Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing

Dovnload 1.45 Mb.

Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing



Pagina18/18
Datum05.12.2018
Grootte1.45 Mb.

Dovnload 1.45 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

Bronnen

Beleidscultuur

Wageningen Universiteit en Research Centrum: Strategisch Plan 03-06, 28 blz.


De Dijn Herman. Cenakels. Knack, 8 december 2004.
De Dijn Herman. De geesteswetenschappen en de universiteit. Voordracht voor de emeriti, 2004 (zie ook Herman De Dijn. De universiteit en de geesteswetenschappen, Onze Alma Mater, 51, 1, 1997, pp.7-30. )
De Dijn Herman. Religie hoort thuis op de publieke scène. De Tijd, 24 februari 2005
Crols Frans. Debat over religie en spiritualiteit kan weer, ook in de bedrijfswereld. Trends, 24 maart 2005.
Defoort Eric. Academische Vorming met Winstoogmerk, De Standaard, 27 september 2004, pp.40-41.
De Laet Alexandra . Interview met André Oosterlinck. ‘Ik probeer mensen te overtuigen’. De Standaard, 13 april 2004.
De Mey Marc, Johan Braeckman, Tom Claes. Wetenschap als Cultuur. Rapport van een studie van de VRWB betreffende ‘De impact van de wetenschappen op de hedendaagse cultuur en de bijzondere problematiek van de cultuur- en gedragswetenschappen’, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, 1994, 272 pp.
Europees forum over wetenschap en maatschappij (Brussel, 9-11/03/2005), europa.eu.int/comm/research/society2005.html
UCL 2012. Beleidstekst UCL met daarin 3 delen: I. L’université et ses valeurs. II. La fonction académique: l’enseignement et la recherché au service de la société. III. Gouvernance. 166 pp.
S. Van Huffel. Het keurslijf van de universiteit. Presentatie VAPL, november 2003.
Jan Van Damme et al. Vlaanderen in TIMSS, 2003. 45 pp.
Programme for International Student Assessment (PISA). Learning for tomorrow’s world. First results from PISA 2003, OECD, 2004, 476 pp.


Beleid




Onderzoeksbeleid

Van Duinen R.J. (voorzitter VLIR commissie): Beoordeling van de kwaliteit van onderzoeksmanagement van de Vlaamse universiteiten, 2004, 111 pp.

Veugelers Reinhilde, Excellente universiteiten? Karakter, 2004.
Bibliometrie in de Humane Wetenschappen. Werkgroep bibliometrie, Koninklijke Vlaamse Academie van België, Standpunten nr. 3, 2004.
Ilse Tromp, Hervorming Duitse universiteiten: In de tang van het federalisme. TWA Nieuws, jaargang 43, no.5, pp.55-56, 2004.
Dirk Draulans, Groen is niet groen genoeg, Knack, 13 october 2004.
Guy Tegenbos. Een derde professoren komende tien jaar op pensioen. De Standaard 14 mei 2002 (cfr. www.vlir.be).
Leuven, parel van kennis, Uitgave Charter Leuven 2010, 2004.
Ondernemingsplan LRD, 2002.
Doctoraat Medische Wetenschappen, Truncus Communis voor de Doctoraatsopleiding. Academiejaar 2004-2005 (Brochure KUL, LUC, UA, UG, VUB).
Wetenschap, Maatschappij en de Media. CAWET (Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten, Commissie van de Academie voor Wetenschap en Techniek), October 2004, 26 pp.
Facultair Beleidsplan Onderzoek (Faculteit Rechtsgeleerdheid), Alain Verbeke, Januari 2004, 13 pp.
Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid & Technopolis. Jong Geleerd, Oud Gedaan . Wetenschapscommunicatiebrochure, October 2004.
Coördinator Onderzoeksbeleid over braingain-plan van minister Moerman: Dit is zeker een manier om Europese achterstand weg te werken. Campuskrant 23 maart 2005.


Internationalisering

The European Research Council. Ministry of Science, Technology and Innovation. Copenhague, Denmark, December 2003.


L. Delbeke, G. Langouche. Internationalisering K.U.Leuven. Accenten Leggen. Academische Raad, September 2003.
Graz Declaration. EUA, 2003.
Growth, Research-Intensive Universities and the European Research Council. LERU, February 2005.
G. Langouche. Internationale Onderwijsprogramma’s aan de K.U.Leuven, Beleidsnota Academische Raad, December 2004. 21 pp.
Dossier China. VETO, jaargang 31, br.12, dd 21 december 2004.
J. Berlamont. De internationalisering van de K.U.Leuven en de rol van de Dienst Internationale Relaties. Beleidsnota, februari 2005.
European Science Foundation. Annual Report 2003. 75 pp.
SRATA-ETAN expert group. Higher education and research for the ERA: Current trends and challenges for the near future. Final Report, EUR 20511, October 2002. 80 pp.
Hedwig Bogaerts. LERU pleit voor meer Europees geld voor fundamenteel onderzoek. Campuskrant, 23 maart, 2005, p.7.
The European Research Council: A cornerstone in the European Research Area. Report of an expert group chaired by Frederico Mayor, Ministry of Science, Technology and Innovation, Copenhagen, December 2003.
Unlocking Europe’s intellectual potential – universities and a European common market for research. LERU, April 2004.
Chisu C., Devoghel H. Naar een concreet rekruteringsbeleid voor buitenlandse studenten. De internationalisering van de K.U.Leuven en de rol van de Dienst Studieadvies, februari 2005.

Onderwijsbeleid

Lammertyn Frans. Een vastberaden onderwijsbeleid voor een universiteit in beweging. Krachtlijnen voor het academiejaar 2004-2005.


Brochures

    • Studeren aan de K.U.Leuven. Wegwijs in bachelors en masters. Dienst Studieadvies, 2004-2005.

    • Postinitële masteropleidingen: Verdere studiemogelijkheden na een academisch dimploma; Overzicht. Studieadvies, 2004-2005.

    • Handleiding voor Erasmus studenten, 2003-2004, Dienst Internationale Relaties.

    • International Study Programmes, K.U.Leuven, Dienst Studieadvies, 2004-2005.

    • Studying in Leuven. International students and scholars at Katholieke Universiteit Leuven, Belgium. Office for International Students and Scholars, 2004.

Onderwijsbeleidsplan K.U.Leuven, Maart 1999


Onderwijsontwikkelingsplan K.U.Leuven, Maart 2003
Advies van de Onderwijsraad aan de Academische Raad over de implementatie van het flexibiliseringsdecreet aan de K.U.Leuven, oktober 2004.
Advies van de Onderwijsraad over de evaluatie van afzonderlijke opleidingsonderdelen, 2004
Beleidsnota AR: Internationale Onderwijsprogramma’s aan de K.U.Leuven. December 2004.
Conceptnota lerarenopleiding
Vlaamse studenten tegen langere studieduur, De Tijd, december 2004
Wetenschapsstudenten voor studieduurverlenging, De Standaard, december 2004.
Talentontwikkeling achilleshiel Vlaamse universiteiten. De Tijd. 12 november 2004.
Jozef Devreese. Verder verengelsen is niet wenselijk. De Tijd. 2004.
Raad voor Studentenvoorzieningen: Kaderprogramma Studenten-voorzieningen begin XXIste eeuw, 27 februari 2004.
Hossler D., Bean J.P. and associates (eds.). The strategic management of college enrollments, San Francisco, Jossey-Bass, 1990.
Advies over de evaluatie van afzonderlijke opleidingsonderdelen, Werkgroep Kwaliteitszorg, 2004.
Visie LOKO-Kringraad op studentenvertegenwoordiging binnen een herdachte academische bestuursstructuur, Maart 2003.
Aanvullingsdecreet studentenparticipatie in het Hoger Onderwijs. Visie van de Vlaamse Vereniging van Studenten, Mei 2003.
Centen voor studenten. 2005. Sociale Dienst, K.U.Leuven.

