Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing

Dovnload 1.45 Mb.

Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing



Pagina17/18
Datum05.12.2018
Grootte1.45 Mb.

Dovnload 1.45 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Vlaams Onderwijsbeleid

S
Democratisering Onderwijs


inds de communautarisering van de onderwijsbevoegdheid in 1988, is er in Vlaanderen hard gewerkt zodat het Vlaamse onderwijs nu tot het beste behoort van de hele wereld. Verschillende internationale studies hebben dit intussen bevestigd. Bovendien is in weinig landen de groei van het onderwijs – wat men vaak omschreven heeft als de democratisering ervan – zo snel gegaan als in Vlaanderen. De laatste 50 jaar is de onderwijsparticipatie drastisch toegenomen, ook in het Hoger Onderwijs landschap: de gemiddelde scholingsgraad van elke generatie lag beduidend hoger dan die van de vorige. Deze hoge scholingsgraad vormt één van de sterke aantrekkingspunten van Vlaanderen, die internationale investeerders zelfs onze loonkostenhandicap laat overwinnen. Maar diezelfde scholingsgraad is ook de reden waarom Vlaanderen vandaag een zeer gemoderniseerde regio is, technologisch ontwikkeld, cultureel bruisend en sociaal geëngageerd.
H
Vlaams onderwijsbeleid
et onderwijsbeleid aan onze universiteit moet zich vanzelfsprekend inschrijven in het Vlaamse beleid, dat vertrekt van de fundamentele opdracht om alle jonge mensen de kans te geven hun eigen persoonlijkheid zo goed mogelijk te ontwikkelen op basis van een brede en degelijke vorming. De strategische beleidslijnen ervan, zoals afgelijnd in de beleidsnota van de Vlaams minister van Onderwijs, zijn (onderandere): Talenten ontwikkelen tot basiscompetenties, deze competenties omzetten in transparante kwalificaties, het waarborgen van een levenslang basisrecht op kwaliteits-onderwijs en –vorming, een grote zorg voor gelijke kansenbeleid, moderne leeromgevingen garanderen, en effectiviteit van bestuur in onderwijs en vorming stimuleren. Het zijn stuk voor stuk ook aspiraties die gelden voor onze universiteit.
      1. De financiële middelen aan onze universiteit

Onze universiteit ontving in 2003 512 miljoen € aan inkomsten. Deze kunnen worden opgesplitst als volgt:




Inkomsten










Overheid

Eerste geldstroom

  • werking

  • studentenvoorzieningen

  • onroerende investeringen

231 mio €

45 %

Fundamenteel onderzoek

97 mio €

19 %

Toegepast onderzoek

70 mio €

14 %













Totaal overheid




398 mio €

78 %

Privé

Onderzoek privé

36 mio €

7 %

Eigen financiële bronnen + niet-wetenschappelijke dienstverlening

78 mio €

15 %













Totaal privé




114 mio €

22 %













Totaal KUL




512 mio €

100 %

De inkomsten uit eigen financiële bronnen en niet-wetenschappelijke dienstverlening slaan op inkomsten uit inschrijvingsgelden, verhuur van studentenkamers e.d. Wanneer we ons beperken tot het luik onderzoek, dan zien we dat 40 % van de inkomsten hieraan toe te wijzen zijn, waarbij grosso modo 4/5 gefinancierd wordt door de overheid, en 1/5 afkomstig is uit de privé-sector.




Inkomsten










Onderzoek

Fundamenteel

97 mio €

48 %




Toegepast (overheid)

70 mio €

34 %




Privé-sector

36 mio €

18 %













Totaal onderzoek




203 mio €

100 %

Klassiek gezien worden de inkomsten van de universiteit opgesplitst in zogenaamde geldstromen:



  • De eerste geldstroom omvat de financiering die aan de universiteiten wordt gegeven door de Vlaamse minister van onderwijs;

  • De tweede geldstroom omvat alle financiering voor onderzoek, die meestal op competitieve basis dient te worden verkregen, zoals BOF-middelen, FWO, IUAPs, enz....

  • De derde geldstroom omvat alle inkomsten van contractresearch (bvb. met bedrijven en overheden);

  • De vierde geldstroom behelst alle inkomsten uit mecenaat en donaties.

