Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing

Dovnload 1.45 Mb.

Voor Kwaliteit en Creativiteit aan onze Universiteit Beleidstekst n a. v de rectorverkiezing



Pagina9/18
Datum05.12.2018
Grootte1.45 Mb.

Dovnload 1.45 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18

Grote nood aan coördinatie voor Internationaal Beleid



De K.U.Leuven zal internationaal zijn of niet zijn.

Wat betreft het Internationaal Beleid aan onze universiteit, is er een grote behoefte aan een integrale en geconcerteerde visie, die zou moeten gereflecteerd worden in een beleidsplan internationalisering45. De K.U.Leuven zal internationaal zijn, of zal niet zijn. Door de mondialisering is ook de impact van multilaterale organisaties zoals de OESO, UNESCO en de VN, maar ook en vooral van Europa, op het onderwijs- en onderzoeksbeleid drastisch toegenomen. In Europa ziet men de ontwikkeling van een Europese Hogere OnderwijsRuimte (EHOR) als een essentiële stap naar de verdere ontwikkeling van een eenheidsmarkt, waarvoor flexibele en mobiele arbeidskrachten moeten gevormd worden, met een goede talenkennis en interculturele vaardigheden. Maar ook de vorming van een European Research Area (ERA) staat op de agenda. Bovendien wordt enorm geïnvesteerd in Onderzoek en Ontwikkeling, o.a. via de Kaderprogramma’s en via de recent opgerichte European Research Council (ERC). Deze doelstellingen moeten we mee helpen bewerkstelligen, maar we mogen ons Internationaal Beleid als universiteit niet enkel hierdoor laten leiden.


D
EG en niet VSE
e naamgeving van Europa is immers ook niet toevallig de ‘Europese Gemeenschap’, i.p.v. de ‘Verenigde Staten van Europa’. De eenheidsmarkt is een feit, maar de grote rijkdom van Europa is precies de culturele diversiteit, die zich ook uit in tegenbewegingen (bvb. het Comité van de Europese regio’s). Innovatie is de drijvende kracht van de kenniseconomie, maar het sociale weefsel, onze geschiedenis en de grote en kleine culturele en religieuze tradities zijn minstens even belangrijk46. In Europa hebben we ongeveer 3500 hogescholen en universiteiten, waarvan er 800 formeel evenwaardige universiteiten zijn. Het aantal van 3500 is ongeveer evenveel als in de VS, maar daar zijn er slechts 50 topuniversiteiten, die globaal meer financiering ontvangen dan de 800 van bij ons. Dit betekent ongeveer 1 universiteit per 5 à 6 miljoen inwoners, met dan nog vaak bijna de helft buitenlandse studenten ! Dergelijke cijfers – zeker wanneer we denken op locale Vlaamse schaal - stemmen tot nadenken. We investeren in Europa minder per student op meer plaatsen.

B
Duurzaamheid


ovendien willen we ook een sociaal Europa, en is er ook een steeds sterker wordende benadering van onderwijs en onderzoek in de richting van duurzaamheid en duurzame ontwikkeling. Dit is niet langer het exclusieve terrein van activistische bewegingen, maar geraakt langzaam maar zeker geïncorporeerd in de visies van vele multilaterale organisaties, waaronder bedrijven en universiteiten.
H
Status questionis Internationaal Beleid niet goed
et Internationaal Beleid aan onze universiteit vandaag de dag is incoherent en weinig consistent. Immers, er bestaat grote verwarring en onduidelijkheid over het instroombeleid van onze Manama’s (welke objectieven streven we hierbij na?), over de objectieven rond de positionering van onze universiteit in onderwijs en onderzoek in Europa en de wereld, over het beleid dat we volgen omtrent de mobiliteit van onze docenten (die in verschillende visitatierapporten als ondermaats wordt omschreven) en van onze studenten (slechts een minderheid van de studenten trekt voor een bepaalde tijd naar andere Europese universiteiten), over de opportuniteiten geschapen door de LERU (League of European Research Universities), over de interacties tussen het Beleidscomité Internationale Relaties, de Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking, de Dienst Internationale Relaties en het Bureau Internationaal Onthaal, de Dienst voor Studieadvies, de StudentenVoorzieningen en dies meer. Bovendien hebben ook de faculteiten eigen bevoegdheden en initiatieven rond internationalisering. Conclusie: Blijkbaar hebben we alle ingrediënten en de benodigde goodwill voor een internationaal beleid, maar we werken in verspreide slagorde.
H
In Gebu: Coördinator Internationaal Beleid
et is deze onderliggende gedachte die de K.U.Leuven moet aangrijpen in de verdere ontwikkeling van haar internationaal beleid en die de grondtoon moet vormen van een strategische beleidsplan rond internationalisering. Deze strategie dient gepersonaliseerd in de persoon van een Coördinator Internationaal Beleid
47 in het Gebu die zowel de internationale relaties en communicaties, en de specifieke dimensies rond internationalisering voor onderwijs en onderzoek, coördineert. Deze coördinator krijgt als eerste opdracht een bevattelijk en overzichtelijk beleidsplan te redigeren, na brede concertatie, uitgaande van de volgende problematieken en doelstellingen:

  • Via het aantrekken van buitenlands talent op alle niveaus, de kennis- en expertiseopbouw aan onze universiteit stimuleren.

  • Werken aan de instroom, doorstroom en uitstroom van buitenlandse bezoekers en de internationale mobiliteit van onze eigen studenten en onderzoekers drastisch verbeteren.

  • Maatregelen en acties nemen die bijdragen tot de uitstraling van K.U.Leuven als wetenschappelijke instelling.

