Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016

Dovnload 0.73 Mb.

Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016



Pagina2/10
Datum12.03.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10



H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.1-7 (p.33); Aankondiging van het onderwerp; verzoek aan de Muze

1 Arma virumque cano, Troiae qui primus ab oris

2 Italiam fato profugus Laviniaque venit

3 litora, multum7 ille et terris iactatus et alto8

4 vi superum9, saevae memorem10 Iunonis11 ob iram,

5 multa12 quoque et bello passus, dum conderet13 urbem14

6 inferretque deos15 Latio16; genus17 unde Latinum

7 Albani18que patres atque altae19 moenia Romae.


Wapenfeiten en de man bezing ik, die als eerste vanaf de kusten van Troje

op de vlucht door het noodlot naar Italië kwam en naar de stranden van Lavinium,

nadat hij veel én over land én over zee voortgejaagd was

door de macht van de goden, wegens de onverzoenlijke wrok van de wrede Juno,

nadat hij ook in de oorlog veel geleden had, totdat hij een stad zou stichten

en zijn goden Latium binnen zou brengen; vandaar het Latijnse geslacht

en de Albaanse vaderen en de muren van het hoge Rome.




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.8-11 (p.33); Aankondiging van het onderwerp; verzoek aan de Muze

8 Musa20, mihi causas memora, quo numine21 laeso22

9 quidve23 dolens24 regina deum25 tot26 volvere27 casus28

10 insignem pietate virum29, tot adire labores

11 impulerit30. Tantaene animis caelestibus irae31?



Muze, verhaal mij de oorzaken, door welke belediging van haar goddelijke macht

of waarover verbitterd de koningin der goden een man, in het oog springend door

plichtsbesef gedwongen heeft zoveel lotgevallen te ondergaan, zoveel inspanningen op

zich te nemen. Zijn/is er dan zo grote woede(s) in de harten van de hemelingen?





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.12-18 (p.35); Vervolg van het prooemium: de woede van Juno (1)

12 Urbs antiqua32 fuit (Tyrii33 tenuere34 coloni)

13 Karthago, Italiam contra35 Tiberinaque longe

14 ostia36, dives opum studiisque asperrima belli37,

15 quam38 Iuno fertur39 terris magis omnibus40 unam

16 posthabita coluisse Samo. Hic41 illius arma,

17 hic currus fuit; hoc42 regnum dea gentibus esse,

18 si qua fata sinant43, iam tum44 tenditque fovetque.


Er was een oude stad (Tyrische kolonisten bewoonden die)

Carthago, tegenover Italië en in de verte tegenover de Tiber-

monding, rijk aan schatten en zeer woest in haar verlangens naar/voorliefde voor oorlog,

die, zo zegt men, Juno in het bijzonder, meer dan alle landen gekoesterd heeft,

zelfs met achterstelling van Samos. Hier waren haar wapens, hier haar wagen; dat deze de heerseres over de volkeren was, als het noodlot het op de een of andere manier toestond, daar spande de godin zich toen al voor in en ze koesterde die wens.




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.19-22(p.35); Vervolg van het prooemium: de woede van Juno (2)

19 Progeniem45 sed enim46 Troiano47 a sanguine duci48

20 audierat49 Tyrias50 olim51 quae verteret52 arces53;

21 hinc54 populum late regem55 belloque superbum56

22 venturum57 excidio58 Libyae59; sic volvere Parcas60.



Maar eigenlijk had ze gehoord dat uit Trojaans bloed nageslacht voortkwam

dat eenmaal de Tyrische burcht zou verwoesten;

dat hieruit een volk zou komen, wijd en zijd heersend en trots in de oorlog,

ter verwoesting van Libië; dat de Parcen het zo beschikten.





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.23-28 (p.35); Vervolg van het prooemium: de woede van Juno (3)

23 Id61 metuens veterisque memor Saturnia62 belli63,

24 prima quod ad Troiam pro caris64 gesserat65 Argis –

25 necdum66 etiam causae irarum saevique dolores

26 exciderant animo; manet67 alta68 mente repostum69

27 iudicium Paridis70 spretaeque iniuria formae71

28 et genus invisum et rapti Ganymedis honores:



Saturnus’ dochter, daarvoor bang en denkend aan de oude oorlog

die zij eerder bij Troje voor haar geliefde Argos gevoerd had –

en ook waren nog niet de oorzaken van haar boosheid en het wrede verdriet

uit haar hart verdwenen; diep in haar geest blijft weggeborgen

het oordeel van Paris en het onrecht van haar versmade schoonheid

en het gehate geslacht en het ereambt van de geschaakte Ganymedes:





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.29-33 (p.35); Vervolg van het prooemium: de woede van Juno (4)

29 his accensa72 super iactatos aequore73 toto

30 Troas74, reliquias75 Danaum76 atque immitis77 Achilli78,

31 arcebat79 longe Latio80, multosque per annos

32 errabant acti fatis81 maria omnia82 circum.