Voor wat betreft de financiering van onze universiteit, stellen zich in de nabije toekomst verschillende grote uitdagingen:


V
Eerste geldstroom
oor wat betreft de eerste geldstroom is er reeds jarenlang een gestage erosie. Zo bijvoorbeeld is deze nooit adequaat en correct geïndexeerd geworden. Zeker met de forse toename van de tweede geldstroom, vooral door de inspanningen van de Vlaamse regering sinds 1995, komt de eerste geldstroom, en alles wat daarop dient te worden geïmputeerd, zwaar onder druk; Sinds 1995 zijn de inkomsten uit onderzoekskanalen verdrievoudigd. De eerste geldstroom steeg daarentegen slechts met een kwart. Daardoor daalde het relatief aandeel van de algemene overheidstoelagen van 64 % in 1993 naar 45 % in 2003.
Daar komt ook bij dat sinds jaar en dag de eerste geldstroom voor het hoger onderwijs onder het OESO gemiddelde zit van bestedingen aan hoger onderwijs in het globale onderwijsbudget. Dit globale budget verhogen is onwaarschijnlijk.
Zelfs de interne verdeling tussen de Vlaamse universiteiten zit niet snor... De K.U.Leuven ontvangt slechts 38 % van de werkingsmiddelen van de Vlaamse universiteiten94 maar kan op basis van allerlei performantie-indicatoren een groter deel claimen.
Een en ander wordt zelfs imminent in de wetenschap dat de huidige ‘forfaitaire’ regeling voor de financiering van de universiteiten afloopt in 2006. Reeds nu zijn er verschillende discussies aan de gang, en worden in verschillende werkgroepen simulaties gemaakt, om na te gaan op welke criteria men een intra-Vlaamse verdeling van de eerste geldstroom tussen de universiteiten zou kunnen baseren (studentenaantallen, allerlei performantie-indicatoren, enz...).
Een bijkomende complicatie is hier de Associatievorming. Her en der gaan stemmen op om een deel van de eerste geldstroom voor te bestemmen voor de Associatie, om op die manier samenwerking tussen universiteit en hogescholen, maar ook tussen de hogescholen onderling, met financiële incentives te stimuleren.
De erosie van de eerste geldstroom heeft bovendien als potentieel gevaar dat onderwijs steeds meer gefinancierd wordt via onderzoekskanalen. Voorbeelden van deze trend zijn legio: zo wordt steeds meer de apparatuur voor practica, gefinancierd op onderzoeksprojecten. Zo ook worden FWO en IWT mensen massaal ingeschakeld als praktijkassistent.
Wanneer een regio of land rapporteert over zijn investeringen in O&O, dan wordt het gedeelte van de eerste geldstroom dat voor onderzoek wordt ingeschakeld, in Vlaanderen gerekend aan 25 % van de eerste geldstroom. Dit is opnieuw een onderschatting van de realiteit, wat op zich ook al een verdere erosie van de eerste geldstroom inhoudt.


Tweede geldstroom



Voor wat betreft de tweede geldstroom wordt ongeveer 2/3 van onze onderzoeksuitgaven gefinancierd door de Vlaamse overheid. Belangrijke financierende organismen zijn het BOF (22.5 %), FWO-Vlaanderen (13.6 % inkomsten uit projecten, 15.5 in % mandaten (incl. IWT mandaten)), het IWT en Vlaamse initiatieven (11.7 %), federaal en internationale organiaties (13.0 %) en tenslotte inkomsten via LRD en mecenaat (23.1 %).
Men kan stellen dat de laatste jaren de tweede geldstroom in gunstige zin geëvolueerd is. Dat hier nochtans ook permanente waakzaamheid is geboden bewijst het wetenschapsbeleid in de voorbije regeringsperiode, waar de budgetten voor IWT mandaten en FWO projecten en mandaten slechts met mondjesmaat werden verhoogd, maar waar wel heel veel geld werd gespendeerd aan niet-universitaire initiatieven (zoals het IBBT). Daardoor onstond opnieuw, bvb. voor de IWT mandaten, een relatieve schaarste omdat de vraag van kandidaat-bursalen het aanbod van 150 beurzen per jaar, ruimschoots overschreed (de slaagkans was op een bepaald ogenblik slechts 25 % !).
Ook voor wat betreft de invulling in Vlaanderen en België van de 3% doelstelling van Lissabon is waakzaamheid geboden. Er dient voor gezorgd te worden dat een substantieel deel hiervan gespendeerd wordt aan de financieringskanalen voor onderzoekers aan de universiteit (BOF, FWO, enz...).
O
Derde geldstroom
ok de derde geldstroom is de laatste jaren aan onze universiteit gestaag gegroeid. Door een verdere professionalisering van het valorisatiebeleid, is hier ook nog een groot groeipotentieel, dat nog zal gecatalyseerd worden door het Industrieel OnderzoeksFond (IOF) dat over afzienbare tijd in werking zal treden.
S
Vierde geldstroom
ceptici beweren dat de cultuur voor een verdere uitbouw van de vierde geldstroom in Vlaanderen en Europa onbestaande is, in tegenstelling tot de VS. Toch werden er de laatste jaren relatief belangrijke successen geboekt m.b.t. het verwerven van leerstoelen-op-naam (de lijst oogt vooral indrukwekkend in de groep Biomedische Wetenschappen). Wellicht liggen hier ook nog andere opportuniteiten, bvb. m.b.t. mecenaat voor les-auditoria en gebouwen.
V
Uitgaven
oor wat betreft de uitgaven, spendeerde onze universiteit in 2003 461 mio €, grosso modo opgesplitst in 2/3 personeelskosten en 1/3 voor werking en uitrusting.