L
Eén koepel voor internationalisering


ogistiek-organisatorisch moeten de verschillende ingrediënten van een professioneel internationaal beleid geïnventariseerd worden en moeten we de nu reeds bestaande componenten, zoals de Dienst Internationale Relaties, Het Bureau Internationaal Onthaal, Pangaea, de Raad voor Ontwikkelingssamenwerking, de relevante dimensies van de Raad Studentenvoorzieningen en Onderzoekscoördinatie, integreren onder één enkele koepel. Dit zal trouwens ook de interne transparantie en communicatie ten goede komen, niet alleen intra muros, naar studenten, onderzoekers en docenten, maar ook extra-muros, naar potentiële buitenlandse studenten en bezoekers. We moeten hierbij ook een gezond evenwicht vinden in de subsidiariteit: Welke beslissingen en dossiers, of welke componenten ervan kunnen op departementeel of facultair niveau worden afgehandeld, en welke worden centraal behandeld? Informatiedoorstroming naar facultaire internationaliseringsverantwoordelijken en regelmatige concertatie- en coördinatievergaderingen vallen ook onder de bevoegdheid van de Coördinator Internationaal Beleid, alsook het voorzitterschap van de stuurgroep Internationalisering van de Associatie.
Tot slot – en niet onbelangrijk – zorgt één coördinator Internationaal Beleid ervoor dat we komaf maken met de meervoudige obediënties – al dan niet ter hoogte van het Gebu – waarop we nu altijd botsen bij dossiers van internationalisering.
      1. Instroombeleid: Leuven als attractiepool

D


Buitenlandse

studenten
e K.U.Leuven telt 3.592 regelmatig ingeschreven buitenlandse studenten (academiejaar 2003-2004), 12% van haar totale studentenaantal. De Aziatische studenten vormen met bijna 900 studenten een vierde van de internationale populatie. Afrika levert ongeveer een tiende van de buitenlandse studenten, Noord-Amerika en Zuid-Amerika elk een kleine vijf percent. De K.U.Leuven biedt de eerste-cyclusopleidingen (bachelor) slechts in beperkte mate aan aan buitenlandse studenten. Op het niveau van de tweede cyclus (en toekomstige initiële master) streeft zij naar een ruim aanbod van Engelstalige programma’s. Dat uit zich ook in de cijfers. In 1999 hadden we 41 Engelstalige opleidingen waarvan 37 VAO’s (Voortgezette Academische Opleidingen). Momenteel hebben we als anderstalige opleidingen: 2 bachelors, 13 initiële masterprogramma’s en 48 masternamasterprogramma’s. Allen op één Spaanstalige masternamaster na, zijn Engelstalig. Binnen het anderstalige aanbod zijn er twee Erasmus Mundus projecten goedgekeurd (zie verder).

D


... in stijgende

lijn !
e stijging van het aantal buitenlandse studenten is vooral op rekening te schrijven van de voortgezette academische opleidingen (master-na-master) en de doctorandi. Een kwart tot een derde van de doctoraatsdiploma’s wordt aan een buitenlander toegekend. Het aantal buitenlandse studenten in de voortgezette academische opleidingen is in vijf jaar tijd verdubbeld (van 548 in 1999-2000 tot 1046 in 2003-2004). Het aantal buitenlandse doctorandi steeg in diezelfde periode van 542 naar 737 en in diverse andere categorieën steeg het aantal buitenlandse bezoekers van 952 naar 1024. Naar regionale spreiding van de buitenlandse studenten blijkt de stijging in grotere mate uit landen te komen die geen deel uitmaken van de Europese Hoger Onderwijsruimte. Feit is dat de internationale onderwijsmarkt aan een explosieve opmars bezig is48, wat ook te merken is aan bovenstaande Leuvense cijfers.
Het is duidelijk dat vooral de landen, waar men op een globale en gestroomlijnde manier aan rekrutering van buitenlandse studenten doet, het voortouw nemen. In de UK worden de individuele rekruteringsinspanningen van de universiteiten ondersteund door de internationale acties van de British Council, in Duitsland zorgt de D.A.A.D (Deutscher Akademischen Austausch Dienst) voor de promotie van het Duitse onderwijs in het buitenland en ook bij onze noorderburen is de Nuffic actief met ondermeer NESO (Netherlands Education Support Offices) in Azië, die ter plaatse talent opsporen en aantrekken.
De inspanningen in Vlaanderen/België zijn op dat vlak minimaal.
M
Internationale

Rekrutering ?
et andere woorden, de K.U.Leuven moet momenteel opboksen tegen de globale, promotionele inspanningen van de internationale gemeenschap én tegen de individuele, internationale inspanningen van buitenlandse universiteiten, de rechtstreekse concurrenten. De explosieve groei van internationale studieprogramma’s op vrij korte tijd noopt tot het expliciteren van de doelstellingen en beleidsopties i.v.m. het internationaal beleid van de K.U.Leuven en het bijsturen van de bestaande rekruteringsacties.

        1. Drievoudige doelstelling

Voor wat betreft de internationale programma’s kunnen we drie doelstellingen naar voor schuiven, die verder moeten worden uitgewerkt en vorm gegeven:



  • Internationale programma’s dragen bij tot de internationationale faam van de K.U.Leuven en verhogen de algehele onderwijskwaliteit;

  • Internationale programma’s kunnen fungeren als een bron van inkomsten;

  • Internationale programma’s kunnen een voedingsbodem vormen voor de rekrutering van toekomstige doctorandi.

