Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorstelling en voorstel van akkoord

Dovnload 102.55 Kb.

Voorstelling en voorstel van akkoord



Pagina1/4
Datum25.10.2017
Grootte102.55 Kb.

Dovnload 102.55 Kb.
  1   2   3   4

DE BELGISCHE COMMISSIE VOOR GRONDRECHTEN:

VOORSTELLING EN VOORSTEL VAN AKKOORD



Voorstelling*
1. Algemene context
In de Verklaring en in het Actieprogramma van Wenen, aangenomen door de Wereldconferentie over Mensenrechten op 25 juni 1993, benadrukt deze ‘de belangrijke constructieve rol van de nationale instellingen bij de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder in hun hoedanigheid van raadgevers aan de bevoegde autoriteiten, in hun rol bij de bestrijding van mensenrechtenschendingen en bij de verspreiding van informatie over fundamentele rechten en de bewustmaking ter zake’; ze ‘moedigt het oprichten en versterken van nationale instellingen aan, rekening houdend met de Principes van Parijs betreffende het statuut van de nationale instellingen en met het recht van iedere Staat om een kader te creëren dat het best overeenstemt met de specifieke noden op nationaal niveau’. 1
Enkele lidstaten van de Europese Unie hebben al een nationale instelling voor de bevordering en bescherming van mensenrechten opgericht. Deze instellingen werden opgericht volgens een aantal richtinggevende principes, vastgelegd in de Principes van Parijs van 1993 aangaande de nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, bekrachtigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (weergegeven in Bijlage II).2 Ook andere teksten zijn het vermelden waard, in het bijzonder Aanbeveling Nr. R(97)14 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aangaande de oprichting van onafhankelijke nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, aangenomen op 30 september 1997; de algemene Richtlijn Nr. 10 van het Comité voor economische, sociale en culturele rechten van 14 december 1998: De rol van de nationale instellingen voor mensenrechten in het beschermen van economische, sociale en culturele rechten1; en de Verklaring van Kopenhagen, op 13 april 2002 aangenomen door de Zesde Internationale Conferentie betreffende de nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, gehouden in Kopenhagen en Lund2 en verzamelwerken van goede praktijken voor het oprichten van dergelijke instellingen.3
De regeringsverklaring van juli 2003 voorziet de oprichting van een nationaal instituut voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten in België. Op wereldvlak gaat de ontwikkeling van deze instellingen snel. Ook binnen de Europese Unie worden steeds meer nationale instellingen voor mensenrechten opgericht. De oprichting van het Bureau voor Grondrechten van de Europese Unie zal deze evolutie nog versterken, gezien de nauwe banden die het Agentschap moet aanknopen met de nationale instellingen van de lidstaten ter bevordering en bescherming van de mensenrechten (wat zich ook weerspiegelt in de samenstelling van de Raad van Bestuur van het Agentschap).4 Op dit moment hebben 13 van de 25 lidstaten van de Europese Unie een nationale instelling voor mensenrechten opgericht. Het gaat om Cyprus, de republiek Tsjechië, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Ierland, Litouwen, Luxemburg, Polen, Portugal, Zweden en Spanje. Al deze instellingen (uitgezonderd die van Cyprus, de Tsjechische republiek en Litouwen), hebben het ‘A’-statuut gekregen van het internationaal Coördinatiecomité voor nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van mensenrechten, wat betekent dat ze beschouwd worden als volledig conform met de Principes van Parijs.5 Deze instellingen zijn: voor Cyprus, de Nationale Organisatie voor de Bescherming van Mensenrechten (National Organisation for the Protection of Human Rights (1998)); voor de Tsjechische republiek, het bureau van de Ombudsman (1999); voor Denemarken, het Deens Instituut voor Mensenrechten (Danish Institute for the Protection of Human Rights (2002)); voor Frankrijk, de Nationale Raadgevende Commissie voor Mensenrechten (1984); voor Duitsland, het Duitse Instituut voor Mensenrechten (Deutsches Institut für Menschenrechte) (2001); voor Griekenland, de Nationale Griekse Commissie voor mensenrechten (1998); voor Ierland, de Ierse Commissie voor Mensenrechten (2001); voor Litouwen, het Nationaal Bureau voor Mensenrechten (1995); voor Luxemburg, de Raadgevende Commissie voor Mensenrechten (2000); voor Polen, de Commissaris voor Bescherming van Burgerrechten (Commissioner for Civil Rights Protection) (1999); voor Portugal, de Provedar de Justiça (1999); voor Spanje, de Ombudsman (Defensor del Pueblo) (2000); voor Zweden, de Ombudsman voor Etnische Discriminatie (Ombudsman against Ethnic Discrimination) (1999).6 Bijlage III bevat een beschrijving in tabelvorm van deze instellingen aan de hand van de drie belangrijkste eigenschappen wat betreft hun samenstelling, onafhankelijkheid en bevoegdheden.
2. Het belang van een nationale instelling voor de bevordering en bescherming van mensenrechten in België
België heeft nog geen instelling voor de bevordering en bescherming van mensenrechten. Dit brengt verschillende problemen met zich mee:

