Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing

Dovnload 1.45 Mb.

Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing



Pagina16/18
Datum05.12.2018
Grootte1.45 Mb.

Dovnload 1.45 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Vlaams Wetenschapsbeleid

De laatste 10 jaar is het Vlaamse wetenschaps- en technologiebeleid onderdeel van een geïntegreerd innovatiebeleid, waarbinnen ver-schillende schakels onderkend wor-den. In het gedefederaliseerde België berusten de meeste bevoegdheden voor wetenschaps-beleid bij de gewesten en de gemeenschappen.




I
Vlaamse inhaalbeweging voor W&T


n Vlaanderen zijn we – sinds de aanzet van de inhaalbeweging voor O&O door de Vlaamse regering in 1995 – duidelijk op de goede weg. De budgetten voor O&O zijn sindsdien meer dan verdubbeld88. Van 1995 tot 1999 werd een forse inhaalbeweging ingezet met netto bijkomend meer dan 50 mio € per jaar. Bij het aantreden van de paarsgroene regering in 1999 stagneerde de inhaalbeweging omwille van aarzelingen bij de nieuwe regering omtrent de opportuniteit ervan. Vanaf 2001 echter is men de inhaalbeweging gaan verder zetten, weliswaar op een nogal wispelturige wijze. Tot 1999 werd de inhaalbeweging 50-50 opgesplitst in middelen voor ‘fundamenteel onderzoek’ (vooral FWO, BOF) enerzijds en ‘strategisch basisonderzoek en industrieel onderzoek’ anderzijds. Vanaf 2001 echter waren de extra middelen duidelijk in het nadeel van het fundamenteel onderzoek, met ongelijke inspanningen naar BOF en FWO toe, en heel wat onduidelijke en ondoordachte initiatieven in het wetenschapsbeleid (o.a. het Instuut voor Breedbandtechnologie, IBBT, 15 mio € per jaar).

      1. Lissabon in Vlaanderen

O
Lissabon 1 %


ok Europa heeft nu een duidelijke doelstelling: de zogenaamde 3 % norm, die gelanceerd werd in de Verklaring van Lissabon in 2000 door de Europese Commissie. Busquin heeft, als toenmalig Europees commissaris, deze norm kunnen doen aanvaarden door de regeringsleiders, hierin in zekere mate geïnspireerd door het Vlaams model van de Vlaamse regeringsverklaring van 1995. De 3 % norm stipuleert dat tegen 2010 een Europees land dat zichzelf respecteert, 3 % van zijn BNP moet spenderen aan O&O (innovatiebeleid). Twee derden van deze inspanning dient geleverd door de bedrijven, één derde door de overheid.

In Vlaanderen is door sociale partners en kennisinstellingen – waaronder de universiteiten - een zgn. Innovatiepact89 ondertekend (ook wel ‘het Pact van Vilvoorde’ genaamd), waarin elk van hen medewerking beloofd aan het realiseren van verschillende doelstellingen, ingekaderd in de 3% norm (voor wat betreft Vlaanderen 3 % van het Bruto Regionaal Product (BRP)), en niet tegen 2010, maar nog iets ambitieuzer, nl. tegen 2007). Hierbij moet 1 % komen via de overheid, en 2 % van het bedrijfsleven. Voor de Vlaamse overheid impliceert dit een engagement van 60 mio € bijkomende middelen per jaar 90.


Vanzelfsprekend is innovatiebeleid een ruim begrip. Het begrip overstijgt ‘onderzoek’ alleen. Eigenlijk is innovatie een dimensie die in de verschillende beleidsdomeinen van de overheid en in de verschillende afdelingen van bedrijven en kennisinstellingen een permanent aandachtspunt is geworden91. Voor wat betreft het onderzoek in het innovatiebeleid onderscheid men grosso modo middelen voor fundamenteel onderzoek, strategisch basisonderzoek en industrieel onderzoek.
Vooral van belang voor de universiteit is de impact van het innovatiebeleid op de eerste en de tweede geldstroom. Het zal op zich al een hele politieke opgave zijn – ik zie dat als één van de belangrijkste uitdagingen voor de nieuwe beleidsploeg – om voor onze universiteit een goede financiële participatie te garanderen.