W


Internationalisering is kwaliteitsbevorderend
e moeten de BAMA hervorming en ook het toegenomen aantal ManaMa’s aangrijpen om Leuven attractiever te maken voor buitenlanders49. Maar, nu de huidige interne kwaliteitszorg en de externe visitatiecommissies ook in de toekomst aangevuld worden met een internationale accreditatie, zal de aanwezigheid van buitenlanse studenten die participeren aan de Engelstalige studieprogramma’s van de K.U.Leuven ongetwijfeld een rol spelen bij de beoordeling ervan . Een goed lopende Engelstalige manamaopleiding waar duidelijk over de jaren heen ingespeeld wordt op de kennisbehoefte van een internationaal studentenpubliek en die als dusdanig ook rekruteert en zich attractief voorstelt, zal uiteraard hoger scoren. Recent trouwens hebben we een goede beurt gemaakt door maar liefst twee goedgekeurde Erasmus Mundus50 netwerken, waarin de K.U.Leuven participeert.
B
Kwaliteit van instroom
elangrijk om weten is ook dat – ondanks de huidige intrinsieke kwaliteit van de anderstalige opleidingen aan de K.U.Leuven – er momenteel vragen rijzen bij internationale instanties die de manama-diploma’s van de K.U.Leuven moeten valideren. Een aantal huidige VAO’s (Manama’s) worden in het buitenland momenteel niet erkend als masteropleidingen. Als intern K.U.Leuven criterium voor erkenning van een opleiding als Manama geldt nochtans dat de opleiding een masterniveau als beginterm onderstelt. Toch worden de facto vaak bachelors toegelaten, een situatie die tot de depreciatie van onze Manama - diploma's en ook de andere diploma's kan leiden. Onlangs heeft de Academische Raad daarom besloten dat vanaf 2006-2007 studenten met een bachelordiploma niet meer zullen toegelaten worden tot een Manama/VAO, ongeacht of het om een 3-jarige of een 4-jarige bacheloropleiding gaat. Een duidelijke profilering en een sterke communicatie van deze selectiviteit bij de instroom is dus noodzakelijk.

Bovendien is een betere afstemming tussen de formele ‘eligibility checks’ bij Internationaal Onthaal en de meer inhoudelijke evaluaties van kandidaten, die meestal in de faculteiten, departementen en POC’s gebeurt, absoluut noodzakelijk, ook en vooral met betrekking tot een voldoende beheersing van het Engels.


Op dit ogenblik zijn er ongeveer 3000 studenten in onze Manama’s, waarvan 2000 Belgen, 300 EHOR-studenten, 500 niet-EHOR niet OL en 200 OL (ontwikkelingsland, volgens de ‘strenge’ lijst van de OESO). Een eenvoudig rekensommetje leert dat wanneer we aan deze 3000 Manama studenten een studiegeld van 5000 € aanrekenen, dit ongeveer 400 Rekeneenheden zou opleveren !
Hogere studiegelden
Vanzelfsprekend is dit een overschatting omdat we sowieso moeten differentiëren in de studiegelden en omdat het aantal geïnteresseerden wel eens fors zou kunnen afnemen wanneer we de studiegelden verhogen ! Van belang hierbij is dat onze Manama’s minstens zelfbedruipend worden, wat meteen verrechtvaardigd dat er een hoger inschrijvingsgeld wordt gevraagd, wat op zich al zowel de kwaliteit van de instroom als de kwaliteit van de desbetreffende opleiding (‘Voor wat hoort wat’) zal ten goede komen.
Voor uitmuntende buitenlandse studenten en voor studenten uit ontwikkelingslanden zullen beurzen en ‘tuition waivers’ voorzien worden. De inschrijvingsgelden voor Manama's worden dus gedifferentieerd opgetrokken, tot een maximum van 5000 € voor niet-EHOR, 2500 € voor EHOR en 500 € voor EHOR aansluitend op een K.U.Leuven IMA. Manama programma's zullen zelffinancierend worden, met uitzondering eventueel van enkele strategisch belangrijke programma's (IMA in theologie, filosofie, kerkelijk recht) die geen kapitaalkrachtig publiek kunnen aantrekken. Tot nog toe waren de engelstalige Leuvense manama programma's bij de buitenlanders gegeerd om hun laag inschrijvingsgeld, een inschrijvingsgeld (500 €) dat zich trouwens ver onder de internationale marktprijs situeert. Welke weerslag de toekomstige verhoging van de inschrijvingsgelden zal hebben op de instroom is moeilijk in te schatten. Feit is dat ook deze wijziging effectief aan de potentiële studenten gecommuniceerd moet worden.
I
Doorstroom verhoogde studiegelden
n de vorige versie van het allocatiemodel was de enveloppe voorzien voor de VAO’s gesloten, d.w.z. dat er een vaste voorafname was voor deze opleidingen (die eigenlijk te klein was). Met de nieuwe politiek van hogere studiegelden moeten we ook een nieuwe regeling uitwerken, zodat de verkregen middelen in belangrijke mate doorstromen naar de organiserende faculteit.
Ook belangrijk is een correcte en geïntegreerde groepering van informatie rond alle mogelijke vormen van financiering die beschikbaar zijn voor buitenlandse studenten (zoals beurzen in het kader van bilaterale overeenkomsten met universiteiten uit alle werelddelen, fellowships van het BOF, beurzen in het kader van ‘Coimbra Mobility Scheme’, e.d.).
A
Kweekbodem voor doctorandi
ls we erin slagen goede masterstudenten aan te trekken, dan is de kans dat ze als doctoraatstudent of als post-doc terugkeren, reëler. Te vaak is Leuven voor postgraduaat studenten de tweede keuze. De competitie met gereputeerde Graduate Schools in de VS, UK, Frankrijk, Duitsland en de Scandinavische landen is sterk. Onze masterprogramma’s profileren als een opstap naar een doctoraat kan pas succesvol, zijn als ze duidelijk staan voor een attractief onderwijs/onderzoeksprogramma én als ze omkaderd zijn door een globale kwaliteit op het vlak van beurzen, huisvesting, loopbaanmogelijkheden. We moeten hiervoor ook durven kijken naar samenwerking met onderzoeksinstellingen zoals IMEC, VIB, SCK enz. Wat ‘pampering’ van de potentiële PhD’s kan geen kwaad en hier moeten we dan ook nog beter werk van maken. Vooral ook voor die opleidingen die zelf relatief weinig studenten hebben, maar wel geassocieerd zijn met goede onderzoeksgroepen.
        1. Internationale marketing en rekrutering

De huidige informatie- en rekruteringsinitiatieven volstaan op dit moment niet om tegemoet te komen aan de uitdagingen waar de K.U.Leuven op internationaal vlak voor staat.