Structuur

Remels Viv, Cindy Michiels, Bert Pluymers, Bart De Moor. Naar een vernieuwd allocatiemodel, juni 2004, 40 blz.


Vanden Berghe Yvan. De waarheid over Erasmus en andere universitaire sprookjes. De Tijd, 23 november 2004.
Eric Sennema. De bestuursstructuur en bestuurscultuur van universiteiten in Nederland en Vlaanderen (een vergelijking tussen twee instellingen), October 2004.
Memorandum door het overlegcentrum voor ethiek over de discussienota van het GeBu, 3 november 2003, 14pp.
Algemene visietekst i.v.m. de structuurhervorming van de groep Biomedische Wetenschappen, Najaar 2004.
I. Liefner, L. Schätzl, T. Schröder. Reforms in German Higher Education: Implementing and adapting Anglo-American Organizational and Management Structures at German Universities. Higher Education Policy, 2004, 17, pp.23-38.
Nackaerts N. Het multimediale ziekenhuis. De Standaard, 15 februari 2005.


Politiek

Decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap.


Decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen.
Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (nog geldig voor 2004-2005).
Decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (geïntegreerde versie vanaf 2005-2006).
Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Decreet van 21 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.
Decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen.
Besluit van de Vlaamse regering van 4 januari 1997 houdende vastlegging van de voorschriften voor het opstellen van het jaarverslag van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
Besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de toekenning van een dotatie in 2004 en 2005 aan het Industrieel OnderzoeksFonds bij de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap.
Dillemans Roger. Optimalisering Universitair Aanbod in Vlaanderen. Bijzondere opdracht. Vooruitgangsrapporten I (1996), II (1998), III (1999) en IV (Synthese, Slotcommentaar en Bibliografie)(1999), Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs.
M. Pomp, R. Venniker, M. Canoy. Prikkel de prof. Een analyse van de bekostiging van universitair onderzoek. Centraal Planbureau, Den Haag, CPB Document no. 36, October 2003.
Katholieke Universiteit Leuven, Jaarverslag 2003-2004.
Accent op talent, eindrappport Koning Boudewijn Stichting, zie http://www.kbs-frb.be/code/page.cfm?id_page=125&ID=182&lang=nl; Zie ook Wouter Van den Berghe e.a. Accent op Talent, Garant, Antwerpen, 2004, 190 pp.
Ilse De Vooght, Rolf Falter. ‘We evolueren naar één universiteit voor Vlaanderen’. De Tijd, 21 februari 2004.
Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid. Wetenschap en innovatie in Vlaanderen, 2004-2010. Voorstellen voor een strategisch beleid. 2004, 137 pp.
Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid: Europese Onderzoeksraad, Advies 88, juni 2004.
Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid: Fiscale Maatregelen voor O&O: 50 % vermindering van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers in kennisinstellingen en bedrijven, september 2004.
Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek. Onderzoek Alternatieve Financieringsmodellen in het buitenlands Hoger Onderwijs n.a.v. de herziening van de financiering van het Hoger Onderwijs in Vlaanderen. Januari 2004.
Frank Vandenbroucke. Vandaag kampioen wiskunde, morgen kampioen gelijke kansen. Beleidsnota Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming. December 2004.
Bachelordiploma geen volwaardig einddiploma, De Tijd, 24 februari 2005.
Guy Tegenbosch. Een transfermarkt voor onderzoekers ? De Standaard, 14 maart 2005.
D.A. King. The scientific impact of nations. What different countries get for their research spending. Nature, Vol. 430, July 15 2004, pp.311-316.
Prospero. Een nieuwe impuls voor economische welvaart in België. McKinsey & Company, 50 pp., juni 2004.
Bollens J., Groenez S., Vleugels I. Studiekosten in het hoger onderwijs. Wat het kost om deel te nemen aan het hogeschool- en universitair onderwijs. Leuven/Gent: HIVA/Universiteit Gent, 2000.
Kris Van Haver. Je kunt geen welvaart creëren op failliete samenleving. Theo Rombouts van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling ziet kans op duurzame relance voorbijgaan. 22 maart 2005, De Tijd, p.4.

1 Belangrijkste taken en verwezenlijkingen 1995-1999: Budgetaire inhaalbeweging (2 mia Bfr. bijkomend per jaar), globale budgetaire coördinatie, 4 beleidsbrieven; Fundamenteel onderzoek: BOF + FWO (verdubbeling aantal mandaten, onderzoekslijn Max Wildiers); Substantiële stijging budget IWT; Innovatiedecreet en –campagne (‘Durf Innoveren’); Financiering Universitaire Interfaces (o.a. LRD); Nieuwe programma’s: STWW (later GBOU, nu SBO), Beleidsgericht Onderzoek (nu Steunpunten), Bilaterale Internationale Samenwerking (nu bij BOF), PC/KD (PC’s in lagere en middelbare scholen); HOBU-fonds (nu Tetra); Oprichting van Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB), Technopolis (wetenschaps-doe-centrum), Wetenschapsweek en –feest, Vlaams Centrum voor Bewaring van Tuinbouwproducten (VCBT), Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ); Uitbreiding VRWB en Koninklijke Academie; Beheer IMEC, VITO; vertegenwoordiger Vlaamse regering in FWO, VLIR, VIB; Internationale investeringsseminaries Dienst Investeren Vlaanderen; Coördinatie beleid Europese Kaderprogramma’s.

2 De K.U.Leuven is hierin uitstekend gepositioneerd: Zo bijvoorbeeld hebben de Nederlandse Technische Universiteiten zoals Delft en Eindhoven bijlange na niet dezelfde opportuniteiten inzake biomedisch onderzoek als Leuven. Ze hebben ook niet rechtstreeks, d.w.z. binnen de eigen instelling, toegang tot sociale en geesteswetenschappen.

3 In de Engelstalige menswetenschappen is er op dit ogenblik een ware ‘boom’ van onderzoek in en literatuur over de interactie tussen religie, politiek en maatschappij. Dergelijke uitgangspunten zijn echter niet nieuw: Adam Smith in zijn Wealth of Nations (1716) wees al op die verbanden, en ook Max Weber poneerde dat de protestantse werkethiek het fundament is van de rijkdom van het Westen, wat sommige sociologen dan weer de hypothese laat formuleren dat de economische stagnatie van Europa het gevolg is van een relatieve neergang van het geloof. M.a.w., kan geloof gelegd worden naast een meetlat van sociaal nut ?

4 Het aantal studenten godgeleerdheid is dit jaar spectaculair gestegen: Met 16 % tot ongeveer 700 studenten ! In deze tijden van toenemende secularisering lijkt deze stijging merkwaardig. Studenten schijnen naar ‘iets meer’ te zoeken. Tot voor kort werd dat ‘meer’ gezocht in ‘New Age’ en allerlei esoterie, maar nu krijgt men blijkbaar weer meer aandacht voor de christelijke traditie. Er is m.a.w. een spirituele heropleving aan de gang. Laten we het plat materialisme achter ons? Studenten merken ook dat religies, paradoxaal genoeg in deze tijden van Mechanisering van het wereldbeeld, een steeds grotere impact hebben op de samenleving.