Uitgaven
















ZAP-AAP-BAP

4 101 VTE










ATP

2 446 VTE







Personeel




6 547 VTE

290 mio €

63 %
















Werking en uitrusting







171 mio €

37 %




Gebouwen

854 000 m2

48 mio €

10 %

Andere uitgaven




33 mio €

7 %

Algemene werking




90 mio €

20 %

Voor wat betreft het Algemeen Beheer wordt ook vorm gegeven aan meerjarenplannen voor verdere investering in en uitbouw van de informatisering van de universiteit, m.i.v. studenten, voor de modernisering en uitbreiding van het gebouwenpatrimonium, waarbij de modernisering en multimediatisering van onze leslokalen een prioriteit is.


De eerder beschreven inkomstenstromen die de universiteit bereiken, worden elk volgens eigen allocatiemechanismen herverdeeld over de universiteit. Zo wordt de eerste geldstroom verdeeld volgens het zogenaamde (interne) allocatiemodel, en het BOF-stuk van de tweede wordt verdeeld door de Onderzoeksraad.
De middelen van de tweede en derde geldstroom worden veelal op competitieve basis verworven door de onderzoeksgroepen, competitie die zich ofwel intra-muros (bvb. BOF) ofwel extra-muros situeert (bvb. FWO, IWT).
O
Overhead
p de extern verworven middelen past het Algemeen Beheer steevast een overhead-heffing toe, waarin de impliciete en indirecte kosten vervat zitten die elk nieuwe onderzoeksproject met zich meebrengt (kosten van infrastructuur, logistiek, ondersteuning, ruimte, verwarming, enz....). Reeds jaren is het zo dat deze overhead niet volstaat om de werkelijke kosten te dragen (hierover bestaan verschillende studies van o.a. de VLIR, die aantonen dat de ‘reële’ overhead rond de 30 % ligt). Bovendien zijn de overheadregelingen verschillend over de verschillende financieringskanalen. Zo bvb. hanteert het IWT andere overheadregels dan het FWO, en deze van de Europese Commissie zijn dan weer totaal anders. Het scheppen van enige uniformiteit zou een andere vorm zijn van administratieve vereenvoudiging maar is wellicht niet doenbaar op korte termijn.
Feit is dat de overhead moet stijgen, omdat de eerste geldstroom niet significant toeneemt, en de tweede en derde wel (de erosie van de eerste geldstroom, zie verder). De onroerende investeringen nemen hierdoor ook toe en vermits deze niet rechtstreeks op de tweede noch derde geldstroom gefinancierd kunnen worden, is men wel verplicht de overhead te verhogen.
Momenteel loopt aan onze universiteit trouwens een aanzienlijk investeringsprogramma voor nieuwe gebouwen en infrastructuur voor de periode 2004-2009.
E
Wat incentiverend is, incentiverend houden
n dit brengt mij op enkele algemenere deficiënties van het financieel beleid aan onze universiteit. In toenemende mate heeft zich een politiek geïnstalleerd van voorafnames, die dermate groot zijn, dat de middelen, die door de basis op competitieve wijze worden verworven, eigenlijk zijn ‘opgedroogd’ vooraleer ze die basis bereiken. Voorbeelden hiervan zijn:

  • De doctoraatsmiddelen, waarvan de afhoudingen op centraal en tussenliggende niveau’s dermate groot zijn, dat het saldo op het niveau van de promotor quasi nihil is; Deze middelenstroom wordt bovendien gekenmerkt door een volslagen gebrek aan transparantie. Weliswaar is niet zozeer het aantal doctoraten belangrijk, dan wel de kwaliteit ervan. Maar anderzijds, in de veronderstelling dat de doctoraatscommissies hun taak van kwaliteitsbewaking ter harte nemen, zou een incentivering d.m.v. aantallen, voor sommige departementen toch wel een serieuze bron van onderzoeksinkomsten kunnen betekenen.

