Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor: de vereniging zonder winstoogmerk nationaal verbond van de magistraten van eerste aanleg

Dovnload 172.29 Kb.

Voor: de vereniging zonder winstoogmerk nationaal verbond van de magistraten van eerste aanleg



Pagina1/2
Datum31.10.2018
Grootte172.29 Kb.

Dovnload 172.29 Kb.
  1   2

ARBITRAGEHOF

VERZOEK TOT VERNIETIGING

Voor: 1. de vereniging zonder winstoogmerk NATIONAAL VERBOND VAN DE

MAGISTRATEN VAN EERSTE AANLEG, met zetel te 1000 Brussel, Poelaertplein

3/509, vertegenwoordigd door zijn Raad van Bestuur,



  1. de heer Jan GEYSEN, arbeidsauditeur te Brussel, wonende te 1020 Brussel, Neerleest 4,

  2. de heer Rafaël GABRIELS, arbeidsauditeur te Gent, wonende te 9700 Oudenaarde, Bevrijdingsstraat 19,

  3. mevrouw Gaby VAN DEN BOSSCHE, rechter in de Arbeidsrechtbank te Brussel, wonende te 1371 Relegem, Poverstraat 33,

  4. de heer Ludo GOOSSENS, voorzitter in de Rechtbank van Koophandel te Turnhout, wonende te 2300 Turnhout, de Merodelei 114,

  5. mevrouw Kathleen DESAEGHER, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1090 Brussel, Fernande Volralstraat 25,

  6. mevrouw Ida DE KEMPENEER, rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, wonende te 3010 Kessel-Lo, de Becker-Remyplein 1,

  7. de heer Thierry FREYNE, onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, wonende te 3191 Hever, Stationsstraat 143,

  8. de heer Martin VAN DEN BOSSCHE, fiscaal rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, wonende te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 818,

  9. mevrouw Anne VANDERSTRAETEN, rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Charleroi, wonende te 6120 Nalinnes, avenue des Crocus 27,

  10. de heer Charles-Eric CLESSE, substituut-arbeidsauditeur te Charleroi, wonende te 1450 Gentinnes, rue des Communes 99,

  11. de heer Paul LENAERTS, procureur des Konings te Mechelen, wonende te 2800 Mechelen, Hanswijkstraat 15 bus 401;

  12. mevrouw Geneviève COLOT, eerste substituut-arbeidsauditeur te Brussel, wonende te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Albert & Elisabethlaan 38,

  13. mevrouw Karen BROECKX, beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, wonende te 9050 Ledeberg, Wazenaarstraat 38,

  14. de heer Rudolf BROECKX, eerste substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2300 Turnhout, Kamiel van Baelenstraat 25,

  15. mevrouw Kathelyne BRYS, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1740 Ternat, Dreef 21,

  16. mevrouw Karin CARLENS, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1080 Brussel, Mettewielaan 93 bus 14,

  17. mevrouw Ingeborg CLAES, substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2440 Geel, Stelenseweg 36,

  18. de heer Jozef COLPIN, eerste substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 2811 Hombeek, Hombekerkouter 49,

  19. de heer André COPPENS, voorzitter van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, wonende te 9406 Outer, Rospijkstraat 5,

  20. de heer Lucas DAELEMAN, eerste substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2300 Turnhout, Tuinbouwstraat 34,

  21. de heer Herman DAENS, procureur des Konings te Oudenaarde, wonende te 9200 Dendermonde, Kwintijnpoort 66,

  22. de heer Eric de FORMANOIR DE LA CAZERIE, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1070 Anderlecht, V. en J. Bertauxlaan 66,

  23. de heer Koenraad DE GREVE, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, wonende te 9960 Assenede, Gezustersstraat 6,

  24. de heer Philippe de HEMRICOURT de GRUNNE, gedelegeerd substituut-krijgsauditeur bij de procureur des Konings te Brussel, wonende te 1170 Brussel, Van Becelaerelaat 103,

  25. mevrouw Mieke DE PAUW, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, wonende te 9200 Sint-Gillis-Dendermonde, Processiestraat 17,

  26. mevrouw Erika DE RAEYMAECKER, rechter in de rechtbanken van eerste aanleg van Antwerpen, Mechelen en Turnhout, wonende te 3570 Alken, Meerdegatstraat 7,