O
Externe en interne uitdagingen
p extern niveau is er de groeiende maar sterk competitieve internationale onderwijsmarkt, de intensieve en globale marketinginspanningen van de buurlanden (die ook onze eigen studenten aanspreken, de zogenaamde verticale mobiliteit), de intitiatieven van de Vlaamse/Waalse universiteiten/concurrenten die eveneens de weg van de internationalisering/bidiplomering bewandelen (en in dezelfde vijver als de K.U.Leuven willen vissen). Op intern niveau is er het nieuwe grote aanbod van anderstalige IMA’s en Manama’s, de vraag naar profilering van de Erasmus Mundus programma’s, de gesloten financiële enveloppe van de manama’s, de gedifferentieerde verhoging van de inschrijvingsgelden, de grotere selectiviteit bij de instroom (kwaliteits- en taaleisen) en de behoefte aan talentvolle doctorandi en onderzoekers
N
Internationale ‘branding’
ieuwe initiatieven op het vlak van de internationale marketing van de K.U.Leuven moeten zowel gericht zijn op rekrutering van buitenlandse studenten als op de creatie en bestendiging van een internationaal kwaliteitsvol imago van de K.U.Leuven: Daarom is er een grote en dringende behoefte aan
een internationale brandingcampagne.

Essentieel om een dergelijk opzet te doen slagen is een intensieve samenwerking en coördinatie tussen de faculteiten, de betrokken onderwijsprogrammacoördinatoren en de centrale diensten met name Dienst Internationale Relaties, Bureau Internationaal Onthaal, Dienst Communicatie, Marketingcel en Studieadvies. Dit alleen al verrechtvaardigt de aanduiding van een Coördinator Internationaal Beleid.


Dwingende beleidskeuzes

Om de internationale marketing en rekrutering van de K.U.Leuven op de kaart te zetten, zullen beleidskeuzes gemaakt moeten worden: Welke zijn de strategisch belangrijke manama – programma’s die we naar voor willen schuiven? Met welke Centers-of-Excellence/onderzoekslijnen willen we in het buitenland geïdentificeerd worden? Welke zijn de strategisch belangrijke rekruteringsgebieden waar we op willen focussen (buurlanden, States)? Wat zijn de strategische kernbegrippen die we willen uitdragen en die we ondermeer in elke K.U.Leuven publicatie die zich tot een internationaal publiek richt, willen zien terugkomen? Gaan we intensiever werken met preferentiële partneruniversiteiten/netwerken? Hoe zorgen we ervoor dat de marketinginitiatieven kaderen in een coherent beleid van faculteiten en diensten? Hoe overtuigen we de totale universiteit van het belang van de internationalisering van onze onderwijsprogramma’s?


Welke rekruteringsinitiatieven bestaan momenteel? Op niveau van de ‘bestaande’ internationale onderwijsprogramma’s beschikken de meeste programma’s over een website (die dankzij de inspanningen van DCOM en BIO eenzelfde vorm hebben), een bekendmakingsfolder (die zeer sterk verschilt van programma tot programma), hier en daar worden er posters aangemaakt (eveneens zeer uiteenlopend) en worden er advertenties geplaatst (opnieuw geen uniformiteit qua vormgeving en inhoud).

M
Professionalisering van de marketing


aar ook op het gebied van internationale marketing zijn alle acties dringend aan professionalisering toe. Hieronder ressorteren:


  • de publicatie van eenvoudige, eenvormige, doelgerichte en flexibele brochures; Bedoeling is dat centraal formats en layouts ter beschikking worden gesteld, zodat ook de voorstelling van de verschillende opleidingsprogramma’s van onze universiteiten duidelijk herkenbaar en uniform is. Faculteiten kunnen wel het materiaal aanleveren, maar laten we de brochures toch vooral redigeren door ‘professionals’. Bovendien zouden deze acties die nu in verspreide slagorde genomen worden, financieel baat hebben bij een centrale coördinatie (kostendrukend via zelfde drukker, lay-outer, gezamenlijke bestellingen).

  • Hetzelfde geldt trouwens voor alle websites van onze universiteit waarlangs we informatie verstrekken aan geïnteresseerde bezoekers en studenten.

  • ‘Open Door Days’ voor Graduate Studies, naar analogie met de K.U.Leuven infodagen voor scholieren. Hiervan bestaan verschillende voorbeelden aan buitenlandse universiteiten.

  • Ook alumni uit het buitenland dienen actief betrokken te worden bij promotie- en wervingscampagnes.

  • Oprichten van een International Student Helpdesk, waarbij vragen die nu moeten gesteld worden hetzij aan BIO of DSA of beiden, via één loket worden behandeld.

  • Speciaalpakket van voordelen voorzien voor studenten van preferentiële partners (beurzen, tuition waivers, hulp voor kwaliteitsvolle huisvesting, snellere behandeling dossier).