5 De publicatie van het recente boekje van Steve Stevaert wijst op het belang van dit thema, toont aan hoe het door derden wordt geaccapareerd en hoe wij ons bijgevolg de kaas van het brood laten eten.

6 Zelfs de religieuze beleving in Leuven is zeer divers: Er zijn de meertalige katholieke diensten van de Universitaire Parochie, maar er zijn ook diensten van de Anglicaanse en Evangelische Kerken, en in Leuven zijn maar liefst drie moskeeën.

7 De universiteit is natuurlijk altijd onderhevig geweest aan grote veranderingen in een veranderende samenleving. Van de unitiaire universiteit in de jaren 60, naar de imminente dreiging om te vervallen tot een universiteit van het Hageland begin de jaren 70, over de introductie van onderzoeksgedrevenheid in de jaren 80, tot professionalizering en schaalvergroting en een hernieuwde aandacht voor onderwijs in de jaren 90: Het zijn stuk voor stuk grote mijlpalen. De laatste jaren echter is het duidelijk dat de snelheid van veranderingen drastisch toegenomen is.

8 Er zijn ook andere bedreigingen voor de academische vrijheid: Zo ontstaat er rond vele onderzoeksthemata een sfeer van ‘politieke correctheid’, waardoor het zelfs als onderzoeker moeilijk is om ‘afwijkende’, zij het wetenschappelijke onderbouwde, theorieën te poneren. Enkele voorbeelden: Energievoorziening (‘Een Belgische ‘nuclear phase out’ tegen 2015 is niet realistisch ?’), broeikaseffect (‘De stijging van de temperatuur is niet antropogeen ?’), genetische modificatie (‘Frankensteinvoedsel bestaat niet ?’) naast vele andere voorbeelden uit religie, politiek, e.a. Dit zijn allemaal voorbeelden van wetenschap, die met ‘majority voting’ wordt bedreven, wat meteen ook elke dissonante stem marginaliseert. Als universiteit moeten we dapper genoeg zijn om in deze optiek ook wetenschappelijke onderbouwde ‘minderheids’standpunten aan het woord te laten, m.a.w. we moeten opkomen voor onze academische vrijheid !

9 Wanneer we het aantal mensen voor elke categorie personeel in 1992 normaliseren op 100, dan staat voor 2004, het ZAP nog altijd op 100, het AAP is gezakt tot 80, het BAP op 300, het ATP betaald op ‘werking’ op 100 en het ATP betaald buiten ‘werking’, op 140. Hieruit blijkt duidelijk dat het aantal AAP/BAP per ZAP gestegen is, en dat het aantal AAP bovendien nog eens gedaald is.

10 Als ik dan toch een voorbeeld uit de ingenieurswereld mag geven: Wat indien men voor een ingenieursvacature een profiel zou definiëren van een ingenieur die zelf eerst research moet doen, vervolgens ook daaruit verschillende producten moet ontwikkelen, rekening houdend met alle mogelijke milieuvereisten (die zij zelf eerst moet assimileren), waarbij men haar dan vraagt om ook de producten internationaal te vermarkten, en dan ook zelf de boekhouding te voeren – niet alleen van de verkoop, maar ook van het hele productontwikkelingsproces ?

11 In het ‘participatiedecreet’ (Art. V.82, Hfdst. 2, Titel III. Deel V.) werd bijgevoegd: ‘Naast de academische taken bedoeld in het eerste lid kan het universiteitsbestuur de leden van het ZAP ook belasten met organisatorische, coördinerende of administratieve taken’


12 Bij een recente visitatie, die voor de desbetreffende opleiding een schitterend resultaat opleverde, bleek dat de ZAPpers die zich sterk hebben ingezet voor het onderwijs werden afgestraft in hun persoonlijke evaluatie op het gebied van onderzoek. De desbetreffende programmadirecteur stelde daarom voor om performantie op het gebied van onderwijs, onderzoek en dienstverlening niet te meten op het niveau van het individu, maar wel op niveau van het departement (of een andere relevante, voldoende geaggregeerde entiteit). Meerdere decanen pleitten bij die gelegenheid voor een bezinning over ‘hoe iemand motiveren om iets anders te doen dan publiceren’.


13 In de politiek is de situatie iets beter: In Vlaanderen bestaat het Vlaams Parlement uit 32 % vrouwen en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bestaat voor 36 % uit vrouwen, Onder de leidinggevenden in dat Ministerie zijn het echter maar 22 %.

14 Enkele cijfers voor de VS: Vrouwen in % over de periodes 1980-84; 1990-94; 1997-2001, voor

  • Bachelors: Biologie (45-51-56), Computerwetenschappen (32-29-28), Ingenieurs (11-15-20), Wiskunde (42-45-45), Fysica (25-32-40);

  • PhDs: Biologie (30-39-44), Computerwetenschappen (10-15-19), Ingenieurs (5-10-15), Wiskunde (15-20-26), Fysica (12-20-25).

15 De ‘elektronische appel’ is een artificiële appel, die volgestouwd met elektronica, mee in het machinale verwerkingsproces van echte appels wordt gestuurd (ontbladeren, wassen, behandelen, sorteren volgens grootte en kwaliteit, in kisten steken). Onderweg registreert de elektronische appel alle mogelijke schokken en abrupte handelingen die de kwaliteit van de echte appels (bvb. blutsen) zou kunnen aantasten. Achteraf wordt alle door de elektronische appel vergaarde informatie uitgelezen en geïnterpreteerd, en wordt het machinale verwerkingsproces waar nodig bijgesteld.

16 Een recent voorbeeld zijn de verschillende initiatieven op het gebied van zware apparatuur, waar slechts a posteriori, nadat het hele programma is geconcipieerd en de beleidskeuzes zijn gemaakt, de technische diensten worden ingeschakeld om voor de goedgekeurde projecten ruimte en infrastructuur te vinden. Het netto gevolg is zeer lange wachtperiodes vooraleer de apparatuur zelf maar besteld kan worden.

17 Hierbij wordt elke functie gewogen volgens meervoudige criteria: persoonlijke en functietechnische kennis & kunde, bestuurskunde, sociale vaardigheden, reikwijdte van verantwoordelijkheden en complexiteit van problemen die men moet behandelen, initiatief voor denken en handelen, omvang en impact van de taak.

18 In lang vervlogen tijden bestond bvb. de functie van werkleider, wiens taak het was om de logistieke werking van een laboratorium of van een onderzoeksgroep te faciliteren. Deze functie is afgeschaft zonder dat er iets in de plaats is gekomen, met als gevolg dat de corresponderende taken werden toegeschoven naar technici of ZAPpers. Maar recent zijn ook moderne versies van ‘werkleiders’ ontstaan: zo bijvoorbeeld zijn er nu reeds verschillende onderzoeksgroepen die de functie hebben ingevuld van projectcoördinator. Maar omdat dit relatief nieuwe functies zijn, waarvan de definitie trouwens nog quasi wekelijks wordt bijgesteld, is het ook relatief moeilijk om deze op korte termijn verder vorm te geven in het personeelsbeleid.

19 De kwaliteit van het HRM management laat zich ook aflezen in de manier waarop een instelling omgaat met potentiële werknemers.

20 Ik noem het ‘referentiekaders’ en niet ‘beleidsplannen’: immers, het gaat hier niet zozeer om top-down plannen die geen vrijheid laten waar die vrijheid precies broodnodig is (bvb. creativiteit bij het onderzoek). In de referentiekaders die ik voor ogen heb, moeten de objectieven van het beleid klaar geformuleerd en helder gecommuniceerd worden, en moet vooral ook de context waarin de ondersteunende diensten faciliterend kunnen werken, worden verduidelijkt.