33 Tantae molis erat Romanam condere83 gentem84.


hield, door deze dingen bovendien geïrriteerd, de Trojanen, die over de hele zee

heen en weer gejaagd waren, restanten van de Danai en van de meedogenloze Achilles,

ver weg van Latium, en gedurende vele jaren

zwierven zij, gedreven door de lotsbeschikkingen, over alle zeeën rond.

Zoveel inspanning kostte het om het Romeinse volk te stichten.




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.34-41 (p.36); Juno verbijsterd (1)

34 Vix e conspectu Siculae85 telluris in altum

35 vela dabant laeti86 et spumas salis87 aere88 ruebant,

36 cum89 Iuno aeternum servans sub pectore vulnus90

37 haec secum91: ‘Mene92 incepto desistere victam93

38 nec posse Italia94 Teucrorum avertere regem!

39 Quippe vetor fatis95. Pallasne96 exurere classem

40 Argivum atque ipsos potuit summergere ponto

41 unius ob noxam et97 furias Aiacis98 Oilei?



Nauwelijks uit het zicht van het Sicilische land hesen ze naar de volle zee

blij hun zeilen en woelden ze met hun bronzen voorsteven het schuim van de zee op,

toen Juno die een eeuwige wond onder in haar hart bewaarde

het volgende bij zichzelf zei: “Dat ik, overwonnen, afzie van mijn voornemen

en niet in staat ben de koning van de Trojanen weg te houden van Italië!

Ja hoor, het wordt mij verboden door het noodlot. Kon Pallas soms de vloot van de

Grieken verbranden en henzelf verdrinken in de zee

vanwege de schuld en passie van één, Oileus’ zoon Ajax?





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.42-49 (p.36); Juno verbijsterd (2)

42 Ipsa99 Iovis rapidum iaculata100 e nubibus ignem101

43 disiecitque rates evertitque aequora ventis,

44 illum102 exspirantem transfixo pectore103 flammas

45 turbine corripuit scopuloque infixit104 acuto;

46 ast ego105, quae106 divum incedo regina Iovisque

47 et soror et coniunx, una107 cum gente108 tot109 annos

48 bella gero. Et quisquam numen Iunonis adorat

49 praeterea aut supplex aris imponet110 honorem?’111



Zij zelf heeft, door het roofzuchtige/snelle vuur van Jupiter uit de wolken te slingeren,

én de schepen uiteengeslagen én de zeevlakte(s) omgewoeld met winden

(maar) hem(zelf) heeft zij toen hij uit zijn doorboorde borst vlammen uitademde

gegrepen met een wervelstorm en gespietst op een scherpe rots;

maar ik, die als de koningin der goden voortschrijd en als zowel de

zuster als de echtgenote van Jupiter, voer met één volk zoveel jaar/jaren

oorlog(en). En vereert voortaan nog iemand de goddelijke macht van Juno

of zal (iemand) nog als smekeling/smekend een eregave op haar altaren leggen?”





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.50-57 (p.36); Juno gaat naar Aeolus, de god van de winden (1)

50 Talia112 flammato113 secum114 dea115 corde volutans

51 nimborum in patriam116, loca feta furentibus117 Austris118,

52 Aeoliam119 venit. Hic120 vasto rex Aeolus antro

53 luctantes121 ventos tempestatesque sonoras122

54 imperio premit ac vinclis et carcere frenat123.

55 Illi124 indignantes125 magno cum murmure montis126

56 circum claustra127 fremunt; celsa sedet Aeolus arce128

57 sceptra tenens mollitque animos et temperat iras.



Terwijl de godin dergelijke dingen bij zichzelf in haar ontvlamde hart overwoog/overweegt

kwam/komt zij naar het vaderland van de regenwolken, een gebied vol razende winden,

naar Aeolië. Hier in een uitgestrekte grot houdt koning Aeolus

de worstelende winden en de loeiende stormen

met zijn gezag in toom en hij beteugelt ze met boeien en een gevangenis.

Die bulderen verontwaardigd met een luid gerommel van de berg

rond hun boeien; Aeolus zit op de hoge burcht

terwijl hij zijn scepter vasthoudt en hij bedaart hun gemoederen en tempert hun woede.