  • De afhoudingen en voorafnames binnen allocatie, te beginnen met een grote voorafname ‘centraal’ voor de ondersteunende diensten (deze is niet op performantie gebaseerd), vervolgens binnen de groepen (met een beleidsmatige voorafname voor Campus Kortrijk, bibliotheken), voorafnames wellicht voor de groepsbesturen en voorafnames voor de faculteiten, daar waar allocatie vooral gedreven wordt door onderwijsdienstverlening en onderzoeksperformantie van departementen (of althans kostenplaatsen die horen bij een bepaald departement).

  • De overhead, wat een percentsgewijze voorafname inhoudt van extern verworven middelen.

  • Indien we hogere inschrijvingsgelden vragen voor de Manama’s, dan zou een belangrijk gedeelte hiervan moeten doorstromen naar de organiserende faculteiten.

We moeten dringend meer transparantie aanbrengen in deze gang van zaken, vooral omdat de meeste van deze middelen door afdelingen en onderzoeksgroepen verworven worden op competitieve basis, we derhalve dit alles moeten stimuleren en niet bestraffen door een overdreven gebruik van overhead en voorafnames !



      1. Het allocatiemodel

De eerste geldstroom – de middelen die de universiteit verwerft van het Ministerie van Onderwijs – worden aan onze universiteit verdeeld volgens een ‘allocatiemodel’.




Visualisatie van het allocatiemodel (hoog niveau). De eerste geldstroom wordt gesplitst in twee gedeelten: 1/3 gaat naar de centrale diensten, 2/3 wordt gealloceerd (na enkele voorafnames waaronder de doctoraatsopleiding). In totaal worden 3536 Rekeneenheden (RE) verdeeld volgens het allocatiemodel. 1 RE wordt gerekend aan 37184 €. Vooreerst wordt er gealloceerd over de groepen volgens een mechanisme dat vooral gebaseerd is op de relatieve verschuiving in financierbare studenten tussen de drie groepen. Voor wat betreft Campus Kortrijk is er een voorafname die bij beleidsbeslissing wordt bepaald. Binnen elke groep wordt er dan verder gealloceerd naar de faculteiten toe. Daarin spelen twee componenten mee: onderwijsdienstverlening en onderzoeksperformantie; De gewichten die aan deze indicatoren worden verleend zijn gedifferentieerd over de groepen: Humane: Onderwijs 75 %, Onderzoek 25 %; Exacte: Onderwijs 65 %, Onderzoek 35 %; Biomedische: Onderwijs 60 %, Onderzoek 40 %.
De onderwijsdienstverlening wordt verrekend over de hele universiteit, waarbij de bijdrage van elke docent aan een bepaald studieprogramma gemeten wordt in aantallen studenten x aantal studiepunten. De onderzoeksperformantie wordt gemeten aan de hand van aantallen doctoraten, verworven externe middelen en (waar relevant) publicaties en citaties. Tot slot hanteren verschillende faculteiten hetzelfde allocatiemechanisme om de middelen verder te verdelen naar de departementen.
H
Verder te verfijnen aan allocatiemodel
et allocatiemodel is een belangrijk beleidsinstrument omdat het toelaat op een bevattelijke manier bepaalde evoluties op te volgen en ook sturend te werken (bvb. door de onderzoekscomponent meer of minder te benadrukken). Omdat allocatie een dynamisch gegeven is, moet aan het model permanent gesleuteld worden, maar dan wel op een gestructureerde manier
95. Voor wat betreft het allocatiemodel zijn er heel wat concrete actielijnen voor de nabije toekomst.
W
Effecten van BAMA, flexibilisering, Associatie
e moeten de impact van de BAMA hervorming en van het flexibiliseringsdecreet op het allocatiemodel nauwgezet evalueren. Ongezonde neveneffecten van allocatie moeten we wegwerken zoals het feit dat blijkbaar soms onderwijsopleidingen en –activiteiten georganiseerd worden om rekeneenheden te verzamelen, waardoor duplicatie en redundantie van onderwijs ontstaat. Dergelijke misconcepties dienen te worden tegengewerkt door in het allocatiemodel incentives in te bouwen voor samenwerking en docententeams. Tot nader order heeft de Associatievorming geen effect op allocatie, maar dit zou in de nabije toekomst wel kunnen veranderen (afhankelijk van de nieuwe financieringsmechanismen in de eerste geldstroom, die op zich ook al een impact zou kunnen hebben op de interne allocatie).
D
Clustergebaseerd alloceren
e allocatie zoals ze nu gebeurd alloceert de middelen over groepen, faculteiten en departementen. Echter, binnen één groep kan er een grote verscheidenheid zijn in profiel tussen verschillende departementen. Het lijkt dan alsof sommige departementen qua profiel niet echt thuishoren binnen een bepaalde faculteit, maar allocatiegewijs beter thuishoren in een andere faculteit. Met andere woorden, het zou nuttig kunnen zijn (en rechtvaardiger) om te gaan alloceren naar clusters van departementen die eerder profielsgewijs dan structuur(organigrams)gewijs bij mekaar horen.
A
Domeinspecificiteit
fhankelijk van het niveau waarop men alloceert, zouden ‘performantie-indicatoren’ ook ‘faculteits-‘ of ‘departements-‘specifiek kunnen zijn. Bijvoorbeeld, citaties in de Toegepaste Wetenschappen zou men anders kunnen wegen dan in de Wetenschappen. Voor sommige departementen in Psychologie zijn aantallen publicaties relevant (cfr. Discussie over domeinspecificiteit onder ‘Onderzoeksbeleid’).
A
Basisfinanciering kleine departementen
llocatie moet op een voldoende geaggregeerd niveau gebeuren. M.a.w. men mag niet alloceren over ‘te kleine’ entiteiten zoals kleine faculteiten (bvb. Kerkelijk Recht). De gevoeligheid van de allocatie over deze kleinere entiteiten, ten gevolge van kleine verschuivingen (bvb. veranderende studentenaantallen) is te groot. Bijgevolg is er een specifieke behandeling nodig van kleine departementen en faculteiten (bvb. beleidsmatig besliste voorafnames). In die zin is allocatie geen puur mechanistisch gegeven, maar vraagt het wel om specifiek ‘politieke’ beslissingen.
I
Betere maat voor docentenbelasting
n sommige opleidingen blijft de vraag bestaan naar de (her-)invoering van een zogenaamde ‘diversiteitsindicator’, omdat niet alle onderwijsinspanningen door docenten rechtvaardig gevat worden door de nu gehanteerde eenheid van ‘studiepunten x studentenaantallen’. Zo bijvoorbeeld is het begeleiden van ontwerpseminaries of de ondersteuning in taal-practica intensiever dan ex-cathedra les geven, ook omdat het in eerder kleine groepen dient te gebeuren.

