet een ander soort ambtenaren zullen krijgen. Dan heb ik het specifiek over rijksambtenaren, niet over eilandsambtenaren. Wanneer wij dit zo zouden gaan regelen, is het de vraag of wij niet het probleem krijgen dat wij in Nederland iedereen in gelijke mate moeten behandelen. Ik wil dit hele gebeuren mee terugnemen naar mijn fractie en mij erop beraden. Ik zal dus geen uitspraak doen of ik wel of niet de staatssecretaris mandaat geef om hiermee door te gaan.
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Voorzitter. Vanwege de woorden van de heer Remkes ben ik mijn betoog begonnen zoals ik begon: laten wij eens kijken naar de discussies die in de afgelopen tijd hierover zijn gevoerd. Waarover zijn wij het eens, waarin zou je nog een verschil kunnen zien en hoe zie ik dat? Ik ben blij dat de heer Remkes ook ziet dat het met name zit in de uitvoeringskant en dat hij inziet dat het belangrijk is om bij het APG aan te haken.

De heer Van Bochove antwoord ik dat ik net blz. 51 nog een keer heb gelezen over het toezicht. Ik denk dat echt het beste van twee werelden wordt verenigd door een apart pensioenfonds op te richten en voor de uitvoering bij de grote en betrouwbare APG aan te sluiten. Ik ben bereid om mij daarvoor in te zetten.

Het normale toezicht van de Nederlandsche Bank en de AFM is van toepassing, zoals ook op blz. 51 staat, maar daarnaast voorzien de conceptstatuten van het fonds in een onafhankelijke raad van toezicht, bestaande uit pensioendeskundigen die gedurende de eerste vijf jaar ook instemmingsbevoegdheid heeft op belangrijke bestuursbesluiten. Dus het eerstelijnstoezicht is wel degelijk geregeld. Dat gaat eigenlijk net als in Nederland. Ik denk dan ook dat die twee zaken echt goed geregeld zijn.

De heer Remkes heb ik geantwoord over het boedelscheidingsrapport. Dat kan de Kamer krijgen. Daar zal ik de brieven bij doen van de minister van Binnenlandse Zaken aan de minister van Financiën van het land Nederlandse Antillen. Dan heeft de Kamer een compleet pakket en is men helemaal op de hoogte.

Volgens mij zijn hiermee alle concreet gestelde vragen beantwoord. Het gaat inderdaad om een weging die moet worden gemaakt. De heer Van Bochove zei dat hij daarover nog even wil nadenken in zijn fractie. De heer Remkes en mevrouw Van Gent zeiden dat zij met de lijn zoals die is voorgesteld kunnen instemmen omdat zij zien dat het toezicht goed geregeld is en de inspanningsverplichting er is om bij die grote uitvoeringsinstelling met beleggingsdeskundigheid aan te sluiten. Dat is niet zomaar een inspanningsverplichting. Daar kan de heer Remkes van op aan.

Ik kan mij voorstellen dat de heer Van Bochove daar nog even over wil nadenken, maar aan de andere kant wil ik opmerken dat het wel van belang is dat wij daar niet te lang over nadenken. Het is immers belangrijk dat wij zo snel mogelijk verder kunnen met wat hier voorligt. Het lijkt mij goed als de Kamer mij dat binnen een termijn van een week kan laten weten. Wij hebben geprobeerd om zo serieus mogelijk aandacht te schenken aan hetgeen de Kamer naar voren heeft gebracht in eerste termijn. Ik denk dat in die combinatie het beste van twee werelden zit. Ik hoop dan ook dat de beoordeling van de Kamer uiteindelijk ook zo uitpakt. Gegeven hetgeen ik gehoord heb, heb ik daar eigenlijk ook het volste vertrouwen in.


De heer Leerdam (PvdA): De staatssecretaris heeft mijn vraag over het toezicht beantwoord bij de beantwoording van de vraag van de heer Van Bochove. Zoals de staatssecretaris het nu heeft verwoord, kan ik ermee instemmen.
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Dat is fijn, daar ben ik blij mee. Dat geeft ons de mogelijkheid om verder te werken.

Ik ben nog één antwoord aan mevrouw Ortega schuldig over de afwijkende soort rijksambtenaren. Wij kennen nu al vier soorten rijksambtenaren met een eigen cao: departementen, defensie, politie en rechterlijke macht. Het is dus niet ongebruikelijk.

Ik merk dat de Kamer vrijwel overtuigd is, maar ik wacht de reactie binnen de termijn van een week af.
De voorzitter: Ik wil graag met de collega's afspreken dat wij op 26 januari voor 14.00 uur de reacties binnen hebben. Volgende week dinsdag -- daar zitten twee fractievergaderingen tussen -- zullen wij de staatssecretaris dan onmiddellijk informeren over het gevoelen van de Kamer.

**
De heer Van Bochove (CDA): Ik zal de Griffie uiterlijk volgende dinsdagochtend informeren.


De voorzitter: Prima.

Dan sluit ik hiermee de discussie over de brief van het kabinet met betrekking tot de oprichting van de Stichting BES pensioenfonds.

Aangezien de eindtijd nadert, wil ik ook de vergadering tot een afronding brengen. Ik wil met de Kamer afspreken dat wij over niet al te lange tijd over de zes wetten een plenair debat voeren. Hiervoor hebben wij nog een aantal zaken nodig van het kabinet. Ik heb ze niet allemaal paraat, maar een en ander is keurig opgeschreven. Daar zal met spoed aan gewerkt worden. Zodra deze gegevens bekend zijn, komen wij tot een agendering. Het zal niet deze week zijn, waarschijnlijk ook niet volgende week, maar wel heel snel daarna. Laten wij afspreken dat voor 27 januari alle stukken binnen zijn, zodat wij daarna de knoop kunnen doorhakken over een snelle behandeling.

Over dit onderwerp kan heel verschillend gedacht worden, maar over één ding is de Kamer het eens: van ambtelijke zijde is ongelooflijk hard gewerkt. Daarvoor willen wij onze waardering overbrengen.



**
Staatssecretaris Bijleveld-Schouten: Dank u, voorzitter. Ik vind het plezierig dat u dat zegt, want er is inderdaad heel hard aan gewerkt. Ik ben er ook mijn eerste termijn mee begonnen, want er is met heel veel inzet aan al deze stukken gewerkt.
Sluiting 18.59 uur.
1   2   3   4   5   6   7

  • Bijleveld-Schouten
  • Brinkman
  • De brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 november 2009 over de oprichting Stichting BES pensioenfonds (32223, nr. 1) . De voorzitter
  • voorzitter
  • Van Bochove

  • Dovnload 439.29 Kb.