Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorwoord Aan de lezer

Dovnload 52.35 Kb.

Voorwoord Aan de lezer



Datum10.06.2018
Grootte52.35 Kb.

Dovnload 52.35 Kb.


De zorgvisie van 2 x 7



September 2001


Voorwoord

Aan de lezer




Er waren eens…..

Veertien kinderen en achtentwintig ouders. Allemaal waren ze anders. De kinderen hadden één ding gemeen: ze waren allemaal verstandelijk gehandicapt. De kinderen werden ouder. Hun ouders gingen steeds vaker denken over de toekomst: waar konden hun kinderen later wonen en wie zou er later voor hen zorgen?


De ouders gingen af en toe bij elkaar zitten en praatten en praatten. Ze hadden het over gebouwen en plaatsen waar hun kinderen zouden kunnen wonen, wie zou kunnen bouwen en hoe zij dat konden betalen. Natuurlijk hadden ze het ook over de verzorging en begeleiding van hun kinderen, wie dat zou kunnen doen en met welk geld. De stenen waren hard en hadden een duidelijke vorm, maar de zorgende handen: hoe zagen die eruit, wat deden ze en wat deden ze niet? Dat was veel moeilijker. Na twee jaar vonden ze dat dit duidelijker moest worden. Ze vroegen iemand hen te helpen bij het op papier zetten van hun dromen.
Maar ja, er waren achtentwintig dromen en ook nog veertien dromen van de kinderen ergens ver weg. Elke ouder schreef al zijn of haar kleine en grote dromen op gele stickertjes: over vrijheid en beperkingen, over huisregels, hobby’s, het huis en de tuin, relaties en seks, enzovoort. Een heel lange muur hing vol met wel tweehonderd stickertjes. Hoewel veel van de ouders elkaar al kenden, waren zij soms toch verbaasd over elkaars dromen. Nu wisten ze al een beetje wat iedereen in zijn hoofd had.
Daarna ging elk ouderpaar thuis met z’n tweeën praten. Dat moest ook wel, want elk ouderpaar moest samen één vragenlijst invullen. En sommige vragen waren helemaal niet zo makkelijk. Zoals bijvoorbeeld: Wat is een goede sfeer in huis? Wat doen de kinderen samen, wat alleen? Wat zijn goede zorgende handen? Wat is het recht van spreken van de kinderen, de begeleiding, de ouders?

Het gekke was, dat zelfs de ouders af en toe opkeken van elkaars ideeën en meningen. Zo gericht hadden zij nog niet eerder samen over de toekomst van hun kind gepraat. Zo werd alles nóg duidelijker.


Uit al die antwoorden op die vragenlijsten werd een gezamenlijke droom gemaakt. Over de meeste dingen waren ze het vrij snel eens. Over een paar dingen moesten de ouders nog verder praten. Bijvoorbeeld over: in wat voor groep voelt mijn kind zich het prettigst? Hoe groot moet die groep zijn waar mijn kind samen mee in huis woont? Bij wat voor mensen voelt mijn kind zich het lekkerst? Ook daar werden ze het samen over eens en leerden elkaar nog beter kennen. En ze hoorden veel over elkaars kinderen, hun plezier en hun verdriet. Langzamerhand ontstond er één droom.
Er zijn…..

Achtentwintig ouders met één droom die zij prettig vinden om te koesteren. En dat niet alleen. Het is makkelijker met één droom zorgers en bouwers te motiveren dan met achtentwintig plus veertien. Zo hebben de ouders meer vertrouwen in de toekomst gekregen: het gaat lukken met mijn kind in deze groep, met deze ouders samen. En dat is prettig, want er zijn al genoeg onzekerheden. Met deze droom zal het makkelijker zijn de kinderen straks los te laten en te accepteren dat het nu eenmaal is zoals het is.


Er zullen zijn…..

Veertien kinderen met één droom. En zij zullen samen met hun begeleiders en hun ouders die droom werkelijkheid maken: dan hebben zij in een veilig, gezellig, vertrouwd en geborgen thuis.