      1. Een structurele inhaalbeweging voor de tweede geldstroom




30 mio € extra en structureel in BOF en FWO

Wanneer men de Lissabon doelstelling naar budgetten vertaald, dan zou er per jaar 60 mio € extra moeten bijkomen voor wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid in Vlaanderen. Als rector wil ik hier bepleiten dat de helft van deze inhaalbeweging geïnvesteerd wordt in FWO en BOF. Men moet immers toch nog altijd een beter evenwicht nastreven in de financiering van het onderzoek. De som van de budgetten van IMEC, VIB, VITO en IBBT, bijvoorbeeld, ligt in dezelfde orde van grootte als of overtreft zelfs deze van het BOF en het FWO samen. Dit alleen al rechtvaardigt een nog veel grotere budgetaire inhaalbeweging bij het BOF, maar vooral bij het FWO, dat de laatste jaren nogal stiefmoederlijk behandeld is geworden. Bovendien tonen de te beperkte slaagkansen in beide financieringsmechanismen aan dat de globale financiering van het wetenschappelijk onderzoek aan onze universiteiten nog altijd ondermaats is !


V
Meerjaren begroting
anuit het perspectief van beleidsplanning en meerjarenbegrotingen – waar de Vlaamse regering nu werk van maakt - zou het goed zijn als deze inhaalbeweging structureel verloopt, d.w.z. gegarandeerd over een langere periode dan 1 jaar.
D
Zware apparatuur
e investeringen in BOF en FWO moeten dan verder evenwichtig opgedeeld worden in mandaten en projecten. Ook de financiering van Zware Apparatuur dient gestructureerd te verlopen, hetzij via FWO hetzij via BOF, niet alleen omdat voor dergelijke investeringen een grote vraag bestaat, maar ook en vooral omdat wetenschappelijke apparatuur zeer snel wordt afgeschreven. Ook hier zijn meerjarenperspectieven essentieel !
M
Grotere budgetten per project
aar er is meer. In de bestaande financieringskanalen zijn de projectmatige budgetten soms onevenwichtig. SBO projecten zijn substantieel, FWO projecten meestal vrij mager gefinancierd. Kredieten aan navorsers en Onderzoekstoelagen mogen hoger, alsook IDO, en vooral ook GOA’s, waarvan er vandaag de dag veel meer zijn dan pakweg 10 jaar geleden, maar waarvan de gemiddelde financiering nauwelijks is gestegen. De aangekondigde financiering van de top-onderzoekers in het ‘reverse brain drain’ initiatief van de Vlaamse minister van Wetenschapsbeleid, namelijk 1.5 mio € / jaar / toponderzoeker, lijkt dan weer buitensporig, in de wetenschap dat onze nieuwe Centers-of-Excellence elk ‘slechts’ op ongeveer 0.5 mio € zullen kunnen rekenen.
M
Grotere slaagkansen voor mandaten
eer middelen zijn ook nodig voor meer mandaten: De slaagkansen voor mandaten, zowel voor doctorandi, als postdocs, zowel bij FWO, IWT en BOF, zijn ondermaats ! Internationale studies tonen aan dat slaagkansen van 40 % aanvaardbaar zijn. In Vlaanderen zitten we rond de 25 à 30 %.
S
Echte peer review

pecifiek ook voor het FWO dient gesleuteld te worden aan enkele procedures. Vooreerst is er weleens een opmerking over het feit dat in sommige commissies nogal ‘corporatistisch’ beslist wordt, in die zin dat commissieleden soms teveel als vertegenwoorder van hun instelling zetelen, of soms overdreven belang hechten aan onderzoeksdomeinen waarin ze zelf actief zijn. Aan dit euvel werd enkele jaren geleden verholpen door per commissie minstens één of enkele ‘buitenlandse’ experten toe te voegen die de kans moeten krijgen te ageren als ‘echte peer reviewer’. Wellicht zou het niet slecht zijn om dit aantal per commissie relatief groter te maken, temeer omdat nu ook in vele gevallen duidelijk aanwijsbare ‘conflicts-of-interest’ bestaan bij Vlaamse commissieleden.