Meer specifiek ontstaat dit probleem omdat de nu gehanteerde eenheid in het kwantificeren van de onderwijsdienstverlening uitgedrukt wordt in (studentenaantallen x studiepunten). Het aantal studiepunten van een opleidingsonderdeel meet echter vooral de belasting voor de student, en minder de belasting voor de docent (hoewel er tussen deze twee natuurlijk een behoorlijke correlatie zou moeten bestaan). Derhalve zou men ook kunnen werken aan een nieuwe eenheid van onderwijsbelasting voor docenten, die transparant en objectief maar toch inflatieremmend werkt, met tezelfdertijd toch ingebouwde stimuli voor onderwijsvernieuwing. Een mogelijk voorstel is om te vertrekken van het aantal studiepunten (de belasting voor docent en student moeten immers toch in belangrijke mate gecorreleerd zijn), maar dan correctieparameters in te voeren die rekening houden met aantallen sessies, onderwijsvormen, en waarbij voor onderwijsvernieuwing bepaalde bonussen worden gegegeven. Vanzelfsprekend heeft dit alles slechts zin wanneer ook een normbelasting voor een gemiddelde docent wordt uitgewerkt en gekend is.



      1. Erosie van de eerste geldstroom

D
Onderfinanciering Vlaamse universiteit


e globale Vlaamse onderwijsuitgaven zitten ongeveer op het investeringsniveau van de ons omringende landen. Maar de precieze verdeling ervan is echter sterk afwijkend: relatief minder investeringen in basis-, hoger- en volwassenenonderwijs, en meer in secundair onderwijs. Minder investeringen in werking en infrastructuur en meer in wedden.

Deze trends merken we ook aan de universiteit, waar ongeveer 75 % van de eerste geldstroom opgaat in lonen en wedden. Wanneer in een typisch OESO land ongeveer 12 % van het onderwijsbudget besteed wordt aan universiteiten, is dit in Vlaanderen slechts 9 %, wat ongeveer neerkomt op 175 mio € per jaar te weinig96.


