Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verzoekschrift administratief hoger beroep artikel 30 wapenwet tegen beslissing provinciegouverneur [provincie] dd. [datum]

Dovnload 20.96 Kb.

Verzoekschrift administratief hoger beroep artikel 30 wapenwet tegen beslissing provinciegouverneur [provincie] dd. [datum]



Datum14.07.2017
Grootte20.96 Kb.

Dovnload 20.96 Kb.

Federale Overheidsdienst Justitie

Federale Wapendienst

Waterloolaan 115

1000 Brussel



AANGETEKEND

Gent, [datum]

Geachte mevrouw

Geachte heer


VERZOEKSCHRIFT ADMINISTRATIEF HOGER BEROEP ARTIKEL 30 WAPENWET TEGEN BESLISSING PROVINCIEGOUVERNEUR [provincie] DD. [datum]

Met dit schrijven wens ik het in artikel 30 van de wapenwet bedoelde administratief hoger beroep in te stellen tegen een besluit van [datum] genomen door de provinciegouverneur te [Oost-Vlaanderen waarbij] mij een vergunning voor een [lang vuurwapen met getrokken loop], [merk], [kaliber], [eventueel serienummer], werd geweigerd.


U vindt een kopie van dit besluit (hierna “het bestreden besluit”) als bijlage bij dit verzoekschrift.
In het kader van het door de wapenwet georganiseerde administratief beroep verzoek ik u om het besluit van de provinciegouverneur te hervormen en mij een vergunning voor het betrokken wapen toe te kennen.
In het bestreden besluit wordt bevestigd dat er geen redenen zijn van openbare orde waardoor de vergunning kan worden geweigerd. Het advies van de lokale politie te [plaats], gegeven op [datum], was positief.
Uit het administratief dossier moge blijken dat ik voldoe aan alle in 11, §3, 1° - 9° van de wapenwet opgesomde voorwaarden. In een omzendbrief van 8 juni 2006 heeft de minister van Justitie bevestigd dat de provinciegouverneurs in deze geen enkele discretionaire bevoegdheid meer hebben (zie punt 2, al. 7 omzendbrief van 8 juni 2006).
Desondanks acht de provinciegouverneur zich niet gebonden aan de wapenwet, de uitvoeringsbesluiten genomen in uitvoering daarvan en een omzendbrief van de minister van Justitie.
De opgegeven reden voor het gebruik van het wapen, was deze als vermeld in artikel 11, §3, 2e lid, sub b), met name het sportief en recreatief schieten.
In het bestreden besluit wordt de weigering van de wapenvergunning gemotiveerd als volgt:


  • Er zou sprake zijn van manifeste ongeschiktheid van het wapen voor het voorgewende doel;

  • De vergunning zou “kennelijk onredelijk” zijn.

Het is uw dienst allicht bekend dat de provinciegouverneur te Oost-Vlaanderen een eigen beleid wenst te voeren inzake wapenwet. Deze houding is manifest in strijd met de wapenwet. Herhaaldelijk merkte de Raad van State op dat de gouverneur, als territoriaal gedeconcentreerde overheid, de federale wapenwet dient uit te voeren. Hij heeft daarbij geen enkele beleidsmarge (zie ondermeer arrest nr. 214.913 dd. 1 september 2011).


Vanuit deze optiek worden volgende elementen opgenomen in het bestreden besluit:


  • Het wapen waarvoor de vergunning wordt aangevraagd zou oorspronkelijk zijn ontworpen voor militair gebruik;

  • Het ontbreken van de mogelijkheid om volautomatisch te schieten zou het wapen niet ‘minder gevaarlijk’ maken;

  • Het ontbreken van diezelfde mogelijkheid zou het niet plots geschikt maken voor sportief en recreatief schieten door particulieren in een schietstand omdat het zijn overige kenmerken van een volautomatisch vurend wapen, in het bijzonder op het vlak van ‘efficiëntie en ergonomie’, heeft behouden;

  • Het bezit van dergelijk wapen door particulieren in de ‘hedendaagse maatschappij’ zou niet verantwoord zijn omdat het zou zijn geconcipieerd als ‘aanvalswapen’ (in tegenstelling tot een zogenaamd precisiewapen);

  • Het bezit van dergelijk wapen door particulieren zou toelaten ervaring op te doen in het schieten met ‘bijzonder dodelijke militaire wapens’ waarvan de functionaliteit automatisch vuren niet steeds even onomkeerbaar door de fabrikant werd uitgeschakeld;

  • Het recht op het beoefenen van een hobby niet onbeperkt zou zijn en meer bepaald de grenzen van de redelijkheid niet mag overschrijden omdat er voor het beoefenen van die hobby nog tientallen andere wapentypes beschikbaar zijn die hiervoor speciaal zouden zijn ontworpen.