  • De opvolging van de eindconclusies van de comités van experts, opgericht bij mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties, laat soms te wensen over. Oorzaken hiervan zijn een gebrek aan coördinatie tussen de verschillende betrokken ministeriële departementen en problemen die voortkomen uit de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen. De oprichting van een instantie die waakt over deze eindconclusies en gemandateerd is om hierover aanbevelingen te doen, zou dit probleem minstens gedeeltelijk kunnen oplossen.

  • De ontwikkelingen in de internationale rechtspraak en de interpretatie door comités van experts van internationale mensenrechtenverdragen die België binden worden niet systematisch opgevolgd. Dit zorgt ervoor dat een omzetting van deze evoluties in het Belgisch recht niet vanzelfsprekend is. Ook hier stelt zich het probleem van de interministeriële coördinatie en van de coördinatie tussen federale Staat, Gewesten en Gemeenschappen.

  • Er is geen overlegforum tussen de niet-gouvernementele organisaties die begaan zijn met de bevordering en de verdediging van de grondrechten en de overheid. Hierdoor worden organisaties van het middenveld vaak onvolledig of te laat geïnformeerd over de intenties van de overheid in aangelegenheden die behoren tot hun maatschappelijke opdracht. Verder ondervinden niet-gouvernementele organisaties moeilijkheden om hun bekommernissen op doeltreffende wijze kenbaar te maken aan de overheid zonder tussenkomst van de media of druk van de publieke opinie.

Om deze problemen te verhelpen, wordt een Belgische Commissie voor Grondrechten voorgesteld. De Commissie moet bijdragen aan de uitvoering door België van zijn internationale engagementen op vlak van grondrechten. Ze verzekert een systematische en regelmatige opvolging van de evolutie van het internationaal recht aangaande mensenrechten. Op basis hiervan kan de Commissie aanbevelingen doen aan de overheden en antwoorden op vragen van deze overheden over de manier waarop mensenrechtelijke verplichtingen beter uitgevoerd kunnen worden. De Commissie voorziet de overheid van onafhankelijke deskundigheid. Verder bevordert de Commissie de coördinatie van de inspanningen van de verschillende Belgische overheden om internationale verplichtingen aangaande de mensenrechten na te komen. Tot slot zorgt de Commissie ervoor dat beter rekening gehouden wordt met de standpunten van niet-gouvernementele organisaties over initiatieven die België zou moeten nemen of maatregelen die België beter niet zou nemen.


