Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorstelling en voorstel van akkoord

Dovnload 102.55 Kb.

Voorstelling en voorstel van akkoord



Pagina2/4
Datum25.10.2017
Grootte102.55 Kb.

Dovnload 102.55 Kb.
1   2   3   4

Inhoud:


HOOFDSTUK I - Structuur en samenstelling van de Belgische Commissie voor Mensenrechten (artt 1-9)

HOOFDSTUK II – Overgangsbepaling (artt. 10-11)

HOOFDSTUK III – Slotbepalingen (artt 12-13)

HOOFDSTUK I. - Structuur en samenstelling van de Belgische Commissie voor Grondrechten

Artikel 1. Er wordt een Belgische Commissie voor Grondrechten opgericht conform Principes van Parijs, hierna Commissie genaamd.


Art. 2.

1. De Commissie wordt bekleed met de bevoegdheid voor de bescherming en bevordering van grondrechten; haar mandaat strekt zich uit tot alle kwesties die betrekking hebben op de grondrechten zoals gedefinieerd in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en de internationale instrumenten voor de bescherming van mensenrechten die daaruit voortvloeien.

2. Overeenkomstig de Principes van Parijs heeft de Commissie, onder andere, de volgende taken:

a) De Commissie verstrekt ten raadgevende titel adviezen, aanbevelingen en rapporten met betrekking tot de bevordering en bescherming van de grondrechten aan de federale Regering, de Regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten, aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan de Senaat, aan de Parlementen van de Gemeenschappen en de Gewesten, en aan elk ander bevoegd orgaan, op hun verzoek of op eigen initiatief. Deze adviezen, aanbevelingen en rapporten kunnen betrekking hebben op:

i) alle wetgevende en administratieve bepalingen. Hiertoe onderzoekt de Commissie de van kracht zijnde wetgeving en administratieve teksten en de wetsvoorstellen en wetsontwerpen, en doet aanbevelingen om te verzekeren dat deze teksten de principes van de grondrechten respecteren in het licht van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de internationale verdragen met betrekking tot de mensenrechten waarbij België partij is en de principes van onderlinge verbondenheid en ondeelbaarheid van burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten. Indien nodig beveelt ze aan dat nieuwe wetgeving wordt aangenomen, dat de bestaande wetgeving wordt aangepast, of dat administratieve maatregelen worden aangenomen of gewijzigd;

ii) ontwerpen van internationale verdragen en protocollen, voor zover deze betrekking hebben op grondrechten;

iii) de toestand van de grondrechten in het algemeen alsook meer specifieke vraagstukken met betrekking tot grondrechten die tot de Belgische rechtsmacht behoren;

iv) elke situatie waarin de grondrechten geschonden worden en die onder de Belgische rechtsmacht valt, om deze te beëindigen.

De Commissie kan besluiten om haar adviezen, aanbevelingen en rapporten openbaar te maken en kan de eerder genoemde overheden vragen om schriftelijke uitleg te verschaffen over de opvolging van haar adviezen, aanbevelingen en rapporten.

b) De Commissie onderzoekt en ziet toe op de uitvoeringsmaatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de beslissingen, suggesties en aanbevelingen gericht aan de Belgische Staat door de de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, van de organen die opgericht zijn in verdragen die gesloten werden in het kader van de Verenigde Naties en de gerechten of organen gecreëerd door verdragen gesloten binnen de Raad van Europa en die betrekking hebben op grondrechten zoals gedefinieerd in het eerste lid van dit artikel. In dit verband kan ze niet-bindende voorstellen en aanbevelingen doen aan de overheden genoemd in artikel 2 § 2 a) en kan ze ontmoetingen organiseren tussen deze overheden en de organisaties van het maatschappelijk middenveld die begaan zijn met de beslissingen, suggesties en aanbevelingen van deze gerechten en organen.

c) De commissie stimuleert elk initiatief tot sensibilisering van de publieke opinie over de grondrechten, meer bepaald door informatie en onderwijs. Hiertoe kan ze beroep doen op de pers en de niet-gouvernementele organisaties voor de verdediging van mensenrechten ondersteunen.

d) De Commissie stimuleert overleg en permanente uitwisseling van informatie tussen de instanties bedoeld in artikel 2 § 2a) onderling en tussen deze instanties en de organisaties van het middenveld die begaan zijn met de bevordering en bescherming van de grondrechten.


e) De Commissie werkt samen met de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de nationale instellingen voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten van andere landen.

f) De Commissie gaat elke nuttige samenwerking aan met overheidsdiensten die de bescherming en bevordering van grondrechten tot doel hebben over alle zaken die tot de bevoegdheid van deze diensten behoren.

