Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016

Dovnload 0.73 Mb.

Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016



Pagina1/10
Datum12.03.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


Voorwoord

De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016 (Vergilius), een vertaling en voetnoten bij de teksten. De Latijnse teksten zijn met toestemming van de uitgever geplaatst. In de meeste gevallen is de tekstindeling aangehouden zoals die in de bundel staat die op het Johan de Witt-gymnasium gebruikt wordt (Naar het avondland): hoofdstuktitels, subtitels/paragraaftitels. In poëzie is het lastig ongeveer even grote teksten in een kolom te krijgen. Soms is er over een passage zo veel te melden dat hij twee keer opgenomen is (zie Aen. 1, 1-7). Het aantal aantekeningen kan ook daardoor per bladzijde nogal verschillen. Af en toe heb ik geforceerd een tekst in delen “gehakt” en tekst naar een volgende bladzijde verplaatst.

De vertaling wordt, evenals de aantekeningen in de noten, gedoseerd aangeleverd, zodat leerlingen niet alles ineens voorgeschoteld krijgen. De dosering is gericht op de leerlingen (zesdeklassers) van het Johan de Witt-gymnasium. In overleg met de lesgevende docenten wordt tekst op superlatijn.nl geplaatst.

Links staat steeds de Latijnse tekst, rechts een werkvertaling. In de Latijnse tekst is via opmaak getracht een paar grammaticale zaken te highlighten. Zo wordt een coniunctivusvorm steeds in kleur (rood dus) gedrukt. Probeer zelf steeds te ontdekken waarom daar een coniunctivus gebruikt wordt. Voorts wordt iets met de identificatie van bijzinnen gedaan. Daarbij wijkt de lay-out af van die van vorig jaar (2015, epistolografie). Bijzinnen worden niet meer voorafgegaan door een neerwaartse pijl. De tekst van de bijzin zelf is 2 punten kleiner (Calibri 10), niet meer in grijs. Toch is de bijzin ook in een print nog goed te onderscheiden van de hoofdzin. Een bijzin wordt normaal gesproken ingeleid door een voegwoord of door een betrekkelijk voornaamwoord. Er zijn nog andere mogelijkheden, zoals een indirect vragend voornaamwoord. Alle typen inleidende woorden worden (in Calibri 10 dus) gecursiveerd. Vaak staan de inleidende woorden niet vooraan in hun bijzin, wat je bij poëzie nog wat vaker ziet dan in proza. Let wel: het gaat om de bijzinnen in de Latijnse tekst. De corresponderende bijzinnen in de vertaling worden in principe niet op dezelfde manier weergegeven: dat is een keuze. Wie veel Latijn leest, weet natuurlijk ook, dat bijvoorbeeld participia in het Latijn ook wel eens in de Nederlandse vertaling als een bijzin worden weergegeven: die bijzinnen zijn geen vertalingen van Latijnse bijzinnen en ze worden dus op de normale wijze weergegeven.

Bij verwijzingen naar specifieke tekst wordt, omdat we hier met poëzie te maken hebben, gebruik gemaakt van de term vers(regel). De gebruikelijke afkorting is v. (voor één enkel vers) dan wel vv. (voor meerdere verzen). De aanduiding werkt ook met liber en versnummer(s): 1, 13 (=boek 1, vers 13).

Bij de voetnoten worden Latijnse woorden of zinsdelen uit de pensumtekst vet weergegeven. Komt het Latijn niet uit de pensumtekst zelf (zelf verzonnen voorbeelden, rijtjes et cetera), dan is het niet vet weergegeven. Stijlmiddelen en verteltechnische middelen, die in de diverse methodes en examenbundels nogal wisselend gerubriceerd worden, staan in gekleurd klein kapitaal, waardoor ze extra opvallen. Een paar taaleigen zaken als patronymicum en dichterlijk meervoud krijgen dezelfde kleurige notatie. Niet-verplichte termen worden wel in klein kapitaal gezet maar niet in kleur. Specifieke, vernederlandste of Nederlandse grammaticale terminologie staat gewoon in Romein (=niet cursief). Als er rijtjes worden opgegeven, staan die in de gebruikelijke volgorde van NOM, GEN, DAT, ACC, ABL, VOC (bij naamwoorden) en 1,2,3 (bij werkwoorden). Jaartallen zijn van vóór Christus, tenzij anders aangegeven.