Karin Viets

De zorgvisie van 2x7

INHOUDSOPGAVE


Inleiding


Hoofdstuk 1 Uitgangspunten in de visie op zorg.
1.1 Doelstelling van het project

1.2 Mensvisie

1.3 Visie op mensen met een verstandelijke handicap

1.4 Begeleidingsklimaat


Hoofdstuk 2 Wonen
2.1 Een (t)huis voor onze kinderen

2.2 Groepsgrootte en samenstelling

2.3 Huisregels
Hoofdstuk 3 Arbeid en vrijetijdsbesteding
3.1 Arbeid

3.2 Vrijetijdsbesteding


Hoofdstuk 4 Posities en rollen.
4.1 De positie van de toekomstige bewoners

4.2 De positie van de ouders

4.3 De positie van de begeleiders

4.4 De positie van de ouders t.o.v. de financiering en inkoop van de zorg




Inleiding
Voor u ligt de visie op zorg van het project “2 x 7”. Dit project is ontstaan vanuit een groep van 14 ouderparen van wie de meeste kinderen op de Liduinaschool (school voor zeer moeilijk lerende kinderen)in Breda zitten. Deze groep ouders heeft het initiatief genomen om de mogelijkheden voor het opzetten van een woonproject voor hun kinderen te onderzoeken. Het doel daarvan is om binnen enkele jaren een woonsituatie voor hun kinderen, jong volwassenen met een matige verstandelijke handicap, te creëren.

In deze notitie willen wij als ouders van de toekomstige bewoners van het woonproject onze wensen, verwachtingen en hoop beschrijven in de vorm van een visie op het project.


We beseffen dat we op dit moment vooral de visie van onszelf als ouders beschrijven.

Deze werkwijze laat zich op dit moment als volgt rechtvaardigen:

Vanuit de relatie met ons kind en het door de jaren heen verkregen inzicht in zijn of haar behoeften, hebben we dit initiatief opgestart. We hebben daarbij als ouders de stellige overtuiging dat we de meningen, wensen en verwachtingen van onze kinderen in de visie verankerd hebben.

Daarnaast zijn de opzet, de organisatie en de financiering van het project van een zodanige complexiteit dat de verantwoordelijkheid daarvoor in deze fase alleen maar bij de ouders gelegd kan worden.

Zodra het project werkelijk draait, zullen we ons opnieuw op de visie op zorg beraden, maar dan met een veel grotere inbreng vanuit onze kinderen, de toekomstige bewoners van het project.

We denken dat de keuze voor deze procesgang de meeste waarborgen in zich heeft voor het welslagen van het project. Een project dat uiteindelijk moet leiden tot een woonsituatie, met daaraan gekoppeld een 24-uurs begeleiding, waarin onze kinderen zoveel mogelijk zelf hun verwachtingen, wensen en toekomstidealen kunnen verwezenlijken.

Deze visie is een leidraad voor de verdere vormgeving van het project. We hebben ervoor gekozen om eerst een visie te ontwikkelen. Het proces dat geleid heeft tot deze gezamenlijke visie, heeft ons de mogelijkheid gegeven te onderzoeken of wij als groep ouders voldoende basis hebben om samen een woonproject vorm te geven. Daarmee vergroten we de kans dat we ook in de toekomst als eenheid door kunnen gaan.
Onze wens om vraaggestuurde zorg voor onze kinderen te kunnen regelen, vraagt vanaf het begin af aan om helderheid over wat wij wezenlijk vragen. Door voorafgaand aan de definitieve keuze voor de bouw duidelijkheid te hebben over de opzet, de vormgeving en de verdere realisatie van het project kunnen we aan een ieder duidelijk maken wat we wezenlijk vragen. Dit versterkt ons inziens ook onze positie in gesprekken en onderhandelingen met onder andere woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, sponsors en andere gesprekspartners.
Naast de noodzakelijke positieversterking geeft het ons de mogelijkheid om vanuit de zorgvisie gericht te kunnen gaan bouwen: het geeft ons handvatten voor een goed programma van eisen waarmee een architect aan de slag kan. De zorgvisie is daarin niet alleen bepalend voor de vraag hoe er gebouwd moet worden , maar ook voor waar er gebouwd moet worden.

De zorgvisie maakt het ook mogelijk om uitgaande van deze visie en de individuele zorgbehoeften van onze kinderen, een profielschets te maken van de toekomstige personeelsleden die de zorg gaan verlenen.

De keuze om eerst een visie te ontwikkelen vinden we heel belangrijk. We beseften ook dat we in dit proces begeleiding nodig hadden. Voor de financiering van de begeleiding van dit proces hebben we subsidie aangevraagd bij het ministerie van V.R.O.M. We zijn blij dat deze subsidie, vanuit de Woonzorgstimuleringsregeling, is toegewezen.
In het proces van het ontwikkelen en beschrijven van een gezamenlijke visie hebben we de begeleiding van dit proces in handen gegeven van Monique Beukers, sectorhoofd tijdelijke zorgverlening van Sensis, locatie De Blauwe Kamer. Zij heeft onze verschillende meningen en ideeën verzameld, geanalyseerd en beschreven in deze gezamenlijk visie.