g) De Commissie vormt het nationaal preventiemechanisme voorzien in de artt 17 tot 23 van het Protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Overeenkomstig deze bepalingen onderzoekt de Commissie regelmatig de toestand van personen die van hun vrijheid beroofd zijn en zich bevinden op om het even welke plaats die valt onder de rechtsmacht of controle van België waar zich personen bevinden of zouden kunnen bevinden die van hun vrijheid beroofd zijn op bevel van een openbare overheid of op haar aanraden, of met haar uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming, met de bedoeling hen een betere bescherming te bieden tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; ze formuleert aanbevelingen ten aanzien van de bevoegde instanties teneinde de behandeling en de situatie van personen die van hun vrijheid beroofd zijn te verbeteren en foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te voorkomen, rekening houdend met de relevante normen van de Verenigde Naties; ze formuleert voorstellen en commentaren met betrekking tot de van kracht zijnde wetgeving en wetsontwerpen over deze materie.

3. Om de Commissie in staat te stellen de taken omschreven in artikel 2§2 g) uit te voeren, verbinden de partijen bij dit Akkoord zich ertoe haar toe te kennen wat volgt:

a) toegang tot alle informatie betreffende het aantal personen die van hun vrijheid beroofd zijn en zich in detentiecentra bevinden, het aantal detentiecentra en hun locatie;

b) toegang tot alle informatie met betrekking tot de behandeling van deze personen en de omstandigheden van hun detentie;

c) toegang tot alle detentiecentra, hun inrichtingen en voorzieningen;

d) de mogelijkheid om een persoonlijk onderhoud te hebben met personen die van hun vrijheid beroofd zijn, zonder getuigen, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een tolk indien dit nodig blijkt, en met elke andere persoon waarvan de Commissie denkt dat ze relevante informatie kan verschaffen;

e) de vrijheid om te beslissen welke plaatsen ze zal bezoeken en welke personen ze zal ontmoeten;

f) het recht om contacten te onderhouden met het Subcomité voor preventie, opgericht conform de artt. 5 tot 10 van het Protocol bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het informatie te verschaffen en het te ontmoeten.


Art. 3.

1. De Commissie is samengesteld uit elf stemgerechtigde leden die elk een plaatsvervang(st)er hebben. De leden en hun plaatsvervang(st)ers zijn personen die getuigen van een grote moraliteit en bewezen bekwaamheid op het domein van grondrechten. Bij hun aanwijzing wordt rekening gehouden met hun kennis van, hun ervaring in en het belang dat zij hechten aan de materie van de grondrechten.

2. De hoedanigheid van lid of plaatsvervangend lid van de Belgische Commissie voor Grondrechten is onverenigbaar met de uitoefening van een politiek mandaat alsook met de uitoefening van elke andere functie in overheidsdienst. De leden van de Commissie oefenen hun functie halftijds uit. Ze worden bezoldigd. De plaatsvervangende leden worden bezoldigd in functie van hun werkelijke prestaties.

3. Het mandaat van de leden van de Commissie heeft een duur van drie jaar en kan één maal worden hernieuwd.

4. De aanwijzing van de leden en hun plaatsvervangers gebeurt als volgt:

a) De Senaat wijst één lid en één plaatsvervangend lid aan uit elk van de lijsten van twee kandidaat leden en twee kandidaat-plaatsvervangende leden voorgesteld door de Regering van de Franse Gemeenschap, de Regering van het Waals Gewest, de Regering van de Duitstalige Gemeenschap en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, en twee leden en twee plaatsvervangende leden van elke lijst van vier kandidaat-leden en vier kandidaat-plaatsvervangende leden voorgesteld door de federale Regering en de Vlaamse Regering

b) De Senaat wijst eveneens drie leden en drie plaatsvervangende leden aan uit de lijst van zes kandidaat-leden en zes kandidaat-plaatsvervangende leden voorgesteld door de organisaties van het maatschappelijk middenveld die begaan zijn met bevordering en bescherming van de mensenrechten en voorkomen op de lijst bedoeld in artikel 5§2.

Voor de eerste verkiezing van de leden van de Commissie worden de leden en de plaatsvervangende leden, verkozen in naam van de organisaties van het maatschappelijk middenveld die begaan zijn met de promotie en bescherming van de grondrechten vertegenwoordigen, verkozen door de Senaat op basis van voorstellen van niet-gouvernementele organisaties die begaan zijn met de bescherming of bevordering van de mensenrechten.

Op straffe van onontvankelijkheid mogen de lijsten van kandidaat-leden en kandidaat-plaatsvervangende leden voor niet meer dan twee derden uit personen van hetzelfde geslacht bestaan. Bij de verkiezing van de leden en plaatsvervangende leden van de Commissie houdt de Senaat rekening met de noodzaak om een evenwichtige vertegenwoordiging van beide geslachten in de Commissie te verzekeren.