  27. mevrouw Fabienne DE TANDT, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 9980 Sint-Laureins, Leemweg 63,

  28. de heer Wim DE TROY, toegevoegd substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 3360 Bierbeek, Merbeekstraat 13,

  29. de heer Tim DE WOLF, toegevoegd substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1785 Merchtem, Mieregemstraat 149,

  30. mevrouw Catherine DEDEREN, toegevoegd substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2640 Mortsel, Antwerpsestraat 3 bus 3,

  31. de heer Samuel DELEU, substituut-procureur des Konings te Kortrijk, wonende te 7440 Zwevegem, Engelandlaan 1,

  32. de heer Patrick DELLO, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, wonende te 3740 Bilzen, Winterstraat 16,

  33. mevrouw Godelieve DENEULIN, eerste substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1673 Beert-Pepingen, Kapellestraat 12,

  34. de heer Eddy DESMET, ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8020 Oostkamp, Leliestraat 68,

  35. de heer Jean-Pierre DESMET, arbeidsauditeur te Oudenaarde, wonende te 9700 Oudenaarde, Bekstraat 11,

  36. mevrouw Jacqueline DEVREUX, eerste substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1080 Brussel, Mathieu Pauwelsstraat 26,

  37. mevrouw Els D’HOOGHE, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8000 Brugge, Annuntiatenstraat 43,

  38. de heer Luc FALMAGNE, substituut-arbeidsauditeur te Brussel, wonende te 1140 Brussel, Goede Herdersstraat 55 bus 9,

  39. mevrouw Pascale FRANCE, eerste substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1200 Brussel, de Broquevillelaan 34 bus 2,

  40. de heer Bernard GOETHALS, eerste substituut-procureur des Konings te Nijvel, wonende te 1470 Bousval, Point du Jour 42,

  41. de heer Luc HOEDAERT, voorzitter van de arbeidsrechtbank te Oudenaarde, wonende te 9550 Herzele, Provincieweg 276,

  42. mevrouw Karolien ILSBROUKX, rechter in de rechtbanken van eerste aanleg te Tongeren en Hasselt, wonende te 3800 Sint-Truiden, Schepen Dejonghstraat 48,

  43. de heer Philippe JANSSEN, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, wonende te 8790 Waregem, Stationsstraat 108,

  44. mevrouw Gaëtane JONNAERT CAMBIER, eerste substituut-procureur des Konings te Nijvel, wonende te 1400 Nijvel, Venelle Saint-Roch 8,

  45. mevrouw Fabienne LADURON, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1180 Brussel, Visserijstraat 133,

  46. de heer Rolf LENNERTZ, procureur des Konings te Eupen, wonende te 4700 Eupen, Langesthal 44,

  47. de heer Jean LESCRAUWAET, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8400 Oostende, Kraanvogelstraat 34,

  48. de heer Jan LIBERT, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, wonende te 8500 Kortrijk, Kanunnik Maesstraat 5,

  49. de heer Bruno LIETAERT, substituut-arbeidsauditeur te Gent, wonende te 9030 Mariakerke, Wolvengracht 3,

  50. de heer Hervé LOUVEAUX, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wonende te 1180 Brussel, Sterrenkundigenstraat 32,

  51. mevrouw Christine LUTTERS, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8310 Sint-Kruis-Brugge, Polderstraat 13,

  52. de heer Stijn MANNAERT, substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2340 Beerse, Bisschopslaan 47,

  53. de heer Bart MEGANCK, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, wonende te 9550 Hillegem, Dennenlaan 37 bus 1,

  54. de heer Dirk MERCKX, eerste substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1040 Brussel, Graystraat 29 bus 1.5.1,

  55. de heer Eric NAUDTS, rechter in de arbeidsrechtbank te Antwerpen, wonende te 2650 Edegem, Adolf Queteletlaan 50,

  56. de heer Michel NOLET DE BRAUWERE VAN STEELAND, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1030 Brussel, Brabançonnelaan 125 bus 15,

  57. mevrouw Isabelle PANOU, toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wonende te 1180 Brussel, Gatti de Gamondstraat 23,

  58. de heer Michel RYDE, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, wonende te 8900 Dikkebus, Dikkebusseweg 514,

  59. mevrouw Anne SEVRAIN, rechter in de arbeidsrechtbank te Brussel, wonende te 1200 Brussel, Kleine Kellestraat 9,