De aloude klacht van de universiteiten over de eerste geldstroom blijft bestaan: deze erodeert zelfs nog verder door de toenemende tweede en derde geldstroom, en bovendien is de indexatie de laatste 10 jaar zelfs niet adequaat gebeurt. Deze erosie is duidelijk te zien in onderstaande tabel:


% (bedrag in mio €)

1993

1998

2003

Basisfinanciering

64 % (184)

53 % (208)

45 % (231)

Onderzoek

21 % (60)

29 % (112)

40 % (203)

Eigen fin.

15 % (44)

18 % (69)

15 % (78)

Totaal

100 % (288)

100 % (389)

100 % (512)

Een politieke – weliswaar niet voor de hand liggende – oplossing zou hierin kunnen bestaan dat de bevoegdheden over het Hoger Onderwijs worden ondergebracht bij de minister verantwoordelijk voor Wetenschaps- en Innovatiebeleid, maar dit is nog nooit gelukt bij het tot stand brengen van een Vlaamse regering.


E
Rekenschap
en ander erosie-effect ontstaat in de drastisch toegenomen accountability die wordt opgelegd aan de universiteiten. Door middel van allerlei decreten en besluiten wordt steeds meer rapportering en rekenschap gevraagd van de universiteiten, maar staan hier maar relatief weinig tot geen extra middelen tegenover.
N
Overhead
og een ander effect van de erosie, is de toenemende overhead. Hoewel in principe in de eerste geldstroom een bepaald percentage gerekend wordt voor onderzoek
97, volstaat dit geenszins. De toenemende onderzoeksbudgetten veroorzaken ook immers ook heel wat indirecte kosten (logistiek, ruimte, verwarming, administratie,....) die in vele gevallen niet door de tweede geldstroom worden gedragen. Ofwel erodeert hierdoor de eerste geldstroom nog meer ofwel is men verplicht om de zogenaamde ‘overhead’ te verhogen (dat is wat onlangs is beslist geworden, om deze te verhogen van 12 naar 17 %, op aanraden van de VLIR).
De voorbeelden van de gevolgen van deze onderfinanciering zijn legio en zichtbaar in de (onder)bestaffing van sommige diensten, de werkdruk, de kwaliteit van sommige gebouwen, de achterblijvende investeringen in gebouwen, infrastructuur en logistiek.
D
2.9 AAP/BAP per ZAP
e erosie van de eerste geldstroom is ook zeer duidelijk als men ziet dat het aantal ZAPpers de laatste 10 jaar ongeveer constant is gebleven, tegenover een fors toegenomen aantal postdocs en doctoraatsstudenten. In Vlaanderen zijn er gemiddeld per ZAP-lid 2.62 wetenschappelijke medewerkers (geen postdocs) die moeten worden begeleid, tegenover 1.6 in Nederland. En dit zijn gemiddelden
98 ! Voor onze universiteit is het gemiddelde aantal 2.9. Bij sommige (grote) onderzoeksgroepen is de situatie zeer ernstig, wat op termijn tot grote problemen met kwaliteit kan leiden.
E
Nieuwe financieringsmechanismen eerste geldstroom
en belangrijke zich aandienende discussie betreft de vernieuwing van de financieringswet op de universiteiten: daar waar de betoelaging van de universiteiten nu vooral forfaitair gebeurt – losgekoppeld van het aantal studenten - , zullen vanaf 2007 de betoelagingsmechanismen wellicht op een andere leest worden geschoeid. Dit impliceert dat we tegen midden 2006 moeten klaar zijn met alle simulaties, zodat het Vlaams Parlement medio 2006 een nieuw financieringsdecreet kan goedkeuren dat dan begin 2007 in voege treedt (voorontwerp van decreet tegen oktober 2005 !). Het is zelfs geen uitgemaakte zaak of de financiering van de universiteiten volledig gescheiden zal blijven van deze van de hogescholen, en of een deel van de financiering niet over de associaties zal moeten lopen. In alle geval zullen de hogescholen op korte termijn een financiële injectie krijgen om tegemoet te komen aan hun fors gestegen studentenaantallen van de laatste jaren.
Er zal zeker een tendens zijn om de financiering van hogescholen en universiteiten op dezelfde leest te schoeien. Zo bvb. zal de basisfinanciering van de onderzoekscomponent die de universiteiten in hun werkingsuitkering ontvangen, moeten geïntegreerd worden in en uitgebreid naar de tweecycli-opleidingen die in een academiseringsproces zitten.
T
Rationalisering Hoger Onderwijs
egelijkertijd met het invoeren van een nieuwe financieringswet zal echter ook de discussie ontstaan over een verdere rationalisering van instellingen en opleidingen in Vlaanderen
99. Immers, zo wordt gezegd, de bredere samenleving begrijpt niet dat instellingen van hoger onderwijs met vele goede argumenten voor meer middelen pleiten, maar tegelijkertijd niet in staat blijken om samen hun aanbod rationeler te organiseren. Meer zelfs, het lijkt er op of ze elke gelegenheid te baat nemen om hun aanbod verder uit te breiden ! Precies dit overaanbod is - zoals hoger aangehaald – één van de redenen van overbelasting. De oude themata van zwaartepuntvorming en speerpunten blijven onverminderd actueel, zeker en vooral voor de master-opleidingen. Volgens de beleidsnota van de minister van Onderwijs, moet het opleidingenaanbod niet zozeer in de breedte, dan wel in de diepte worden uitgebreid en levert het flexibiliseringsdecreet hiertoe een uitstekend instrument. Dat één en ander op dit ogenblik niet overal in onze universiteit met hetzelfde enthousiasme wordt gedeeld, hoeft geen betoog.
D
Structurele inhaalbeweging voor de eerste geldstroom
e volgende rector en zijn ploeg zullen zeker en vast een pleidooi moeten houden voor een
structurele inhaalbeweging met meerjarenperspectief voor de eerste geldstroom, eventueel gegarandeerd via beheerovereenkomsten, waarin de overheid een structurele groei garandeert en de universiteiten, hogescholen en associaties zich engageren tot het realiseren van bepaalde doelstellingen. Inspiratie hiertoe kan worden opgedaan bij de structurele inhaalbeweging voor de tweede geldstroom in het Vlaamse regeerakkoord van 1995, of bij de toegelaten structurele groei van 4.5 % per jaar in de budgetten voor gezondheidszorg.
E
Nieuwe financieringsmechanismen eerste geldstroom
r zal bovendien moeten worden uitgemaakt welke parameters zullen worden meegenomen in de financieringsmodellen. Men kan hierin een onderscheid maken tussen twee soorten parameters: Indicatoren die representatief zijn voor het marktaandeel van elke universiteit
100, en indicatoren die eerder de kwaliteit meten.