  • Actiever gebruik maken van (onderwijs-)netwerken (Coimbra, Leru, EAU,...) waarmee trouwens ook ‘best practices’ kunnen worden uitgewisseld op het gebied van marketing, recruitment, study abroad advisement.

  • Bestaande initiatieven gebruiken als hefboom (bvb. recent initiatief van ‘Buitenlanddag’ met informatie over verblijfsvergunningen, uitleg van ambassades, getuigenissen). Hier zouden ook de partners van de preferentiële netwerken op kunnen worden uitgenodigd.

  • Professoren en onderzoekers meer actief inschakelen in deze campagnes tijdens hun buitenlandse reizen (aanmaak van een algemene brochure, posters,...).

  • De aanmaak van een Engelstalige en complete ‘Corporate Presentation’ (in pdf en powerpoint) van onze universiteit, vrij beschikbaar op de K.U.Leuven website.

  • Aanwezigheid van de K.U.Leuven op belangrijke prominente onderwijsbeurzen (Londen, Parijs, Madrid, Milaan, Dusseldorf, enz...), ook wereldwijd op ‘Education Fairs’.

De budgetten waarmee momenteel voor dit soort zaken gewerkt wordt, zitten verspreid over verschillende diensten. Deze moeten gehergroepeerd worden onder de Coördinator Internationaal Beleid.



        1. Netwerken

Met welke universiteiten in Europa en de wereld werken we samen, waarom en op welke manier ? Welke rol spelen hierin de netwerken waar we nu al deel van uitmaken zoals de League of European Research Intensive Universities (LERU), het COIMBRA netwerk en de European University Association (EUA, 759 leden uit 45 landen)?


We moeten hiertoe een onderscheid maken tussen netwerken langs waar we druk uitoefenen op overheden, netwerken waarbinnen we samenwerken rond onderwijs en netwerken voor onderzoek.
V
League of European Research Intensive Universities
oor wat betreft het ‘lobby’-werk, is het feit dat onze universiteit deel uitmaakt van de LERU
51 enerzijds een grote prestatie, maar anderzijds vormt het ook een belangrijke uitdaging. De twaalf universiteiten die hierin verenigd zijn sinds 2003 willen de diverse overheden aansporen opdat op termijn Europa terug een leidende positie in het fundamenteel onderzoek zou innemen. Vanzelfsprekend zal de LERU zich inschakelen in de aspiraties gedefinieerd door de 3% norm van Lissabon, maar er zal ongetwijfeld op moeten toegezien worden dat een voldoende percentage van de bestedingen in O&O naar fundamenteel, niet-georiënteerd onderzoek gaat! In die zin is ook het pleidooi van de LERU voor een voldoende financiering van de European Research Council (zie verder) zeer belangrijk.
We mogen ons niet blind staren op de LERU alleen. Er bestaan verschillende andere netwerken, ook meer ‘thematische’, waar onze universiteit al dan niet lid van is. Voorbeelden zijn de Euro League for Life Science Universities52, SARFAL53, enz... Welke criteria leggen we aan de dag om al dan niet in dergelijke thematische netwerken te participeren ?
L
Onderwijs in Europa
angzaam maar zeker groeit de onderwijsbevoegdheid bij de Europese Commissie (er is ook een Europees Commissaris voor Onderwijs). Deze europeanisering van het onderwijs hoeft natuurlijk geen verwondering te wekken, omdat dat precies één van de grote drijfveren was achter Bologna. Eén en ander impliceert ook dat op korte termijn toch best afspraken worden gemaakt tussen de lidstaten van de EU in het algemeen, en meer specifiek binnen die netwerken waarvan onze universiteit deel uitmaakt.

Sinds kort wordt er immers openlijk nagedacht over Europese accreditatiesystemen. Op Nederlands-Vlaams niveau moeten de accreditaties best gebeuren per opleiding, omdat we op die manier ook de globale kwaliteit van alle opleidingen, zowel in de universiteiten als aan de hogescholen, kunnen garanderen. Maar eenmaal dit systeem van accreditaties operationeel is, zou een Europese accreditatie best gebeuren op het niveau van de instelling of, indien mogelijk, van de Associatie.


Ook in Europa zijn er stilaan discussies over het vereiste aantal studiepunten per masteropleiding. Het zou wel eens kunnen dat we hier convergeren naar een compromis-voorstel van 90 studiepunten. Daarom ook stellen we verder in deze beleidstekst veralgemeende masters voor van 120 studiepunten, die weliswaar een pakket van 30 studiepunten omvatten voor lerarenopleiding, of profilering richting onderzoek of arbeidsmarkt.
V
Bidiplomering

en ‘joint degrees’
oor wat betreft onderwijs, is een recente trend – waarvoor nog heel wat wettelijke bezwaren bestaan – deze van de bidiplomering. Bidiplomering wordt zowel door de EUA als de COIMBRA groep gezien als een essentiële schakel in de internationaliseringspolitiek van de universiteiten. Vele buitenlandse universiteiten zijn absoluut geïnteresseerd om voor hun studenten een ‘learning experience abroad’ te kunnen voorzien. Maar we zijn hier benadeeld door een toch nog groot gebrek aan voldoende Engelstalige opleidingen, en eigenlijk ook een beetje door de vrees dat onze eigen Vlaamse studenten minder happig zijn – om in het kader van reciprociteit – ook les te gaan volgen aan die buitenlandse universiteiten. Hoeveel percent van onze studenten willen we trouwens laten proeven van dergelijke buitenlandervaring ? Niettegenstaande het Bologna proces volop aan de gang is in Europa, is het trouwens niet altijd voor de hand liggend om ‘Eerder Verworven Kwalificaties’ correct in te schatten.
W
Bidiplomering met UCL ?
ellicht is het ook nuttig om in het kader van internationalisering de band met onze zusterinstelling, de UCL, wat nauwer aan te halen. Zowel op het gebied van onderzoek als onderwijs zouden we goede afspraken kunnen maken omtrent complementariteit en bidiplomering, en we kunnen ook leren uit de ervaringen van de UCL op het vlak van internationalisering. Ook in het recente ‘Erasmus Belgica’ initiatief (beurzen van 100 €/maand om te studeren aan een universiteit in een ander landsgedeelte), gefinancierd door het Prins Filipfonds, zien we een asymetrische participatie tussen Vlaanderen en Wallonië: 167 franstaligen hebben het afgelopen jaar les gevolgd aan een Vlaamse universiteit, tegenover slechts 77 Vlamingen aan een Waalse instelling.