  60. de heer André SIMONS, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, wonende te 9700 Oudenaarde, Jagerij 54,

  61. mevrouw Isabelle SOENEN, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1150 Brussel, Van der Meerschenlaan 91,

  62. de heer Leo STANGHERLIN, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen, wonende te 4800 Verviers, rue Laouereux 16,

  63. mevrouw Birgit STROOBANT, substituut-arbeidsauditeur te Brussel, wonende te 1800 Vilvoorde, Koningslosteenweg 26,

  64. mevrouw Linda TAVERNIER, toegevoegd rechter in de rechtbanken van eerste aanleg te Brugge en Kortrijk, wonende te 9920 Lovendegem, Tulpenstraat 15,

  65. de heer Bart VAN DAMME, toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, wonende te 8310 Brugge, Benedictijnenstraat 28 a,

  66. de heer Marc VAN HEUPEN, eerste substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2300 Turnhout, Jef van Heupenstraat 29,

  67. de heer Pol VAN ISEGHEM, rechter in de rechtbank van koophandel te Kortrijk, wonende te 8940 Geluwe, Emiel Huysstraat 6,

  68. mevrouw Marie-Paule VAN LANGENHOVEN, eerste substituut-procureur des Konings te Leuven, wonende te 3350 Linter, Molenweg 3 A,

  69. de heer Frédéric VAN LEEUW, substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1083 Brussel, Opvoedingsstraat 5,

  70. mevrouw Joëlle VANDEPUT, jeugdrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, wonende te 1310 Terhulpen, rue E. Semal 15,

  71. de heer Dries VANDEPUTTE, fiscaal rechter in de rechtbanken van eerste aanleg te Gent en Brugge, wonende te 8810 Lichtervelde, Burgemeester Callewaertlaan 126,

  72. mevrouw Lieve VANERMEN, substituut-procureur des Konings te Turnhout, wonende te 2460 Kasterlee, Mertenhof 4,

  73. de heer Carl VERBEKE, jeugdrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, wonende te 8501 Heule, Stijn Streuvelslaan 57,

  74. de heer Johan VERHAEGHEN, ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8340 Sijsele, Kerkweg 40,

  75. de heer Stephaan VERHELST, ondervoorzitter-jeugdrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, wonende te 8820 Torhout, Bruggestraat 41,

  76. mevrouw Liesbeth VERLINDEN, toegevoegd substituut-procureur des Konings te Brussel, wonende te 1731 Zellik, Mgr. Denayerstraat 25 bus 4,

  77. mevrouw Ingrid VERSTRINGE, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, wonende te 2018 Antwerpen, Montebellostraat 24,

  78. de heer Leo VULSTEKE, substituut-procureur des Konings te Kortrijk, wonende te 8510 Marke, Willem Denyslaan 4,

  79. de heer Bart WILLOCX, toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, wonende te 9200 Dendermonde, Hamsesteenweg 79,


Verzoekende partijen, met als raadsman Mr. Dirk LINDEMANS, advocaat, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar keuze van woonplaats geschiedt;


Aan de heren Voorzitters en Rechters in het Arbitragehof;


Heeft verzoekende partij de eer volgend verzoek voor te leggen, strekkende tot de gedeeltelijke vernietiging van
De artikelen 355, tweede en derde lid, 357, 360 bis en 365, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 27 december 2002 tot wijziging, wat de wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002.


I. In feite

Op 8 juli 2002 diende de Minister van Justitie een ontwerp van wet in tot wijziging, wat de wedden van de magistraten van de rechterlijke orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek. Het ontwerp had tot doel de wedden van de magistraten in twee luiken te herwaarderen. Het eerste luik is lineair en omvat alle magistraten. Het andere luik strekte ertoe om de magistraten “aan de basis” een meer aantrekkelijke vergoeding aan te bieden met het oog op de aanwerving van magistraten van hoge kwaliteit.


Het ontwerp werd goedgekeurd in de plenaire zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 28 november 2002. Op 19 december 2002 keurde ook de plenaire vergadering van de Senaat de tekst goed.
Deze werd op 27 december 2002 bekrachtigd door de Koning en verscheen op 31 december 2002 in het Belgisch Staatsblad.