21 Van kandidaat rectoren wordt verwacht dat zij een beleidstekst genereren, maar blijkbaar wordt dit niet meer verwacht eenmaal ze verkozen zijn.

22 Een schoolvoorbeeld van dergelijke strategische oefening is het ‘Strategisch Plan 03-06’ van de Wageningen Universiteit en Researchcentrum. In een helder gesteld document wordt nader ingegaan op de doelstellingen van het plan in een veranderende samenleving, onder het brede motto van ‘Onderwijs en Onderzoek voor een betere levenskwaliteit’. Alle dimensies van onderzoek, onderwijs, kennisexploitatie en bedrijfsvoering komen aan bod. Vervolgens wordt nader ingegaan op de verschillende zogenaamde ‘kenniseenheden’ (plant, dier, agrotechnologie & voeding, groene ruimte en tenslotte maatschappij) alsook op de wettelijke dienstverlening.

23 Het GeBu kan reglementair slechts 9 leden tellen. Naast de rector, de campusrector Kortrijk en de algemeen beheerder, maken de 3 groepsvoorzitters er deel van uit. Er is dus nog ruimte voor 3 andere functies. Vermits de laatste jaren de onderwijs- en onderzoekscoördinator een vaste plaats in het beleid hebben verworven, is er slechts ruimte voor nog 1 extra coördinator. Omdat ik van internationalisering een absolute prioriteit wil maken, stel ik daarom voor een Coördinator Internationaal Beleid aan te stellen in het Gebu. De bevoegdheden van de huidige Coördinator Studentenbeleid worden dan gevoegd bij deze van de Coördinator Onderwijsbeleid, zodat we een Coördinator Onderwijs en Studenten krijgen.

24 De commissie beveelt aan de nieuwe financieringsmogelijkheden (o.a. BOF, FWO, inhaalbeweging Vlaams wetenschapsbeleid) aan te grijpen voor de ontwikkeling van een integraal instellingsbreed onderzoeksbeleid. Impliciet gebeurt er wel aansturing doordat middelen zonder problemen geaccumuleerd kunnen worden bij grote en goede onderzoeksgroepen. Op termijn beveelt de commissie aan dat pro-activiteit vanuit de top expliciet dient te gebeuren met bottom-up initiatieven, naar het voorbeeld van wat gebeurt in Oxford en Cambridge. Goed onderzoeksbeleid vraagt immers om een combinatie van de twee. In zekere zin is het huidig beleid daarmee al begonnen via het opzet van excellentie-centra.

25 In de Universiteit Gent bijvoorbeeld bestaan er in de schoot van de Onderzoeksraad alpha, beta en gamma werkgroepen, die dossiers uit de drie verschillende groepen van de universiteit apart behandelen.

26 Met ‘cumulatief’ wordt bedoeld dat de kennis cumulatief wordt verworven, d.w.z. men bouwt chronologisch voort op eerder verworven onderzoeksresultaten. Met ‘cyclisch’ wordt bedoeld dat bepaalde themata uit de geschiedenis recurrent terug actueel kunnen worden, bvb. een nieuwe studie over bepaalde facetten van de filosofie van Aristoteles, precies omdat elke tijd weer nieuwe interpretaties kan of wil toevoegen. Wanneer onze leefwereld wijzigt, dringen herinterpretaties zich op.

27 Een mooi voorbeeld van grote behoefte aan domeinspecificiteit is te vinden in de geesteswetenschappen. In tegenstelling tot de andere wetenschappen, is het onderzoek hier vaak een individuele bezigheid, tijdrovend en soms ondergewaardeerd of zelfs onbegrepen. Bovendien is de invloed van de geesteswetenschappen op het beleid (via filosofie, ethiek, e.d.) de laatste jaren zwaar afgekalfd, omdat de universiteit meer en meer onder de invloed kwam van nieuwe ‘management-ideeën’. Ook de perceptie van de geesteswetenschappen is niet goed. Zo komen veel eerstejaarsstudenten uit bij de geesteswetenschappen door eliminatie van ‘harde’ richtingen. Ook is het zo dat in de ogen van vele beleidsmakers, de geesteswetenschappen achter blijven. Meer nog dan de gedragswetenschappen lijken ze in een soort preparadigmatische fase te zitten van wetenschappelijkheid. Zo bijvoorbeeld lijkt het soms alsof cumulatieve kennisontwikkeling in de geesteswetenschappen onbestaande is. Bibliometrische instrumenten om de kwaliteit van onderzoek te meten, ontbreken vanwege niet strokend met de wetenschappelijke cultuur in de geesteswetenschappen (gewoonweg niet relevant). Buiten de universiteit is er echter, merkwaardig genoeg, een grote vraag naar geesteswetenschappen. Dit is niet enkel zo omdat – oneerbiedig gesteld - de geesteswetenschappen een zeker niveau van ‘entertainment’ kunnen bieden (waarnaar merkwaardig genoeg grote vraag is), maar ook en vooral omdat ‘er geen vooruitgang kan zijn zonder traditie’ (De Dijn): “Een economie kan slechts productief zijn, precies vanwege haar ‘niet-productieve’ componenten zoals gezinsrelaties, sociale en zorgrelaties, inculturatie, opvoeding, religie, enz.... M.a.w. de geesteswetenschappen buigen zich over de mogelijkheidsvoorwaarden voor vooruitgang, zij reflecteren over het leven en de samenleving, die ze ook (on)rechtstreeks ondersteunen en voeden”. M.a.w. de geesteswetenschappen zijn tegelijkertijd het archief en de gist van onze samenleving. Alleen al om deze redenen is verder substantieel investeren in het onderzoek in de geesteswetenschappen absoluut prioritair. Vanzelfsprekend is de argumentatie die we hier ontwikkelen ten gunste van de geesteswetenschappen, zeer utilitair. Meer algemeen bestaat er een grote behoefte aan meer ‘wetenschap als cultuur’, waarover de Vlaamse minister-president bij de opening van het academiejaar aan onze universiteit in 1995 sprak.

28 ... een titel die per jaar slechts aan 10 niet-Amerikaanse universiteiten wordt uitgereikt !

29 Dat dergelijke initiatieven ook ‘low budget’ kunnen bewijst de ‘Graduate School for Systems and Control’, die reeds gedurende een tiental jaren georganiseerd wordt door alle onderzoeksploegen (een 15-tal) die gegroepeerd zijn in twee Interuniversitaire Attractiepolen (zie http://www.auto.ucl.ac.be/AUTO/graduate.html). Deze netwerken organiseren elk jaar 4 gespecialiseerde cursussen voor alle geïnteresseerde Belgische doctoraatsstudenten (ook van buiten het netwerk). Hiervoor nodigt men buitenlandse onderzoekers uit die ‘in residence’ zijn in één van de universiteiten, tot het geven van dergelijke cursus, geconcentreerd in enkele weken. Gemiddeld gezien worden deze cursussen bijgewoond door een dertigtal doctorandi.

30 Het systeem om vorderingsrapporten voor te leggen na 1 of 2 jaar onderzoek, of bij verlengingen van het contract, werkt onvoldoende: bij problemen (conflicten, deficiënte begeleiding, aanhoudende hoge werkbelasting, soms zinloze opdrachten, onduidelijkheid over loopbaanperspectieven) kunnen deze alleen post factum vastgesteld worden, en ontbreken uiteindelijk de nodige hefbomen om in te grijpen. Ook zijn er bijna nooit functioneringsgesprekken naar aanleiding van de opmaak van dergelijke vorderingsrapporten tussen de doctorandus en zijn/haar promotor.