5. De Commissie verkiest onder haar leden een voorzit(s)ter. De voorzit(s)ter moet voldoende kennis hebben van het Nederlands en het Frans.

De Commissie verkiest eveneens onder haar leden twee vice-voorzit(s)ters van de Commissie. Minstens één vice-voorzit(s)ter moet van een ander geslacht zijn als de voorzit(s)ter.

De mandaten van voorzit(s)ter en vice-voorzit(s)ter hebben een duur van drie jaar en kunnen één maal hernieuwd worden.

6. De leden van de Commissie zetelen ten individuelen titel. Ze nemen adviezen, aanbevelingen en rapporten aan in alle onafhankelijkheid.

7. Bij de Commissie wordt een Secretariaat opgericht, dat door de Commissie wordt belast met technische en administratieve taken.


Artikel 4.

1. Zoveel als mogelijk neemt de Commissie adviezen, aanbevelingen en rapporten gericht aan de overheden vermeld in artikel 2§2 a) aan via consensus onder de leden. Bij gebreke aan consensus kunnen de adviezen, aanbevelingen en rapporten met een gewone meerderheid van stemmen aangenomen worden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

2. Indien één van de leden niet deel kan nemen aan de goedkeuring van een advies, aanbeveling of rapport, wordt deze vervangen door zijn plaatsvervanger. Indien noch het verhinderde lid, noch zijn plaatsvervanger kan deelnemen aan de goedkeuring van een advies, aanbeveling of rapport, belet dit de goedkeuring van het advies, de aanbeveling of het rapport door de Commissie niet, op voorwaarde dat minstens zes leden of plaatsvervangers deel konden nemen aan deze goedkeuring.
Artikel 5.

1. De organisaties van het maatschappelijk middenveld die begaan zijn met de bevordering en bescherming van de grondrechten, volgens de Principes van Parijs, dragen bij tot het werk van de Commissie via de raadplegingen die deze organiseert vóór ze adviezen, aanbevelingen of rapporten goedkeurt.

2. Hiertoe raadpleegt de Commissie regelmatig de organisaties van het maatschappelijk middenveld. Bij deze raadplegingen kunnen alle niet-gouvernementele organisaties vertegenwoordigd zijn die begaan zijn met de bevordering en de bescherming van de mensenrechten en voorkomen op een lijst hiertoe opgemaakt door de Commissie. Alvorens een organisatie aan de lijst toe te voegen, kan de Commissie vragen dat de organisatie bewijs levert van effectieve en duurzame activiteit op het gebied van grondrechten. De Commissie kan oordelen dat een organisatie niet langer voldoet aan de voorwaarden om op de lijst voor te mogen komen. De Commissie organiseert minstens twee raadplegingen per jaar.

3. De Commissie organiseert een raadpleging met de organisaties die op de lijst, bedoeld in de vorige alinea, voorkomen vóór ze een tekst goedkeurt. De Commissie maakt de ontwerpteksten die ze voornemens is goed te keuren op voorhand publiek, tenminste één maand voor de raadpleging die over het ontwerp georganiseerd wordt. Deze termijn kan bij hoogdringendheid verkort worden tot vijf dagen.

4.De niet-gouvernementele organisaties die voorkomen op de lijst, bedoeld in de tweede paragraaf van dit artikel, kunnen de Commissie ten allen tijde raadplegen over elke zaak die betrekking heeft op de bevordering en bescherming van de grondrechten in de zin van artikel 2§2 a).
Artikel 6. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Artikel 7. De Commissie publiceert jaarlijks een verslag betreffende haar werkzaamheden en de aanwending van de haar ter beschikking gestelde middelen. Dit wordt opgemaakt in de drie landstalen en overgemaakt aan de overheden vermeld in artikel 2 § 2 a).
Artikel 8. De Commissie wordt gesubsidieerd door alle overheden vermeld in artikel 2 § 2 a). Elk jaar wordt het budget voorgesteld door de voorzitter, na goedkeuring ervan door de stemgerechtigde leden.

De bedragen worden op volgende wijze verdeeld:

…% ten laste van de Federale Staat;

…% ten laste van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest;

…% ten laste van de Franse Gemeenschap;

…% ten laste van het Waals Gewest;

…% ten laste van de Duitstalige Gemeenschap;

…% ten laste van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

…% ten laste van de Franse Gemeenschapscommissie;

…% ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;

De bedragen worden uitbetaald aan de Commissie, vóór 15 januari van het jaar waarop ze betrekking hebben.


1   2   3   4


Dovnload 102.55 Kb.