II. Bestreden bepalingen

Artikel 355 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 3 van de wet van 27 december 2002, is als volgt geformuleerd:


“De wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde worden bepaald als volgt:
Hof van Cassatie:
Eerste voorzitter en procureur generaal: 69.696,16 €

Voorzitter en eerste advocaat-generaal: 65.281,40 €

Advocaat-generaal: 57.776,40 €

Raadsheer: 56.451,95 €

Hoven van beroep en arbeidshoven:
Eerste voorzitter en procureur-generaal: 56.451,95 €

Kamervoorzitter en eerste advocaat-generaal: 50.565,67 €

Advocaat-generaal: 46.960,31 €

Raadsheer, substituut-procureur-generaal en substituut-generaal: 45.047,24 €

Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners telt:
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur: 50.565,67 €

Ondervoorzitter en eerste substituut: 44.620,84 €

Rechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd substituut: 38.793,06 €

Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners telt:
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur: 46.960,31 €

Ondervoorzitter en eerste substituut: 44.620,84 €

Rechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd substituut: 38.793,06 €

Vredegerechten en politierechtbanken bedoeld in artikel van het bijvoegsel bij dit Wetboek
Vrederechter, rechter in de politierechtbank en toegevoegd rechter: 45.047,24 €.”

Artikel 357 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 4 van de wet van 27 december 2002, is als volgt geformuleerd:


Ҥ 1. Toegekend worden
[…]
4° een weddebijslag van 2.602,89 € aan de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden die effectief het ambt uitoefenen.Na twee jaar ambtsuitoefening bedraagt deze weddebijslag 6.544,39 €. De cumulatie van deze weddebijslag met de wedden en de weddebijslagen bedoeld in artikel 360 bis mag 62.905,54 € niet overschrijden.
[…]
De weddenbijslag van 2 602,89 € bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt opgetrokken tot 6 544,39 € indien de aldaar bedoelde substituten houder zijn van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in het fiscaal recht blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of door een niet-universitaire instelling voor hoger onderwijs die is opgenomen in een door de Koning opgestelde lijst. De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag 62.905,54 € niet overschrijden.
§ 2. Aan de substituut-procureurs des Konings en aan de toegevoegde substituut-procureurs des Konings die ingeschreven staan op de rol van de wachtprestaties wordt per daadwerkelijk geleverde nachtprestatie of prestatie tijdens de weekends of de feestdagen een premie toegekend van 235,50 €. De eerste substituut-procureurs des Konings verkrijgen onder dezelfde voorwaarden een premie van 117,75 €. Deze premie is betaalbaar twee maal per jaar, op het einde van het eerste en van het derde trimester van het kalenderjaar.

Onder prestatie wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan.


Het maximumbedrag van de premies op jaarbasis mag niet hoger zijn dan :

  1° 4.239,00 € tot vierentwintig jaar nuttige anciënniteit;

  2° 2.119,50 € vanaf vierentwintig jaar nuttige anciënniteit.


Het maximumbedrag bedoeld in het derde lid, 1°, wordt gehalveerd voor de eerste substituut-procureurs des Konings.


De maximumbedragen bedoeld in het derde en het vierde lid worden bovendien verminderd in evenredigheid met het deel van het jaar waarop ze betrekking hebben in functie van de nuttige anciënniteit verworven tijdens die periode.”




  
Artikel 360 bis van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 6 van de wet van 27 december 2002, is als volgt geformuleerd:
Aan de magistraten worden de volgende cumulatieve weddebijslagen toegekend :

 Aantal jaren nuttige ancienniteit                   Bedrag van de

                                                              weddebijslag na

                                                              iedere periode




Eenentwintig jaren :



Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het            1.778,84 EUR


Arbeidshof


Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de          2.212,11 EUR


arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel

waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners

telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die

rechtbanken
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de          2.146,74 EUR

arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel

waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners

telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die

rechtbanken
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de       2.079,00 EUR

arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel,

eerste substituut-procureur des Konings en eerste

substituut-arbeidsauditeur
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de               3.038,63 EUR

arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,

toegevoegd rechter in die rechtbanken,

 substituut-procureur des Konings,

 substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd

 substituut-procureur des Konings en toegevoegd



 substituut-arbeidsauditeur


Vrederechter, toegevoegd vrederechter, rechter in de           2.078,98 EUR


politierechtbank en toegevoegd rechter in de

politierechtbank
De andere magistraten                                          1.765,85 EUR
Vierentwintig jaren :


Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en procureur-       3.423,57 EUR


generaal bij dit Hof
Voorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat-         3.246,97 EUR

generaal bij dit Hof
Advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie                     2.946,77 EUR
Raadsheer in het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van       2.893,81 EUR

het hof van beroep, eerste voorzitter van het arbeidshof

en procureur-generaal bij het hof van beroep
Kamervoorzitter in het hof van beroep en in het                2.658,37 EUR

arbeidshof, eerste advocaat-generaal bij het hof van

beroep en bij het arbeidshof
Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het            2.514,64 EUR

Arbeidshof
Raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof,          4.440,70 EUR

substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep en

substituut-generaal bij het arbeidshof
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de          2.212,11 EUR

arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel

waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners

telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die

rechtbanken

Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de          2.146,74 EUR


arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel

waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners

telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die

rechtbanken
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de       2.079,00 EUR

arbeidsrechtbank en in de rechtbank van koophandel,

eerste substituut-procureur des Konings en eerste

substituut-arbeidsauditeur
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de               3.038,63 EUR

arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,

toegevoegd rechter in die rechtbanken,

substituut-procureur des Konings,

substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd

substituut-procureur des Konings en toegevoegd

substituut-arbeidsauditeur
Vrederechter, toegevoegd vrederechter, rechter in de           2.078,98 EUR

politierechtbank en toegevoegd rechter in de

politierechtbank
Zevenentwintig jaren :
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de               3.038,63 EUR .

arbeidsrechtbank, in de rechtbank van koophandel,

toegevoegd rechter in die rechtbanken,

 substituut-procureur des Konings,



substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd

substituut-procureur des Konings en toegevoegd

substituut-arbeidsauditeur.”

  
Artikel 365 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 27 december 2002, is als volgt geformuleerd:


§ 1. De wedde van de magistraat die op het tijdstip van zijn eerste benoeming een vast, door de Staat bezoldigd ambt of een vast ambt in een openbare instelling bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut bekleedt, mag niet lager zijn dan de wedde die hij in dat ambt werkelijk ontving.


De ontvangen wedde wordt echter afgerond op het bedrag van de wedde die, berekend volgens de voorschriften van de regeling voor de magistraten, onmiddellijk hoger ligt.



 Deze wedde verleent aan de betrokkene, voor de berekening van zijn bezoldigingen, de ancïenniteit die aan de aldus vastgestelde wedde verbonden is.



§ 2. Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking:



a) de tijd van inschrijving bij de balie, die op het tijdstip van de benoeming vier jaar te boven gaat, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor of een licentiaat in de rechten, boven vier jaren;


b) de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit;

c) de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau;

d) onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau 1 en dit volgens dezelfde regels.


Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.



Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengesteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren.



Onder voorbehoud van de toepassing van de bepaling van punt a), komt echter de als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring in de privé-sector of als zelfstandige, slechts in aanmerking voor een maximumduur van zes jaar vanaf 1 januari 2003.”



 
Van deze bepalingen wordt bij huidig verzoekschrift de gedeeltelijke vernietiging gevorderd. 

II. Nopens het belang van verzoekende partijen
Volgens artikel 3 van haar statuten heeft eerste verzoekende partij tot doel:
“- middelen te zoeken op de rechtsbedeling doeltreffender te maken;

  • de persoonlijke contacten en de solidariteit tussen de magistraten van eerste aanleg te verstevigen;

  • hun morele en beroepsbelangen te verdedigen en te bevorderen.”

Zij heeft derhalve belang bij de vernietiging van deze bepalingen, nu de bestreden bepalingen duidelijk de belangen van magistraten van eerste aanleg schaden.


De andere verzoekende partijen hebben een van de volgende hoedanigheden:


  • arbeidsauditeur;

  • rechter in de Arbeidsrechtbank;

  • voorzitter in de Rechtbank van Koophandel;

  • substituut-procureur des Konings;

  • rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg;

  • onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg;

  • fiscaal rechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg;

  • substituut-arbeidsauditeur.

Zij hebben derhalve allen belang bij de nietigverklaring van deze bepalingen, nu deze bepalingen hun huidige toestand betreffen of betrekking hebben op een ambtsvervulling die in de toekomst mogelijk de hunne zal zijn. Zij worden of kunnen dus ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen.