31 Hoewel ook hier soms een te grote spanning ontstaat tussen aantal kandidaten en mogelijke financiering. Zo bijvoorbeeld waren er in 2003 ongeveer 650 aanvragen voor een IWT beurs, daar waar er maar 150 konden gehonoreerd worden. In 2004 is het aantal beurzen gelukkig opgetrokken tot 200. Niettemin blijven de slaagkansen ondermaats.

32 In 2004 waren er aan onze universiteit 280 aanvragen voor postdoctorale mandaten, waarvan er 80 door het FWO werden toegekend; Door het BOF zelf werden er dan nog eens 50 toegekend (voor 1 jaar). D.w.z. dat voor 150 mensen geen rechtstreekse postdoc-financiering beschikbaar was.

33 Bij de verlenging naar een derde periode van 3 jaar bij een FWO postdoc, wordt het desbetreffende departement gevraagd een ‘engagement’ te nemen naar de betrokkene toe. Wil men vervolgens deze persoon in het ZAP-kader krijgen, dan kan men dit doen via een profielvacature. Wat moet het departement doen indien op deze profielvacature een kandidaat opdaagt met een beter dossier dan de FWO-postdoc ? Dit probleem is al herhaaldelijk opgedoken in benoemingscommissies.

34 Het leeftijdshistogram van het ZAP aan onze universiteit is in essentie ‘bimodaal’, met een eerste grote ‘lob’ tussen de 38-48 jaar en een tweede tussen de 55-65 jaar.

35 Ook in andere Europese landen vinden we gelijkaardige initiatieven: In Duitsland heeft het nationaal ministerie van onderwijs in 2002 het juniorprofessorschap als startpunt van de standaardroute voor een academische loopbaan ingevoerd. Het doel is om onderzoekers op een relatief jonge leeftijd een duidelijk perspektief te bieden op een vast hoogleraarschap. Een junior-hoogleraar is tweemaal drie jaar in dienst bij een universiteit, waarbij hij/zij kan beschikken over een labo, medewerkers, onderzoeksvoorstellen kan doen, als promotor optreden en doceren. In de loop van het derde jaar is er een evaluatie. Tussen het vierde en het zesde jaar kan men dan solliciteren voor een hoogleraarschap. Van overheidswege is er een ondersteuning van 60 000€ per juniorprofessor. In totaal streeft Duitsland naar 3000 van deze mandaten. Het juniorprofessorschap komt in de plaats van de klassieke Duitse habilitation, maar precies daardoor is het systeem, omwille van grondwettelijke redenen (discussie omtrent bevoegdheden tussen federale en regionale overheden), nog niet in voege getreden.

36 Recente voorbeelden van succesvolle acties zijn: de recruteringen voor het aantrekken van senior onderzoekers in de schoot van het VIB, waarbij voor wat betreft benoemingen afspraken werden gemaakt met de universiteiten. Ongeveer 2/3 van de applicaties waren Vlamingen met een gedegen buitenlandervaring. Andere voorbeelden zijn de recente recrutering van verschillende Vlaamse ‘tenured tracked’ professoren uit Amerikaanse universiteiten, waarbij Catherine Verfaille de meest bekende naam is.

37 Recente persberichten hebben het over een ‘Toppers-fonds’ van 15 mio €, waarbij aan top-onderzoekers die terugkeren gedurende enkele jaren een budget van 1.5 mio € wordt toegekend (wat mij gigantisch veel lijkt t.o.v. de typische grootte van financiering van projecten voor onze eigen residentiële onderzokers), en voor jonge onderzoekers die terugkeren een budget van 300 000 € beschikbaar zou zijn. Een en ander zou geïnspireerd zijn op een Canadees voorbeeld, nl. Research Chairs, die aangevuld worden met betoelaging vanuit een Foundation for Innovation.

38 In het concept van ZAPprofiel zijn ééndimensionale ZAPprofielen (bvb. alleen onderwijs) strijdig met de notie van ‘Zelfstandig Academisch Personeel’.

39 In het kader van de excellentiefinanciering refereert men soms naar het ‘VIB-model’. Er is een transparante structuur, met departementen en directeurs, ‘principal investigators’, enz. Op het laagste niveau zijn er onderzoekscellen van 4 à 5 PhD studenten, 1 à 2 postdocs, en een PI. De performantie-objectieven uit de beheerovereenkomst (wetenschappelijke kwaliteit, externe middelen, valorisatie en opleiding) tussen het VIB en de Vlaamse overheid, worden proportioneel met het budget van ieder departement doorgerekend naar dat departement, waarbij het de taak van de directeur is om zijn/haar onderzoek navenant te organiseren. Tegelijkertijd stelt de directie en de administratie van het VIB alles in het werk om ‘faciliterend’ te werken. Hoewel dit model – niet in het minst door de rectoren – initieel op de nodige scepsis werd onthaald, is er nu toch een belangrijke kentering waar te nemen: er is een brede consensus ontstaan over het succes van dit model (voor onderzoek in de moleculaire biologie, vanzelfsprekend niet zonder meer te transplanteren op andere wetenschapsdomeinen).

40 Veel van de initiatieven zoals de deelname van onze universiteit aan de Wetenschapsweek, de Dag van de Technologie, enz. worden nu georganiseerd door vrijwilligers met de medewerking van velen.

41 Enkele kerncijfers van LRD in 2002: Er waren een 40-tal divisies, die een omzet, vooral uit contractonderzoek genereerden van afgerond 43 mio €. Er waren op dat ogenblik aan de K.U.Leuven een 70-tal octrooien toegekend en in 2002 werden er 51 nieuwe aanvragen ingediend. Het totaal aantal spin-off bedrijven was 51 en ook in 2002 werd een tweede Gemma Frisius Fonds opgestart met een zelfde kapitaal als het eerste, nl. 12.5 mio €.

42 Alles kan beter: : Een recente studie van de Boston groep toonde aan dat MIT gelieerd is aan meer dan 3000 bedrijven sinds 1950. Dat betekent dat deze universiteit een rol heeft gespeeld in ongeveer 60 bedrijven per jaar. In Engeland halen de universiteiten samen nu al zo’n 200 spin-offs per jaar. Omgerekend naar Vlaanderen zouden dat er een twintigtal moeten zijn. In Leuven richten we jaarlijks 5 tot 8 bedrijven op.

43 Belangrijkste conclusies van een in 2002 uitgevoerde SWOT-analyse voor LRD waren: S: Historische tradities, volwaardigheid van universiteit, betere professionalisering, positieve attitude terzake van academische overheid, naambekendheid, groeiend netwerk; W: interdisciplinariteit kan veel beter, sommige onderzoeksgroepen subkritisch, proactiviteit vanuit LRD nog onvoldoende, facilitering van en naar andere diensten dient verbeterd, grote behoefte aan lange termijn denken; O: vraag naar kennistransfer en valorisatie neemt toe, toenemende interesse van overheden, ontstaan van licentie- en patentportefeuille, toenemende markt van ‘exogene’ spin-offs, valoirsatieactiviteiten zijn aantrekkingspool voor studenten; T: toenemende competitie van andere universiteiten, maatschappelijke perceptie niet altijd genunanceerd, toenemende inkomsten kunnen verkeerd geïnterpreteerd worden, toenemende concurrentie van semi-publieke onderzoeksinstellingen.

