Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing

Dovnload 1.45 Mb.

Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing



Pagina8/18
Datum05.12.2018
Grootte1.45 Mb.

Dovnload 1.45 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   18

Strategische invulling van beleid

In dit hoofdstuk van de beleidstekst, ga ik nader in op de verschillende zogenaamde horizontale beleidsdimensies: het onderzoeksbeleid, het internationaal beleid en het onderwijsbeleid. Hiervoor zie ik drie respectievelijke coördinatoren in het GeBu23.



    1. Coördinatie onderzoek: een coachend onderzoeksbeleid

V
Financiering onderzoek verbetert


oor wat betreft het onderzoeksbeleid in het algemeen, zijn de omgevingsparameters verre van slecht. De laatste tien jaar heeft vooral de Vlaamse regering een serieuze budgetaire inhaalbeweging geïnitieerd, die geleid heeft tot een substantiële toename van de beschikbare onderzoeksbudgetten. En ook in Europa ziet het er veelbelovend uit, door de nog niet zo lang vooropgestelde en goedgekeurde 3% norm van Lissabon, waarbij de landen van de Unie zich engageren om tegen 2010 minimum 3 % van hun BNP te investeren in Onderzoek en Innovatie. Hiervan moet 1 % komen van de Overheid, en 2 % van de bedrijven. De 1 % voor Vlaanderen zou afgerond neerkomen op 60 mio € per jaar bijkomend.
Voor onze universiteit zijn de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom relatief verdeeld als volgt: Mandaten IWT/FWO 15.5 %, FWO (projecten) + IUAP + BOF 38.3 %, Acties Overheid 17.3 %, Internationale Organisaties 5.2 %, LRD en mecenaat 21.7 %.
Door de betere beschikbaarheid van middelen moeten we des te beter nadenken over hoe we deze middelen gaan inzetten en wat terzake onze doelstellingen zijn. Vooral ook voor het onderzoeksbeleid is er grote behoefte aan een duidelijk referentiekader, dat verder moet gaan dan het huidige adagio van ‘Meer is beter’.
V
Globaal referentiekader voor onderzoeksbeleid
elen ervaren immers een grote lacune in het onderzoeksbeleid aan onze universiteit, omdat het ons ontbreekt aan een globaal referentiekader. De definitie en conceptie van dergelijke beleidsvisie voor wat betreft het onderzoek, is anderzijds ook geen sinecure, gezien de grote diversiteit van onderzoek aan onze universiteit. Anderzijds ontstaat de creativiteit en onderzoeksmatige innovatie in de academische vrijheid, waardoor het onderzoek niet zonder meer aanstuurbaar is (en ook nooit moet worden !) (dit in tegenstelling tot de R&D afdeling in een bedrijf, of het onderzoek in onderzoeksinstellingen zoals IMEC, VIB, e.a.).
Ik zal achtereenvolgens volgende ingrediënten van dergelijk referentiekader voor het onderzoeksbeleid behandelen:


  1. Een duidelijke positionering van het onderzoek aan onze universiteit, niet alleen in de innovatieketen, maar ook in de culturele, socio-economische, juridische, enz... dimensies van onze samenleving. Dergelijke positionering dient een integraal onderdeel uit te maken van een onderzoeksbeleidsplan.

  2. Een duidelijke gedefinieerd groeps-onderzoeksbeleid, met daarin ruimte voor een debat rond en invulling van domeinspecifieke performantie-indicatoren.

  3. Een duidelijke afgelijnd onderzoeksgroepen-beleid, met daarin aandacht voor en begeleiding (‘coaching’) van jonge onderzoekers en een uitgekiend onderzoeks-diversiteitsbeleid.

  4. Voor wat betreft de logistieke ondersteuning van het onderzoeksbeleid:

    • Een duidelijk beleid i.v.m. monitoren van de kwaliteit van onderzoek.

    • Een transparante werking van de ondersteunende en faciliterende diensten zoals de Dienst OnderzoekCoördinatie (DOC) en Leuven Research and Development (LRD).

  1. Verdere professionalisering van de valorisatietrajecten voor technologie- en kennistransfer (licenties, patenten, spin-offs, seed money, ...).



      1. Een visie op onderzoeksbeleid aan onze universiteit

Eén van de eerste opdrachten voor een nieuwe Coördinator Onderzoek is de redactie van een duidelijk beleids-referentiekader, waarin de verschillende objectieven die we met ons allen op het gebied van onderzoek nastreven, helder worden toegelicht. Dat er een behoefte bestaat aan dergelijk plan, mag blijken uit een (bij wijlen controversiële) studie van de VLIR (2004, ref. Infra), waarbij aan onze universiteit geadviseerd wordt om ‘een strategische wending’ te nemen in het onderzoeksbeleid24. Een onderzoeksbeleid voeren mag niet verward worden met ‘sturen van onderzoek’. Een onderzoeksbeleid is dus niet noodzakelijk het aansturen van onderzoek (dat kan het natuurlijk ook zijn), maar wel het creëren van de juiste omgeving waarin universitair onderzoek – in zijn grote diversiteit – kan gedijen.


V
De Raad Onderzoeksbeleid vitaliseren
an bijzonder belang is de revitalisering van de Raad Onderzoeksbeleid (ROB). Deze raad zou eigenlijk het onderzoeksbeleid moeten concipiëren en opvolgen, zowel intern als extern: Wat zijn de grote objectieven die we nastreven met het onderzoek aan onze universiteit ? Hoe positioneert de kwaliteit en de impact van ons onderzoek zich t.o.v. internationale benchmarks ? Hoe definiëren we domeinspecificiteit (zie verder) ? Welke grote actielijnen kunnen we distilleren uit dergelijke analyses ? Welke acties zijn vereist voor de ‘science push’ en de ‘society pull’ universiteit ? Hoe exploiteren we het feit dat onze universiteit volwaardig is ? Hoe is het gesteld met ons palet aan onderzoeksfinanciering ? Welke stukken van het onderzoeksbeleid worden eventueel doorgeschoven naar de groepen ? Hoe en waarom stimuleren we interdisciplinaire onderzoeksintitiatieven ? Wat is de precieze definitie van Centers-of-Excellence ? Wat is het juiste evenwicht tussen sturen (van onderzoek, bvb. detecteren van belangrijke lacunes) en stuwen (d.w.z. van onder af bij gratie van bottom-up initiatieven) ? Uit welke componenten bestaat ons onderzoekers-rekruteringsbeleid ? Hoe stimuleren we de mobiliteit van onze onderzoekers (die volgens recente evaluaties ondermaats is) ?
Dit zijn allemaal vragen omtrent het intern onderzoeksbeleid. Maar de Raad Onderzoeksbeleid zou ook kunnen reflecteren en adviseren over het wetenschapsbeleid buiten onze universiteit: Wat kunnen we de overheden (Vlaamse, Federale, Europese) adviseren omtrent te nemen acties, zowel bij het redigeren van regeerakkoorden als bij de uitvoering ervan? Hoe kunnen we zeker zijn van budgetaire meerjarenperspectieven ? Welke verdeelmechanismen van middelen in de eerste, tweede en derde geldstroom accepteren we als rechtvaardig ? Hoe en op welke wijze interageren we met belangrijke instanties in het wetenschapsbeleid, zoals de VRWB, het FWO, het IWT, e.d. ? Hoe organiseren we de dimensie internationalisering van het onderzoeksbeleid ? Hoe zullen Leuvense ploegen toegang krijgen tot de European Research Council (ERC) ?
Samengevat kunnen we stellen dat de oprichting van de Raad Onderzoeksbeleid een goede zaak is, maar dat de werking en impact ervan op het academische beleid in de nabije toekomst nog beter dient te worden uitgebouwd.

      1. Groepsonderzoeksbeleid

D
Onderzoeksbeleid opsplisten over de groepen ?


e vigerende evaluatie- en toekenningsmechanismen in de Onderzoeksraad, hierin ondersteund door de Dienst Onderzoekscoördinatie, worden veelal als goed tot uitstekend ervaren (ook het eerder geciteerde rapport van de VLIR-Commissie Onderzoeksbeleid Vlaamse universiteiten is lovend voor de werking van de Leuvense Onderzoeksraad). De Onderzoeksraad is (een bij Koninklijk Besluit verplicht, en door verschillende decreten en Vlaamse besluiten verder geregeld) orgaan van de universiteit, dat in essentie instaat voor de interne verdeling van de tweede geldstroom, meer bepaald de BOF-middelen. In tegenstelling tot wat gangbaar is aan andere universiteiten25, hebben we in Leuven één enkele Onderzoeksraad, die als college alle onderzoeksvoorstellen en aanvragen voor onderzoeksmandaten, weze het uit de Groep Humane, Exacte of Biomedische Wetenschappen, behandelt.
In het zog van de hervorming van de groepsstructuren is een discussie ontstaan over een mogelijke graduele ‘regionalisering’ naar de groepen toe, van het onderzoeksbeleid. Niemand kan immers ontkennen dat de aard van het onderzoek en de manier waarop het bedreven wordt in de drie groepen van onze universiteit nogal eens kan verschillen. Bovendien is er ook een soort ‘impliciet’ beleid, waarbij men ‘impliciet’ erkent dat een uniforme rangschikking van onderzoeksprojecten uit de drie groepen, onmogelijk is, omdat de criteria van kwaliteit niet zondermeer vergelijkbaar zijn over de groepen (of zelfs onderzoeksdomeinen) heen. Zo bijvoorbeeld worden de BOF-ZAP mandaten a priori verdeeld over de groepen in een verhouding van elk 1/3 (men kan hierover een debat voeren of dit al dan niet gerechtvaardigd is). Zo ook werden de middelen voor Zware Apparatuur a priori opgesplitst over de groepen.
H
Beleid beperkt opsplitsen, niet de middelen
er en der kan dan ook de vraag gehoord worden, of we het BOF niet expliciet moeten opsplitsen over de drie groepen. Mijn standpunt in deze is dat we tot nader order het BOF
niet opsplitsen. De (onderzoekscoördinatoren in de) groepsbesturen kunnen wel een inhoudelijk groepsonderzoeksbeleid voeren (we komen daar verder op terug), maar een opsplitsing van onderzoeksmiddelen over de groepen, lijkt me op dit ogenblik niet opportuun. Eén van de belangrijkste (en onaangeboorde) opportuniteiten van onze universiteit is immers haar volwaardigheid. Ook voor wat betreft het onderzoeksbeleid moeten we hier meer werk van maken (zie verder). Met name ook het feit dat de Onderzoeksraad optreedt als college, dat uniform oordeelt over alle onderzoeks- en mandaatsvoorstellen, is een belangrijke troef in het onderzoeksbeleid (dit werd door de VLIR-commissie ook erkend als één van de sterke punten van de K.U.Leuven). Ook het detecteren en identificeren van onderzoekslacunes, en het stimuleren van groepsoverschrijdende onderzoeksinitiatieven dient beter te worden uitgewerkt. Het in de middelen decentraliseren van het onderzoeksbeleid, zou ook om een administratieve ondersteuning vragen op groepsniveau, wat ongewenst is. Desgevallend moeten we de DOC versterken.