Daarnaast krijgen we ook veel ondersteuning van de SPD Breda, in de persoon van Angela Backx en Nina Bastiaans. Zij begeleiden en ondersteunen het totale proces vanuit de afdeling woonintegratie.

Enkele medewerk(st)ers van Sensis, (Rob Willers, Annie van Gurp en Mirjam Wagemakers) hebben, vanuit hun enthousiasme voor dit project, als zeer actieve klankbordgroep gefungeerd.

Wij zijn hen allen zeer dankbaar voor hun enthousiaste en deskundige inzet en betrokkenheid.


Breda, 28 augustus 2001
Hoofdstuk 1 Uitgangspunten in de visie op zorg

In dit hoofdstuk willen wij de fundamenten beschrijven waarop het project gebaseerd wordt.

De doelstelling die wij hebben met dit project, onze mensvisie en meer specifiek onze visie op mensen met een verstandelijke handicap en het begeleidingsklimaat dat wij willen creëren voor onze kinderen. Daarmee zetten we de basis neer voor de verdere vormgeving en uitvoering van dit project.

1.1 Doelstelling van het project
Als wij naar de toekomst van onze kinderen kijken, dan beseffen we dat hun verstandelijke handicap het hen niet mogelijk maakt om volledig zelfstandig te gaan wonen. Toch ontstaat, nu zij qua leeftijd aan het begin van de volwassenheid staan, zowel bij hen als bij ons de behoefte om los van hun ouderlijk huis op zichzelf te gaan wonen.

Middels het realiseren van een kleinschalige woonvoorziening willen we voor hen een eigen plekje creëren waar ze met gebruikmaking van hun mogelijkheden en respect voor hun beperkingen een veilig, gezellig, vertrouwd en geborgen thuis vinden. Samen met bekenden en vrienden, die zij al lange tijd kennen van school, hun ontwikkelingskansen ten volle benutten. Zoveel mogelijk midden in het leven staan zonder daarbij (alleen) afhankelijk te zijn van hun ouders. Een plek realiseren waar zij in harmonie en gezondheid met elkaar en hun omgeving kunnen samenleven.


Door deze woonvorm, inclusief de daarbij horende 24-uurs begeleiding, zelf als ouders op te zetten, willen we hen een optimale start geven in hun zelfstandige leven. Kleinschalig zodat de persoonlijke wensen van zowel de toekomstige bewoners als van onszelf als ouders zoveel mogelijk meegenomen worden. Een investering naar de toekomst, waarbij wij de zorg voor ons kind steeds meer kunnen gaan delen en voor een stuk ook overlaten aan de begeleiders. Met een gerust hart weg kunnen gaan, wetende dat onze kinderen nu en in de toekomst een eigen plekje hebben van waaruit zij hun leven kunnen leven, waar zij thuis horen, ook als wij als ouders ooit wegvallen.

1.2 Mensvisie.


Ieder mens is uniek met al zijn talenten, mogelijkheden en beperkingen. Ieder mens is op zoek naar de voor hem of haar ideale levensinvulling. Met gebruikmaking van zijn of haar talenten en mogelijkheden en rekening houdend met of compensaties zoekend voor zijn of haar beperkingen zoekt een ieder zijn weg in het leven.

Ieder mens leeft ook in relatie tot anderen. Is samen met anderen verantwoordelijk voor zichzelf en voor de ander. Dat samen leven en verantwoordelijk zijn voor elkaar vraagt om een respectvolle houding naar de medemens en de omgeving. Dit geldt zowel voor iemands talenten en beperkingen als voor geloofsovertuiging en cultuur van herkomst.

We leven in een pluriforme samenleving waarin ieder individu uniek en volwaardig is.
1.3 Visie op mensen met een verstandelijke handicap.
De in onze mensvisie beschreven uitgangspunten gelden vanzelfsprekend ook voor mensen met een verstandelijke handicap. Het zijn unieke, volwaardige mensen met hun eigen mogelijkheden, talenten en beperkingen. Zij vragen wel onze bijzondere aandacht en zorg.

Het ontwikkelen van hun talenten en mogelijkheden en het leren omgaan met hun beperkingen vraagt een grotere investering van de medemensen om hen heen.