44 Volgens een recent besluit van de Vlaamse regering zal hiervoor een IOF-Raad worden opgericht, en worden de kredieten tussen de Vlaamse universiteiten verdeeld volgens een verdeelsleutel met als parameters, het aantal doctoraten (gewicht 0.25), publicaties en citaties (gewicht 0.25), verkregen IWT middelen (gewicht 0.1), budgettaire participatie in het Europese Vijfde Kaderprogramma (gewicht 0.1), aantal verworven en gepubliceerde octrooien (gewicht 0.1), aantal gecreëerde spin-offs (gewicht 0.1), relatief aandeel in ZAP/AAP/BAP (gewicht 0.1). 60 % van de middelen dient gespendeerd te worden aan mandaten van onbepaalde duur, voor postdoctorale onderzoekers. Anderzijds zullen ook projecten kunnen betoelaagd worden.

45 In het laatste nummer van december 2004 van VETO werd een heel dossier gewijd aan het internationaal beleid. De balans was niet positief.

46 Zij vormen het archief maar ook de gist van onze samenleving.

47 Inspiratie hiertoe kan ook gehaald worden aan de UCL, waar de nieuwe beleidsploeg eveneens coördinator Internationaal Beleid heeft aangesteld.

48 In 2002 (het meest recente jaar met vergelijkbaar cijfermateriaal) waren 586.000 buitenlandse studenten ingeschreven in de Verenigde Staten, 270.000 studeerden in de UK (de tweede wereldbestemming op het vlak van hoger onderwijs) en 227.000 in Duitsland. De UK kon in 2002 rekenen op een toename van inschrijvingen van 15 %, Duitsland 10 %. De buitenlandse studenten in kwestie zijn voornamelijk afkomstig van China, Zuid Korea en India. De globale migratie van studenten bedraagt twee miljoen studenten en dit aantal zal volgens sommige voorspellingen verviervoudigen tegen 2025 - omdat door de economische groei grote groepen van middenklasse studenten in Azië ontstaan.

49 Dat dit niet onmogelijk is, bewijst de Universiteit van Maastricht: Het aantal buitenlandse studenten steeg er op enkele jaren van 9 % naar 20 %, men richt er Engelstalige masters in met gepreferentieerde buitenlandse partners, de helft van de masters + doctoraatsopleidingen is er in het Engels en één van de doelstellingen is om op enkele jaren tijd 10 % van de wetenschappelijke staf uit het buitenland te recruteren.

50 Erasmus Mundus is een programma van de Europese Commissie waarbij studieprogramma’s worden gefinancierd, georganiseerd door tenminste 3 instellingen in tenminste 3 verschillende EU landen en die door studenten gevolgd worden aan minstens 2 van de 3 instelllingen. Hiervoor heeft de EU 230 mio € uitgetrokken voor 5 jaar. Er zijn ook beurzen voor studenten uit niet-EU landen en er is ook mobiliteitsfinanciering voor professoren en studenten.

51 LERU partners zijn: University of Cambridge, University of Edinburgh,, Université de Genève, Ruprecht-Karls-Universitåt Heidelberg, Helsingin Yliopisto, Universiteit Leiden, University of Oxford, Karolinska Institutet, Università degli Studi di Milano, Ludwig-Maximilians-Universitåt, Université Louis Pasteur Strasbourg, Katholieke Universiteit Leuven (waar zich ook het secretariaat bevindt).

52 Netwerk rond landbouw, voeding, ‘quality of life’: Wageningen, Universität für Bodenkultur Wien (Oostenrijk), Universität Hohenheim (Duitsland), the Royal Veterinary and Agricultural University (Denemarken), Swedish University of Agricultural Sciences (Zweden) (met aanzetten tot samenwerking met universiteiten in VS en Canada); http://www.wau.nl/pers/01/053.html

53 SARFAL: Strategic Alliance of Research Faculties in Law, met o.m. Leiden, Bologna, Heidelberg, Poitiers, Oxford, Leuven, zie http://www.sarfal.net/

54 In Frankrijk bestaat er voor buitenlandse postdocs een beurzensysteem ‘Acceuil de jeunes chercheurs étrangers en séjour de recherche post-doctorale’, waarbij beurzen worden toegekend aan postdocs die kunnen verblijven aan daartoe geaccrediteerde universiteiten en onderzoeksinstellingen.

55 Intussen is de voorzitter van de ‘Governing Body’ van de ERC bekendgemaakt: Het is Lord Patten, de Chancellor van de universiteit van Oxford, en vroeger gouverneur van Hong Kong. Op dit ogenblik loopt er een procedure van identificatie van andere mogelijke leden van de bestuursraad van de ERC.

56 Volgens het decreet van 4 april 2003 op de herstructurering van het hoger onderwijs.

57 Op voorwaarde dat er eerst nog een relatief klein probleem wordt opgelost in de federale wetgeving, die bepaalt dat universitaire opleidingen minstens 4 jaar moeten bedragen. Het onderwijs is begin de jaren 90 gecommunautariseerd geworden op enkele uitzonderingen na. Federale bevoegdheden blijven het bepalen van het begin en het einde van de leerplicht, de pensioenregeling, de minimale voorwaarden voor het uitreiken van diploma’s (grote indelngen van het onderwijs, minimale globale duur van elke opleiding).

58 Voorheen waren in de letteren 6 talencombinaties mogelijk, nu 25. Het success blijkt uit het feit dat 19 van de nieuwe, voorheen onbestaande combinaties goed zijn voor 50 % van de studenten.

59 Dit soort ‘rationalizerings-incentives’ zal ook nodig zijn omdat het sowieso in de nieuwe financieringsmechanismen voor de universiteiten zal worden opgelegd, maar dan tussen de universiteiten. M.a.w., we doen er goed aan om nu al meer genericiteit in de bachelors na te streven binnen onze eigen instelling.

60 Zo bijvoorbeeld is er een brede consensus dat het aantal MST-diploma’s (Mathematics, Science and Technology) omhoog moet. In Vlaanderen was dit in 2002 19.8 % van alle hogere onderwijsdiploma’s terwijl het Europees gemiddelde 24.8 % bedroeg (Is dit misschien een andere voorbeeld van wat uit PISA blijkt: Onze top is excellent, maar de kwaliteit van het peleton moet beter ?). De Raad van de EU heeft een zgn. Benchmark ingesteld voor MST-diploma’s, die met 15 % zouden moeten toenemen. Hierbij moet ook het sekseverschil afnemen. In Vlaanderen zou het aantal MST-diploma’s over 10 jaar derhalve met 150 diploma’s per jaar moeten toenemen. Twintig jaar geleden studeerden in België 300 à 400 fysici af. Vandaag zijn er dat amper een 100-tal.

61 Niet toevallig heeft de huidige Vlaamse minister van Onderwijs ook de bijkomende bevoegdheden van Vorming en Werk !

62 Op het einde van de jaren 90 was ererector Dillemans als regeringscommissaris van de Vlaamse regering belast met de opdracht om mogelijke rationalisaties in het Vlaams universitsair onderwijslandschap te inventariseren. Dit heeft geresulteerd in enkele lijvige aanbevelingen (zie referentielijst), waaraan nooit gevolg is gegeven, onderandere omdat de universiteiten gevat werden door het Bologna proces. Nochtans zijn de meeste conclusies en aanbevelingen van die rapporten nog steeds zeer actueel.

63 Verschillende Amerikaanse universiteiten beschouwen een ‘3 + 1’ opleiding als een 4-jarige bachelor.

64 Er kan bvb. gekozen worden tussen een ‘synthesemodel’, wat aansluit bij het huidige jaarsysteem en een examencommissie voorziet voor elk studiejaar, en een ‘accumulatiemodel’, wat meer in de richting gaat van een creditsysteem met een examencommissie aan het einde van de eerste bachelor, van de bachelor en van de master.