        1. Convergentie en samenwerking

I
Onderzoeksmatrix


nhoudelijk kunnen de nieuwe groepsbesturen echter wel een groepsonderzoeksbeleid voeren. Waar relevant, kan het groepsbestuur eerst en vooral een onderzoeksmatrix maken, waarmee geïnventariseerd wordt welke onderzoeksafdelingen in welke onderzoekslijnen en –domeinen actief zijn (een concrete suggestie hiertoe wordt gemaakt in de paragraaf over de Groepstructuur). Deze matrix dient om lacunes in kaart te brengen, maar ook om mogelijke overlappingen, complementariteiten en synergieën te detecteren, zowel door de onderzoekscoördinatoren als door de onderzoekers in de onderzoeksgroepen. Veelal is het zo dat onderzoekers niet weten welk (gelijkaardig) onderzoek enkele tientallen meter verder gebeurt (een ander voorbeeld van een gebrekkige communicatie in onze instelling).

Deze onderzoeksmatrix is bijzonder belangrijk



  • Om de sterktes en zwaktes van onze universiteit op het gebied van onderzoek in kaart te brengen.

  • Om de sterkte van het onderzoek ook relatief te positioneren t.o.v. internationale benchmarks.

  • Om tot grotere, beter samenwerkende en performantere onderzoeksentiteiten te komen (waar dit relevant is).

  • Om de domeinspecificiteit te onderbouwen (aantallen, kritische massa’s)(zie verder).

  • Om de opportuniteiten tot multidisciplinaire initiatieven te detecteren.

  • Om ook en vooral groepsoverschrijdende initiatieven te bevorderen.

  • Om initiatieven en opportuniteiten, die vooral van belang zijn voor de ‘society pull’ universiteit, in kaart te brengen en te valoriseren.


        1. Domeinspecificiteit

E


Domeinspecificiteit
en ander uiterst belangrijk en zeer actueel thema in het groepsonderzoeksbeleid is dat van de domeinspecificiteit. Er is een brede consensus dat onderzoeksdomeinen en de performantie van onderzoekers en onderzoeksgroepen daarin, niet zondermeer met elkaar vergeleken kunnen worden. De laatste jaren is er een onterechte perceptie ontstaan, waarbij slechts een beperkt deel van onderzoeksdisciplines als ‘echt wetenschappelijk’ wordt ervaren. Namelijk enkel deze disciplines waar het onderzoek univocaal is in ‘taal’ en methodieken, waar kennis cumulatief is en waar de wetenschappelijke output en kwaliteit ‘meetbaar’ zijn. Nochtans is dergelijke wetenschap slechts maar een deel van het geheel van alle wetenschappen. Men kan immers de profielen van wetenschappen en onderzoeksdisciplines positioneren op een soort assenkruis:

waarbij de ‘labels’ op het assenkruis voor zichzelf spreken, en in het assenkruis enkele voorbeelden van disciplines werden vermeld 26.


Het punt dat we hier willen maken is dat de ‘wetenschappelijke cultuur’ in elk van de kwadranten van dit assenkruis verschillend is en dat deze diversiteit door een onderzoeksbeleid ook best onderkend wordt. De volwaardigheid van onze universiteit

impliceert dat wij zowat het hele vlak bestrijken, daar waar bvb. Nederlandse Technische Universiteiten, slechts 1 of 2 kwadranten vullen.


W
Diversiteit in wetenschappelijke culturen
etenschappelijke cultuur omvat ingrediënten zoals de manier waarop onderzoek wordt verricht (alleen, in kleine of grote teams), het publicatiegedrag (‘journal papers’ in internationale tijdschriften, artikels in ‘locale’ bladen, boeken,....), het citatiegedrag, de grootte van het wetenschapsdomein, de impact op en interactie met de samenleving, de manier waarop en de hoeveelheid waarin middelen worden verzameld, enz...
Een bijkomend punt is, dat de ontwikkeling van de wetenschap, de manier waarop disciplines het assenkruis vullen, zich niets aantrekt van de ‘vertikale’ structuur van de universiteit in groepen, faculteiten, departementen en afdelingen. Zo bijvoorbeeld zit het onderzoeksprofiel van het departement Architectuur van de Faculteit Toegepaste Wetenschappen eerder in het kwadrant ‘Beoordeelbaar – Toegepast’, daar waar de rest van de faculteit eerder ressorteert onder de kwadranten ‘Meetbaar - Toegepast/Fundamenteel’. Kwantitieve psychologen horen dan weer eerder onder dit laatste en Pedagogie leunt dan van profiel weer eerder aan bij Architectuur.
Het onderkennen van de domeinspecificiteit is belangrijk wanneer men de kwaliteit van onderzoek wil inschatten. Dit kan gebeuren:

  • Door peer review: hierbij wordt aan een commissie van externe experten gevraagd om een onderbouwd oordeel te vellen over de positionering van de onderzoekers of de onderzoeksgroep in een bepaalde onderzoeksomgeving. Deze manier van beoordeling wordt aan onze universiteit veel te weinig toegepast.

  • Kwantitatief: Op basis van op voorhand bepaalde performantie-indicatoren, zoals

    • Aantallen publicaties;

    • Kwaliteit van publicaties zoals gereflecteerd door de impactfactoren van de tijdschriften waarin ze worden gepubliceerd;

    • Kwaliteit van publicaties zoals gemeten door impact via aantal citaties;

    • De hoeveelheid extern verworven middelen voor onderzoek;

    • Indicatoren die te maken hebben met valorisatie (zoals inkomsten uit contract research, of aantallen gecreëerde spin-off bedrijven, e.d.);

  • Kwalitatief :

    • Op welke manieren wordt er onderzoek gedaan (individueel, kleine of grotere groepen, experimenteel, klinisch, op papier,....) ?

    • Wat is de interactie met bedrijven, administraties, samenleving, .... ?

    • Tot welke vorm van ‘aantoonbare’ output leidt het onderzoek (publicaties, boeken, persartikels, bijdragen in de audio-visuele media, ....) ?

D


Normalisatie van bibliometrie
e laatste jaren worden gekenmerkt door de introductie van een ‘audit-cultuur’ in de wetenschappen, met nadruk op meetbaarheid van resultaten en impact. Vanzelfsprekend is dergelijke ‘assessment’ van de kwaliteit slechts relevant voor sommige kwadranten van het assenkruis hierboven. Zelfs in die onderzoeksdomeinen waar publicaties en citaties relevant zijn en ‘geteld’ kunnen worden via de Web of Science (WoS) of scholar.google.com is er grote behoefte aan normalisatie (bvb. onderzoeksperformantie gerelateerd aan de gemiddelde impactfactor in een domein, waarbij ook de grenzen van het domein zorgvuldig dienen te worden afgebakend). De publicatie- en citatieculturen verschillend sterk in de biomedische wetenschappen, de ‘zuivere’ wetenschappen en de toegepaste wetenschappen. Deze verscheidenheid moet in rekening gebracht worden bij de evaluatie van projecten, onderzoekers e.d.. Het is immers zo dat de huidige performantie-indicatoren (zoals publicaties en citaties), bepaalde onderzoeksgroepen van de biomedische wetenschappen op het lijf zijn geschreven maar dat ze eigenlijk veel minder tot niet relevant zijn voor andere onderzoeksgroepen. Daarom ook moet dringend werk worden gemaakt van domeinspecifieke indicatoren, zelfs binnen die domeinen waar de evaluatie kwantitatief kan zijn.
B
Heisenberg effect
ijzonder nefast ook is dat dergelijke kwantitatieve metingen van kwaliteit, een imminent gevaar opleveren voor wat men soms het
Heisenberg effect noemt, namelijk ‘elke meting beïnvloedt het gemeten systeem’. M.a.w. het gevaar bestaat dat onderzoekers zich gaan richten naar die wetenschapsdomeinen waar de impactfactoren hoog zijn, en daarom zelfs bepaalde onderzoeksonderwerpen gaan mijden. Dit induceert natuurlijk een grote verschraling van onderzoek, waarbij men alleen maar gaat investeren in ‘fashionable’ onderwerpen. Anders gezegd, er mag geen rangschikking zijn van wetenschapsdomeinen in termen van impact factoren, iets waar sommige evaluatiecommissies zich de laatste tijd soms wel eens aan schijnen te bezondigen.
A
Niet-bibliometrische impact
nderzijds zijn de meer kwantitatieve benaderingen van kwaliteitsevaluatie praktisch niet van toepassing op grote delen van de humane wetenschappen
27. Er zijn weliswaar (krampachtige?) pogingen om systemen voor bibliometrie in de humane wetenschappen te concipiëren. In een recente studiedag in de schoot van de KVAB werden beschouwingen gewijd aan bibliometrie in de filosofie, geschiedenis, literatuurwetenschap, rechten, sociologie en taalkunde, op zich een mooie oefening in het trachten te omschrijven van domeinspecificiteit. Indien we het erover eens zijn dat de kwaliteit van onderzoekers en onderzoek hier ook toch wel dient te worden gemonitored, dan zullen de humane wetenschappen ook zelf domeinspecifieke kwaliteitsmechanismen moeten ontwikkelen.
De onderkenning van domeinspecificiteit houdt ook in dat het ‘centrale’ onderzoeksbeleid zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Immers, domeinspecificiteit impliceert ook dat de ‘performantie’ in verschillende onderzoeksdomeinen niet zondermeer met mekaar kan vergeleken worden. Bijgevolg is ook de verdeling van onderzoeksmiddelen tussen domeinen meer een echte beleidsbeslissing, eerder dan een algoritmische verdeling. Domeinspecificiteit houdt meteen ook in dat de vergelijking van onderzoeksperformantie niet moet gebeuren tussen verschillende onderzoeksgroepen van onze universiteit, maar eerder met gelijkaardige onderzoeksgroepen van andere universiteiten.

      1. Onderzoeksgroepenbeleid

De onderzoeksgroepen aan onze universiteit worden gekenmerkt door een grote diversiteit en zeer uiteenlopende vormen van onderzoek. Het onderzoeksgroepenbeleid moet hier vanzelfsprekend rekening mee houden. Het moet zich richten, zowel op de excellentieniveau’s als op het detecteren van ‘young potentials’ en het identificeren van nieuwe, innovatieve onderzoeksonderwerpen en –disciplines.