  • Volledige student-onafhankelijkheid lijkt uitgesloten, hoewel een belangrijk deel van de basisfinanciering sowieso forfairair zal zijn. Door de flexibilisering wordt het tellen van studenten in toenemende mate moeilijker: Wat zal men tellen: hoofden ? Alle studenten die beginnen of alle studenten die ‘afstuderen’ ? Of behaalde credits ?

  • Er zal een evenwicht moeten worden gevonden tussen verzekerde basisfinanciering en financiering die dan weer incentiverend werkt. Hierbij zullen allerlei parameters de revue passeren:

    • Onderzoeksperformantieparameters (zoals afgelegde doctoraten, publicaties, enz....),

    • Rationaliserings-incentives: Het lijdt geen twijfel dat zowel intra-universitaire onderwijsrationalisatie (generische/polyvalente bachelors, onderwijsrationa-lisatie in de masters) als inter-universitaire rationalisatie (samenwerking initiëren en/of afspraken tussen opleidingen die in elke universiteit subkritisch zijn), een belangrijke ingrediënt wordt van de eerste geldstroom; Hierbij dienen trouwens ook logistieke problemen (bvb. interuniversitaire mobiliteit van studenten en/of lesgevers in kaart gebracht te worden).

    • Inspanningen voor kansengroepen101.

    • Kwaliteitsinschatting van opleidingen, zoals die volgt uit visitaties.

Een zeer belangrijk vraagstuk wordt of men de financiering van hogescholen en universiteiten apart blijft houden, of ze ofwel laat verlopen over de associaties, of via een of andere hybriede formule. Mijn persoonlijk standpunt hierin is dat we voorlopig de twee financieringskanalen beter gescheiden houden, omdat de performantieparameters van beide soorten instelling voorlopig toch nog zeer verschillend zijn.


Voor wat betreft de begeleiding van de academiseringstrajecten in de hogescholen van de Associatie, zou de universiteit trouwens gehonoreerd moeten worden !
Andere componenten zijn ook belangrijk, zoals

  • een verdere gelijkschakeling van de sociale toelagen voor de universiteits- en hogeschoolstudenten, die moet bekeken worden in het licht van de nieuwe samenwerkingen die ontstaan in de Associatie.