65 Het Verdrag van Maastricht van 1992 kende bevoegdheden voor Onderwijs toe aan de EU, maar legde meteen de grenzen daarvan vast in het subsidiariteitsprincipe. Hiertoe zijn de Europese bevoegdheden inzake onderwijs voorlopig herleid tot aanmoedigen van samenwerking tussen lidstaten om kwaliteitsvol onderwijs te verzekeren. Desalniettemin is er in de nieuwe Europese Commissie ook een Commisaris van Onderwijs, die onderandere, veel meer dan vroeger, een open coördinatie nastreeft. De Europese Raad van Onderwijsministers heeft onlangs 13 globale onderwijsdoelstellingen goedgekeurd, waarvan sommige in kwantitatieve benchmarks zijn vertaald.

66 Hiertoe wordt ook verder gewerkt aan de ontwikkeling van de zgn. Dublin-descriptoren (deze beschrijven de internationaal overeengekomen niveau- en kwaliteitsvereisten waaraan bachelors en masters moeten voldoen). Er staat ook een European Qualification Framework op stapel, een overkoepelende kwalificatiestructuur voor onderwijs en de beroepsopleidingen op het niveau van de Europese Unie, zodat in Europa de individuele procedures voor de erkenning van buitenlandse hogeronderwijsdiploma’s overbodig worden.

67 Een recent initiatief hier is een pas opgericht netwerk van ‘Enhancing, Teaching and Learning in Research Intensive Universities’, waartoe naast Leuven, ook MIT, Stanford, Oxford en andere universiteiten behoren.

68 Hiertoe werd het Fonds Dillemans opgericht, dat zich zal concentreren op deze doelgroep en jaarlijks een twaalftal beurzen zal uitreiken van ongeveer 3000 €. In die zin staat het Fonds Dillemans ook symbool voor het feit dat ‘Bologna ook sociaal moet zijn’, en dat de democratische toegang – ook tot meer gespecialiseerde opleidingen – voor iedereen met de nodige capaciteiten, toegankelijk moet zijn.

69 Onlangs oordeelde het Europese Hof van Justitie dat studenten in alle EU-lidstaten hetzelfde recht op een beurs hebben als hun medestudenten van dat land zelf. Nu nemen Vlaamse studenten hun beurs mee naar het buitenland, en bijgevolg zet dit Europees arrest dat systeem op zijn kop. Het zgn. thuislandprincipe wordt vervangen door het gastlandprincipe. M.a.w. voor het verwerven van een studiebeurs mag in de Europese Unie niemand gediscrimineerd worden op basis van zijn of haar nationaliteit. Het Hof heft geoordeeld dat de ondersteuning van studenten voortaan een Europese aangelegenheid is. Er is een zekere rem omdat de buitenlandse studenten wel blijk moeten geven van een ‘reële’ band met het gastland (bvb. enkele jaren middelbaar onderwijs gevolgd hebben in het gastland).

70 Tegen maatregelen rond contingentering na de studies (zoals men nu van plan is bij de kinesitherapeuten) moeten we ons vanzelfsprekend krachtdadig verzetten. Dat is pas een maatregel die niet democratisch is, demotiverend en bovendien onrechtvaardig.

71 In 1996 leverde de Alma nog 1.5 mio maaltijden, in 2004 waren er dat nog ‘slechts’ 840 000. De jaren 2001 en 2002 waren zwaar verlieslatend.

72 Het participatiedecreet voorziet in de keuze tussen twee systemen van studentenparticipatie in het beleid. In de optie ‘medebeheer’ zijn studenten vertegenwoordigd met 10 % van de stemgerechtigde leden in besluitvormingsorganen met bevoegdheden die studenten rechtstreeks aanbelangen (een lijst kan gevonden worden in de tekst van het decreet). In het zogenaamde ‘inspraakmodel’ hebben ze een raadgevende stem, maar is er ook een redelijk ingewikkelde procedure voorzien die het universiteitsbestuur moet volgen wanneer studenten niet akkoord gaan met bepaalde beslissingen. Naar alle waarschijnlijkheid zal zowel de K.U.Leuven als de Associatie kiezen voor de optie ‘Medebeheer’.

73 Onlangs oordeelde het arbitragehof dat het feit dat in de belangrijkste beslissingsorganen van de Waalse universiteiten, 20 % studenten moeten vertegenwoordigd zijn, niet strijdig is met de vrijheid van vereniging en de vrijheid om het onderwijs zelf te organiserenb. Het Arbitragehof oordeelde dat het maar om 20 % gaat, en dat bijgevolg de studenten onmogelijk zaken zoals het levensbeschouwelijk karakter en het pedagogische project doorslaggevend zouden kunnen bepalen.

74 In FABER zijn er om de twee à drie weken via Questionmark kleine toetsen. Op die manier kunnen de studenten testen hoe ver ze staan in het bijhouden van de cursus, waarbij ze 1, 2 of 3 punten kunnen behalen via deze tussentijdse toetsen.

75 In principe heeft de Raad van Bestuur alle bevoegdheden, maar in de praktijk worden sommige van deze bevoegdheden ook gedelegeerd naar andere beleidsniveau’s.

76 In het topniveau, is de Campus Rector van Kortrijk lid van het Gebu.

77 Het onderwijsaanbod van de faculteit Geneeskunde is dan ook zeer breed: artsen, tandartsen, biomedici, logopedisten, audiologen, verpleegkundigen en vroedkundigen, management en beleid in gezondheidszorg en verschillende Manama’s.

78 De klassieke organisatiestructuur van een ziekenhuis verloopt via het aanbod, met verticaal gestructureerde departementen (zoals bvb. verpleegdiensten, honorariumdiensten, technische diensten, e.d.). In het organisatiemodel van de UZ Leuven gaat men uit van de basismissie, namelijk de vraag vanuit de patiënt, en hanteert men het concept van zorgprogramma’s: hierin wordt de patiënt, zijn noden en de behandeling centraal gesteld en worden patiënten met een homogeen traject (in pathologie, aard van behandeling of doelgroep (bvb. bejaarden)) gegroepeerd (‘geclusterd’) in zorgprogramma’s. De klassieke operationele entiteiten, zoals de medische departementen, verpleegdagdiensten, technische diensten, honorariumdiensten enz..., worden in dit model ‘activiteitencentra’ genoemd en leveren zgn. zorgonderdelen naar de patiënten in de zorgprogramma’s. De laatste jaren is er trouwens een duidelijke verschuiving van de behandeling van secundaire naar tertiaire pathologieën, met andere woorden naar groepen van patiënten die tot zwaardere ‘severity classes’ behoren. Deze evolutie en strategie die eraan ten gronde ligt, zijn trouwens ook het voorwerp van enige discussie.

79 Er dient wel gewaakt te worden over interne consistentie, omdat het Groepsbestuur aan de Raad van Bestuur van de universiteit ‘rapporteert’ via het Gebu, en de directie van het UZ dat uiteindelijk doet via het Bestuurscomité.

80 Ook bij technisch personeel (laboranten bvb.) zijn er verschillen in statuut en verloning, afhankelijk van de werkgever (ziekenhuis of universiteit) die als onrechtvaardig worden gepercipieerd.

81 De gezinsonvriendelijkheid van de klinische omgeving heeft verschillende redenen: T.o.v. het buitenland is er een duidelijke onderbestaffing (in Nederland is de bestaffing per patiënt 2 tot 3 maal groter), zijn er manifeste cultuurverschillen (‘Bij een bevalling wil ieder zijn eigen gynaecoloog’, dat is in het buitenland anders) of zijn de werkuren glijdend en niet-scherp afgelijnd.