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.58-64 (p.36); Juno gaat naar Aeolus, de god van de winden (2)

58 Ni129 faciat130, maria ac terras caelumque profundum131

59 quippe ferant rapidi132 secum133 verrantque per auras;

60 sed pater omnipotens134 speluncis abdidit atris

61 hoc135 metuens molemque et montes insuper altos

62 imposuit, regemque dedit qui136 foedere certo

63 et premere et laxas sciret dare iussus137 habenas138.

64 Ad quem139 tum Iuno supplex140 his vocibus usa est141:


Stel, hij deed dat niet, dan zouden ze immers razendsnel/roofzuchtig de zeeën en landen en

de uitgestrekte hemel met zich meevoeren en door de lucht meeslepen;

maar de almachtige vader heeft ze in donkere grotten weggeborgen

omdat hij hiervoor bang was, en hij heeft een gevaarte van hoge bergen er bovenop

geplaatst, en hij heeft ze een koning gegeven die met een vaststaand verdrag

én op bevel de teugels strak wist te houden én die (wist) te laten vieren.

Tot hem gebruikte Juno vervolgens smekend de volgende woorden:




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.65-75 (p.37); Juno gaat naar Aeolus, de god van de winden (3)

65 ‘Aeole142 (namque143 tibi divum pater atque hominum rex144

66 et mulcere dedit fluctus145 et tollere vento),

67 gens inimica146 mihi Tyrrhenum navigat aequor

68 Ilium in Italiam portans victosque penates:

69 incute vim147 ventis submersasque148 obrue puppes,

70 aut age diversos et dissice corpora ponto.

71 Sunt mihi bis septem praestanti corpore Nymphae,

72 quarum quae forma pulcherrima Deiopea,

73 conubio iungam149 stabili propriamque dicabo,

74 omnes ut tecum meritis pro talibus150 annos

75 exigat et pulchra faciat te prole151 parentem.’


“Aeolus (want aan jou heeft de vader der goden en de koning der mensen

het gegeven om met de wind én de golven te kalmeren én ze op te zwepen),

een mij vijandig volk vaart over de Tyrrheense zee

terwijl het Troje en haar overwonnen Penaten naar Italië brengt:

verleen de winden kracht en overspoel de schepen zodat ze zinken,

of drijf ze uiteen en verstrooi de lichamen over de zee.

Ik heb tweemaal zeven Nimfen met een fantastisch lichaam,

van wie ik Deiopea die qua schoonheid het mooiste is

in een duurzaam huwelijk (met jou) zal verbinden en jou in eigendom zal geven,

opdat/zodat zij als dank voor zulke verdiensten alle jaren samen met jou

doorbrengt en jou vader maakt van mooie kinderen.”




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.76-80 (p.37); Juno gaat naar Aeolus, de god van de winden (4)

76 Aeolus haec152 contra153: ‘Tuus154, o regina155, quid optes156

77 explorare labor; mihi157 iussa158 capessere fas est.

78 Tu mihi quodcumque hoc regni159, tu sceptra Iovemque

79 concilias, tu160 das epulis accumbere divum

80 nimborumque facis tempestatumque potentem161.’


Aeolus sprak het volgende ten antwoord: “Uw taak, o majesteit, is het

te onderzoeken wat u wenst; (maar) mij past het bevelen te krijgen.

U brengt voor mij al wat ik aan koninkrijk heb tot stand, u stemt de scepter/macht en Jupiter gunstig, u geeft het (mij) aan te liggen bij de maaltijd der goden

en u maakt (mij) de heerser over regenwolken en stormen.”





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.81-86 (p.38); De storm barst los

81 Haec162 ubi dicta163, cavum164 conversa cuspide165 montem

82 impulit in latus166; ac venti velut agmine167 facto,

83 qua data porta168, ruunt et terras169 turbine perflant.

84 Incubuere170 mari totum171que a sedibus imis

85 una Eurusque Notusque172 ruunt creberque procellis173

86 Africus174, et vastos volvunt175 ad litora fluctus176.



Zodra dit gezegd was, stootte hij met zijn speer naar beneden de holle berg

in de flank; en de winden stormden eruit, nadat als het ware een kolonne gemaakt was,

waarlangs een doorgang was gegeven, en in een wervelstorm waaien ze over de landen.

Ze stortten zich op de zee en vanaf de diepste plaatsen/de bodem zwepen

tegelijk Eurus en Notus en, rijk aan windvlagen,

Africus, hem geheel op, en ze wentelen enorme golven naar de kusten/stranden.