III. In rechte
Een eerste middel is genomen uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel154 van de Grondwet,
Doordat de artikelen 355 en 360 bis van het Gerechtelijk Wetboek een onderscheid maken tussen enerzijds de magistraten die verbonden zijn aan rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners telt en anderzijds de magistraten die verbonden zijn aan rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners telt,
En doordat genoemde artikelen een onderscheid maken tussen de korpsoversten enerzijds, ten aanzien van wie een onderscheid wordt gemaakt naargelang het inwonersaantal van hun arrondissement, en de andere magistraten, ten aanzien van wie geen dergelijk onderscheid wordt gemaakt,
Terwijl voor een dergelijk onderscheid geen pertinente verantwoording bestaat en het zelfs niet duidelijk is welk doel ermee wordt nagestreefd.
TOELICHTING
In het kader van de parlementaire voorbereiding van het gewijzigde artikel 355 Ger.W. hebben de heer VAN PARYS c.s. een amendement nr 26 ingediend dat ertoe strekte het onderscheid tussen magistraten in rechtsgebieden met meer respectievelijk minder dan 250.000 inwoners op te heffen.
Met de verantwoording van dit amendement kan volmondig worden ingestemd:
Met dit amendement beoogt de indiener de arrondissementen van tweede klasse af te schaffen zodat op die manier het pecuniaire statuut van alle korpsoversten van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel wordt gelijkgeschakeld.
Het verschil in pecuniaire behandeling van de korpsoversten van de verschillende klassen kan niet langer worden gerechtvaardigd. Het onderscheidingscriterium, namelijk enkel het inwonersaantal van het arrondissement is immers niet objectief en redelijk te verantwoorden. Bij onderzoek van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering moet worden vastgesteld dat de woonplaats niet het enige decisieve criterium is om de territoriale bevoegdheid van de hoven en rechtbanken te bepalen. Zo is er ook de ligging van onroerende goederen, de bedrijfszetel,…
Ter illustratie kan het loodzware dossier van de zaak-Lernout & Hauspie worden vermeld, behandeld te Ieper, een arrondissement van tweede klasse.
Hier komt nog bij dat de korpschefs van de beide klassen een even grote algemene verantwoordelijkheid torsen met betrekking tot de goede werking van hun korps maar dat de korpschefs tweede klassen een grotere persoonlijke dagelijkse werklast hebben dan hun collega’s eerste klasse, die over meer bijstand beschikken en een grotere delegatiemogelijkheid hebben in hun ruimer korps.
Bovendien wordt, wat de hoven van beroep, de onderzoeksrechters en de jeugdrechters betreft, geen onderscheid gemaakt naar gelang van het aantal inwoners van het rechtsgebied.
Verder wensen de indieners te verwijzen naar de wet van 15 juni 2001 die de indeling van de vredegerechten in klassen heeft afgeschaft en naar het feit dat door het wetsvoorstel houdende de verticale integratie van het openbaar ministerie de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de korpschefs van het openbaar ministerie niet meer ter attentie van het bevolkingscriterium wordt beoordeeld, doch daarentegen totaal geherdefinieerd en inhoudelijk drastisch wordt verruimd.” (1)

Vermits het amendement, overigens zonder enige toelichting vanwege de indiener van het ontwerp, werd verworpen bij de stemming in de Kamercommissie Justitie (2), werd het opnieuw ingediend in de Senaat (3).