      1. Doorstroombeleid: Ambassadeurs

De studenten en onderzoekers die enkele maanden of jaren hebben doorgebracht in Leuven, zijn later onze beste ambassadeurs. We moeten dan ook zorgen dat ze hier uiteindelijk tevreden weggaan. Vanzelfsprekend is de kwaliteit van ons onderwijs en onderzoek hiertoe een nodige garantie, maar er is meer: We moeten waarschijnlijk nog beter het internationaal onthaal, de begeleiding van onze buitenlandse studenten en bezoekers, en de afzwaai- en afscheids’pakketten’ die we hen meegeven, verzorgen.


Dag van alle Nationaliteiten

In die zin zijn er vele ideeën die we verder vorm kunnen geven, bvb. een Internationale StudentenDag van de Universiteit, waarbij aan alle nationaliteiten de kans wordt gegeven om zich voor te stellen en te manifesteren.


O
Pangaea

Portulaca
ok de werking van Pangaea (1000 leden, 80 nationaliteiten), dat als voornaamste missie heeft een ‘home-away-from-home feeling’ te creëren door de organisatie van socio-culturele activiteiten, zou in deze context nog beter tot zijn recht moeten komen. Ook hier dringt zich trouwens een betere integratie van activiteiten op (bvb. de studentenwerking rond Portulaca die een beetje in een crisis zit, de sociale dienst voor buitenlandse studenten (verblijf, financiële assistentie,...)). Een bijzonder aandachtspunt is hier de soms precaire situatie van sommige buitenlandse studenten, die problemen hebben met verblijfsvergunningen, financiering, huisvesting en soms de toegang tot onze gezondheidszorg niet vinden.
Laten we tenslotte ook alle buitenlanders – studenten zowel als onderzoekers – systematisch uitnodigen voor de vele culturele evenementen georganiseerd door de universiteit.

      1. Uitstroombeleid: Mobiliteit

H
Mobiliteit van studenten ...


oe en waarom sturen we onze eigen studenten naar het buitenland ? Wie komt daarvoor in aanmerking ? Wat zijn selectiecriteria en –procedures ? Uit enkele recente visitaties en statistieken van het Erasmus programma, blijkt de toch wel relatief geringe mobiliteit van onze eigen studenten, om in de loop van hun opleiding minstens enkele maanden in het buitenland te vertoeven. In het Erasmus programma stijgt het aantal ‘binnenkomende’ studenten, terwijl het aantal ‘uitgaande’ dalende is. Over de hele universiteit overstijgt het aantal binnenkomende het aantal uitgaande met 30% met een piek bij de Toegepaste Wetenschappen van 100 %. Wat zijn hiervan de oorzaken ? Vinden studenten ons onderwijs beter dan elders ? Durven ze niet ?
M
... maar ook van docenten en onderzoekers
aar ook de mobiliteit van onze docenten en onderzoekers is ondermaats. De hiervoor beschikbare middelen in Erasmus, Tempus, allerlei bilaterale akkoorden, e.d. worden onderbenut. Dit gebrek aan belangstelling voor (langere) verblijven in het buitenland heeft wellicht ook te maken met onze instellingscultuur: het feit dat onze universiteit niet echt ‘zorgt’ voor de opvang van afwezigen, in die zin dat men als onderzoeker weliswaar voor een tijdje ‘mag’ weggaan, maar dat er structureel eigenlijk niets wordt gedaan aan het opvangen van de verantwoordelijkheden van de afwezige collega. Met andere woorden, als we ook de mobiliteit van onze onderzoekers hoog in het vaandel dragen, dan moeten we ook structurele maatregelen nemen die een langere afwezigheid van een collega faciliteren.
H
Sabbatical leave
ieronder ressorteert natuurlijk ook de ‘sabbatical leave’, die eigenlijk nu totaal onderbenut wordt, niet zozeer in het kader van ‘herbronning’ (wat af en toe wellicht noodzakelijk is), maar wel om gedurende een bepaalde periode de nodige tijd te krijgen om serieus wetenschappelijk onderzoek op een menselijke manier tot een goed einde te kunnen brengen.

      1. Internationalisering van het onderzoek



De facto is ons onderzoek natuurlijk al internationaal. We presenteren onze onderzoeksresultaten – wanneer mogelijk – in internationale tijdschriften en op internationale conferenties, we bezoeken buitenlandse universiteiten en onderzoeksinstellingen, waarvan vele onderzoekers af en toe ook naar Leuven komen. En natuurlijk, via Internet en het WWW interageren we met vele onderzoekers in onze onderzoeksgemeenschappen.
D
Ex-PhD’s als ambassadeur
oor een gebrek aan Vlaamse studenten, is het aantrekken van ‘buitenlandse’ PhD-studenten in sommige onderzoeksdisciplines, absoluut noodzakelijk. In het algemeen is een kwart van de Leuvense doctoraten van de hand van buitenlandse onderzoekers. Het zou goed zijn om het relatief aantal buitenlandse doctorandi te vergroten (tot bvb. 50 %). In de meeste gevallen keren deze doctorandi naderhand terug naar huis of zoeken ze hun toekomst aan andere universiteiten. Hoe gaan wij om met deze mensen, die excellente ambassadeurs zouden kunnen zijn voor onze universiteit ? Hoe kunnen we er voor zorgen dat deze onderzoekers, wanneer ze naar hun land terugkeren, en daar een academische, industriële of overheidscarrière aanvatten,
onze beste ambassadeurs zijn en samenwerkingsverbanden catalyseren ? Hebben we een databank waarin de verdere carrière van deze mensen wordt opgevolgd ?