M. de Hoon, webmaster superlatijn.nl




Veel gebruikte afkortingen:

NOM=nominativus GEN=genitivus DAT=dativus ACC=accusativus ABL=ablativus VOC=vocativus

SG=singularis (enkelvoud) PL=pluralis (meervoud)

M=masculinum (mannelijk) F=femininum (vrouwelijk) N=neutrum (onzijdig)

HZ=hoofdzin BZ=bijzin

GRV=gerundivum GRD=gerundium

PR=praesens IMPF=imperfectum FUT=futurum (de onvoltooide tijden, gevormd met de praesensstam)

PF=perfectum PLQP=plusquamperfectum FUT EX=futurum exactum (de voltooide tijden, gevormd met de perfectumstam/het PPP)

IND= indicativus CON=coniunctivus INF=infinitivus IMP=imperativus PTC=participium SUP=supinum

ACT=activum (bedrijvende vorm) PASS=passivum (lijdende vorm)

PPA= participium praesens activum PPP=participium perfectum passivum PFA=participium futurum activum

ADI= adiectivum (bijvoeglijk naamwoord) SUBST=substantivum (=zelfstandig nw) ADV=adverbium (bijwoord) PRON=pronomen (voornaamwoord) DEP=deponens

PREP=prepositie (voorzetsel)

POS=positivus (stellende trap) COMP=comparativus (vergrotende trap) SUPERL=superlativus (overtreffende trap)

AcI=accusativus cum infinitivo-constructie

NcI=nominativus cum infinitivo-constructie

AcP=accusativus cum participio-constructie

ABL abs=ablativus absolutus-constructie



De Aeneis (Publius Vergilius Maro, 70-19 voor Christus)

We lezen slechts passages uit de boeken 1, 2, 3, 4 en 7 van de Aeneis van Vergilius. Het zou zonde zijn niet meer van Vergilius te weten dan wat uit het examenpensum opgemaakt kan worden. Aan de andere kant staat veel van het volgende, wellicht anders geformuleerd, ook in de bundel. Het zij zo. Esto.

Vergilius was door zijn schrijftalent (Bucolica, Georgica) opgevallen bij Augustus’ minister van cultuur, Maecenas. Vergilius zou wel eens de aangewezen man kunnen zijn om Rome een nationaal epos te geven, en daarmee een identiteit. De Grieken konden bogen op twee majestueuze epen, de Ilias en de Odyssee van Homerus. Aan Rome een identiteit geven, een gevoel van nationale trots, paste prima binnen het herstelprogramma van Augustus, dat bekend staat onder de naam Pax Augusta. Pax suggereert dat het alleen om het stichten van vrede ging, maar afgezien daarvan vond Augustus ook het zijne van de normen en waarden in zijn eigen tijd, die aan herziening toe waren. Op zich merkwaardig, want zelf nam hij het ook niet altijd overal even nauw met die normen. Zijn eigen dochter Julia, maar bijvoorbeeld ook een bekende dichter als Publius Ovidius Naso werden van die drang naar de oude normen en waarden het slachtoffer. Om tenslotte Rome “smoel” te geven wilde hij met name binnen de stad een omvangrijk bouwprogramma realiseren. Dan kon het toch geen kwaad daarvoor de steun van zijn bevolking te krijgen. Die steun moest gemobiliseerd worden. Als middel werd een propagandistisch epos ingezet, gecomponeerd door een van de meest talentrijke dichters van die tijd, afkomstig uit het noorden van Italië, Mantua om precies te zijn. Publius Vergilius Maro mocht ervoor zorgen dat Augustus onvoorwaardelijke steun kreeg van zijn bevolking. Niet alleen de expansie van het rijk (voortkomend uit de voorgenomen verdediging van het rijk) moest gelegitimeerd worden. Ook de wel wat minder populaire maatregelen en acties van Augustus moesten “verkocht” worden aan het volk.