        1. Transparantie in evaluatie en toekenning van onderzoeksprojecten

V
Terugkoppeling bij



afgekeurde onderzoeksvoorstellen
ooral jonge onderzoekers en onderzoeksgroepen zijn nogal eens ontgoocheld over de manier waarop aanvragen van mandaten en projecten worden verworpen. Soms is de kwaliteit van de terugkoppeling over de redenen van niet-goedkeuring ondermaats en veelal zelfs onbestaande. Hierdoor ontstaat ook een bepaald soort achterdocht, omdat men, zelfs indien er debriefings georganiseerd worden (bvb. bij de voorronde van een IDO aanvraag), vaak met het gevoel blijft zitten dat de evaluatie ‘niet helemaal objectief’ verloopt, of volgens nogal onduidelijke criteria.
Maar ook het systeem van FWO mandaat- en projectaanvragen zou in die zin kunnen worden bijgesteld: nu is men veelal overgeleverd aan de goodwill van een commissielid, die dan maar in meer of mindere mate ‘uit de biecht moet klappen’.
Ook en vooral bij het FWO wordt soms zwaar gesnoeid in de budgetten, zeker bij interuniversitaire projecten, waardoor een correcte uitvoering van het project zwaar gehypothekeerd wordt.
Mocht de feedback over projecten (zowel wel als niet goedgekeurde) transparant en structureel georganiseerd kunnen worden, dan zou dit de algehele kwaliteit van de onderzoeksaanvragen ten goede komen, en ook een ‘coachend’ effect hebben op jonge onderzoekers.
E
Duidelijkheid over de criteria bij de oproep
en andere veelgehoorde klacht is dat bij heel wat onderzoeksbeleidsinitatieven, de a priori criteria waaraan moet worden voldaan, niet gekend zijn, of in de ‘call’ onvoldoende onderbouwd zijn (bvb. Zware apparatuur, Centers-of-excellence). Vanzelfsprekend dient dergelijke vorm van duidelijkheid voor toekomstige ‘calls’ structureel te worden ingebouwd.

        1. Kwaliteitsvolle rekrutering en coachend onderzoeksbeleid

Met zijn meer dan 7700 personeelsleden (ongeveer 6800 VTE), is onze universiteit één van de grootste werkgevers van de regio. Er zijn ongeveer 1400 ZAP-leden, een kleine 1000 AAP-leden, 2700 BAP werknemers en het ATP telt 2700 leden. Meer dan 60 % is dus academisch en wetenschappelijk personeel, tegenover 40 % administratief en ondersteunend.

De laatste jaren heeft onze universiteit enkele goede trends tot verdere professionalisering van het personeelsbeleid ingezet. Verschillende taak- en functieomschrijvingen werden scherper gesteld, aanwervings- en evaluatieprocedures ter dege uitgewerkt, en ook de werking zelf van de personeelsleden werd meer geprofessionaliseerd via het Anemoon-project, dat een zeer uiteenlopende reeks van diensten op een transparante manier automatiseerde. Nochtans is er nog veel werk aan de winkel.

Wanneer onze universiteit in 2003 door ‘The Scientist’, voor de tweede opeenvolgende maal werd uitgeroepen tot Best place to work for postdocs 28, dan zou ons dit eigenlijk moeten aanzetten tot een algeheel personeelsbeleid waarbij we ‘the best place to be’ voor elke personeelscategorie zouden moeten worden.


D
Investeren in mensen
it is geen voor de hand liggende aspiratie. Zoals de laatste jaren duidelijk blijkt, beweegt de onderzoeks- en onderwijswereld voortdurend. Het aantrekken en rekruteren van excellente mensen, uit binnen- en buitenland, en dit op alle niveau’s, zowel pre- als postdoc, zowel bij junior ZAP als senior ZAP, is daarom een conditio sine qua non om op termijn excellentie na te streven.
Op dit ogenblik is er geen proactief, instellingsbreed beleid dat gericht is op algehele talentenontwikkeling en gaat kijken naar de individuele ontplooiing van jonge onderzoekers tot top-onderzoekers. Er zijn geen systematische mechanismen om jong onderzoekstalent te detecteren of van buitenaf aan te trekken. Dat rekruteringsmechanismen zodanig moeten zijn dat ‘young potentials’ worden gedetecteerd en gerekruteerd, met perspectief op een onderzoekscarrière mits voldoende kwaliteit, daar is iedereen het over eens. Minder consensus is er over de manier waarop die rekrutering dient te gebeuren en wat de te hanteren criteria zijn. Hoe definieert men kwaliteit ? Wordt één en ander domeinspecifiek ingevuld ? Wat zijn de vereisten voor buitenlandse ervaring ? Hoe vermijdt men inteelt ?
Het zijn maar enkele vragen die we moeten aanpakken en waar we naderhand toch duidelijkheid in moeten scheppen om op termijn de kwaliteit van onze instroom aan onderzoekers te garanderen.


          1. Doctorandi en assistenten

Doctoraats-efficiëntie

De kansen voor beloftevolle afgestudeerden om financiering voor een doctoraat te vinden, zijn beter dan pakweg tien jaar geleden. Van alle Vlaamse doctoraten wordt 45 % opgeleverd door de K.U.Leuven. Maar er is toch een groot punt van bezorgdheid, met name de zogenaamde doctoraatsefficiëntie, omdat slechts één op drie van de AAP/BAP leden blijkbaar zijn/haar doctoraat tot een goed einde brengt. Hiervoor bestaan natuurlijk verschillende redenen. Er zijn heel wat BAP-mensen, die op projecten derde geldstroom gefinancierd worden, en projectmatig onderzoek doen als een eerste job, zonder daarom expliciet ab initio te willen doctoreren. Dit zijn trouwens ook meestal projecten van kortere duur (bvb. 1 tot 3 jaar). Een andere reden kan liggen bij de promotor of bij de begeleiding van het doctoraat. Ook hierover bestaan gegegevens die laten vermoeden dat de begeleiding niet altijd even optimaal verloopt, zeker bij de beginfase van het onderzoek, waarbij bijvoorbeeld de juiste uitdagende onderzoeksvragen scherper moeten gedefinieerd worden, of wanneer het onderzoek (schijnbaar) in het slop zit. Soms worden doctorandi ook overdreven ingezet voor andere taken dan onderzoek, daar waar de universitaire regel is dat maximaal 1/3 van de tijd van een doctorandus aan onderwijsopdrachten kan besteed worden. M.a.w. 2/3 van de tijd van AAP/BAP zou aan onderzoek moeten kunnen besteed worden !
Aan deze toch wel grote uitval van potentiële doctoraten moeten we zeker aandacht besteden Dit gebeurt nu o.a. door een nieuwe exit-bevraging i.v.m. AAP/BAP, waarmee de DOC meer zicht probeert te krijgen op dit fenoneem van doctoraatsefficiëntie en ook peilt naar opinies over loon, statuut, niveau van ondersteuning en begeleiding, sfeer, algehele (on)tevredenheid, collegialiteit en ook de belangrijkste redenen om onze universiteit te verlaten. Jaarlijks is er een totale uitstroom van 700 à 1000 onderzoekers (waarvan velen toch hun doctoraat behalen).
E
Aggiornamento

doctoraats-opleiding
én van de andere aandachtspunten is de doctoraatsopleiding, die nu door vele doctorandi als wat zinloos wordt ervaren en soms herleid wordt tot een oefening in ‘voldoende credits verzamelen’. Een zeker
aggiornamento dringt zich hier op, waarbij in een vernieuwde doctoraatsopleiding volgende ‘eindtermen van een doctorandus’ zouden kunnen worden opgenomen:

  • Grondige redactie van een doctoraatsonderzoeksplan (cfr. IWT-bursaal onderzoeksvoorstel) voor alle doctorandi. Dit is geen maatregel die meer administratie veroorzaakt, maar wel een voorstel dat moet dienen om ab initio zowel naar doctorandus als promotor toe de contouren van het doctoraatsonderzoek scherp te stellen. Vanzelfsprekend kan dergelijk document op gezette tijden aangepast worden naarmate het onderzoek de eigen, soms onvoorziene, wegen volgt. Nu immers blijkt dat zelfs na het verstrijken van een eerste mandaat in vele gevallen het doctoraatsproject nauwelijks uitgetekend is.

  • Grondige kennis van een onderzoeksdomein (en niet alleen van het stukje onderzoek dat men zelf heeft gedaan). In staat zijn om het eigen onderzoek te situeren binnen een voldoende generisch geheel.

  • Voldoende vernieuwende bijdragen geleverd hebben in een bepaalde onderzoeksdomein (publicaties met peer-review of andere gangbare vormen van ‘output’) en deze voorgesteld hebben op internationale workshops en conferenties.

  • Tonen dat men in staat is om op autonome wijze aan diepgaand wetenschappelijk onderzoek te doen en dat men ook zelfstandig de organisatie ervan in handen kan nemen.

  • Gewerkt hebben aan een internationaal netwerk (bvb. minstens 1 belangrijke buitenlandse wetenschapper overtuigen om deel uit te maken van het leescomité).

  • Voldoende tijd in het buitenland hebben doorgebracht. De internationale mobiliteit van onze doctorandi dient gestimuleerd.

  • Communicatievaardigheden, mondeling en schriftelijk, en ook getuigen van behoorlijke didactische kwaliteiten; als mature doctoraatstudent jongere doctoraatstudenten ‘coachen’.

  • Inzicht hebben in de manier waarop financiering van onderzoek gebeurt. Minimaal inzicht in het wetenschapsbeleid en inzicht hebben in de bredere administratieve en wettelijke structuren waarin men als doctorandus werkzaam is.

  • Minstens aan één onderzoeksproposal meegewerkt hebben.

  • Bereid zijn om een kritisch, wetenschappelijke attitude aan te nemen, dit kunnen plaatsen in een meer globaal kader en voldoende belangstelling hebben voor de wetenschappen in hun geheel.

De doctoraatsopleiding zou hierop kunnen inspelen door een ‘cursus’ in te richten waarbij voor grotere groepen doctoraatstudenten volgende aspecten aan bod komen:



  • kennismaking met de brede universiteit, als werkgever; overzicht van onderzoeksdomeinen.

  • schriftelijke wetenschappelijke communicatie (papers, posters, presentaties); wetenschappelijke publicatiemechanismen en deontologie. In principe kan een doctoraatstekst nu reeds bestaan uit een iuxtapositie van artikels in tijdschriften met review. Waarom gebeurt het dan zo weinig ?

  • bewustmaking van wetenschappelijke deontologie (plagiaat, fraude, refereren en referentiesystemen, prioriteitsclaims, collegialiteit, best practices, naar een eed van Hippocrates voor wetenschappers ?) ;

  • kennismaking met financieringsmechanismen van onderzoek; proposals; wetenschapsbeleid.

  • wetenschapscommunicatie en –popularisering; omgaan met media.

  • bewustmaking van de maatschappelijke dimensies van onderzoek, ethische, juridische en democratische implicaties e.d.