Eén van de internationale verdragen die bindend zijn voor België, is de Conventie tegen foltering en andere wrede, onmenselijke behandeling of bestraffing, aangenomen en ter ondertekening en ratificatie voorgelegd door Resolutie 39/46 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 10 december 1984. Op 18 december 2002 werd deze Conventie aangevuld met een facultatief Protocol, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar Resolutie A/RES/57/199. Dit Protocol beoogt een verbetering van de bescherming van personen beroofd van hun vrijheid tegen foltering of wrede, onmenselijke behandeling door de oprichting van niet-gerechtelijke organisaties met een preventief karakter, die regelmatig detentiecentra bezoeken. Hiertoe wordt voorzien dat elke Staat op nationaal niveau één of meerdere preventieorganen opricht, belast met het voorkomen van foltering of andere wrede, onmenselijke behandelingen. Deze nationale preventiemechanismen zijn onafhankelijk en samengesteld uit experts die denodige kennis en deskundigheid hebben. Bij de samenstelling van deze organisaties zorgen de Staten voor een evenwicht tussen de geslachten en voor een degelijke vertegenwoordiging van de etnische groepen en minderheidsgroepen in het land. Artikel 18 §4 van het Protocol van 18 december 2002 stelt dat ‘bij de samenstelling van de nationale preventieorganen, de betrokken Staten rekening moeten houden met de Principes van Parijs betreffende het statuut van nationale instellingen ter bevordering en bescherming van de mensenrechten’ zoals toegevoegd aan de resolutie A/RES/48/134 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993. Naast haar inspectieopdracht, die erin bestaat regelmatig de toestand te onderzoeken van personen beroofd van hun vrijheid die zich in gevangenschap bevinden, moet de nationale preventieorganisatie ook aanbevelingen formuleren aan de bevoegde overheden en voorstellen en observaties voorleggen over de vigerende wetgeving of met wetsvoorstellen ter zake (artikel 19, b) en c)), wat overeenkomt met de aard van de opdrachten van de instellingen voor de bevordering en bescherming van mensenrechten.

3. Het voorgestelde model
Bijlage I bevat een ontwerp van Akkoord tot samenwerking tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de Franstalige Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, met het doel een Belgische Commissie voor Grondrechten op te richten.
De Wereldconferentie voor mensenrechten erkent ‘dat het iedere Staat toekomt een kader te creëren dat het best is aangepast aan de specifieke noden op nationaal niveau’. Het hier voorgestelde model sluit vrij nauw aan bij het voorbeeld van de Ierse Commissie voor Mensenrechten, in het bijzonder wat de samenstelling betreft. Het gaat om een Commissie met een beperkt aantal leden, maar wiens investering in het werk voor de Commissie dus constanter en groter is, wat de kwaliteit van haar werk ten goede komt. Het model van een Nationale Raadgevende Commissie voor Mensenrechten zoals in Frankrijk wordt moeilijk werkbaar geacht, gezien de moeilijkheid om alle betrokken partijen in de commissie te vertegenwoordigen en de moeilijkheid van besluitvorming in een dergelijke instantie (de Nationale Raadgevende Commissie voor Mensenrechten telt 140 leden).
Het voorgestelde model beschouwt de niet-gouvernementele organisaties voor bescherming en bevordering van grondrechten als bevoorrechte partners van de Commissie, conform de Principes van Parijs (Bijlage II). Dit heeft verschillende voordelen. In de eerste plaats staan de niet-gouvernementele organisaties niet steeds voor het dilemma om ofwel als leden deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie, op het gevaar af dat ze naderhand geen kritiek meer kunnen leveren op standpunten die ze zelf ondersteund hebben, en zo een deel van hun onafhankelijkheid –die hun hoogste goed is - te verliezen, hetzij niet deel te nemen aan de werkzaamheden, op het gevaar af niet de nodige invloed te kunnen uitoefenen om de kloof te overbruggen tussen henzelf en de overige ‘officiële’ vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Ten tweede laat een formule met voortdurende raadpleging door de Commissie (door regelmatige organisatie van een forum) toe de ontwikkelingen binnen de niet-gouvernementele wereld op een soepele wijze op te volgen. Er wordt een lijst opgesteld van deze organisaties en nieuwe organisaties kunnen onmiddellijk ingeschakeld worden in het overleg. Ten derde garandeert het voorgestelde model een daadwerkelijke ‘inspraak’ aan de meest representatieve niet-gouvernementele organisaties voorkomen op de lijst die met dit doel wordt opgemaakt. Dit inspraakrecht vertaalt zich in de verplichting voor de Commissie om de standpunten die ze zal innemen vooraf openbaar te maken. Dit gebeurt na deliberatie binnen de Commissie maar vóór de definitieve goedkeuring door haar leden. De niet-gouvernementele organisaties hebben de mogelijkheid om hun opmerkingen kenbaar te maken, en krijgen hiervoor een minimum voorbereidingstijd. Tot slot worden drie van de elf leden van de Commissie verkozen op aangeven van de organisaties van het maatschappelijk middenveld, wat op zijn minst de zekerheid biedt dat de bekommernissen van de niet-gouvernementele organisaties aan bod zullen komen binnen de Commissie zelf.
De voorwaarden voor de aanwijzing en verkiezing van de leden van de Commissie houden rekening met de Principes van Parijs. Ze moeten garanderen dat de Commissie onafhankelijk is, net als haar individuele leden. Er wordt dan ook systeem van onverenigbaarheden ingesteld. Bovendien werd bij de vaststelling van de modaliteiten rekening gehouden met de federale structuur van België, aangezien de leden verkozen worden door de Senaat op voorstel van de verschillende federale, regionale en gemeenschapsregeringen.
Naast de klassieke opdrachten van een nationaal instituut ter bevordering en ter verdediging van de mensenrechten –met uitsluiting van de bevoegdheid om individuele klachten te behandelen, die in de Principes van Parijs als zuiver facultatief wordt aangemerkt -, beoogt de voorgestelde tekst om aan de Belgische Commissie voor Grondrechten de bevoegdheden toe te kennen van de nationale instelling ter preventie van foltering. België zou een dergelijke instelling moeten oprichten om te voldoen aan de vereisten van het facultatieve Protocol van 18 december 2002 tegen foltering of wrede en onmenselijke behandeling. Dit past in de filosofie die ten grondslag ligt aan de oprichting van een nationaal instituut voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder door het onpartijdig karakter van dit instituut en door de bekwaamheden waarover de leden ervan moeten beschikken. Bovendien voorziet artikel 18 §4 van het Protocol van 18 december 2002 expliciet dat het nationaal instituut ter behartiging en ter bescherming van de mensenrechten, opgericht volgens de Principes van Parijs, de functies moet kunnen waarnemen van de nationale preventieorganisatie in het kader van het voornoemde Protocol. Dit is de reden waarom artikel 2 §2, h) van de voorgestelde tekst voorziet dat, zodra dit Protocol van kracht wordt ten overstaan van België – dat deze tekst nog moet ratificeren -, de Belgische Commissie voor Grondrechten de opdrachten van de nationale preventieorganisatie toegewezen krijgt.