Een nog onvoldoende verkende pad is dat van de ‘joint PhDs’, waarbij met promotoren in een andere universiteit afspraken worden gemaakt rond co-promotorschap. Voor wat betreft de kosten die hiermee gepaard gaan, bestaan trouwens redelijk wat financieringskanalen (zoals bvb. FWO).


H
Mobiliteit van postdoc’s
oe kunnen we onze postdocs stimuleren om gedurende langere periodes (één of meerdere jaren) buitenlandse ervaring op te doen, om vervolgens eventueel naar Leuven terug te keren (de zogenaamde ‘tijdelijke brain drain’)? Er is nu een tendens om, met financiering uit Leuven of Vlaanderen, enkele korte buitenlandse bezoeken te doen (grootte-orde van weken), om dit dan vervolgens als een ‘buitenlandse ervaring’ te laten catalogeren. Op zich zijn dergelijke korte bezoeken geen probleem, op voorwaarde dat ze uitmonden in duidelijke resultaten (bvb. een co-publicatie met een gerenommeerd buitenlands onderzoeker). M.a.w. een verblijf in het buitenland op zich is niet echt belangrijk, het is wat er naderhand uit voortkomt dat belangrijk is. Feit is dat 1/3 van de pasbenoemde ZAPpers in 2003, GEEN noemenswaardige buitenlandervaring achter de rug heeft ! Niet alleen schijnt de bereidheid van ‘onze’ postdoc’s tot een buitenlands verblijf te dalen, maar bovendien daalt ook het aantal aanvragen voor fellowships (voor buitenlanders) bij het BOF. Dit zijn onrustwekkende trends die we zullen moeten omkeren. Bepaalde landen, zoals Frankrijk54, voorzien aanzienlijke beurzen van ongeveer 2000 € per maand voor postdoc’s van buitenaf.
H
Graduate Schools
ebben wij een beleid rond ‘Graduate Schools’, met internationale uitstraling, die een zeer stimulerende rol zouden kunnen spelen in onze doctoraatsopleidingen, en is het duidelijk wat de interactie tussen deze Graduate Schools en de Manama’s zou kunnen zijn ? Van bijzonder belang is hier onze relatie met Vlaamse en Belgische onderzoeksinstellingen zoals IMEC, VIB en SCK, die geen eigen onderwijsbevoegdheid hebben, of die ook niet zelf doctoraten mogen toekennen. Een meer gestructureerde interactie van onze universiteit met deze instellingen, zou ons op het gebied van internationale uitstraling, zeker een win-win situatie opleveren. Wellicht geldt dit ook voor opportuniteiten via andere instellingen (zoals bvb. de federale wetenschappelijke instellingen met hun rijke collecties, waarvoor internationale belangstelling bestaat).


Tanende participatie in kaderprogramma’s

Hoe consolideren we de toch wel opmerkelijke participatie van Leuvense onderzoeksploegen in het 5de en 6de Kaderprogramma? Zo bijvoorbeeld was de K.U.Leuven goed voor 58.9 % van de Vlaamse participatie in het 5de kaderprogramma. De Vlaamse participatie op zich is hoger dan het Europees gemiddelde. Alles laat echter vermoeden dat onze goede participatiegraad tanende is, niet in het minst door de overdreven bureaucratisering van Europese onderzoeksprogramma’s (waartegen terecht recent enkele protestacties zijn opgestart). Op korte termijn dient er meer administratieve ondersteuning te komen om de onderzoekers daadwerkelijk te verlossen van de ongelooflijke overlast (dit zou kunnen in de vorm van projectcoördinatoren, zie elders in deze tekst). Op termijn moet natuurlijk ook duidelijk gemaakt worden aan de Europese Commissie dat dergelijke implementatie van de Kaderprogramma’s totaal onmogelijk is !
Welke tactiek volgen we i.v.m. de European Research Council55, waarlangs op afzienbare tijd heel veel geld zal worden vrijgemaakt voor fundamenteel onderzoek ? Als lid van de LERU, bekennen we onszelf tot een select clubje van ‘research intensive’ universiteiten en bijgevolg moet een initiatief zoals de ERC ons als muziek in de oren klinken.