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.87-91 (p.38); De storm barst los

87 Insequitur177 clamorque virum178 stridorque179 rudentum;

88 eripiunt subito nubes caelumque diemque180

89 Teucrorum181 ex oculis; ponto nox182 incubat183 atra;

90 intonuere184 poli185 et crebris micat ignibus186 aether187

91 praesentemque viris intentant omnia mortem.


Direct volgt én het geschreeuw der mannen én het gekraak der touwen;

plotseling ontrukken wolken én de hemel én het daglicht

aan de ogen der Teucriërs; een zwarte nacht ligt op de zee;

de hemelpolen donderden en de lucht flikkert door talrijke vuren

en alles houdt de mannen dreigend een aanstaande dood voor.


http://radiobox2.omroep.nl/image/file/81908/schipbreuk.jpg http://www.poster-en-kunstdrukken.nl/media/images/popup/william-mallord-joseph-turner-schiffbruch-09864.jpg

H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.92-101 (p.38); Aeneas wanhopig

92 Extemplo188 Aeneae189 solvuntur190 frigore191 membra;

93 ingemit et duplices192 tendens ad sidera palmas

94 talia voce refert: ‘O terque quaterque beati193,

95 quis ante ora patrum Troiae sub moenibus altis

96 contigit oppetere! O Danaum fortissime194 gentis

97 Tydide195! Mene196 Iliacis occumbere campis

98 non potuisse tuaque animam hanc effundere dextra,

99 saevus ubi Aeacidae197 telo iacet Hector, ubi ingens

100 Sarpedon, ubi198 tot Simois199 correpta sub undis

101 scuta virum galeasque et fortia200 corpora volvit!’



Onmiddellijk worden de ledematen van Aeneas slap van ijskoude angst;

hij kreunt en terwijl hij zijn beide handpalmen uitstrekt naar de sterren

spreekt hij met zijn stem dergelijke dingen/het volgende: “O drie- en viermaal gelukkigen,

aan wie het ten deel viel voor de ogen van jullie ouders aan de voet van Troje’s hoge muren te sneuvelen! O, dapperste van het volk van de Danai

zoon van Tydeus! Dat ik niet op de Trojaanse velden heb kunnen bezwijken

en door jouw rechterhand deze levensadem (heb kunnen) uitstorten/uitblazen,

waar de woeste Hector ligt door (toedoen van) de speer van Aeacus’ kleinzoon, waar de

geweldige Sarpedon (ligt), waar de Simois na ze gegrepen te hebben onder de golven zovele schilden en helmen en sterke lichamen van mannen voortwentelt!”





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.170-179 (p.39); De eerste noden gelenigd

170 Huc201 septem202 Aeneas collectis navibus omni203

171 ex numero subit, ac magno telluris204 amore

172 egressi optata potiuntur Troes205 harena206

173 et sale tabentes207 artus208 in litore ponunt.

174 Ac primum209 silici scintillam excudit Achates

175 succepitque ignem foliis atque arida circum

176 nutrimenta dedit rapuitque210 in fomite flammam.

177 Tum211 Cererem212 corruptam undis Cerealiaque arma

178 expediunt fessi rerum, frugesque receptas

179 et torrere parant flammis et frangere saxo.



Nadat Aeneas zeven schepen verzameld heeft van het totale

aantal vaart hij hier binnen, en nadat de Trojanen met grote liefde voor het vasteland

van boord gegaan zijn maken ze zich meester van het gewenste zand

en ze leggen hun ledematen, smerig door het zout/zeewater, op het strand.

En eerst sloeg Achates een vonk uit/van een steen

en hij ving het vuur op met bladeren en gaf het rondom droge

voeding en wekte snel een vlam op in het brandhout.

Vervolgens maken ze het graan, nat geworden door de golven, en het kookgerei

gereed, vermoeid als ze zijn door de gebeurtenissen, en ze maken zich gereed om het geredde graan te roosteren met vlammen en te breken met een steen/te malen.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.8-11 (p.33);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.12-18 (p.35);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.19-22(p.35);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.23-28 (p.35);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (prooemium) > 1.29-33 (p.35);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.34-41 (p.36);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.42-49 (p.36);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.50-57 (p.36);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.58-64 (p.36);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.65-75 (p.37);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.76-80 (p.37);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.81-86 (p.38);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.87-91 (p.38);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (storm) > 1.92-101 (p.38);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.170-179 (p.39);

  • Dovnload 0.73 Mb.