Dergelijke – meer volwassen en minder schoolse – doctoraatsopleiding kan alleen maar bijdragen tot een betere vorming van onze doctorandi, en tot een betere uitstraling van onze universiteit wanneer zij later in hun beroepsleven onze beste ambassadeurs kunnen worden.


E
Graduate Schools
r zou ook werk moeten gemaakt worden van interuniversitaire doctoraatsopleidingen (zoals bvb. de ‘Truncus Communis Medische Wetenschappen’, waarbij het luik onderwijs gemeenschappelijk wordt georganiseerd tussen K.U.Leuven, LUC, UA, UG en VUB). Bovendien moeten we dringend werk maken van zgn. ‘Graduate Schools’, waarbij ook en vooral buitenlandse lesgevers uitgenodigd worden om gespecialiseerde thematische cursussen te doceren aan onze doctoraatstudenten
29.
Het beleid naar doctorandi toe dient ook domeinspecifiek te zijn:

  • Er bestaan aan onze universiteit verschillende onderzoeksgroepen waar zeer degelijk onderzoek gebeurt, maar waar de instroom van doctorandi (vanwege bvb. een gebrek aan eigen studenten) ondermaats is. Specifiek voor deze onderzoeksgroepen – maar ook voor alle andere – zijn drastische maatregelen nodig in het internationaal rekruteringsbeleid (zie hoofdstuk over Internationaal Beleid) willen we op termijn het onderzoek in deze groepen consolideren. Anderzijds dient te worden bekeken of het rekruteringsbeleid naar de corresponderende afstudeerrichtingen toe wel afdoende werkt.

  • In andere faculteiten en departementen is er dan weer bijzondere aandacht nodig rond de zogenaamde doctoraatsefficiëntie (zie hierboven): de uitval van mensen vooraleer ze hun doctoraat kunnen afleggen is te groot (omwille van vraag uit de markt, of omwille van onmogelijke combinatie met andere opdrachten).

  • In dan nog weer andere domeinen wordt een doctoraat op de arbeidsmarkt quasi niet gevaloriseerd of is er geen speciale interesse voor mensen met een doctoraat. Ook hier dient meer in detail gekeken te worden naar mogelijke remedies.

I
Doctoraat van drie jaar ?


n het spoor van de recente BAMA hervormingen doorheen Europa, blijkt er nu ook een discussie op te duiken over de aan te bevelen duur voor een doctoraat, waarbij – horresco referens – gedacht wordt aan 3 jaar (naar Engels model ?). Ik denk dat er aan onze universiteit een brede consensus bestaat dat dit onmogelijk is, tenzij men natuurlijk de vereisten voor het behalen van een doctoraat drastisch herziet, wat op zich al een enorme ‘culturele’ en wetenschappelijke verschraling zou inhouden. De vier jaar die de meeste financieringsorganismen nu hanteren zijn weliswaar doenbaar, maar worden soms ook al als te krap ervaren. Ons standpunt hier is dat tot nader order aan de duur van een gemiddeld doctoraat niet moet gesleuteld worden.


Uniformisering statuut AAP/BAP

Specifiek voor doctorandi bestaan overigens nog vele administratieve problemen die te maken hebben met statuut (bvb. verblijfsvergunningen), met financiering (bvb. tussentijdse verloning in afwachting van een IWT beurs, problematiek van DIMONA, quid indien de beurs niet wordt gehaald, e.d.). Bovendien zouden duidelijke afspraken moeten gemaakt worden omtrent de didactische inzetbaarheid van mensen die aan een doctoraat werken, of andere taken van studiebegeleiding (zoals monitoraat), vooral in kleinere afdelingen en departementen. Naar de potentiële jonge werknemers/onderzoekers toe bestaat hierover een grote onduidelijkheid, maar ook intern, bij de ZAPpers, bestaat grote verwarring rond verwachtingspatronen terzake en vragen van bvb. didactische inzetbaarheid. Zo is de lijn tussen ‘onderzoeksassistenten met een procentuele onderwijstaak’ en ‘onderwijsassistenten met gerichte participatie in onderzoeksactiviteiten’ soms flinterdun. Ook de ‘bescherming van de onderzoekstijd’ is niet uniform over de verschillende mandaten heen. Niettegenstaande verschillende recente initiatieven, en een ‘Beleidsnota over opdracht en taken van assisterend en bijzonder academisch personeel’, blijft toch een grote onduidelijkheid bestaan, waardoor het soms voorkomt dat een doctoraat niet gefinaliseerd kan worden binnen de zes jaar, wat op zich al een (veel te) lange periode is30. Zo is op vele plaatsen de in deze beleidsnota gedefinieerde ‘ondersteuningspool ABAP’ niet operationeel (opdeling in onderwijs-, onderzoeks- en dienstverleningsvereisten, bepaling van verantwoordelijkheden en supervisie e.d.), evenmin als systemen die de berekening van belasting en benodigde ondersteuning mogelijk maken. Trouwens, onder andere door invoering van ‘Begeleide Zelfstudie’, maar ook in de toekomst door een steeds toenemende flexibilisering, zal de structurele onderomkadering voor onderwijsondersteuning, die nu al bestaat, waarschijnlijk nog groter worden !
H
Praktijkassistenten
et profiel en de opdracht van de huidige praktijkassistenten moet herbekeken worden in de richting van ‘onderwijsassistenten nieuwe stijl’, d.w.z. dat hun opdracht ruimer geïnterpreteerd moet worden dan het praktijkgebonden onderwijs: zij nemen best ook deel aan het onderzoek in een of andere vorm (bvb. onderwijsgerichte onderzoeksprojecten (OOI), onderwijskundig georiënteerde doctoraatsprojecten).
In het algemeen moeten we werk maken van een meer uniforme regeling in de grote diversiteit van statuten van ‘assistenten’ die nu bestaat: FWO-aspiranten, IWT-mandatarissen, assistentenmandaten (onderwijs-, praktijk-), FLOF-mandaten, BAP-mandaat (wetenschappelijke medewerkers gefinancierd op projecten) e.d. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat, vooral in grote onderzoeksgroepen, de meerderheid van de doctorandi een BAP statuut hebben en derhalve het AAP sterk in de minderheid is.

I
Terug VWP ?


n het universiteitsdecreet van 1991 werden alle leden van het Vast Wetenschappelijk Personeel (VWP) omgezet in ZAP. Het VWP speelde in het verleden de rol van een ‘wetenschappelijk middenkader’. In vele gevallen neemt het ABAP sommige taken van dit vroeger middenkader over, maar op een minder effectieve wijze gezien het grotere verloop, waardoor steeds weer ervaring verloren gaat. Moeten we niet terugdenken aan het herinvoeren van VWP (bvb. Werkleiders) ? Er zijn ook nieuwe functies die mogelijks op de kaart moeten gezet worden: Door de toenemende administratieve overlast die met projectonderzoek gepaard gaat, is er een groeiende vraag naar de functie van projectcoördinator, die momenteel onder het ATP gedefinieerd wordt, maar vroeger wellicht onder VWP zou geressorteerd hebben.


          1. Postdocs en junior ZAP

I


Postdoc als kritische schakel in onderzoek
n de keten van doctoraat naar senior onderzoeker, vormen de postdocs onze meest kwetsbare schakel. Door de inhaalbeweging voor W&T zijn de voorbije tien jaar de opportuniteiten om aan een doctoraat te beginnen, enorm toegenomen31. Maar de selectietrechter wordt zeer nauw eenmaal het om postdocs gaat. Er zijn weliswaar zeer veel kanalen waar postdocs ‘tijdelijk’ op terecht kunnen (FWO, IWT, GOA, IUAP, Europees (ESF, EMBO, Marie-Curie,...) maar zelden overstijgt dit een financiering van drie of vier jaar. Ook op het BOF is de spanning tussen aantal aanvragen en wat uiteindelijk kan worden toegekend aan postdocmandaten veel te groot 32.
H
Brain waste
et is nochtans absoluut noodzakelijk om in postdocs te investeren, omdat, wanneer zij een redelijk perspectief hebben, zij zich ook intellectueel in de potentieel meest productieve fase van hun onderzoeksloopbaan bevinden. Door te grote onzekerheid in loopbaanperspectief verliezen we hier veel talent dat wegvloeit naar de industrie, naar het buitenland, kortom naar andere opportuniteiten. Bovendien is de combinatie gezin – onderzoek precies ook in deze periode van de onderzoeksloopbaan heel belangrijk en kwetsbaar. Met een boutade zou men kunnen zeggen dat deze meeste
creatieve fase, ook de meest procreatieve is. Vele vrouwelijke gedoctoreerden verdwijnen hier voor altijd uit het onderzoek, een ‘brain waste’ die eigenlijk één van onze belangrijkste vormen van ‘brain drain’ is.
Voor de gelukkigen die een FWO postdoc mandaat verwerven, is een periode van 9 jaar bovendien veel te lang. Zelfs vanaf het zevende jaar is er nog altijd geen harde garantie op een redelijke zekerheid dat ‘men zal kunnen blijven’. Een andere paradox is dat buitenlandse ervaring voor onze postdocs een must is, maar dat, tenzij ze gefinancierd worden op het FWO, het risico reëel is dat ze niet terugkeren als de opportuniteiten hier onvoldoende zijn.
I
Multi-inzetbaar ?
n vele onderzoeksgroepen is er grote nood aan post-docs, omdat de huidige ratio doctorandi/ZAP veel te groot is, waardoor de kwaliteit van de begeleiding van doctorandi eronder lijdt. Maar vandaag de dag worden ook postdocs, veel meer nog dan vroeger, onder zware (prestatiedruk) gezet, niet alleen in de onderzoeksdimensie, maar tevens in alle andere dimensies die van toepassing zijn voor een ZAPprofiel. De meeste postdocs werken hard aan het eigen wetenschappelijk dossier, omdat zij vooral hierop worden afgerekend bij een eerste benoeming (en ook nog later in hun wetenschappelijke carrière). Maar ze worden ook hoe langer hoe meer ingeschakeld in alle andere facetten van het wetenschappelijk onderzoek, zoals het verwerven van onderzoeksfondsen door het schrijven van onderzoeksvoorstellen en het genereren van rapporten daarover; de begeleiding van één of meerdere doctorandi; bijstand verlenen bij het invullen van nieuwe onderwijsprogramma’s (masters of manama’s); enz.
Vanuit deze analyse kunnen we onmiddellijk verschillende belangrijke beleidsactiepunten distilleren:

  • Vooreerst is een substantiële additionele injectie in middelen vereist voor postdocs, zowel bij FWO als bij BOF, gewoon om de aantallen en bijgevolg de slaagkansen te verhogen tot op een aanvaardbaar en rechtvaardig niveau. Dit is een speciaal onderdeel van het pleidooi naar de overheid toe voor meer middelen in de tweede geldstroom (zie verder in deze beleidsnota).