European Research Council

De ERC moet een transparant Europees financieringskanaal voor niet-gericht onderzoek op initiatief van de vorser worden, gebaseerd op peer-review (een soort Europees FWO). Deze Europese organisatie moet onfhankelijk van de bestaande politieke structuren opereren. Van uiterst belang is dat de ERC voorbehouden wordt voor fundamenteel onderzoek door individuele onderzoekers of onderzoeksteams uit alle wetenschappelijke domeinen, zonder verplichtingen tot uitgebreide netwerkvorming en binding met economische of toepassingsgerichte ambities. Tot nu toe heeft Europa immers vooral geïnvesteerd in ‘thematische netwerken’, met een nogal zware nadruk op strategisch-toegepast basisonderzoek, waarvan men verwacht dat het op middellange termijn tot economische valorisatie leidt. Ook worden behoorlijk wat middelen geïnvesteerd in onderzoeksinstellingen, een mechanisme dat soms behoorlijk conserverend werkt omdat deze instituten zich vastklampen aan hun financiering. Daarom is nu ook het moment aangebroken om meer te investeren in ‘bottom-up’ fundamenteel onderzoek, een intentie die door de Commissie vorm gegeven wordt via de ERC.
De ERC moet een transparante organisatie worden, met heldere selectieprocedures waarbij enkel en alleen (domeinspecifieke) wetenschappelijke kwaliteit van belang is. De ERC mag ook niet substituerend zijn m.b.t. nationale of regionale financieringsmechanismen (zoals bvb. FWO). Bijgevolg moeten er ook voldoende financiële middelen voor gereserveerd worden. De LERU stelt hier dat het jaarlijks budget voor de ERC grosso modo 5 % van de middelen die regionaal/nationaal ter beschikking zijn voor fundamenteel onderzoek, zou bedragen. Dit betekent ongeveer 5 mia € per jaar (vergelijkbaar met het jaarbudget van het Zesde Kaderprogramma). De Commissie denkt op dit ogenblik aan 1 mia €/jaar, dus te weinig ! Omdat niet enkel projecten, maar ook mensen belangrijk zijn, wordt voorgesteld om 8000 ‘European Advanced Research Fellowships’ in het leven te roepen, elk voor een periode van 10 jaar, met strikte bescherming van de onderzoekstijd en tussentijdse evaluaties (naar het voorbeeld van de prestigieuze UK Royal Society University Research Fellowships).
Belangrijk is ook dat – in tegenstelling tot de praktijk bij de Kaderprogramma’s – de volledige onderzoekskost wordt gefinancierd, en dat de financiering niet zoals nu, slechts partieel is.

      1. Internationale solidariteit

Ook voor wat betreft onze activiteiten m.b.t. internationale solidariteit en ontwikkelingssamenwerking moeten we onszelf beter organiseren. De motivatie hiertoe moet niet enkel komen vanuit de ‘K’ van K.U.Leuven, maar vooral omdat we het onderwijs en onderzoek in ontwikkelingslanden, onder de brede noemer van Science Sharing, ook daadwerkelijk kunnen vooruithelpen.


D
VLIR & DGOS
e huidige financiering van initiatieven verloopt vooral via de Universitaire Ontwikkelingssamenwerkingsprojecten van de VLIR (o.a. Institutionele Universitaire Samenwerkingsprojecten (IUS)), waarvoor het federale Directoraat-Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) elk jaar 30 miljoen € ter beschikking stelt van de VLIR. Het geld gaat grotendeels naar de projecten in de ontwikkelingslanden zelf, aangezien onze wetenschappers enkel hun onkosten vergoed krijgen. Momenteel lopen er elf grote projecten (grootte-orde enkele honderdduizenden euro’s per jaar per project). Niet alleen voor de lokale jongeren scheppen dergelijke projecten enorme opportuniteiten, maar ook voor onze studenten zijn deze initiatieven een ideale gelegenheid om in een totaal nieuwe leefwereld ondergedompeld te worden.
Binnenkort wordt trouwens een overzicht verwacht van de VRWB, dat in kaart zal brengen welke Vlaamse teams onderzoek doen in, met, of voor ontwikkelingslanden, en welke onderzoeksdiscisplines hiervoor echt relevant zijn en eventueel beter ondersteund moeten worden.
O
IRO
ngetwijfeld kunnen we echter meer doen, ook specifiek van binnen onze universiteit. Via de Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking, die beurzen ter beschikking stelt voor studenten en docenten (zowel instromend als uitstromend). Maar onze beleidsvisie inzake Ontwikkelingssamenwerking is wellicht wat gedateerd (de beleidstekst op de website dateert van 1997).
W
Nieuwe beleidsvisie
e zouden meer werk moeten maken van enkele duidelijke gerichte netwerken met universiteiten uit ontwikkelingslanden. Hierbij zijn lange termijn-engagementen en –perspectieven zeer belangrijk, zodat er een band kan ontstaan gedurende verschillende ‘academische generaties’. Korte verblijven hier van zowel studenten, doctorandi als professoren, participatie in ‘Graduate Schools’, e.d., het zijn allemaal mogelijkheden die we meer systematisch moeten exploreren. Ook alumni, waarvan er velen in ontwikkelingslanden verblijven, kunnen we in dergelijke netwerken inschakelen. Via hen kunnen we ook samenwerken met Niet-Gouvernementele Organisaties en uitmaken welke materiële (bvb. informatisering en PCs) en immateriële (onderwijs, onderzoek) inspanningen prioritair moeten gebeuren.

Een breder kader zou kunnen bestaan uit wat men de dag van vandaag ‘Science Sharing’ noemt, met speciale aandacht ook voor ‘Open Access’ initiatieven.


Meer algemeen zijn er nog verschillende andere gevoeligheden waarrond een ge-update beleidsvisie rond universitaire ontwikkelingssamenwerking zich zou moeten uitspreken: Hoe kunnen we ‘Westerse’ wetenschap kanaliseren naar ontwikkelingslanden ? Is de opleiding die mensen hier krijgen niet vervreemdend ? Hoe kunnen we zelf meer openstaan voor diversiteit en heterogeniteit ?
Dit alles moet door de Coördinator Internationaal Beleid, in overleg met de Raad Ontwikkelingssamenwerking, verder worden uitgewerkt .

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   18

  • Instroombeleid: Leuven als attractiepool
  • Drievoudige doelstelling
  • Internationale marketing en rekrutering
  • Netwerken
  • Doorstroombeleid: Ambassadeurs
  • Uitstroombeleid: Mobiliteit
  • Internationalisering van het onderzoek
  • Internationale solidariteit

  • Dovnload 1.45 Mb.