In het kader van de bespreking in de Senaatscommissie Justitie heeft de Minister van Justitie zelfs uitdrukkelijk toegegeven dat het aangeklaagde onderscheid geen zinvolle verantwoording heeft:
De minister is ervan overtuigd dat een hervorming noodzakelijk is. Als men een arrondissementsrechtbank kan oprichten, zou het ietwat verouderde onderscheid dat het amendement aanklaagt, verdwijnen.” (4)
Desalniettegenstaande werd ook ditmaal het amendement niet aangenomen.
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de wetgever er opnieuw en vooralsnog blijvend voor heeft gekozen een onderscheid te maken tussen twee categorieën van rechtbanken, op basis van een louter cijfermatig criterium, dat daarenboven geenszins pertinent is, vermits het aantal inwoners van een gerechtelijk arrondissement (zoals hierboven reeds werd betoogd) niet het enige relevante, en zelfs een nauwelijks relevant criterium is om een oordeel met betrekking tot de werklast van de magistraten op te baseren.
Overigens is het ook volkomen onduidelijk welke doelstelling met dit onderscheid wordt nagestreefd. In het kader van de aanvankelijke behandeling van het Gerechtelijk Wetboek werd een amendement-DUERINCK (5) dat ertoe strekte het onderscheid tussen beide klassen van rechtbanken terzijde te schuiven, ingetrokken op basis van de volgende overwegingen:
De Minister van Justitie liet gelden dat deze wijziging verregaande gevolgen zou hebben wat betreft het evenwicht tussen de wedden van de magistraten en van de ambtenaren en tevens ook onder de magistraten zelf.
De Minister liet ondermeer opmerken dat er thans, na zoveel jaren, een evenwicht tot stand is gekomen tussen de wedden van de vrederechters van de eerste categorie en van de voorzitters en procureurs des Konings van de rechtbanken van tweede categorie en de substituten-procureurs-generaal.
De Minister liet eveneens gelden dat deze wijziging onvermijdelijk een weerslag zou hebben op de openbare financiën, precies nu op het ogenblik dat aangedrongen wordt op bezuiniging.
Hij merkte eveneens op dat het niet verantwoord zou zijn dat de wedden van de voorzitters van de kleine rechtbanken op gelijke voet zouden gesteld worden met de wedden van korpsoversten van de grote rechtbanken. Er bestaat inderdaad een verschil in de activiteit tussen deze twee categorieën.
Hierop doen verschillende leden van de Commissie opmerken dat de functie van rechter overal op dezelfde manier uitgeoefend moet worden en dat derhalve een gelijke bezoldiging op alle niveaus verantwoord is.
Men wees er tevens op dat het verschil op financieel gebied niet zo belangrijk zou zijn als de Minister het voorstelt.
De Minister heeft met aandrang gevraagd dat het Parlement geen grondige herziening van de wedden van de magistraten zou doen ter gelegenheid van de gerechtelijke hervorming.
Ten slotte besloot uw Commissie de basiswedden van de rechters en substituten van al de rechtbanken van het land één te maken, en derhalve de wedden van de magistraten van de rechtbanken waarvan het arrondissement minder dan vijfhonderd duizend inwoners telt, op hetzelfde peil te brengen als de wedden van de magistraten van de rechtbanken waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderd duizend inwoners telt.
Wat de voorzitters, de procureurs des Konings en de Arbeidsauditeurs betreft, blijft een onderscheid tussen de twee categorieën behouden, daar klaarblijkelijk de verantwoordelijkheden en de activiteit niet te vergelijken zijn. Er werd echter een lichte wijziging aan de wedden van de korpschefs van de tweede categorie gebracht.” (6)
Waarin dit objectieve verschil wel mag bestaan, bleef echter onduidelijk. Met andere woorden: afgezien van budgettaire overwegingen uit de jaren zestig van vorige eeuw, is er momenteel geen enkel argument om het aangeklaagde onderscheid te behouden.
Overigens valt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 april 1999, die de drempel van 500.000 inwoners verlaagde tot 250.000 inwoners, af te leiden dat dit louter cijfermatige criterium inderdaad niet pertinent kan heten, maar hoogstens à la tête du client werd ingevoerd. De toenmalige Minister van Justitie verantwoordde de keuze voor het criterium van 250.000 inwoners immers als volgt:
Inzake het gebruik van andere parameters dan het aantal inwoners voor de verdeling van de arrondissementen in klassen, maakt het criterium van 250.000 inwoners het mogelijk rekening te houden met alle arrondissementen die van belang zijn, zowel op het vlak van het inwonersaantal als op sociaal-economisch gebied. Bergen, Brugge, Hasselt, Namen, Tongeren en Turnhout maken op die manier deel uit van de categorie ‘eerste klasse’. In feite gaat het om die arrondissementen waar de korpschefs duidelijk veel verantwoordelijkheid dragen.” (7)