Goden aan de wieg van Rome

Kern van het verwerven van de steun was de noodzaak om nadruk te leggen op de afkomst van Augustus, die via de adoptie door zijn adoptievader Caesar zijn genealogische lijn terug kon laten lopen tot aan Aeneas, en dus tot diens goddelijke moeder Venus. Noem daarbij ook de goddelijke vader van de tweeling Romulus en Remus, Mars, die Rea Silvia bezwangerde, en Rome zat er qua goddelijke steun dus wel warmpjes bij. Zoals ook Romulus indertijd na de Sabijnse maagdenroof de arme meiskes al had verzekerd dat ze weliswaar geschaakt waren maar dat voor hen toch altijd de steun van de “goddelijke’ Romeinen beschikbaar was, zo wilde ook Augustus zijn bestaan en handelen presenteren als goedgekeurd door de goden (en het fatum!). Lastig om aan de intenties van zo iemand te gaan twijfelen! En vergeet niet, dat uit de Aeneis blijkt, boek 6, dat Anchises zijn zoon Aeneas in de Onderwereld voorspelde wat er allemaal zou gebeuren: een grote toekomst voor Rome ten tijde van het principaat van Augustus. En Anchises had het toch allemaal niet verkeerd gezien!



Imitatio of aemulatio? Bewuste compositie van de Aeneis

Vergilius slaagde erin (al was het werk bij zijn dood nog niet helemaal gereed voor publicatie), geheel in de traditie dat de Romeinen vonden dat wat ze maakten beter moest zijn dan het werk van hun voorgangers (aemulatio) en niet alleen een kopie van dat werk (imitatio), in één werk de twee thema’s van de Homerische epen aangepast in 12 boeken samen te ballen. Toelichting.

Homerus schreef de Ilias en de Odyssee. Beide epen bestaan uit 24 boeken/boekrollen en die zijn “genummerd” met de letters van het Griekse alfabet, A-Ω voor de Ilias, en α-ω voor de Odyssee. Grofweg gaat de Ilias over de irritatie van Achilles wanneer hij zich door een collega-held onfatsoenlijk behandeld voelt. De Ilias speelt in de laatste 50 dagen van de tienjarige Trojaanse oorlog, waarvan het einde meestal ongeveer in 1184 gedateerd wordt. De goden mengen zich volop in de gevechten en zijn daardoor actief in het verhaal betrokken. De Odyssee beschrijft de terugkeer naar Ithaka van één van de Griekse helden, Odysseus, na de oorlog. Het is een terugkeer met vele ontmoetingen, gevaarlijk en ongevaarlijk, met vele ontberingen en met nogal wat goddelijke inmenging, Poseidon bijvoorbeeld die Odysseus voortdurend tegenwerkt. Aan de epische conventie van “sturende goden” is voldaan. Chronologisch is er eerst de Trojaanse oorlog, daarna de terugkeer van Odysseus.

Vergilius begint in 29 en schrijft een Aeneis in 12 boeken en verbindt daarin thema’s als oorlog (zie Ilias) en reis/tocht (zie Odyssee) ingenieus. Zo is de oorlog in de Aeneis niet de Trojaanse oorlog, maar de oorlog die Aeneas bij aankomst in Italië moet voeren tegen Turnus. En bij de reis gaat het niet om een terugkeer naar huis, maar om een tocht met een missie, namelijk de tocht die Aeneas onderneemt met als uiteindelijk doel het stichten van een nieuw vaderland, een nieuw Troje, omdat het oude met de grond gelijk gemaakt is. Hier hebben we de omgekeerde chronologische volgorde, andere thema’s en niet alleen maar een mythisch verhaal aan de oppervlakte, maar ook een historische versie van het verhaal in de vertellaag daaronder. Allemaal in het kader van het propageren van de Pax Augusta: zoals in de oppervlaktelaag Aeneas vanuit de puinhopen van het rokende Troje een nieuw Troje sticht in Italië, gesteund door de goden en het fatum, onder opoffering van zijn persoonlijke belangen, zo zal Augustus op de puinhopen van het (na de eerste eeuw vol burgeroorlogen) rokende Rome een nieuw Rome vestigen, gesteund door de goden en het fatum, we nemen aan ook onder opoffering van zijn persoonlijke belangen. Dat de mensen in de tijd van Augustus voor deze propaganda zwichtten, is niet zo raar. De gens Julia, waartoe Augustus via zijn adoptiefvader C. Iulius Caesar behoort, stamt via Aeneas af van Venus. Dat kan niet genoeg benadrukt worden. Het is al bijna genoeg voor de bovenbedoelde legitimering: de goden waren het er mee eens!