Het vraagt om een open en eerlijke benadering waarin ruimte is voor ieders eigenheid en waarin beperkingen niet vragen om een betuttelende en verantwoordelijkheid overnemende houding, maar om het samen zoeken naar een goed evenwicht tussen ondersteuning waar nodig en zelf hun eigen weg zoeken.

Tegelijkertijd vraagt het ook om het voorkomen van overschatting van hun mogelijkheden. Alhoewel niet altijd aan de buitenkant te zien, hebben sommigen van hen moeite met de eisen die in onze samenleving worden gesteld. Niet de gebruikelijke normen en waarden moeten dan uitgangspunt zijn, maar de omstandigheden die voor ieder individu noodzakelijk zijn om die unieke persoon zijn eigen leven in de wereld, in zijn of haar eigen tempo te laten leven. Een volwaardig burger die op basis van gelijkwaardigheid zijn of haar eigen weg in het leven zoekt.


1.4 Begeleidingsklimaat.


De begeleiding van onze kinderen in hun nieuwe woonsituatie vraagt om een bepaald begeleidingsklimaat. Hierin willen we met elkaar een aantal uitgangspunten vastleggen die de basis vormen voor de algemene sfeer en begeleiding binnen de woonsituatie. Deze algemene uitgangspunten krijgen hun vertaalslag naar het individuele begeleidingsplan dat in samenspraak tussen de ouders, de individuele bewoner en de begeleiders wordt opgesteld. Dit individuele plan vormt de basis voor de omgang met en begeleiding van het individu.

Voor het algemene begeleidingsklimaat willen we de volgende uitgangspunten hanteren.

We willen een begeleidingsklimaat creëren dat uitnodigt tot grensverleggen en stimuleren van de persoonlijke ontwikkeling. Een klimaat waarin aandacht en respect is voor ieders persoonlijkheid, voor de vrijheid van het individu, voor plezier in het zijn.

Een klimaat waar ook aandacht is voor de ander, gemeenschapszin gestimuleerd wordt in de zin van gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de sfeer in huis, iets over hebben voor de ander, samen dingen kunnen doen.

Een sfeer die geborgenheid en warmte uitstraalt, waar ruimte is voor een aai over de bol, even geen verplichtingen, lekker niets kunnen doen.

Een klimaat waar vrijheid uitgangspunt is maar waar tegelijkertijd, waar nodig, ook een bepaald ritme en een bepaalde regelmaat als basisstructuur aanwezig zijn.

Een sfeer waarin de relatie tot elkaar, tot ouders, broers en zussen en tot vrienden in en buiten het huis de ruimte krijgt om zich verder te ontwikkelen.
Zowel voor bovengenoemde vriendschapsrelaties als voor partnerrelaties geldt dat deze als een belangrijke waarde in het leven worden gezien. De beleving van genegenheid, liefde, intimiteit, vriendschap, respect en waardering geeft de mogelijkheid uit te groeien tot een gelukkig mens.

Een belangrijk aspect bij partnerrelaties kan de beleving van de seksualiteit zijn. Seksualiteit is een wezenlijk onderdeel van het menszijn. Het gaat hierbij niet alleen om voortplanting en erotiek maar evenzeer om de beleving van geborgenheid, tederheid en liefde. Positieve gevoelens tussen gelijkwaardige partners moeten met respect voor de eigen uitingsvorm begeleid worden. Tegelijkertijd is het van belang om bewoners te beschermen tegen ongelijkwaardige seksuele toenaderingen. De wijze van omgaan met en het waar nodig begeleiden van seksuele relaties wordt , net als alle andere individuele afspraken, besproken en vastgelegd in het individuele begeleidingsplan.



Hoofdstuk 2 Wonen

In dit hoofdstuk zullen wij een beschrijving geven van het huis en het thuis dat wij willen neerzetten voor onze kinderen. Wij besteden daarbij aandacht aan de woning zelf, de sfeer en inrichting, de groepsgrootte en samenstelling en de wijze waarop wij met de huisregels die in de gezamenlijk gevoerde huishouding nodig zijn om willen gaan.

2.1 Een (t)huis voor onze kinderen.
Wonen betekent in de eerste plaats een “thuis” hebben. Een omgeving waar je je op je gemak voelt, waar je geaccepteerd en gewaardeerd wordt om wie je bent, waar je de noodzakelijke geborgenheid en warmte vindt. Een plek die je zelf vorm en inhoud geeft, van waaruit ervaringen kunnen worden opgedaan en waar je ook telkens weer de rust en aandacht vindt die je nodig hebt. Een plek waar je je wezenlijk “thuis” voelt.
De basis voor dit thuis wordt mede gevormd door het huis en de omgeving waar het huis in staat. .