V
Domeinspecificiteit

Heldere feedback

ervolgens blijkt dat ook in het FWO hoe langer hoe meer rekening wordt gehouden met kwantitatieve performantiecriteria92, daar waar dat niet altijd even relevant is. Ook hier is nood aan een zorgvuldige invulling van de notie van domeinspecificiteit. Een veelgehoorde tekortkoming is het gebrek aan heldere terugkoppeling, vooral wanneer mandaten en projecten niet worden goedgekeurd. Veelal moet men zich nu wenden tot commissieleden die bereid zijn ‘off the record’ enige feedback te geven. Men kan weliswaar formeel de secretaris-generaal om uitleg vragen, maar veel beter ware om duidelijke reviews terug te bezorgen aan de indieners.


Problemen met cross-disciplinariteit

Tot slot blijkt het FWO in toenemende mate te worstelen met cross-disciplinaire onderzoeksvoorstellen, die soms in slechts één commissie terechtkomen, waar ze volgens niet echt relevante criteria worden beoordeeld. Ook over deze problematiek van evaluatie van interdisciplinaire voorstellen dient grondig te worden nagedacht en navenant gehandeld.


V
SBO, IOF, Tetra

erderop in de innovatieketen, vervult SBO (Strategisch BasisOnderzoek, +/- 35 mio €/jaar) een belangrijke rol, en naar de universiteiten toe wordt ook veel verwacht van het te activeren IOF (Industrieel OnderzoeksFonds)93. Van bijzonder belang is ook het debat over de financiering van het onderzoek in de Associaties, waarvoor het TETRAfonds (vroegere HOBUfonds) momenteel het enige financieringskanaal is. Recent krijgen ook onderzoekers van hogescholen in onze Associatie, onder bepaalde voorwaarden toegang tot de BOF middelen.


I
Tweesporen beleid
mpliciet – dwz dat het waarschijnlijk initieel niet echt de bedoeling was van het universiteitsbeleid - heeft zich de laatste jaren een, wat ik noem, tweesporenbeleid afgetekend. Voorbeelden hiervan zijn (telkens tegenover elkaar) IUAP versus GOA, FWO versus BOF, IWT versus IOF, Innovatiefonds van de Vlaamse Regering versus Gemma Frisius Fonds aan onze universiteit. Een explicitering van het tweesporenbeleid zou hierop neerkomen dat de universiteiten verregaande thematische en inhoudelijke initiatieven zouden kunnen nemen (bvb. bestedingen rond zware apparatuur, keuze van de themata van Centers-of-Excellence, enz....). De financieringskanalen van de overheid moeten eerder generisch optreden, d.w.z. ‘bottom-up’ projecten en mandaten goedkeuren, zonder daarbij al te sturend te willen optreden. Persoonlijk vind ik dergelijk beleid niet slecht omdat het ons zal toelaten in onze sterke onderzoeksdomeinen verder te investeren en zwakkere domeinen te remediëren.
In de voorbije legislatuur is men immers op een soms nogal lukrake manier te werk gegaan om zogenaamde excellentiepolen op te richten. Blijkbaar liet men zich hierbij inspireren door de voorbeelden van IMEC en VIB. Als kabinetsadviseur van de minister-president heb ik het VIB mee opgericht in 1995 en de selectie van de departementen erin gebeurde op basis van een uiterst stringente sterkte-zwakte analyse van de moleculaire bio(tech)nologie in Vlaanderen. Vandaag de dag – niettegenstaande het feit dat vooral ook de universiteiten en hun rectoren initieel zeer sceptisch waren – fungeert het VIB als een rolmodel, waarbij aangetoond wordt dat excellente kwaliteit kan worden nagestreefd door een goed werkende en faciliterende directie, met een duidelijk strategisch plan.
De proliferatie van kennisinstellingen van de laatste jaren is echter nefast en zelfs bedreigend voor de universiteiten, niet in het minst omwille van de onwaarschijnlijke schaal van financiering. Zo bijvoorbeeld ontving het IBBT een dotatie van maar liefst 15 mio € nog voor men goed en wel wist welk onderzoek (en waarom) men eventueel zou willen opstarten. Maar daarnaast zijn er nog talloze andere, al dan niet duidelijke initiatieven zoals Flanders DC (District of Creativity), Flanders Drive, het Vlaams Instituut voor de Logistiek, Flanders Mechatronics Technology Centre, Incubatiepunt Geo-informatie, Flanders Food, Flanders Material Center en ‘Productinnovatie en industriële design’. Niettegenstaande het feit dat sommige van onze collegae in meer of mindere mate in deze initiatieven betrokken zijn, kan men toch stellen dat een grote deficiëntie ervan het draagvlak is: voor sommige van deze initiatieven was er weinig tot geen gestructureerd overleg, was er geen echt gefundeerde SWOT-analyse, is de financiering op termijn relatief onduidelijk en was de selectie van participanten niet noodzakelijk gebaseerd op objectieve criteria.
D
Objectieve en a priori bekende selectiecriteria
uidelijkheid scheppen in deze wildgroei, hameren op objectieve selectiecriteria gebaseerd op inherente wetenschappelijke en technologische kwaliteit en potentieel tot innovatie, en de rol van onze universiteit erin verder constructief uitwerken, is een andere belangrijke uitdaging voor de rector en zijn ploeg.
N
Beleidsondersteunend onderzoek
aast het fundamenteel onderzoek is de overheid ook een belangrijke financierder van het beleidsgericht onderzoek. Hoewel Leuven in dit soort kanalen typisch goed vertegenwoordigd is (denk maar aan de verschillende Vlaamse steunpunten waarin Leuvense onderzoekers actief zijn), moeten we ook hier verder werken aan een grotere openbaarheid van de resultaten, een betere valorisatie en integratie van de vindingen in het beleid van de overheid, en een grotere mogelijkheid tot interactie van belanghebbenden en betrokkenen in het onderzoek (bvb. d.m.v. stuurgroepen, workshops, e.d.).
Belangrijk is ook de aankondiging van de Vlaamse minister van Onderwijs dat er meer middelen zullen worden vrijgemaakt voor onderwijskundig beleids- en praktijkgericht onderzoek.