Bijlage 1: Samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie inzake de oprichting van een Belgische Commissie voor Grondrechten
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 92bis, § 1;

Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op artikel 55bis;

Gelet op de Verdragen die zijn geratificeerd door België en die betrekking hebben op mensenrechten, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966; het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966; het Internationaal Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1965; het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979; het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984; het Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989; het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 en zijn protocollen en het Europees Sociaal Handvest herzien in 1996;

Gelet op de Principes van Parijs betreffende het statuut en de werking van de nationale instellingen voor de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, goedgekeurd bij Resolutie 1992/54 van 3 maart 1992 van de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, anderzijds, hierna genoemd de Principes van Parijs;

Gelet op de Aanbeveling (97)14 van 30 september 1997 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa betreffende de oprichting van onafhankelijke nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten en op de Aanbeveling (97)11 van 30 september 1997 van het genoemde Comité betreffende de samenwerking tussen de nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten van de lidstaten en tussen hen en de Raad van Europa;

Gelet op het Protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen op 18 december 2002 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar Resolutie A/RES/57/199, en in het bijzonder de artikelen 17 tot 23 die de oprichting van een nationaal preventiemechanisme in elke lidstaat voorzien.

Tussen :

1. de federale Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie;

2. de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering in de persoon van haar minister-president;

3. de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering in de persoon van haar Minister-President;

4. het Waals Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering in de persoon van haar Minister-President;

5. de Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering in de persoon van haar Minister-President;

6. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering in de persoon van haar minister-president;

7. de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door het Verenigd College in de persoon van de Minister-Voorzitter van het Verenigd College;

8. De Franse Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door het College van de Franse Gemeenschapscommissie in de persoon van de Minister-Voorzitter van het College;
is op grond van hun respectieve bevoegdheden overeengekomen wat volgt:

  1   2   3   4


Dovnload 102.55 Kb.