Het verhaal van de Aeneis

Aeneas is de zoon van de Trojaan Anchises en de godin Venus. Hij is voorbestemd te ontsnappen aan de verwoesting van zijn vaderstad en elders een nieuw vaderland te stichten: zijn missie is goddelijk en Venus steunt haar zoon en die missie dus ook. De positie van de goden is voor ons misschien merkwaardig in dit opzicht. Zij kennen het fatum (dat dus zegt dat Aeneas een nieuwe stad zal stichten voor de overlevende Trojanen) allemaal. Toch willen sommigen Aeneas zodanig dwarsbomen dat zijn missie mislukt. En dat laatste kan dus niet. Zelfs Jupiter schikt zich naar het fatum, waarbij we dan meestal de geheimzinnige woorden spreken: de wil van Jupiter en het fatum zijn identiek. Ook een godin als Juno probeert uit eigenbelang Aeneas te verhinderen Rome te stichten: niets menselijks is de goden vreemd. Bij het Parisoordeel (de mythische oorzaak van de Trojaanse oorlog) hadden niet Juno en Minerva, maar had Venus de appel voor de mooiste godin gekregen van de Trojaanse scheidsrechter Paris. Juno was dus nijdig en koos in de oorlog de kant van de Grieken, net als Minerva (denk aan het houten paard, waarbij zij betrokken was, en aan de beïnvloeding van de Trojaanse opinie na de dood van hun priester Laocoön). Bovendien wist Juno – ook dat was voorbeschikt – dat haar lievelingsstad Carthago veel later door Rome verwoest zou worden. Ze wilde Aeneas dwarsbomen zodat die zijn plan zou laten varen en zijn bestemming nooit zou bereiken. Tegelijk wist zij zich aan het fatum gebonden. Het fatum gaat boven de persoonlijke belangen van, in dit geval, Juno.

Het verhaal van de Aeneis behelst een periode van zeven jaar, te beginnen bij het moment dat de Grieken na tien jaar oorlog Troje innemen. Het verhaal eindigt bij de overwinning van de Trojanen in Latium. Het eerste boek begint na het prooemium (de inleiding waarin de verteller inspiratie vraagt aan de muze om zijn verhaal te vertellen, meer in het bijzonder waarom Juno zo dwars lag) met de schipbreuk van Aeneas in de Middellandse zee, waarna hij aanspoelt op de Afrikaanse kust. Daar is Dido bezig een stad te bouwen, Carthago. Aan het eind van het eerste boek is Aeneas, gastvrij opgenomen en ontvangen door deze Dido, te gast aan een banket. Hij vertelt dan (in het tweede en derde boek) op haar verzoek in retrospectief/flashback (raamvertelling) wat hij heeft mee gemaakt. Er bloeit door toedoen van Venus (die als moeder alleen het allerbeste voor haar zoon wil) en Juno (met haar eigen agenda dus) een liefde op tussen Dido en Aeneas. Die liefde, blijkt in het vierde boek, is geen geluk beschoren omdat Aeneas, daartoe gedwongen door de goden (en door Mercurius aangekondigd), zijn tocht moet hervatten. Daarna pleegt Dido zelfmoord (zou deze mythische gebeurtenis misschien iets te maken hebben met de historische gebeurtenissen in de Punische oorlogen?). Aeneas komt in het vijfde boek terecht in Italië en gaat, in het zesde boek, bij Cumae, samen met de priesteres van Apollo en Diana, de Sibylle, als levende mens de Onderwereld in. Hij wil daar zijn eerder overleden vader Anchises ontmoeten. Hij ontmoet daar verschillende mensen, onder wie Palinurus (zijn vroegere stuurman, we lezen over hem in het pensum), Dido, Charon en inderdaad Anchises. Van zijn vader krijgt hij de grote toekomst van de stad die hij nog moet gaan stichten te horen, en wel tot aan de tijd van Augustus/Octavianus. De laatste zes boeken beschrijven Aeneas’ aankomst in Latium en de oorlog met Turnus: die was nijdig omdat de vrouw met wie hij verloofd was uiteindelijk koos voor de Trojaanse held. In het twaalfde boek wordt de strijd van Aeneas en Turnus beschreven, die eindigt met Turnus’ dood.