Uit deze argumentatie blijkt vooreerst dat de provinciegouverneur door het nemen van zijn beslissing de wapenwet schendt, ondermeer door voorwaarden aan de wet toe te voegen en zich bevoegdheden aan te matigen die hij niet heeft op basis van de wapenwet. In dit verband meent de provinciegouverneur dat hij zelf kan beslissen in welke mate het bezit van een wapen door particulieren “in de hedendaagse maatschappij te verantwoorden is”. Deze bevoegdheid komt de wetgever toe. In de logica van de wapenwet bestaat immers een categorie van verboden wapens. Deze wapens mogen nooit door particulieren voorhanden gehouden worden. De “bijzonder dodelijke militaire wapens” waarnaar verwezen wordt in de beslissing dienen dan ook desgevallend door de wetgever te worden verboden. Allicht daarom zijn wapens voor uitsluitend militair gebruik (zoals automatische vuurwapens, zie art. 3, §1 WW), alsook sommige andere wapens die specifiek voor ordediensten ontwikkeld zijn (zie art. 3, §1,15° en 16°) ingedeeld onder de categorie van de verboden wapens. De provinciegouverneur is dus niet bevoegd om op eigen initiatief, in het kader van een persoonlijk beleid, wapens aan de lijst van verboden wapens toe te voegen.


Vanuit juridisch oogpunt wil ik wijzen op een tweetal recente arresten van de Raad van State (nrs 220.039 en 220.040 beiden d.d. 28 juni 2012) waarin weliswaar wordt bevestigd dat het de administratieve vergunningsuitreikende overheid toekomt na te gaan of het type wapen waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, overeenstemt met de opgegeven wettige reden, doch dat de administratieve overheid gebonden is bij de uitvoering van de haar opgedragen taken door de wil van de wetgever. Bijgevolg is de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheden beperkt en beschikt zij derhalve slechts over een beperkte appreciatiemarge. De Raad van State merkte in deze arresten eveneens op dat uit het feit dat een wapen ontworpen werd voor of ook geschikt is voor een ander gebruik dan “sportief en recreatief schieten” niet blijkt dat het wapen daarvoor niet kan gebruikt worden. In deze optiek is het dan ook niet relevant dat het wapen voor militair gebruik ontworpen zou zijn (hetgeen in casu zelfs niet het geval is, zie hierna).
Uit de omzendbrief van 29 oktober 2010, waarnaar door diezelfde Raad van State in voormelde arresten wordt verwezen, wordt ‘overeenstemmen met de wettige reden’ omschreven als ‘nuttig zijn in dit kader’. Deze omzendbrief stelt dat de controle van de wettige reden niet a priori mag geschieden op basis van vermoede intenties van de aanvrager van de vergunning, doch enkel a posteriori mogelijk is middels een attest van de uitbater van een erkende schietstand waaruit blijkt dat men met het wapen minstens X aantal keer per kalenderjaar is gaan schieten
Hieruit kan worden afgeleid dat de overeenstemming met de wettige reden “sportief en recreatief schieten” voldoende is aangetoond indien de aanvrager aantoont dat het wapen “nuttig kan worden gebruikt” voor de ingeroepen reden.
Het wapen waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft kan wel degelijk nuttig worden gebruikt voor het sportief – en recreatief schieten:



  • [feitelijke elementen aangeven om de beweringen van de gouverneur in de beslissing te weerleggen, bv:

    • Het wapen bestaat niet automatisch

    • Ontwikkeld voor civiele markt

    • Alle wapens zijn even dodelijk, gouverneur toont dit in casu niet aan

    • Redenering van gouverneur houdt in dat burgers ook militaire training zouden gaan doen (om de beweerde ervaring met de wapens op te doen), wat verboden is in het kader van de wet privé milities en het KB van 13 juli 2000 houdende erkenningsvoorwaarden voor schietstanden

    • Het wapen mag gebruikt worden voor sportschieten (in een discipline door één van de federaties georganiseerd

Ik kan dus niet begrijpen op basis van welke elementen de gouverneur meent tot zijn beslissing te kunnen komen. Geen enkel ingeroepen feitelijk element is immers van toepassing op het aangevraagde wapen.


Derhalve meen ik dat de gouverneur de bestreden beslissing louter verantwoord op zijn persoonlijke politieke overtuiging. Daarbij wordt de wapenwet overtreden. Bovendien worden deze wapens courant vergund door de meeste gouverneurs in andere provincies die de wapenwet in deze wel naleven. De nieuwe wapenwet wenste immers een einde te stellen aan de ‘bestaande versnippering’, waarbij “meer eenheid en gelijkheid (wordt) beoogd” bij het toekennen van de wapenvergunning. Blijkbaar had de wetgever reeds voorzien dat sommige overheden een eigen beleid zouden voeren. In de memorie van toelichting werd nog bepaald dat de voorwaarden om een wapenvergunning te krijgen in de wet worden vastgesteld omwille van de “bezorgdheid elke vorm van willekeur en subjectiviteit te vermijden.”
Uit deze elementen blijkt dat mijn aanvraag aan alle in artikel 11, §3 van de Wapenwet opgesomde voorwaarden voldoet. Ik verzoek u dan ook om de beslissing van de gouverneur te vernietigen en een vergunning voor het aangevraagde wapen toe te kennen.
U kunt mij steeds bereiken voor elke verdere inlichting.

Met beleefde groeten,


[naam]

[adres]


[plaats]
BIJLAGEN
Bijlage 1 Bestreden beslissing

Bijlage 2 Documentatie ter weerlegging van feitelijke elementen ingeroepen door de gouverneur


Dovnload 20.96 Kb.