De keuze om een gezamenlijke woning op te zetten betekent niet dat alles gemeenschappelijk hoeft te zijn. We willen een huis neerzetten waarin de individuele woonplek een belangrijke plaats in neemt. Voor ieder individu een eigen “appartement” waarin alle voorzieningen zoals een zit en slaapkamer (gescheiden van elkaar), een douche, toilet en keukenblok aanwezig zijn. Daarnaast een aantal gemeenschappelijke ruimtes. Een huiskamer die voldoende ruimte biedt om elkaar te ontmoeten, feestjes te bouwen, tv te kijken etc. Een grote keuken waarin gezamenlijk gekookt en gegeten kan worden. Een ruimte waar hobby’s een plaats kunnen krijgen, een logeerkamer waar vrienden of familie kunnen blijven slapen en een aantal ruimtes voor de huishouding zoals een berging, een ruimte om de was en de strijk te doen etcetera.

De indeling van het huis is zodanig dat het overzichtelijk is en berekend op rolstoelgebruikers en overige bijkomende handicaps. De gemeenschappelijke ruimtes zijn makkelijk te bereiken vanuit de individuele appartementen. De individuele appartementen hebben een eigen voordeur die uitkomt op de gemeenschappelijke ruimtes.

Het huis is qua architectuur opgenomen in zijn omgeving en wordt omgeven door een ruime tuin waarin voldoende plaats is voor spel, huisdieren en een schuur.

De ideale plaats voor dit huis ligt in (de omgeving van ) Breda, in een rustige wijk , dichtbij openbare voorzieningen zoals openbaar vervoer, winkels, bibliotheek en gemeenschapshuis en dichtbij groenvoorzieningen of een speeltuin. Deze voorzieningen moeten bereikbaar zijn zonder drukke verkeersaders over te moeten steken.

In de wijk is een draagvlak aanwezig voor dit woonproject.

Qua inrichting van het huis zal er veel aandacht zijn voor een vrolijke, warme en op de toekomstige bewoners toegesneden sfeer. Een inrichting waar zij zelf een grote stempel op kunnen drukken. Zowel in hun eigen “appartement” als in de gemeenschappelijke ruimtes.

2.2 Groepsgrootte en samenstelling
De sfeer binnen de woning zal ook voor een belangrijk deel bepaald worden door de samenstelling van de groep en de grootte van de groep.

Wij streven naar een samenstelling waarbij mensen zich op hun gemak voelen bij elkaar en in de groep. Centraal uitgangspunt voor de samenstelling van de groepen is dat de bewoners als mens bij elkaar passen en dat niet de soort of de mate van de handicap dit bepaalt.

Qua grootte betekent dit voor de één een kleine groep, voor de ander juist veel mensen om zich heen. Wij vinden het belangrijk dat er enerzijds ruimte is voor een kleine intieme sfeer waarin mensen rust vinden en zichzelf kunnen zijn terwijl we aan de andere kant de gemeenschapszin willen bevorderen en ruimte willen geven voor de ontmoeting met de anderen. Zowel in de samenstelling van de groepen als in de bouw moet dit tot uiting komen.

Dit betekent dat, afhankelijk van de individuele behoeften van de 14 bewoners, een samenstelling gemaakt zal worden in subgroepen. De grootte van die groepen kan daarbij variëren van 4 tot 10 bewoners.

Daarmee creëren we de ruimte voor een ieder om een eigen plekje te vinden in ofwel een wat grotere, ofwel in een wat kleinere woongroep.

Naast de grootte van de groep vinden we het belangrijk dat de bewoners die samen in een groep komen te wonen elkaar ook echt liggen. Het verschil tussen gewoon vrienden zijn en werkelijk met elkaar samenwonen vraagt om wezenlijk bij elkaar passen als mens. Daarom willen we ook geen vaste uitgangspunten hanteren in de mate waarin de samenstelling van de groepen heterogeen of homogeen moet zijn. We willen kijken naar de meerwaarde die mensen ten opzichte van elkaar kunnen hebben in een groep. Meerwaarde in de zin van aanvullend zijn ten opzichte van elkaars begeleidingsbehoefte, levensritme, communicatiebehoeften, belangstellingsgebieden, interesses en karaktereigenschappen. Bij elkaar passen betekent niet per definitie hetzelfde zijn maar juist een aanvulling vormen op elkaar. We gaan er daarbij vanuit dat een bepaalde variatie juist gunstig is voor zowel de groepsdynamiek als voor het elkaar aanvullen, helpen en stimuleren.