De Aeneis: een traditioneel epos

Als Ilias en Odyssee voorbeelden zijn van een traditioneel epos, dan is de Aeneis wel het summum daarvan! We zetten de kenmerken nog even op een rijtje, toegespitst op de Aeneis:



  • de Aeneis is één lang verhalend gedicht met een doorlopende verhaallijn over de omzwervingen van Aeneas, zijn aankomst in Italië, met één hoofdpersoon

  • de belangrijkste personen zijn helden uit het verleden

  • de goden spelen een belangrijke, sturende rol: Venus beschermt hem, Juno wil hem tegenwerken

  • de toon is serieus en verheven: Romes grootheid is van godswege bepaald

  • het morele gehalte van het verhaal is hoog: Aeneas is bereid alle persoonlijke belangen op te offeren voor het uitvoeren van zijn taak, die hem door de goden opgelegd is, een eigenschap die het best “gevangen” wordt met het Latijnse woord pietas

  • het gebruikte metrum is de katalektische dactylische hexameter

Dat de Aeneis een volwaardig epos is, is duidelijk, en zelfs meer dan dat. Ook in een paar andere opzichten volgt Vergilius Homerus expliciet na. Zo doet de structuur van de Aeneis sterk denken aan die van de Ilias en de Odyssee samen, maar wel met de al eerder genoemde verschillen. Ook in een enkele scène zie je bij het lezen als het ware Homerus voor je. De afdaling van Odysseus in de Onderwereld is een goed voorbeeld. Waar Aeneas Dido ontmoet, ontmoet Odysseus Ajax: de passages vertonen veel overeenkomsten. En het gevecht tussen Turnus en Aeneas, aan het eind van het twaalfde boek vertoont overeenkomsten met het legendarische gevecht voor Troje tussen Achilles en Hector. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te noemen. Tenslotte zie je bij de Aeneis af en toe ruim uitgemeten vergelijkingen opdoemen, die we heel toepasselijk maar Homerische vergelijkingen noemen: typisch voor epos.
Zijn er ook significante verschillen met het Homerische epos? Jawel, enkele duidelijke. De dubbele verhaallaag, met dus een link naar de geschiedenis, bij Vergilius is nieuw, Homerus heeft dat er niet in zitten. En men zegt wel eens dat Vergilius, meer dan Homerus, aandacht besteedt aan het innerlijk van zijn personages: wat dachten ze, wat waren hun motieven, en hoe past hun handelen bij hun overwegingen?

De betekenis van boek 6 (niet in het pensum, alleen misschien aardig om door te lezen)

De afdaling van Aeneas in de Onderwereld vormt in het geheel van de Aeneis een keerpunt. De reis vanuit Troje naar zijn nieuwe vaderland is nagenoeg afgerond en de oorlog met o.a. Turnus moet nog komen. De Aeneas uit de eerste vijf boeken is nog wat onzeker: hij heeft het volbrengen van zijn missie niet vastomlijnd in zijn hoofd, legt zich gemakkelijk neer bij de zaken die hem overkomen en van het volbrengen van zijn opdracht af houden. Eenmaal uit de Onderwereld gekomen, dus na het zesde boek, is hij doortastender, zekerder, volhardender. Hij is zich zijn doel volledig bewust en concentreert zich op de taken, ook de nare taken (oorlogen voeren) die dat met zich mee brengt. Keerpunt is dus het bezoek aan de Onderwereld. Hij is daarin afgedaald omdat hij daartoe aangespoord was door de schim van zijn overleden vader Anchises. Die ontmoet hij dan ook aan het eind van boek 6. Overigens heeft ook Homerus in de Odyssee een afdaling van de hoofdpersoon in de Onderwereld opgenomen, en wat dat betreft is de navolging (imitatio) duidelijk, al is ook hier weer eerder sprake van poging tot overtreffen (aemulatio) dan alleen maar van kopieerdrift. Als je de hoofdpersonages van de Odyssee en de Aeneis, Odysseus en Aeneas, vergelijkt, dan zie je dat de Odysseus bij Homerus weinig ontwikkeling doormaakt: het is dezelfde sluwe vogel die uit Troje vertrekt als die in Ithaka de strijd met de vrijers beslecht. Je zou hem een “flat character” kunnen noemen. Kijk je daarentegen naar Aeneas, en vergelijk je daarbij de Aeneas uit de boeken 1 t/m 5 met die van de boeken 7 t/m 12, dan is op hem eerder de term “round character” van toepassing.
De tocht in de Onderwereld valt in drie delen uiteen: 1. de voorbereidingen ertoe; 2) de tocht door de Onderwereld; 3) de ontmoeting met Anchises.