  • Verder dient de missie van een postdoc in de keten van doctoraat naar senior onderzoeker (bvb. PhD – postdoc – BOF ZAP – benoeming) veel duidelijker te worden uitgewerkt (zie verder).

H
Recruterings-procedures


et zou onze universiteit sieren mochten we werk maken van geüniformiseerde en transparante rekruteringsprocedures en profielvacatures. Het hele systeem is duidelijk aan een revalorisatie toe, omdat er teveel vacatures zijn ‘à la tête du client’, wat uiteindelijk teveel uitmondt in inteelt. Zelfs tussen Vlaamse universiteiten is er relatief weinig mobiliteit. En ook het aantal Nederlandse onderzoekers aan onze universiteit is eerder beperkt. Dit is in zekere zin toch wel symptomatisch. Nochtans liggen de ingrediënten die we moeten inzetten voor de hand: internationale bekendmaking en toetsing, duidelijke en a priori gespecifieerde criteria, voldoende externe leden in de benoemingscommissies, ruimte voor innovatieve onderwerpen.
We moeten dan ook dringend duidelijkheid scheppen in de globale tijdsschaal van een onderzoeks-beroepstraject. De 3 x 3 jaar postdoc op het FWO, gevolgd door een profielvacature of een 2 x 5 BOF-ZAP mandaat, wordt door velen als zeer lang ervaren en wordt bovendien omgeven door een soort ‘flou artistique’, waarbij zelfs de mentor van de postdoc soms zwaar moet gokken ‘dat alles wel in orde zal komen’33. Daarenboven is de duur van de periode waarin men postdoc is, de laatste 20 jaren klaarblijkelijk drastisch toegenomen, tot de 9 jaar FWO van vandaag.
B
Vergrijzing & verjonging van ZAP
ovendien moeten we wel dringend helderheid creëren omdat de komende jaren heel veel benoemingen mogelijk worden. Immers, als gevolg van een massieve aanwerving in de gouden jaren 60-70, is nu ongeveer 1/3 van onze professoren ouder dan 55 jaar, en zal binnen dit en 10 jaar toegelaten worden tot het emeritaat. Dit betekent dat aan onze universiteit de komende 10 jaar ongeveer 500 ZAP-mandaten ter beschikking komen
34. Voorwaar een goede motivatie om dringend werk te maken van heldere benoemingsprocedures !
Maar er is meer. Wil Europa in 2010 kunnen concurreren met de VS, dan moeten er naar schatting 700 000 onderzoeksmandaten bijkomen. Verwacht wordt dan ook dat de verschillende regionale en Europese overheden, middelen zullen vrijmaken om meer onderzoeksmandaten te creëren. Vlaanderen scoort op dit punt nu immers vrij pover. Het percentage studenten dat onderzoeker of prof wordt, bedraagt nauwelijks de helft van het Europees gemiddelde.


Tenure track



Ik stel dan ook voor om een duidelijke variant van het Amerikaanse ‘tenure track’ systeem met a priori gedefinieerde en a posteriori meetbare evaluatiecriteria 35, uit te werken. De ingrediënten van dit systeem zijn de volgende:
E
Duidelijke timing
en duidelijke tijdsschaal
: We gaan uit van vier jaar doctoraat, gevolgd door een periode van drie jaar postdoc (werken aan publicaties, impact, internationale mobiliteit), en dan een ‘tenure track’ van vijf jaar, met een tussentijdse evaluatie na twee jaar, waarbij een duidelijke ‘go’ of ‘no go’ wordt geformuleerd. Bij een ‘no go’ behoort een aanstelling in één van de hogescholen van de Associatie tot de mogelijkheden, met eventuele mogelijkheid later tot verdere participatie in aanwervingsprocedures aan de universiteit of het opzetten van onderwijs- en onderzoekssamenwerkingsverbanden tussen hogeschool en universiteit.
D
Duidelijke criteria
e performantie- en evaluatiecriteria
worden duidelijk op voorhand geëxpliciteerd, alsook het profiel en inzetbaarheid van de postdoc naar andere componenten toe (onderzoeksproposals schrijven, begeleiden van doctorandi, eventuele onderwijsopdrachten). Dit laatste kan ook gebeuren d.m.v. tweejaarlijkse functioneringsgesprekken zoals bij het ZAPprofiel. Ook voor wat betreft de vereiste internationale ervaring zou men duidelijkheid moeten scheppen. Zo bijvoorbeeld zijn korte verblijven aan een buitenlandse universiteit, met duidelijke aantoonbare resultaten (bvb. artikels in co-auteurschap met gerenommeerde onderzoekers) beter dan een lang verblijf aan een buitenlandse instelling, zonder merkbare output. Dergelijke explicitering van verwachtingen verduidelijkt ook veel naar vrouwelijke onderzoekers toe.
B
Opstartkredieten
ovendien worden er opstartkredieten voorzien, waarbij een beginnend postdoc/junior ZAP een programmafinanciering krijgt dat hem/haar toelaat initieel enkele medewerkers aan te werven (doctorandi, technici,...) vooraleer andere kredieten te verwerven op meer competitieve basis.
E
Assistent professor
en laatste innovatie bestaat eruit dat de junior ZAP desgewenst een voldoende autonomie krijgt, dus niet noodzakelijk onder de vleugels van een ander ZAPlid moet werken. Vanzelfsprekend zal hij/zij wel ingebed worden in een organisatorische entiteit van de faculteit of het departement (Dit komt overeen met het statuut van ‘assistant professor’ aan Amerikaanse universiteiten).
T
Coachen van jonge onderzoekers
enslotte kan er op groepsniveau, specifiek bij het groepsbestuur, een grotere aandacht worden gegeven aan het
coachen van wetenschappelijke onderzoeksinitiatieven. Vele jonge onderzoekers hebben – zeker bij het begin van hun carrière aan onze universiteit – heel wat vragen omtrent het vinden van financiering, het rekruteren van doctoraatsstudenten, de ideale samenstelling van een onderzoeksgroep, het nastreven van kwaliteit laat staan excellentie, wat een uitgekiende publicatiestrategie inhoudt, enz.... (Vele ‘oudere’ onderzoekers hebben soms ook gelijkaardige vragen en twijfels!). We kunnen ongetwijfeld de kwaliteit bevorderen van de begeleiding van deze onderzoekers door hen vanuit het beleid een luisterend oor te geven (meer dan nu het geval is), en te coachen waar nodig. Het identificeren van rolmodellen zou hier ook belangrijk kunnen zijn. We moeten ook kijken naar de samenstelling van onderzoekseenheden waar dat relevant kan zijn: Is er een voldoende mix van ervaring en jong talent ? Is er een voldoende internationale profilering ? Is er voldoende kritische massa in middelen en mensen om de doelstellingen en wetenschappelijke aspiraties te realiseren ? Is er voldoende begeleiding voor de doctoraatsstudenten ?


          1. Brain gain en reverse brain drain

Hoewel minder schrijnend dan pakweg 15 jaar geleden, is de zogenaamde Europese brain drain richting VS, nog altijd een feit: geschat wordt dat er momenteel 400 000 onderzoekers zijn die hun opleiding in Europa gekregen hebben, maar nu in de VS resideren. Drie vierden van de Europeanen die tussen 1991-2000 hun doctoraat in de VS behaalden, zijn van plan daar te blijven.


E
Reverse brain drain
r blijken echter nogal wat wat mogelijkheden te zitten in het aanzwengelen van een ‘reverse brain drain’
36. Het blijkt namelijk dat heel wat Vlamingen die al een succesvolle onderzoekscarrière in het buitenland hebben aangevat (en bvb. al ‘tenured’ zijn), bij nader inzien toch wel naar Vlaanderen willen terugkeren. Zowel bij het VIB als bij sommige departementen aan onze universiteit, heeft deze formule zijn succes al bewezen. Onderzoekers met dit profiel zijn meestal kwalitatief hoogstaand en hebben ook minder moeite met een inpassing in de soms toch wel complexe structuren en mechanismen aan onze universiteit. Op dit ogenblik ontbreekt het echter aan een duidelijk beleid terzake en zijn de voorbeelden van ‘reverse brain drain’ bijna allemaal ‘ad hoc’ initiatieven. Wellicht wordt binnenkort op initiatief van de Vlaamse minister van Wetenschapsbeleid een fonds opgericht om Vlaamse toponderzoekers naar Vlaanderen terug te halen37.
A
Brain gain
nderzijds moeten we ook de zogenaamde ‘lateral hiring’ – het aantrekken van reeds gerenommeerde niet noodzakelijk Vlaamse onderzoekers – niet schuwen. Weliswaar mag dit niet gebeuren ten koste van de bestaande initatieven van het onderzoeksgroepenbeleid maar moet dit gebeuren met ‘extra’ middelen. We moeten duidelijk werken aan de wervende kracht van onze universiteit, die eigenlijk te weinig aantrekkelijk is voor buitenlandse onderzoekers, zelfs niet voor onderzoekers vanuit andere Vlaamse of Nederlandse universiteiten. Dit komt omdat onderandere onze profielvacactures ingekleurd worden ‘ à la tête du client’, met bepaalde personen in gedachten wat in vele gevallen tot pure inteelt lijdt.

          1. Bijna en jonge emeriti

Een lid van het ZAP kan desgewenst met pensioen gaan vanaf de 60ste verjaardag, maar is zeker verplicht op pensioen te gaan bij 65. Vele bijna emeriti, en vele ‘jonge’ emeriti hebben hun ongenoegen geuit met de huidige gang van zaken bij het ‘toegelaten worden tot het emeritaat’. Voor velen is de overgang nogal abrupt, vooral wanneer zij nog steeds wetenschappelijk zeer actief zijn. In vele onderzoeksgroepen trouwens, is de expertise en ervaring van de zestig-plussers van onschatbare waarde ! Het is echter voorzien dat professoren die met pensioen gaan, ook nog bepaalde academische taken kunnen blijven vervullen, waaronder o.a. het verder beheren van onderzoekskredieten (met het statuut van bijzonder emeritus). Maar misschien moeten we toch een verdere denkoefening opzetten over hoe we emeriti – die dat wensen – nog kunnen inschakelen. Voorbeelden zijn: begeleiden van beginnende onderzoeksgroepen, alumni-werking, fondsenverzamelen, en misschien ook wel in het kader van Universitaire Ontwikkelingssamenwerking.




        1. Onderzoeksgroepenbeleid (vertikaal)

De notie van onderzoeksgroep aan onze universiteit is zeer divers. Er bestaan grote en kleinde onderzoeksgroepen (in het extreme geval zelfs één persoon). En ook de manieren waarop aan onderzoek wordt gedaan, zijn zeer divers (fundamenteel, experimenteel, klinisch, toegepast, beleidsondersteunend, met al dan niet zware apparatuur of met pen en papier, enz.). Het onderzoeksbeleid zal dan ook zeer expliciet met deze grote diversiteit moeten rekening houden.