82 Op termijn kan ook gedacht worden aan een meer doorgedreven ‘associatievorming’ tussen de ziekenhuizen van het netwerk, waarbij afspraken rond specialismen en complementariteit worden gemaakt in een breder en hechter samenwerkingsverband dan nu het geval is.

83 Bijvoorbeeld de uitwerking van een specifiek actieplan met de ziekenhuizen en medische faculteiten in de LERU, zoals Leiden, Oxford, Karolinska en Leuven.

84 De Associatie K.U.Leuven bestaat, naast de K.U.Leuven zelf, uit EHSAL (m.i.v. IRIS Hogeschool Brussel en Katholieke Hogeschool Brussel); Hogeschool Sint-Lukas Brussel; Hogeschool voor Wetenschap & Kunst; Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende; Katholieke Hogeschool Kempen; Katholieke Hogeschool Leuven; Katholieke Hogeschool Limburg; Katholieke Hogeschool Mechelen; Katholieke Hogeschool Sint-Lieven; Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen; Lessius Hogeschool; Groep T, Leuven.



85 De zogenaamde professionele bachelors van de hogescholen dienen geen academisering te ondergaan maar moeten wel geaccrediteerd worden.

86 Leuven en Antwerpen staan voor de zwaarste academiseringsopdracht, althans wanneer we dat afmeten aan aantallen studenten. Per 01/02/2003, was de verhouding universiteitsstudenten/hogeschoolstudenten per assosiatie: KUL 21131/12823, UG 19500/4916, UA 7389/4336, VUB 6293/1255, LUC 2042/1211.

87 Zo bijvoorbeeld zal men een doctoraat kunnen maken IN de kunsten, weliswaar wetenschappelijk onderbouwd, en niet noodzakelijk een doctoraat OVER de kunsten.

88 Vlaamse middelen voor O&O: van 198 mio € in 1995 tot 534 mio € in 2004. In het regeerakkoord van 1999 stond ingeschreven dat de middelen voor O&O moesten stijgen met 50 mio € per jaar, wat dus betekende dat bij het einde van die legislatuur, in 1999, t.o.v. 1995: 50 + 100 + 150 + 200 = 500 mio € bijkomend was geïnvesteerd, een toch wel opvallend moedige keuze van de Vlaamse regering. In de jaren 1999-2001 was er om onduidelijke redenen een rustpauze in de verhoging van de budgetten. Vanaf 2002 werd de stijging dan toch terug voortgezet, zij het minder gestructureerd.

89 De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid heeft een referentie-instrumentarium ontwikkeld voor de kwantitatieve opvolging van het Innovatiepact, waarbij 11 kernindicatoren worden gebruikt die werden gedefinieerd in nauwe samenwerking met het aan onze universiteit gevestigde Steunpunt O&O-Statistieken. Hieraan zal een 12de indicator worden toegevoegd om de impact van de fiscale maatregelen (o.a. de zgn. Defiscalisering) te meten.

90 Niet iedereen is even geënthoesiasmeerd door de Lissabon doelstellingen, die volgens sommigen een luchtkasteel zijn. Zo zou Europa niet met een technologische achterstand kampen t.o.v. de VS en zou ook onze productiviteitsgoei niet achternahinken op de Amerikaanse. Knelpunt zou echter zijn dat de actieve bevolking in Europa nog nauwelijks groeit, en dat we moeten denken in de richting van arbeidsduurverlenging en een meer wervende immigratiepolitiek. Anderzijds kan men niet ontkennen dat de 3 % norm voor O&O investeringen een belangrijke doelstelling vormt voor de regeringen om het innovatiebeleid als motor van de economie te ondersteunen. Toch moet wellicht ook meer aandacht geschonken worden aan het ‘sociale’ Europa, en ook iets meer de nadruk op ‘duurzaamheid’ en ‘duurzame ontwikkeling’.

91 Zo bijvoorbeeld zou men het idee kunnen lanceren bij openbare aanbestedingen dat de mate van innovatie van een bepaald voorstel, een criterium zou zijn voor beoordeling. Dit zou een duidelijke ‘boost’ kunnen zijn vanwege de overheid om de innovatie van bedrijven en kennisinstellingen te valoriseren. Nu wordt meestal enkel de laagste prijs als doorslaggevend criterium gehanteerd.

92 Voor wat betreft de referenten, moeten vandaag de dag ook al de drie beste publicaties van die referenten opgegeven worden (Wat is best ?). Het is niet meteen duidelijk hoe de impact van die drie beste publicaties van een referent, iets zegt over de kwaliteit van het voorstel waarover die referent zich moet uitspreken.

93 Het IOF zou moeten evolueren van 2 mio € in 2004 naar 8 mio € in 2005, althans volgens de beleidsbrief van Fientje Moerman. Maar alvast voor half maart 2005 was het nog altijd niet geoperationaliseerd.

94 Er zijn verschillende indicatoren die wijzen op het feit dat een groter aandeel best gerechtvaardigd zou zijn: De afgelopen 10 jaar leverde de K.U.Leuven 43 % van de Vlaamse wetenschappelijke publicaties. Deze waren goed voor 46 % van alle Vlaamse citaties. Van alle doctoraten in Vlaanderen, werden er 45 % aan de K.U.Leuven afgelegd.

95 Hiertoe werd centraal een ‘Commissie Allocatie’ opgericht, met daarin vertegenwoordigers van de verschillende faculteiten. In de nieuwe Groepsstructuur zullen ook de groepsbesturen de intra-groep allocatie nader opvolgen.

96 Dit cijfer dient met enige voorzichtigheid te worden gehanteerd. De structuur van het hoger onderwijs is niet in alle landen dezelfde.

97 In Vlaanderen beschouwt men 25 % van de eerste geldstroom als een bijdrage tot het onderzoek, althans zo wordt het gerapporteerd aan de OESO;

98 Het gemiddeld aantal ABAP/ZAP per universiteit is KUL 2.9, UG 2.8, VUB 2.3, UA 1.9, LUC 1.7, KUB 0.3

99 Het voorbereidend werk dat hiervoor werd gedaan door ere-rector Dillemans, tussen 1995 en 2000, is hiervoor nog altijd zeer relevant en leerzaam.

100 De marktaandelen universiteitsstudenten enerzijds, alle studenten in elke associatie anderzijds zijn als volgt: KUL 36% / 44%, UG 34 % / 28 %, VUB 13 % / 7%, UA 13 % / 15 %, LUC 3% / 6%, KUB 1%/1%. Hieruit blijkt duidelijk dat het marktaandeel KUL gestegen is, wanneer we dit bekijken op het niveau van associaties. Voor wat betreft universiteitsstudentenaantallen, heeft de UG de KUL de laatste 10 jaar fors bijgebeend.

101 De minister van Onderwijs is de situatie i.v.m. de gender-achterstand en het zgn. Glazen plafond aan onze universiteiten aan het bekijken met de socialistische bond ACOD, de christelijke FCSOD en de liberale vakbond VSOA.

102 Een voorbeeld hiervan is PISA (Programme for International Student Assesment), een internationaal meetprogramma ontwikkeld door de OESO, dat de leesvaardigheid en de wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid van 15-jarigen in verschillende landen meet. Een andere studie is ‘Vlaanderen in TIMSS, 2003’ (Trends in International Mathematics and Science Study).


Beleidstekst Bart De Moor n.a.v. de rectorverkiezing 2005
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   18

  • Beleid
  • Internationalisering
  • Onderwijsbeleid
  • Structuur
  • Politiek

  • Dovnload 1.45 Mb.