De ontmoeting met Anchises

Anchises geeft zijn zoon eerst uitleg over het leven na de dood. De menselijke ziel moet na de dood eerst gereinigd worden van het lichaam. Hoe deugdzamer de ziel, des te makkelijker gaat dat. Is dat gebeurd, dan komen de zielen in het Elysium waar ze moeten wachten om opnieuw geboren te worden. In dat nieuwe leven krijgen ze weer een kans een deugdzaam leven te leiden. Degenen die zoals Anchises zelf al een zeer deugdzaam leven hebben geleid, zijn al zuiver en gereinigd genoeg en die mogen van de eeuwige rust genieten. Cyclus van leven en dood dus, die hoop geeft en aanspoort tot deugdzaam leven. Na een lange uitleg en indeling in typen (zielen van) doden, komt Anchises uiteindelijk toe aan de groep van de zielen die van de rivier de Lethe zullen drinken om na duizend jaar weer te reïncarneren in een nieuw lichaam. Die zien ze, vader en zoon, vanaf een heuvel in de verte. Anchises kan op deze manier, “kijkend” in de toekomst, aan Aeneas de toekomst van Rome schetsen aan de hand van een aantal belangwekkende personen. Hij ziet Romulus, de stichter van Rome, en vlak erna Octavianus, als een soort van tweede stichter van Rome, Numa Pompilius (die het prille Rome wetten en godsdienst bracht), Tullus Hostilius (die Rome weer een vijandige mogendheid maakte), Ancus Marcius (de laatste koning voor de Tarquinii de boel overnamen), Brutus (die na de zelfmoord van Lucretia de Etruskische koningen er uit mikte en op die manier aan de wieg stond van de republiek), Cato, Scipio (overwinnaar van Hannibal, een Carthager...), Pompeius, Caesar en meer. De toekomstbeelden geven Aeneas vertrouwen, hoop en perspectief: zijn opdracht, inclusief de zelfopoffering, zal niet voor niets blijken te zijn. Aeneas is van een nog onzekere reiziger op de weg naar een “nieuw vaderland” uit de eerste vijf boeken een zelfverzekerd, doortastend held geworden die zijn lot, zijn fatum accepteert, bijna zoals een Stoïcijn het lot accepteert (omdat hij ziet dat het nou eenmaal zo is en dat het beter is je neer te leggen bij wat onvermijdelijk en onontkoombaar is). Anchises eindigt zijn uiteenzetting met een vergelijking tussen Grieken en Romeinen: de Grieken zijn artistiek en wetenschappelijk gezien superieur, de Romeinen daarentegen overtreft geen volk in het besturen, het brengen van vrede en beschaving.


Zo af en toe kan een afbeelding geen kwaad. Hier een indruk van de stamboom van Aeneas.

Anchises Venus Latinus

Creüsa Aeneas Lavinia

Ascanius

Silvius ? Silvius
Aeneas Silvius

Latinus Silvius

Alba

Atys


Capys

Tiberinus Silvius

Agrippa

Romulus Silvius



Aventinus

Procas


Numitor Amulius

Rea Silvia Mars


Hersilia Romulus Remus



H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.1-7 (p.33); Aankondiging van het onderwerp; verzoek aan de Muze

1 Arma1 virum2que cano3, Troiae4 qui primus ab oris

2 Italiam fato5 profugus Laviniaque venit

3 litora6, multum ille et terris iactatus et alto

4 vi superum, saevae memorem Iunonis ob iram,

5 multa quoque et bello passus, dum conderet urbem

6 inferretque deos Latio; genus unde Latinum

7 Albanique patres atque altae moenia Romae.


Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van Troje

op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium,

nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was

door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno,

nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten

en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslacht

en de Albaanse vaderen en de muren van het hoge Rome.

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • Veel gebruikte afkortingen
  • De Aeneis (Publius Vergilius Maro, 70-19 voor Christus)
  • Goden aan de wieg van Rome
  • Imitatio of aemulatio Bewuste compositie van de Aeneis
  • Het verhaal van de Aeneis
  • De Aeneis: een traditioneel epos
  • De betekenis van boek 6 (niet in het pensum, alleen misschien aardig om door te lezen)
  • De ontmoeting met Anchises
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.1-7 (p.33);

  • Dovnload 0.73 Mb.