Ook hier blijft het echter onduidelijk waarom de rol van de korpsoversten in genoemde arrondissementen van een andere aard zou zijn dan in andere arrondissementen, laat staan waarom dit onderscheid van blijvende aard zou zijn. Met andere woorden: noch in 1965, noch in 1999, noch in 2002 werd een draagkrachtige verantwoording aangebracht voor het onderscheid tussen de twee klassen van gerechtelijke arrondissementen.
Tot wat dienen kan moet overigens worden opgemerkt dat sinds het arrest nr 15/2001 d.d. 14 februari 2001, waarin uw Hof het beroep tot vernietiging tegen artikel 2 van de wet van 29 april 1999 tot wijziging, wat de wedden van de magistraten van de rechterlijke orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek, verwierp, een aantal feitelijke omstandigheden zijn gewijzigd.
In genoemd arrest oordeelde uw Hof (overwegingen B.5, B.6.4 en B.7):
Het is de bedoeling van de wetgever te komen tot een revalorisatie van het ambt van korpsoverste, waarbij men ten aanzien van de voorzitters, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van de rechtbanken een onderscheid invoert tussen de rechtbanken die behoren tot de rechtsgebieden ‘eerste klasse’ en de rechtbanken die behoren tot de rechtsgebieden ‘tweede klasse’ (Parl.St., Kamer, 1998-1999, nr 2030/2, p. 4). Immers, in grote gerechtelijke arrondissementen zijn er in het algemeen meer zaken te behandelen dan in de andere. Hoewel die werklast gedeeltelijk wordt opgevangen door het voorhanden zijn van meer werkingsmiddelen vloeit daaruit toch voort dat in grote gerechtelijke arrondissementen meer specifieke problemen rijzen die eigen zijn aan de organisatie en de werking van grote diensten. Die problemen hebben betrekking op de interne organisatie van de te verrichten taken, het administratief beheer van en het tuchtrechtelijk onderzoek naar een groot aantal personen en de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een groot aantal ingeleide zaken (Parl. St., Kamer, 1972-1973, nr 625/10, pp. 4-5).
Het criterium van onderscheid is in redelijkheid te aanvaarden in het licht van het doel van de wetgever, die rekening heeft gehouden met het feit dat de taken, de ambtsverrichtingen en de verantwoordelijkheden van de voorzitters, procureurs des Konings en arbeidsauditeurs omvangrijker zijn wanneer zij hun functie uitoefenen in een rechtsgebied met een groot aantal inwoners.
[…]
De noodzaak om uitzonderlijke prestaties te verrichten, zoals bijvoorbeeld het verrichten van wachtdiensten en het beantwoorden aan de vereiste van een permanente beschikbaarheid, verantwoordt dat de wetgever de ambten van onderzoeks- en jeugdrechter revaloriseert door alle ambtsdragers, ongeacht de omvang van het rechtsgebied waartoe hun rechtbank behoort, op een gelijke wijze te behandelen door hun hetzelfde pecuniaire statuut toe te kennen. De wetgever vermocht dan ook hun statuut te herwaarderen op een wijze die verschilt van de revalorisatie van de ambten van korpsoverste.
De bestreden maatregel beoogde, rekening houdend met de demografische realiteit van 1999, het statuut van de korpsoversten van de rechtbanken in de rechtsgebieden met als zetel belangrijke steden, zoals onder meer provinciehoofdsteden, te valoriseren. Het ingevoerde verschil in behandeling inzake het pecuniaire statuut van de korpsoversten van de rechtbanken, naargelang zij behoren tot klasse 1 dan wel tot klasse 2, is niet onontbeerlijk, maar het is kennelijk niet onredelijk ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, nu het weddenverschil tussen beide categorieën niet substantieel is.”
Uit bovenstaand citaat blijkt duidelijk dat uw Hof artikel 2 van de wet van 29 april 199 heeft willen toetsen aan de omstandigheden van 1999.
Uit verschillende gegevens blijkt echter dat deze omstandigheden niet ongewijzigd zijn gebleven. Integendeel: in de tussentijd is ieder objectief verschil in de functies van korpschefs van grote en kleine arrondissementen weggevallen, zowel met betrekking tot het doel van de functie, haar beschrijving, haar positie en de resultaatgebieden tussen grote en kleine arrondissementen. Zo zijn de standaardprofielen van de korpsoversten volledig gelijklopend, evenals bijkomende opdrachten zoals de evaluatieprocedures, de algemene vergaderingen, de jaarverslagen en de beleidsplannen (8).
Het middel is bijgevolg gegrond.

Een tweede middel is genomen uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met artikel 154 van de Grondwet,



  1   2


Dovnload 172.29 Kb.