In de praktijk betekent dit dat we, uitgaande van de eerste groep bewoners, de groepssamenstelling zullen maken. Uitgaande van het inzicht dat we zelf als ouders hebben in onze kinderen zullen we daarbij deskundigen betrekken. Enerzijds mensen die ervaring hebben met het samenstellen van groepen en anderzijds mensen die onze kinderen kennen vanuit de onderwijssituatie, de vrijetijdsclubs etc.

Indien er, om wat voor reden dan ook, open plaatsen komen, dan zal er een profiel voor een nieuwe bewoner opgesteld worden aan de hand van de dan open vallende plaats. De opvolger hoeft daarbij niet te voldoen aan alle kenmerken van de vertrekkende bewoner, maar moet opnieuw wezenlijk passen bij de andere bewoners.

Ook moet het eerder genoemde centrale uitgangspunt leidraad zijn voor de keuze om al dan niet in dit project te komen wonen. Het is ook leidraad voor zowel de opnamecriteria als de contra-indicaties voor deelname aan dit project. Deze uitgangspunten zullen nog uitgewerkt worden naar de consequenties voor de opnameprocedure.
2.3 Huisregels
Het samen wonen in een huis vraagt om een gezamenlijke huishouding en een aantal huisregels.

In de huishouding willen we als uitgangspunt hanteren dat een ieder naar vermogen een steentje bijdraagt aan de huishouding. Afhankelijk van ieders mogelijkheden, wordt al dan niet onder begeleiding, meegeholpen met het koken, de was, de strijk, het onderhouden van de tuin etcetera. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met de belastbaarheid. Iedere bewoner heeft een al dan niet volledige werkweek buitenshuis. De gezamenlijke huishoudelijke activiteiten mogen niet een groot gedeelte van de vrije tijd in beslag nemen.

Voor de eigen woonruimtes geldt dat een ieder die zelf, ondersteund door begeleiders, schoonmaakt en opruimt.
Naast de gezamenlijke huishouding vraagt het samen gebruik maken van een huis ook om een aantal huisregels om het samen wonen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Uitgangspunt bij die huisregels moet ons inziens zijn dat er zo min mogelijk regels worden opgesteld. Alleen die regels die nodig zijn om de veiligheid en het welbevinden van de bewoners van het huis te garanderen worden ingesteld. Het individuele begeleidingsplan is basis voor de ruimte , de structuur en de afspraken met het individu.

De huisregels die opgesteld worden zijn wel bindend voor alle bewoners.

Te denken valt aan afspraken omtrent (overlast door) muziek, roken, de bijdrage aan de gemeenschappelijke huishouding, het op de hoogte zijn van aan- of afwezigheid van bewoners, het verzorgen en omgaan met huisdieren, het omgaan met conflicten en ruzie, de omgang met privé-eigendommen en de bescherming tegen inbraak etc.

De huisregels worden in onderling overleg tussen bewoners, ouders en begeleiders opgesteld.



Hoofdstuk 3 Arbeid en vrijetijdsbesteding


In dit hoofdstuk willen wij nader ingaan op de rol van arbeid en vrijetijdsbesteding. Alhoewel het vinden van een passende werkkring niet binnen het project valt, willen we toch graag iets zeggen over de rol van deze twee gebieden in het leven van onze kinderen.


3.1 Arbeid
Het leven bestaat naast wonen en recreëren ook uit werken. Arbeid neemt een belangrijke plaats in het leven in. Arbeid betekent een stuk zingeving, erbij horen, de mogelijkheid tot interactie met anderen. Door het werk dat je doet krijg je de mogelijkheid je vaardigheden te ontwikkelen, te onderhouden, je zelfvertrouwen te vergroten, je plaats in de maatschappij in te nemen, erkenning te krijgen voor je talenten.

De rol van arbeid geldt voor ieder individu ongeacht mogelijkheden of beperkingen. Per individu zal een passende werkkring gevonden moeten worden waarbij het aansluiten bij de mogelijkheden en behoeften van dat individu centraal staat.

Het vinden van een passende werkkring is geen onderdeel van het project. Dit wordt door externe job-coaches begeleid. Dit kan zowel een betaalde werkplek als een activiteitencentrum of anderszins zijn. Daarbij is het wel van belang om ook aandacht te besteden aan de rol die arbeid normaliter heeft in de maatschappij. De mogelijkheid om zo zelfstandig mogelijk te voorzien in de eigen levensbehoeften. Zowel materieel als immaterieel.