1/3 ZAP onbekend bij DOC

Vooreerst is er een onrustwekkende vaststelling dat een niet onaanzienlijk deel van de ZAPpers (ongeveer één derde) van onze universiteit niet voorkomt in de databank van de Dienst Onderzoekscoördinatie. Dit impliceert dat zij de laatste jaren totaal geen gefinancierde onderzoeksprojecten hebben uitgevoerd, noch doctoraatstudenten hebben begeleid. Stimuleren van het doen van onderzoek is een eerste vereiste in een onderzoeksgroepenbeleid, al was het maar alleen omdat de basis van universitair onderwijs precies de onderzoekscomponent is38.


O
Aankomend talent
ok de vroege detectie van jong talent verdient bijzondere aandacht. Het is aangewezen dat we nadenken over formules om aan dergelijke aankomend talent de nodige autonomie te kunnen geven. Hierbij kan gedacht worden aan een formule van opstartkredieten (via FWO, uitbreiding van het Krediet aan Navorsers, of een nieuw te nemen initiatief op het BOF), maar ook en vooral de garantie op een grotere zelfstandigheid om zelf een domein af te bakenen en daarbinnen te handelen. In de VS bvb. impliceert het statuut van ‘assistant professor’ een veel grotere autonomie dan hier het geval is. Men heeft er dezelfde rechten en plichten – zij het tijdelijk – als een ‘full professor’.
V
Domeinspecificiteit
anzelfsprekend moet ons onderzoeksgroepenbeleid domeinspecifiek zijn. In sommige domeinen gebeurt onderzoek eerder individueel, in andere dan weer uitgesproken in teamverband. Specifiek voor de groepen Exacte en Biomedische bestaan modellen die zeggen wat de ideale samenstelling is van een goede onderzoeksgroep. Meestal hanteert men hiervoor het zogenaamde ‘Cambridge model’, dat stipuleert dat er per senior onderzoeker (ZAP), 1 à 2 junior onderzoekers zijn (niveau postdoc) en per junior onderzoeker 3 à 4 doctoraatsstudenten. Dergelijke onderzoekscel kan zeer performant zijn wanneer ze een duidelijk onderzoeksplan volgt, met duidelijke objectieven, liefst goed gefocussed, en sterk ondersteund door een faciliterende administratie (in Vlaanderen wordt dit ook wel het ‘VIB-model’ genoemd).
I
Publicatiestrategie
n die domeinen waar publiceren belangrijk is, moet er ook een publicatiestrategie worden ontwikkeld. Deze bestaat typisch uit drie niveau’s: aantallen publicaties in internationale tijdschriften (meestal van de hand van doctoraatsstudenten), het nastreven van impact (dit kan gebeuren door te mikken op tijdschriften met hoge impact factor, een verantwoordelijkheid van de postdocs, en ook door misschien ‘minder maar beter’ te publiceren in een reeks van tijdschriften die meer ‘gefocussed’ is) en recurrentie van impact (een verantwoordelijkheid van de senior onderzoeker).
H
Programmafinanciering
et onderzoeksgroepenbeleid zou zich ook kunnen buigen over zogenaamde programma-financiering als aanvulling op projectfinanciering. In zekere zin heeft dit in het verleden bestaan in de vorm van de IUAPs (InterUniversitaire AttractiePolen) en GOAs (Geconcerteerde OnderzoeksActies). Maar de laatste jaren merken we steeds meer dat ook deze financieringskanalen afglijden naar projectfinanciering. Het is immers zo dat alle financiering van onderzoeksgroepen nu moet verworven worden op basis van projecten, waarvoor telkens weer voorstellen dienen te worden geschreven, tussentijdse rapporten en eindrapporten. Dit zorgt voor een behoorlijke administratieve overhead. Wanneer het onderzoeksbeleid zijn verantwoordelijkheid neemt, zou aan (een selectie van) onderzoeksgroepen kunnen gevraagd worden om een meerjaren-onderzoeksplan te genereren, waarvoor dan financiering wordt toegekend. De kwaliteit van onderzoek wordt dan opgevolgd via tussentijdse evaluaties, niet alleen kwantitatief maar ook via ‘peer review’, zonder grote verplichtingen inzake ‘administratieve’ rapportering. Wanneer de doelstellingen na verloop van tijd worden behaald, wordt de financiering voortgezet, zoniet gradueel afgebouwd en moet de onderzoeksgroep terug meer via competitieve projectfinanciering gaan werken. Dergelijke financieringskanalen zou men kunnen beschouwen als een soort ‘geestelijke – wetenschappelijke’ sabbatical, waarin belangrijk ‘generisch’ onderzoek gebeurt dat de basis kan leggen voor nieuw thematische onderzoek in de toekomst. Gelijkaardige modellen van onderzoek worden gehanteerd bij het VIB en bij IMEC, maar zijn in principe ook toepasbaar op onze universiteit.
D
Excellentiefinanciering
ergelijke programmafinanciering zou ook een stap kunnen zijn in de richting van excellentiefinanciering39. Hoewel hiervoor recent een eerste oproep werd gelanceerd (gefinancierd met middelen uit het zogenaamde defiscaliseringsinitiatief van de federale regering), liet deze toch nog veel aan duidelijkheid te wensen over. Zo bijvoorbeeld was er geen enkele poging tot omschrijving van ‘excellentie’ (die niet anders dan domeinspecifiek kan zijn). Men liet de definitie van performantie en de relevante indicatoren volledig over aan de indieners zelf, wat natuurlijk een eerste selectie op basis van ‘politieke’ criteria makkelijk maakt. Zo ook ontbrak een duidelijk referentiekader voor ‘externe’ benchmarking: het ligt voor de hand dat excellentie alleen maar definieerbaar is t.o.v. externe onderzoekers en onderzoeksgroepen. In zekere zin mag de definitie van ‘excellentie’ nog breder: er moet ook gezorgd worden voor Vlaamse en internationale uitstraling en voor het ondersteunen van het onderzoek via hoog-kwalitatief onderwijs (Manama’s en Graduate Schools). Samengevat kan men stellen dat het hele idee van excellentiefinanciering wat prematuur werd gelanceerd, en zeker verdere uitwerking behoeft (bvb. in de schoot van de Raad Onderzoeksbeleid).
M
Toegepast en beleidsondersteunend onderzoek
aar er zijn ook nog vele andere vormen van onderzoek, gefinancierd vanuit vele diverse kanalen. Zo bijvoorbeeld fungeren onderzoekers in de Exacte en Biomedische Wetenschappen regelmatig als partner in IWT-projecten in samenwerking met bedrijven, zijn ze piloot of partner in projecten rond ‘Strategisch BasisOnderzoek’, e.d. In de Humane Wetenschappen zijn verschillende onderzoeksgroepen piloot of partner in Beleidsondersteunende Onderzoeksinitiatieven. Zoals ook kan worden afgemeten aan de inkomsten via LRD, is er ook heel wat directe contractresearch tussen onderzoeksgroepen van onze universiteit en bedrijven.
H
Multi-criteria definitie van onderzoeks-performantie
et Onderzoeksbeleid zou een veel fijnere invulling moeten maken van evaluatie- en kwaliteitscriteria. Zo bijvoorbeeld is het feit dat een onderzoeksgroep regelmatig met bedrijven samenwerkt, zeker en vast representatief voor de geleverde kwaliteit, al wordt die niet noodzakelijk afgemeten aan de hand van publicaties en citaties voor dit soort onderzoek. Er kunnen ook heel wat andere ‘deliverables’ zijn die duiden op een hoogstaande kwaliteit: Wanneer bijvoorbeeld publiek toegankelijke software massaal wordt gedownload, of wanneer een bepaalde website massaal wordt geconsulteerd, kunnen dit ook indicaties zijn van een grote impact. Onderzoeksgroepen betrokken in beleidsondersteunend onderzoek, zien hun werk misschien overgenomen in bepaalde beleidsmaatregelen van de overheid, wat duidelijk ook een teken is van geleverde kwaliteit. Idem dito geldt voor klinische onderzoeksactiviteiten, waarvan de kwaliteit en impact op een andere manier dan puur bibliometrisch dient te worden ingeschat.
Tot nu toe hebben we het vooral gehad over ‘modellen’ voor onderzoek in de Biomedische en Exacte Wetenschappen. In de gedrags-, geestes- en cultuurwetenschappen gelden andere definities van kritische massa, impact en kwaliteit. Verkeerdelijk is de laatste jaren de indruk ontstaan als zou er in de Humane Wetenschappen geen onderzoek van betekenis gebeuren, omdat de bibliometrische indicatoren hier totaal irrelevant zijn. In dezelfde geest is er een trend om wetenschapsdomeinen te rangschikken volgens impactfactoren. Impactfactoren meten het gemiddeld aantal citaties van artikels in een bepaald tijdschrift over een bepaalde periode, zijn in die zin een maat voor de kwaliteit van dat tijdschrift, waarbij echter wel expliciet wetenschappelijke cultuurverschillen tussen die domeinen moeten in rekening gebracht worden. In bepaalde domeinen wordt immers meer en gemakkelijker geciteerd, bijvoorbeeld omdat de overeenkomstige onderzoeksgemeenschap veel groter is. Dus zelfs in die domeinen waar bibliometrische indicatoren relevant zijn voor kwaliteit, is toch een zorgvuldige normalisatie nodig om te compenseren voor de cultuurverschillen.
Mijn voorstel is om in de nabije toekomst werk te maken van domeinspecifieke kwaliteitsindicatoren, die, in combinatie met systemen van ‘peer review’, ook wetenschappelijke kwaliteit in de humane wetenschappen kunnen karakteriseren.

Ingrediënten van het onderzoeksgroepenbeleid

Samengevat: het onderzoeksgroepenbeleid dat we voor ogen hebben, bestaat uit een mix van volgende ingrediënten:




  • Detectie en/of rekrutering van jonge veelbelovende onderzoekers, vergezeld van een formule van opstartfinanciering en evaluatiemechanismen.

  • Coachen van jonge onderzoekers en hun (beperkte) ploeg (voldoende postdocs, voldoende maar ook niet teveel doctoraatstudenten); uitwerken en volgen van een onderzoeksplan.

  • Doorgedreven stimuleren tot meedingen naar financiering (projecten/mandaten) in competitieve kanalen (BOF, FWO, andere,....).

  • Stimuleren tot participatie in internationale netwerken; strategie voor internationalisering; nastreven van ‘renommé’.

  • (Waar relevant) begeleiden in verwerven van kritische massa in mensen en middelen.

  • (Waar relevant) programmafinanciering, d.w.z. het verlenen van financiële steun, met duidelijke objectieven en evaluatiecriteria, voor een duidelijk afgelijnde periode, los van specifieke onderzoeksprojecten.

  • (Waar relevant) excellentiefinanciering.

