Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voerbehoefte

Dovnload 0.73 Mb.

Voerbehoefte



Pagina1/3
Datum05.12.2018
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
  1   2   3

Voerbehoefte van rundvee

Het meest opvallend bij het spijsverteringskanaal van herkauwers zijn de vier magen. De werking van de lebmaag is te vergelijken met die van de maag bij niet herkauwers. De andere drie magen worden voormagen genoemd. In een van de voormagen, de pens, kan ruwe celstof afgebroken worden met behulp van bacteriën die hier aanwezig zijn. Daardoor kan een herkauwer ook energie uit ruwe celstof halen. Bij melkvee, jongvee, schapen en geiten geef je de energiewaarde aan in VEM. VEM staat voor Voedereenheid Melk. Bij vleesvee wordt de energie die de organische stof levert, uitgedrukt in VEVI (Voedereenheid Vlees Intensief). De VEM van een voedermiddel is een verhoudingsgetal dat aangeeft hoeveel gram gerst evenveel netto-energie levert voor melkproductie als 1 kilogram van dat voedermiddel.
Darmverteerbaar eiwit

De voederwaardering voor eiwit wordt aangegeven met het begrip darmverteerbaar eiwit ( DVE). Het eiwit dat een koe opneemt, kan op verschillende plaatsen in het



maag-darmkanaal verteerd worden. Dit is afhankelijk van de samenstelling van het

eiwit. Daarom wordt er onderscheid gemaakt tussen onbestendig eiwit en bestendig eiwit. Eiwit dat bestand is tegen afbraak door bacteriën in de pens, wordt bestendig



eiwit genoemd. Eiwit dat wel door de pensbacteriën afgebroken wordt, heet onbestendig

eiwit. Het afgebroken, onbestendige eiwit kan in de pens weer worden opgebouwd door bacteriën. Zo ontstaat bacterieel eiwit. Deze bacteriën, met daarin de eiwitten, komen vanuit de pens met het voer mee in de darm en worden daar afgebroken. In de darm komt dus:



bestendig eiwit, rechtstreeks afkomstig van het voedermiddel;

bacterieel eiwit dat als onbestendig eiwit in de pens zat. De eiwitten die de koe kan benutten, bestaan uit:



 het verteerbare deel van het bestendige (niet in de pens afgebroken) eiwit:

darmverteerbaar bestendig eiwit (DVBE);

het verteerbare deel van het bacteriële eiwit: darmverteerbaar microbieel eiwit

(DVME).
DVBE en DVME vormen samen het darmverteerbaar eiwit (DVE). Een deel van het darmverteerbare eiwit gaat verloren tijdens het verteringsproces: zoals overal in het lichaam, sterven ook in de dunne darm constant cellen af. Er moeten dus steeds nieuwe darmcellen worden opgebouwd. Daarvoor is eiwit nodig. Daarnaast gaan met het onverteerbare voer ook verteringsenzymen verloren. Het darmverteerbare eiwit dat voor darmcelopbouw of als enzym gebruikt wordt, is dus niet benutbaar. Vooral bij producten met veel onverteerbare droge stof gaat veel DVE verloren.

Fermenteerbare organische stof

De energie die in de pens beschikbaar komt, ontstaat doordat bacteriën organische stoffen omzetten. De organische stof die daarvoor gebruikt wordt, noemen we de



fermenteerbare organische stof, de FOS. Het grootste deel van de FOS bestaat uit suikers en zetmeel.
Verteerbare organische stof

De verteerbare organische stof, de VOS, is de optelsom van de organische stof die in de pens afgebroken wordt en de organische stof die in de darmen verteerd wordt, zoals



het ruw vet, het bestendige eiwit en de bestendige zetmelen.

Producten met een lage FOS en een hoge VOS bevatten dus veel stoffen die niet of nauwelijks afbreekbaar zijn in de pens. Dit zijn de vetten en de moeilijk verteerbare

koolhydraten zoals de bestendige zetmelen de bestendige onderdelen van de ruwe

celstof.
De onbestendige eiwitbalans

Onbestendig eiwit kan deels verloren gaan in de vorm van ureum in de urine. Dit gebeurt als er in de pens te weinig energie beschikbaar is. Tussen de hoeveelheid onbestendig

eiwit en de hoeveelheid FOS moet dus een evenwicht bestaan. Dit evenwicht duiden we

aan met het begrip onbestendige eiwitbalans, de OEB. Als er in verhouding te weinig onbestendig eiwit in de pens is, kan niet die hoeveelheid microbieel eiwit worden gemaakt die verondersteld wordt. Bovendien neemt de bacteriegroei af.

Figuur 5.11 De positieve OEB


Een positieve OEB betekent dat er in de pens een overschot aan onbestendig eiwit is in verhouding tot de beschikbare energie (FOS). N gaat verloren. Bij een positieve OEB komt het overschot aan onbestendig eiwit als stikstof (N) in het milieu terecht. Een positieve OEB is dus ongunstig voor het milieu.

Een negatieve OEB betekent dat er in de pens te weinig onbestendig eiwit is in verhouding tot de beschikbare energie (FOS). Er moet onbestendig eiwit worden bijgevoerd, anders

levert dit rantsoen niet de verwachte hoeveelheid DVE.

Een en hetzelfde voedermiddel kan dus best een negatieve of een positieve OEB hebben. In de pens mag de OEB van het totale rantsoen echter nooit negatief zijn. De OEB van



een rantsoen moet zo dicht mogelijk naar OEB = 0 gebracht worden, omdat anders

N verloren gaat en het milieu onnodig belast wordt. Uit recent onderzoek is gebleken dat er toch altijd een hoeveelheid eiwit in de pens verloren gaat. De OEB in het rantsoen dient daarom minimaal +150 te zijn.



Naast de waarden zoals die op het analyseverslag staan, worden er in de praktijk door

een aantal veevoederfabrikanten nog andere voederwaarden gehanteerd. Dit komt door een verschillende inschatting van de FOS. Daarnaast wordt de fermentatiesnelheid verschillend verwerkt in de voederwaarden.

  1   2   3


Dovnload 0.73 Mb.