3.2 Vrijetijdsbesteding
Naast alle verplichtingen en bezigheden voortkomend uit werk, sociale omgeving, huishoudelijke plichten etc. is het belangrijk ook tijd voor jezelf te hebben. Tijd om even niets te doen, lekker onderuit op de bank of met je favoriete hobby bezig zijn. De besteding van deze vrije tijd mag geen verplichtend karakter hebben. Het is vrije tijd die je mag en kunt besteden zoals jij dat wilt. Alleen of samen met anderen, thuis of ergens anders.

Daar tegenover staat dat een teveel aan vrije tijd ook verveling of vereenzaming tot gevolg kan hebben. Voor een aantal van onze kinderen geldt dat een ontbreken van structuur en duidelijkheid, ook in de vrije tijd, eerder een negatief dan een positief effect heeft op hun gevoel van welbevinden.

Binnen de woonsituatie willen we daarom een klimaat creëren waarin ruimte, aandacht en ondersteuning is voor ieders eigen vrijetijdsbesteding, zowel in het huis als elders.

Daarnaast willen we ook dat er aandacht is voor het stimuleren, organiseren en ondersteunen van gezamenlijke activiteiten zoal samen tv kijken, spelletjes doen, feestjes organiseren of samen de kroeg in. Geen verplichting, maar wel stimuleren. Een gezellige sfeer die uitnodigt tot samen dingen doen. Daarnaast ook aandacht voor het opbouwen van een sociaal netwerk waar bewoners terecht kunnen voor hun vrijetijdsbesteding.

Het stimuleren en ondersteunen van de vrijetijdsbesteding is een belangrijke rol en verantwoordelijkheid van de begeleiders, maar ook op ons als ouders mag een (vrijblijvend) beroep gedaan worden in het ondersteunen van de vrijetijdsbesteding.
Een tijd die een bijzondere plaats inneemt is de vakantie. Een aaneengesloten periode waarin weinig tot geen verplichtingen zijn. Waarin je andere mensen, culturen leert kennen of bijzondere activiteiten kunt ontplooien. Voor de één samen met ouders of vrienden uit het huis, voor de ander juist los van bekenden en voor weer een ander lekker het hele huis voor je zelf hebben.

De keuze voor de invulling van de vakantie ligt in de eerste plaats bij de individuele bewoner, waar nodig ondersteund door zijn of haar ouders of de begeleiders.


Hoofdstuk 4 Posities en rollen.

In dit laatste hoofdstuk beschrijven we hoe we de posities en rollen zien van de verschillende deelnemers in het project. Daarbij besteden we achtereenvolgens aandacht aan de positie van de toekomstige bewoners, onze eigen rol als ouders, de positie van de begeleiders en tot slot aan de positie van de ouders ten opzichte van de financiering en inkoop van de zorg.


4.1 De positie van de toekomstige bewoners
De bewoners van het project hebben de belangrijkste rol in het huis. Het wordt hun thuis waarin ze zoveel als mogelijk zelf verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Zowel voor wat betreft hun eigen leven als voor hun gezamenlijke leven binnen de groep. Dit betekent dat zij zowel middels individuele gesprekken als middels de bewonersraad invloed hebben op de dagelijkse gang van zaken binnen hun huis. Sommigen zullen dit uit zich zelf kunnen. Anderen hebben daarbij ondersteuning nodig.

In het individuele begeleidingsplan dat in samenspraak tussen de individuele bewoner, zijn of haar ouders en de begeleiders wordt opgesteld zullen de uitgangspunten en benodigde begeleiding op de verschillende levensgebieden worden vastgelegd. Het begeleidingsplan wordt op basis van consensus tussen de gesprekspartners vastgesteld. De mentor of curator ( in bijna alle gevallen de ouders) heeft daarbij in het geval van (diepgaand) verschil van mening het eindbeslissingsrecht. In dit individuele begeleidingsplan is ook de positie die dit individu inneemt in het huis vastgelegd. De mate van zelfstandigheid, de mate waarin deze bewoner deel wil en kan nemen binnen de groep oftewel de wijze waarop deze individuele bewoner zijn of haar leven in kan en wil richten binnen dit woonproject.