  • Beoordeling van kwaliteit op basis van domeinspecifieke indicatoren (die in vele gevallen nog beter moeten worden uitgewerkt).


        1. Onderzoeksgroepenbeleid (horizontaal)



Vertikale en horizontale onderzoekslijnen

In sommige excellente universiteiten elders in de wereld (bvb. MIT), visualiseert men het onderzoek in de vorm van een matrix, waarbij de kolommen de vertikale, inhoudelijke lijnen van onderzoek zijn (bvb. fundamenteel onderzoek in de quantumfysica, of fundamenteel onderzoek in linguistiek, of kwantitatieve psychologie, enz....). Dit onderzoek wordt typisch gefinancierd door mee te dingen in de financieringskanalen voor onderzoek op initiatief van de vorser zelf (BOF, FWO, en misschien over afzienbare tijd via een Europees Fonds voor Fundamenteel Onderzoek (zie verder)). Anderzijds visualiseert men dan ook zogenaamde ‘horizontale’ lijnen, die eerder discipline-overschrijdend zijn. Sommige van deze lijnen zouden binnen één enkele groep kunnen ontwikkeld worden. Anderen zijn dan weer groepsoverschrijdend.


Uit verschillende voorbeelden blijkt dat excellente universiteiten over een bijzondere capaciteit beschikken om nieuwe initiatieven te ontwikkelen en middelen te alloceren naar nieuwe domeinen. Leidende instellingen proberen op ingrijpende nieuwe ontwikkelingen te anticiperen en die zelfs aan te sturen. Deze initiatieven vergen vaak het overstijgen van oudere structuren en het opereren op het kruispunt van verschillende disciplines. Interdisciplinaire initiatieven (vergrijzing, global warming, enz...) situeren zich over alle disciplines, zowel in de humane, exacte, toegepaste en biomedische wetenschappen. De impact is niet enkel op onderzoeksgebied, maar ook op onderwijsgebied bijzonder groot en stimulerend, op voorwaarde natuurlijk dat aan dergelijke initiatieven voldoende middelen worden gealloceerd. Dit laatste vergt dan weer een visionair en verantwoordelijk onderzoeksbeleid. Centrale bestuurders moeten durven keuzes maken !
Het spreekt voor zich dat aan onze universiteit de initiële condities en de randvoorwaarden voor dergelijke initiatieven zeer gunstig zijn.
Z
Leuvense onderzoeks- instituten
o zou men in de Groep Humane Wetenschappen een horizontale lijn ‘Europa’ kunnen definiëren en daarrond al het onderzoek groeperen op taalkundig, cultureel, juridisch, sociologisch, geschiedkundig, politiek, enz. vlak dat met Europa te maken heeft. Dit zou dan kunnen evolueren naar een ‘Institute of European Studies’, waaraan ook opleidingsaspecten verbonden worden. Andere voorbeelden zijn de oprichting van een LIAS (Leuven Institute for Advanced Studies), naar analogie met het Nederlandse NIAS, en dat verschillende domeinen uit de geesteswetenschappen zou kunnen groeperen. Of horizontale lijnen rond religie en zingeving, Kerk en wereld. Of een Leuven Institute of Archeology.
Een ander voorbeeld is groepsoverschrijdend, en zit tussen de Groep Biomedische en Exacte Wetenschappen: waarom aggregeren we niet alle expertise rond kanker in één enkele ‘Leuven Cancer Institute’, waarbij we klinische expertise beschikbaar in de divisie Oncologie van Gasthuisberg, maar ook in verschillende andere diensten van het ziekenhuis, fundamenteel onderzoek rond moleculair biologische aspecten van kanker, en technologie (rond transcriptomics, proteomics en metabolomics), horizontaal integreren in een breed kenniscentrum ?
Nog een voorbeeld, grensoverschrijdend tussen Exacte en Humane Wetenschappen: Waarom het bestaande ‘Energie-instituut’ (een samenwerkingsverband tussen de departementen Werktuigkunde, Economie en Elektrotechniek), niet uitbreiden richting geologie en geografie, maar ook richting filosofie, rechten (milieurecht) en ethiek, rond het brede thema van ‘broeikaseffect’ en ‘klimaatveranderingen’, waarbij Leuven misschien ook een wetenschappelijk onderbouwd discours voert dat (soms) ingaat tegen wat vandaag als ‘politiek correct’ geldt.
A
Kennis- en expertise portefeuilles
ndere voorbeelden zijn te vinden in brede maatschappelijke thema’s. Voorbeelden zijn ‘vergrijzing’, ‘sociale zekerheid’, ‘genetische modificatie’, ‘computerveiligheid en privacy bescherming’, ‘mobiliteit’, ‘duurzaamheid’, ‘gelijke kansen’, enz.... Hiervoor wordt de inzet gevraagd van verschillende onderzoeksgroepen omdat overheden en industrie ook geïnteresseerd zijn om meer geïntegreerde oplossingen voor allerhande problematieken aangereikt te krijgen. Men zou hier kunnen spreken over ‘integrale kennisportefeuilles’. Dit soort thematische lijnen worden gekenmerkt, niet alleen door hun wetenschappelijke en technische dimensies, maar ook door juridische, ethische, democratische, sociale, culturele en economische. Het zou ook kunnen kaderen in een politiek om de expertise van Leuven als volwaardige universiteit meer geprononceerd op de Europese kaart te zetten.
E
Interdisciplinair onderzoek
en andere bijzondere problematiek – ook een voorbeeld van domeinspecificiteit - wordt gevormd door het interdisciplinair onderzoek. Het nu bestaande systeem van IDO’s is hiertoe een bescheiden aanzet, maar zou veel forser moeten worden uitgebouwd.

Nochtans zien we dat vandaag cross-disciplinaire initiatieven, zowel in onderwijs als onderzoek, zware drempels moeten overwinnen omdat ze opbotsen tegen de bestaande structuren en talloze muurtjes van afdelingen, departementen en faculteiten. Een klassiek voorbeeld hiervan is de stricte ‘thematische’ opdeling van de 33 FWO commissies, die soms territoriaal reageren als het om ‘inter- of multidisciplinaire voorstellen’ gaat. In welke commissies moeten voorstellen rond archeologie en forensische genetica worden ingediend, rond computationele modellen voor nanotechnologie, rond diagnostische software in oncologie ? Dergelijke ‘ontvankelijkheids’-drempels moeten we weghalen en wat dit betreft een ‘voluntaristisch’ beleid voeren.



      1. Logistieke ondersteuning van het onderzoek

E
DOC & LRD


en recurrent thema in deze beleidstekst is de nood aan deregulering en administratieve vereenvoudiging, maar ook de nood aan een grotere faciliterende ondersteuning vanwege de verschillende administratieven diensten. Voor het onderzoek zijn dit de Dienst OnderzoeksCoördinatie en Leuven Research and Development (LRD). De communicatie en informatiedoorstroming, vooral vanuit de DOC is reeds bijzonder goed gestructureerd, getuige waarvan de regelmatige verschijning van GeDOCumenteerd (dat ook aan andere universiteiten druk gelezen wordt). Ook zijn er de verschillende jaarrapporten die toch bevattelijke overzichten geven van de inkomsten en bestedingen in de tweede, derde en vierde geldstroom.


Een informatica-systeem voor onderzoeksbeleid

Voor wat betreft het faciliteren van onderzoek, zijn er echter nog vele mogelijkheden. Zo bijvoorbeeld zou men, via adequate informaticasystemen, de steeds wederkerende vraag naar projectlijsten en publicatielijsten kunnen oplossen, laat staan dat die soms in 25-voud bij de DOC moeten worden binnengeleverd. Wellicht kan men zelfs dergelijk systeem opzetten voor heel Vlaanderen, zodat het bvb. ook voor de Commissies van het FWO bruikbaar wordt. Dit zou ook normerend kunnen werken voor de administratieve vorm waarin dossiers moeten worden ingediend. Deze verschilt nu namelijk over alle financierende organismen, maar zelfs binnen de DOC zelf is wat administratief wordt opgevraagd, soms verschillend in mineure details. Dit brengt ook voor de onderzoekers heel wat administratieve overlast met zich mee.

Indien het informaticasysteem goed wordt doordacht, kan er een enorme tijdswinst gerealiseerd worden (nu bvb. moeten de abstracts voor IWETO telkens opnieuw worden ingebracht, niettegenstaande het feit dat ze al op het onderzoeksvoorstel zelf verschenen zijn).




      1. Wetenschappelijke dienstverlening




        1. Wetenschapscommunicatie

Zoals eerder aangegeven, is wetenschap een dimensie geworden van de samenleving, die in haar complexiteit steeds meer een beroep doet op wetenschappers voor advies en dienstverlening. In het zog van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen ontstaan vele open democratische (hoe democratisch oordelen over materies die bijzonder wetenschappelijk en technisch zijn?) en juridische (wat kan en mag niet gepatenteerd worden?) problemen. In toenemende mate worden we ook geconfronteerd met vraagstukken van ethiek en zingeving.


W
Waarom communiceren over wetenschap?
etenschapscommunicatie
is onontbeerlijk geworden, en onze universiteit moet dringend de nodige gestructureerde initiatieven nemen. Communicatie en disseminatie van wetenschappelijke resultaten in begrijpelijke taal is belangrijk om verschillende redenen.

De samenleving spendeert steeds grotere budgetten aan wetenschappelijk onderzoek (in Vlaanderen vooral via de universiteiten en enkele onderzoeksinstellingen). Het is onze democratische plicht om uit te leggen in welke context en waarom dit onderzoek gebeurt.

Verder ontstaat er een belangrijk democratisch deficit: democratissche beslissingen vereisen goed geïnformeerde burgers en politici. Wanneer burgers niet goed of soms verkeerd geïnformeerd worden, onstaat er afkeer voor wetenschap en zelfs technofobie. Denk maar aan insinuerende terminologie met termen zoals ‘Frankenstein voedsel’, ‘kankerverwekkende straling bij gsm’s en hoogspanningslijnen’, ‘genetische manipulatie ipv modificatie’. Wetenschapscommunicatie dient dan ook om angstgevoelens weg te nemen en vertrouwen te wekken, en ook om steevast het nut van wetenschappelijk onderzoek te beklemtonen.

Het is ook belangrijk om veelbelovende jonge talenten succesvol en goed geïnformeerd naar wetenschappelijke opleidingen te leiden. Het aantal generatiestudenten in de wetenschappen is de laatste 5 jaar met 25 % gedaald. Ook de opleidingen van industrieel en burgerlijk ingenieur zitten in dalende lijn. Op termijn is een tekort aan ingenieurs en wetenschappers een killing factor voor onze economie. Nu al horen deze bij de zogenaamde knelpuntberoepen.

Wetenschapscommunicatie is ook een vorm van edutainment: vele mensen die geen formele opleiding in de wetenschappen hebben genoten, zijn er door gefascineerd.