  • De investeringskredieten, die manifest achter lopen, zeker op het vlak van onderzoeksinfrastructuur.

Tegenover dit alles staan ook de mechanismen van adequate publieke verantwoording ter discussie. Ook op het niveau van de interactie tussen overheid enerzijds, universiteiten, hogescholen, en associaties anderzijds, bestaan heel wat klachten i.v.m. overregulering en administratieve complexiteit.



      1. Meedenken aan een integraal Vlaams onderwijsbeleid

H
Belang onderwijs in andere beleidsdomeinen neemt toe


et onderwijsbeleid in het algemeen raakt aan veel andere bevoegdheidsdomeinen: het aantal onderwijsgebonden beslissingen dat buiten het onderwijs tot stand komt, stijgt voortdurend. Beleidsdomeinen zoals werk, economie, welzijn, gezondheid, cultuur, innovatiebeleid, ... hebben steeds meer raakvlakken met het onderwijs. Daarnaast zijn er ook steeds meer horizontale domeinen, zoals jeugd, duurzame ontwikkeling, gelijke kansen, inburgering, armoede, ... die hun impact hebben op het onderwijs.

Bovendien is er ook een serieuze evolutie merkbaar i.v.m. de onderwijsbevoegdheid in de schoot van de Europese Commissie, waar voortaan ook een Commissaris bevoegd voor Onderwijs wordt aangeduid.

Daarom ook is het onderwijsbeleid tegelijkertijd een bijzonder boeiende maar ook bijzonder complexe uitdaging.
De kwaliteit van het Lager en Middelbaar Onderwijs in Vlaanderen is goed tot uitstekend, zoals recent enkele internationale studies hebben aangetoond 102. Nochtans mogen we wat dit betreft niet op onze lauweren rusten, omdat we met onze kopgroep tot de top behoren, maar niet met ons peleton. De recente beleidsnota van de Vlaamse minister van Onderwijs, getiteld: “Vandaag kampioen wiskunde, morgen kampioen gelijke kansen”, is zeer instructief en leerzaam en bevat een referentiekader waarin we ook ons universitair onderwijs kunnen en moeten kaderen.
M
Accent op talent
aar er is meer. Een recente commissie van de Koning BoudewijnStichting, bestaande uit sleutelfiguren uit het onderwijs en de sociaal-economische wereld, lanceerde onder het motto ‘Accent op Talent’ een felle oproep tot globale onderwijsvernieuwing. In de toekomst zal de nadruk nog meer liggen op het ontwikkelen van talenten, of die nu in het hoofd zitten of in de handen. Meer nadruk ook op attitudes en vaardigheden, die steeds belangrijker worden, zoals creativiteit, synthese- en visievermogen, ondernemerschap. Wegnemen van het oudmodisch onderscheid tussen intellectuele en technische vaardigheden, zoals geëxpliciteerd in de opdeling in ASO, TSO, BSO en het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Multidisciplinaire talentenontwikkeling, want in de moderne kennismaatschappij is een combinatie nodig van doen en denken, van sociale en communicatievaardigheden om zelfstandig kennis te verwerven en de persoonlijkheid te ontwikkelen. Meer ruimte voor creativiteit en ondernemingszin van leerkrachten, die minder gewrongen moeten zitten in het carcan van de eindtermen. Experimenteren met nieuwe onderwijstechnieken.
N
Nieuwe denkpistes
adenken over het onderwijs en de kwaliteit ervan aan onze universiteit, kunnen we niet doen los van dergelijke denkoefeningen. We hebben al gerefereerd naar het feit dat ons universitair onderwijs op dit ogenblik teveel aanbodgedreven is, en te weinig rekening houdt met de vraag. Maar we moeten misschien ook verder denken. Jongeren zijn vandaag veel beter geïnformeerd door de media, het WWW en het internet dan hun leeftijdsgenoten van pakweg 25 jaar geleden. Misschien kunnen we denken aan secundair onderwijs van 5 jaar, gevolgd door een breed oriënteringsjaar aan een universiteit en/of hogeschool, gevolgd door een zo generisch mogelijke bachelor en dan een doorgedreven specialisatie in een master van 90 studiepunten, gekenmerkt door mobiliteit en kwaliteit. Het is maar één van de vele mogelijke ideeën die aantonen dat er ons nog boeiende tijden te wachten staan in het onderwijsbeleid.

1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

  • De financiële middelen aan onze universiteit
  • Het allocatiemodel
  • Erosie van de eerste geldstroom
  • Meedenken aan een integraal Vlaams onderwijsbeleid

  • Dovnload 1.45 Mb.