4.2 De positie van de ouders
Het feit dat we als groep ouders het initiatief genomen hebben voor dit project zegt iets over de betrokkenheid die we willen hebben bij het leven van onze kinderen. Een goede basis wegleggen waarin onze kinderen gelukkig kunnen zijn en waarin zij zich, nu en in de toekomst, thuis zullen voelen. Daarnaast ook de verantwoordelijkheid nemen voor de voorwaarden die nodig zijn om dit te realiseren. Zowel op financieel, als organisatorisch als zorginhoudelijk gebied de benodigde randvoorwaarden vastleggen, verder optimaliseren en behouden.

Die betrokkenheid en verantwoordelijkheid gaat verder dan de startfase. Ook als het project eenmaal loopt, willen we als ouders betrokken blijven en invloed hebben op het project.

In de praktijk betekent dit betrokken zijn bij en inspraak hebben in de opzet en inrichting van de huizen, het werven van personeel, de samenstelling van de groepen, de financiering van het project, het inkopen van zorg etc. De rol naar de dagelijkse gang van zaken zal beduidend minder groot zijn. De dagelijkse gang van zaken zal voornamelijk een wisselwerking zijn tussen de bewoners en de begeleiders.

De kleinschaligheid die we voor ogen hebben geeft ons inziens een goede garantie voor de mogelijkheden in betrokkenheid en het gezamenlijk verantwoordelijk zijn en blijven voor dit totale project.



4.3 De positie van de begeleiders
In de dagelijkse gang van zaken zullen de begeleiders een belangrijk deel van ons als ouders overnemen. Zij bouwen vanuit een warme en open belangstelling een relatie op met onze kinderen en worden daarmee ook belangrijke vertrouwenspersonen in het leven van onze kinderen. Uitgaande van het gezamenlijk opgestelde individuele begeleidingsplan zullen zij vanuit hun eigen persoonlijkheid en deskundigheid de begeleiding en ondersteuning van onze kinderen voor een groot deel overnemen.

Daarnaast hebben zij ook een belangrijke rol in de sfeer binnen het huis. Naast de huishoudelijke en administratieve werkzaamheden zijn zij verantwoordelijk voor een open, warme en gezellige sfeer waarin humor, relativeringsvermogen en geaccepteerd worden om wie je bent belangrijke waarden zijn.

Door hun deskundigheid op lichamelijk, psychisch en sociaal-emotioneel gebied zijn zij in staat de behoeften van bewoners te signaleren, te vertalen en om te zetten in een op de persoon toegespitste ondersteuning en begeleiding.

Bij meningsverschillen en conflicten zijn zij door hun open en relativerende houding in staat waar nodig in te grijpen en waar mogelijk betrokkenen te ondersteunen in het oplossen van hun meningsverschillen of conflicten.

In de contacten naar ouders verwachten we een open en kritische houding van begeleiders waarin op basis van gelijkwaardigheid alle zaken die hun eigen kind aangaan besproken worden.

4.4 De positie van de ouders ten opzichte van de financiering en inkoop van de zorg.

Het tot stand komen van dit project is mede afhankelijk van het kunnen realiseren van de gevraagde zorg en begeleiding. Er zijn vele ontwikkelingen gaande in de financiering van de zorg. Op dit moment is nog niet helder welke financieringsvorm uiteindelijk het beste zal passen bij onze wensen. Los van de keuze voor welke financieringsvorm en welke vorm van inkoop dan ook willen we wel een tweetal uitgangspunten benoemen die leidraad zullen zijn bij onze keuze.

Voor zover onze kinderen daar niet toe in staat zijn, willen we hun belangen zo goed mogelijk behartigen of behartigd zien. Met dit project willen we het optimale resultaat bereiken voor onze kinderen. Dit betekent dat wij zeggenschap willen hebben en behouden in de kwaliteit van zorg, in het selecteren en aansturen van medewerk(st)ers en in de zorginhoudelijke en organisatorische aspecten van het project.



Dit project is opgezet om onafhankelijk van het bestaande aanbod, het beste te realiseren voor onze kinderen. We willen, in goed overleg met instellingen variërend van SPD tot Zorgkantoor, de optimale financiering zoeken omdat een toereikend budget uiteindelijk een belangrijke randvoorwaarde is voor succes. Onafhankelijk van de grootte en de vorm van het budget willen we onze zeggenschap houden in wie de zorg levert, vanuit welke visie dat gebeurt en in de kwaliteit van de geboden zorg.




  • INHOUDSOPGAVE
  • Hoofdstuk 2 Wonen
  • Hoofdstuk 3 Arbeid en vrijetijdsbesteding

  • Dovnload 52.35 Kb.