Door een goede wetenschapscommunicatie dragen we ook bij tot de wetenschappelijke uitstraling van onze universiteit en benadrukken we de relevantie van Wetenschap als Cultuur voor de hedendaagse samenleving.


De laatste jaren is in Vlaanderen heel wat gebeurt rond wetenschapscommunicatie. Vele kranten hebben een wetenschapskatern, er zijn goed leesbare tijdschriften zoals EOS, Natuur & Techniek, er zijn verschillende radio- en TV-programma’s die op de ‘edutainment-trend’ inspelen (Jongens en Wetenschap, Overleven, Hoe?Zo!, Horizon, Discovery Channel, National Geographic), er is de Nationale Wetenschapsquiz en er zijn de verschillende ‘Olympiades’, er zijn ‘wetenschappelijke doe-centra’ zoals Technopolis (Mechelen), Isotopolis (Dessel), Earth Explorer (Oostende), er zijn initiatieven zoals de Wetenschapsweek, het Wetenschapsfeest, de Dag van de Technologie, enz.
O
Commissie Wetenschapscommunicatie
m onze universiteit ook beter te kunnen positioneren in en te laten participeren aan deze veelheid van initiatieven, stel ik voor om een Commissie Wetenschapscommunicatie op te richten, waarin de potentiële interacties tussen pers en media, wetenschappers, docenten, leerkrachten en scholieren, en ook de verschillende diensten van onze universiteit (zoals Dienst Studieadvies, Marketing en Communicatie, enz...) worden opgelijnd. Enkele ideeën die hier zouden kunnen geëxploreerd worden zijn:

  • Hoe aanhechting zoeken bij de reeds bestaande initiatieven zoals hierboven opgesomd, zonder dat dit ook een grote werklast induceert bij de ZAP-leden die hieraan meewerken 40?

  • Hoe stimuleren dat de onderzoekers van onze universiteit ook voldoende aandacht hebben voor wetenschapsvulgarisatie en wetenschapscommunicatie ?

  • Hoe kunnen we scholieren en hun leerkrachten laten kennismaken met onderzoek aan onze universiteit ?

  • Hoe kunnen we samenwerken met de industrie en andere organisaties in het kader van wetenschapscommunicatie ?

  • Hoe kunnen we inspelen op vragen die komen vanuit de Vlaamse overheid (politici, administratie, e.d.). ?

  • Moeten we voor onze onderzoekers opleidingen en trainingen voorzien in wetenschapscommunicatie ?



        1. Verdere professionalisering van trajecten voor valorisatie en kennistransfer

I


Europese paradox
n recente debatten rond de zwakkere groeiprestaties van de Europese Unie in vergelijking met Amerikaanse universiteiten, wordt regelmatig verwezen naar de zwakkere exploitatie van het academisch onderzoek in Europa. Enkele jaren geleden had de Europese commissie het in deze context over de Europese paradox, wat in de Vlaamse context vertaald werd als Vlaanderen doet teveel onderzoek met de achterdeur open ! We hebben door de band genomen goede tot uitstekende onderzoekers, die publiceren in internationaal gereputeerde tijdschriften, maar daar blijft het dan ook bij. Cijfers tonen bijvoorbeeld aan dat er een netto-transfer is van gepatenteerde vindingen vanuit Europa richting Japan en de Verenigde Staten. Maar ook in de creatie van zogenaamde spin-off bedrijven, zijn we nog (relatief) embryonaal.
N
Leuven Research & Development
ochtans, wat onze universiteit onderscheidt van andere Vlaamse universiteiten, en waar we zelfs als rolmodel fungeren voor vele buitenlandse universiteiten, is LRD (Leuven Research and Development), de ‘interface’ voor technologietransfer en valorisatie van wetenschappelijk onderzoek sinds haar ontstaan in 1972. Vooral sinds 1995, toen het Decreet op de Dienstverlening een feit werd, is LRD verder geprofessionaliseerd. Dit alles ging gepaard met een belangrijke mentaliteitsverandering, waardoor Toegepast en Toepasbaar Onderzoek niet langer als minderwaardig aan fundamenteel onderzoek beschouwd wordt (dit is een ander voorbeeld van domeinspecificiteit in het onderzoek), maar erkend wordt als een essentiële component van welvaart en welzijn. Het proces van professionalisering dat sinds 1995 bij LRD is ingeluid, omvat41:

  • Een steeds beter wordende dienstverlening ter ondersteuning van contract research.

  • Een beleid dat steeds beter wordt in de bescherming en exploitatie van de intellectuele eigendom van vindingen die aan de universiteit werden gedaan, met erkenning van de rechten van de uitvinders. Deze strategie levert octrooien op, licenties en royalties.

  • Een beleid van spin-off creatie: Onze universiteit heeft tot nu toe een rol gespeeld in de oprichting van meer dan 60 spin-off bedrijven (een bedrijf wordt een spin-off bedrijf genoemd wanneer er een duidelijke kwantificeerbare kennis- en technologietransfer is van een onderzoeksafdeling naar het op te richten bedrijf, waarvoor de afdeling – maar ook de universiteit – een participatie in de vorm van aandelen verwerft in het bedrijf). Deze spin-offs stellen allen samen in onze regio ongeveer 2000 mensen rechtstreeks te werk, en genereren een gezamenlijke omzet van 400 miljoen € 42. Er is ook een diversificatie in de manier waarop spin-offs worden opgericht (met of zonder extern kapitaal, via licentiëring en technologietransfer, incorporatie en participatie in reeds bestaande bedrijven (zogenaamde ‘spin-in’, enz.).

  • De oprichting, in nauwe samenwerking met twee banken, van het Gemma Frisius Fonds (GFF, intussen aan zijn tweede editie toe), een fonds dat zaaigeld voorziet voor startende spin-off bedrijven.

  • De ‘inbedding’ van het valorisatiebeleid in regionale netwerken, zoals L.inc, L-SEC, DSP-Valley; de beschikbaarheid van een Innovatie- en IncubatieCentrum, en de actieve participatie van onze universiteit in de creatie van wetenschapsparken (Haasrode, Arenbergpark, Termuynck), bedrijfsterreinen (Philipssite, Remysite) en regionale incubatiecentra (zoals in Tienen voor gezondheidsbevorderende voeding).

V
Valorisatiebeleid nog versterken


oor de nabije toekomst zien we als voornaamste beleidslijnen (buiten degene die logischerwijze volgen uit bovenstaand lijstje) 43: Een verdere uitbouw van LRD door een nog betere en professionele bestaffing, is op korte termijn essentieel. Zoniet zal de strategie die LRD de laatste jaren op de kaart heeft gezet, puur intentioneel worden, temeer omdat ook het aantal valorisatiedossiers aangeleverd door een steeds groter wordend aantal onderzoeksgroepen, toeneemt. Concreet betekent dit een betere, striktere en meer pro-actieve opvolging van valorisatiedossiers (licentiëringen, patenten), administratieve ondersteuning bij (vooral Europese) aanvragen, administratieve projectopvolging, gedegen financiële informatie, duidelijke afspraken bij het oprichten van spin-offs en een goede beschikbaarheid van de LRD directie.

V
Vorming voor oprichting spin-offs


oor wat betreft de verdere ontwikkeling van het spin-off beleid, zouden we meer vormingsinitiatieven moeten organiseren naar jonge onderzoekers toe. Dit kan bijvoorbeeld in samenwerking met L.Inc., een bijzonder succesvol en actief netwerk, met meer dan 400 leden, waaronder de meeste high-tech bedrijven van de regio, maar ook individuen en onderzoeksgroepen.
V
Financiering
oor wat betreft het Gemma Frisiusfonds, dient erover gewaakt dat dit zijn rol van ‘seed money fund’ blijft spelen, en niet teveel evolueert in de richting van een eerder klassieke ‘venture capitalist’. Verder is een goede stroomlijning van de middelen die ter beschikking zullen komen via het Industrieel OnderzoeksFonds44, zeer belangrijk. Ook de kanalen voor valorisatie van onderzoek die aan de hogescholen al bestaan, dienen verder ontwikkeld te worden en te worden afgestemd op deze van de universiteit (In die zin zijn er in de recente decreten ook al aanpassingen gebeurd). Dit kan gebeuren via de relaties die onderzoeksmatig zullen ontstaan (zie verder onder Associatie).
E
Defiscalisering onderzoek in bedrijven
en belangrijke nieuwe opportuniteit zal ontstaan wanneer we de extra financieringskanalen zullen kunnen benutten, die ontstaan wanneer de federale overheid haar reeds geruime tijd aangekondigde defiscalisering van onderzoeksinitiatieven tussen bedrijven en universiteiten zou waarmaken. In essentie worden onderzoekers in bedrijven goedkoper (omdat de bedrijfsvoorheffing met 50 % verminderd wordt) wanneer ze met universiteiten samenwerken, wat natuurlijk enorme perspectieven opent voor het onderzoek aan onze universiteit (er is wel nog grote behoefte aan een verdere precisering van het begrip ‘onderzoeker’).
I
Regionale netwerken
ntussen staat de hele Leuvense regio zelf model voor wat men een door de universiteit aangestuurd innovatiebeleid zou kunnen noemen. Leuven telt meer dan 300 technologiebedrijven, goed voor een omzet van 4.5 mia € en 15 000 directe jobs. De spin-offs zijn daarin goed voor een omzet van 400 mio € en een rechtstreekse tewerkstelling van tweeduizend mensen. Internationale bedrijven als Philips en Samsung kiezen Leuven niet toevallig als vestigingsplaats van hun onderzoekscentra. Bovendien zijn er de kennisinstellingen zoals IMEC en VIB. In Vlaams-Brabant heeft 16 % van de werkende bevolking een universitair diploma, terwijl dat voor Vlaanderen 11 % is.

In de nabije toekomst zullen we ook best investeren in interregionale netwerken (Leuven – Eindhoven – Aken, en Leuven – Kortrijk – Doornik – Rijsel (zie verder onder Campus Kortrijk)).




1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   18

  • Coördinatie onderzoek: een coachend onderzoeksbeleid
  • Een visie op onderzoeksbeleid aan onze universiteit
  • Groepsonderzoeksbeleid
  • Convergentie en samenwerking
  • Onderzoeksgroepenbeleid
  • Transparantie in evaluatie en toekenning van onderzoeksprojecten
  • Kwaliteitsvolle rekrutering en coachend onderzoeksbeleid
  • Doctorandi en assistenten Doctoraats-efficiëntie
  • Brain gain en reverse brain drain
  • Onderzoeksgroepenbeleid (vertikaal)
  • Onderzoeksgroepenbeleid (horizontaal)
  • Logistieke ondersteuning van het onderzoek
  • Wetenschappelijke dienstverlening
  • Verdere professionalisering van trajecten voor valorisatie en kennistransfer

  • Dovnload 1.45 Mb.