      1. Federaal wetenschapsbeleid

In het federale België zal vroeg of laat ook – bij een lopende of volgende staatshervormingsdiscussie – het federale wetenschapsbeleid opnieuw ter sprake komen. Hier is sprake van nog aanzienlijke budgetten, die verdeeld zitten over drie grote kanalen:



  • Wetenschappelijke programma’s zoals IUAP, en verschillende impulsprogramma’s.

  • Het ruimtevaartbeleid, dat over een aanzienlijk budget beschikt (en niet onbelangrijk is voor sommige van onderzoeksploegen in de Exacte en Biomedische Wetenschappen, en ook in toenemende mate voor de Vlaamse industrie).

  • De federale wetenschappelijke instellingen.

Voor wat betreft het eerste is een verdere defederalisering relatief gemakkelijk, al worden de IUAPs door de meeste onderzoekers als relatief goed gepercipieerd (niettegenstaande het feit dat de verdeling van de middelen in dit kanaal gebeurt op basis van inter- en intra-communautaire verdeelsleutels, wat soms orthogonaal staat op criteria van kwaliteit). De defederalisering van de laatste twee categorieën is veel technischer, moeilijker en bovendien zwaar communautair geladen. Wellicht zijn er wel veel mogelijkheden om de samenwerking tussen de universiteiten en de Federale Wetenschappelijke Instellingen beter uit te werken en te stimuleren.
V
Onderzoeksprojecten met Wallonië
oor wat betreft de wetenschappelijke samenwerking met Waalse universiteiten, moet misschien de creatie van speciale financieringskanalen op de politieke agenda geplaatst worden. Dit zou kunnen gebeuren mits een samenwerkingsakkoord tussen de Gemeenschappen, waarbij bvb. in de schoot van FWO/FNRS bepaalde middelen hiervoor gereserveerd worden. Het is veel gemakkelijker om middelen te vinden om een project op te starten met een willekeurige onderzoeksploeg in Europa, dan met collega’s uit de Franse Gemeenschap.

1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

  • Lissabon in Vlaanderen
  • Een structurele inhaalbeweging voor de tweede geldstroom
  • Federaal wetenschapsbeleid

  • Dovnload 1.45 Mb.