Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016

Dovnload 0.73 Mb.

Voorwoord De hiernavolgende tekst bevat de Latijnse tekst van het examenpensum 2016



Pagina3/10
Datum12.03.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10



H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.180-186 (p.39); Aeneas gaat op onderzoek uit … herten (1)

180 Aeneas scopulum interea213 conscendit, et omnem

181 prospectum214 late215 pelago petit216, Anthea217 si quem218

182 iactatum vento videat Phrygiasque219 biremes

183 aut Capyn aut celsis in puppibus arma220 Caici221.

184 Navem in conspectu nullam222, tres223 litore224 cervos

185 prospicit225 errantes; hos226 tota armenta227 sequuntur

186 a tergo et longum per valles pascitur agmen.


Ondertussen beklimt Aeneas een rots, en hij zoekt wijd en zijd

naar een volledig/onbelemmerd uitzicht over zee, in de hoop dat hij iemand als Antheus

ziet, heen en weer geslingerd door de wind en de Phrygische tweeriemers

of Capys of op de hoge achtersteven(s) de wapens van Caicus.

Hij krijgt geen schip in het vizier, (maar wel) drie herten

die in de verte op het strand dwalen; dezen volgen hele kuddes/volgt een hele kudde

in de rug en de lange stoet graast verspreid door het dal/de dalen.




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.187-191 (p.39); Aeneas gaat op onderzoek uit … herten (2)

187 Constitit228 hic229 arcumque manu celeresque230 sagittas

188 corripuit fidus231 quae tela gerebat232 Achates,

189 ductoresque233 ipsos234 primum235 capita alta ferentes

190 cornibus arboreis236 sternit237, tum vulgus238 et omnem

191 miscet agens telis239 nemora inter frondea turbam240;


Hier/Op dit moment bleef hij staan en met zijn hand greep hij de boog en de snelle pijlen,

wapens die de trouwe Achates (normaal) droeg,

en eerst legt hij de leiders zelf neer, die hun koppen hoog dragen

met hun vertakte geweien/geweien als boomtakken, dan brengt hij de massa en de hele

troep in verwarring door hen met zijn wapens in het bladerrijke woud op te drijven;




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.192-197 (pp.39-40); Aeneas gaat op onderzoek uit … herten (3)

192 nec prius absistit quam septem241 ingentia242 victor243

193 corpora fundat244 humi et numerum245 cum navibus aequet246;

194 hinc247 portum petit248 et socios partitur249 in omnes.

195 Vina250 bonus251 quae deinde252 cadis onerarat253 Acestes254

196 litore Trinacrio dederatque abeuntibus255 heros

197 dividit256, et dictis maerentia pectora mulcet257:



en niet eerder houdt hij op dan/voordat hij als overwinnaar zeven kolossale

lichamen op de grond neerwerpt en het aantal gelijk maakt aan dat van de schepen;

vervolgens/hiervandaan gaat hij naar de haven en verdeelt (de buit) onder alle makkers.

De wijn die de goede Acestes in kruiken ingeladen had

op het Sicilische strand en die de held aan hen had gegeven toen ze vertrokken, verdeelde hij vervolgens, en hij kalmeerde hun treurende harten met de woorden:




H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.198-203 (p.40); Aeneas spreekt zijn mannen toe (1)

198 ‘O socii258 (neque enim ignari259 sumus ante malorum260),

199 o passi graviora261, dabit deus262 his263 quoque finem.

200 Vos et Scyllaeam264 rabiem265 penitusque sonantes

201 accestis266 scopulos, vos et267 Cyclopia268 saxa269

202 experti: revocate animos maestumque timorem

203 mittite270; forsan et haec271 olim meminisse iuvabit.



“O metgezellen (want wij zijn niet onbekend met de ellende van hiervoor),

o jullie die ergere dingen hebben mee gemaakt, de godheid zal ook hieraan een einde geven. Jullie zijn ook én de razernij van Scylla én de in de diepte dreunende klippen genaderd, jullie hebben ook de rotsen van de Cyclopen

ervaren: raap jezelf bij elkaar/roep je moed terug en de bedroefde vrees

moeten jullie laten varen; misschien zal het jullie ooit goed doen je ook dit te herinneren.





H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.204-209 (p.40); Aeneas spreekt zijn mannen toe (2)

204 Per varios casus, per tot discrimina rerum272

205 tendimus273 in Latium274, sedes ubi fata quietas275

206 ostendunt; illic fas276 regna277 resurgere278 Troiae.

207 Durate, et vosmet rebus servate secundis279.’

208 Talia280 voce refert curisque ingentibus aeger

209 spem281 vultu simulat282, premit altum corde283 dolorem284.



Dwars door uiteenlopende lotgevallen, dwars door zovele hachelijke situaties

zijn wij op weg naar Latium, waar de lotsbeschikkingen (ons) een rustige woonplaats in het vooruitzicht stellen; daar is het het goddelijk gebod dat het rijk van Troje herrijst.

Houdt vol, en spaart jullie zelf voor betere tijden/gunstige omstandigheden.”

Dergelijke dingen spreekt hij (met zijn stem) en in de rats door kolossale zorgen

wendt hij hoop voor op zijn gezicht, (maar) drukt het verdriet diep weg in zijn hart.




H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.250-259 (p.86); De laatste nacht (1)

250 Vertitur interea285 caelum et ruit Oceano286 nox

251 involvens umbra magna terramque polumque

252 Myrmidonumque287 dolos288; fusi289 per moenia Teucri

253 conticuere; sopor fessos complectitur artus.

254 Et iam290 Argiva phalanx291 instructis navibus ibat

255 a Tenedo292 tacitae293 per amica silentia lunae

256 litora nota294 petens, flammas295 cum regia puppis

257 extulerat, fatisque296 deum defensus iniquis

258 inclusos utero Danaos et pinea furtim

259 laxat297 claustra Sinon.



Intussen draait het hemelgewelf en rijst uit de Oceaan de nacht snel op

die in grote duisternis én het land hult én de hemel

én de listen van de Myrmidoniërs; verspreid over de stad kwamen de Teucriërs/Trojanen

tot rust; slaap omvat hun vermoeide ledematen.

En reeds kwam de Griekse legermacht met in rijen opgestelde schepen

vanaf Tenedos door de gunstige stilte van de zwijgende maan

op weg naar bekende kusten, toen het vlaggenschip een vuursignaal

gegeven had, en, door het oneerlijke lot van de goden beschermd,

Sinon de in de buik opgesloten Grieken losliet en stiekem de van pijboomhout gemaakte

sloten losmaakte.





H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.259-267 (pp.86-87); De laatste nacht (2)

259 Illos298 patefactus ad auras

260 reddit299 equus laetique cavo se robore300 promunt

261 Thessandrus Sthenelusque duces et dirus301 Ulixes,

262 demissum lapsi302 per funem, Acamasque Thoasque

263 Pelidesque Neoptolemus303 primusque Machaon

264 et Menelaus304 et ipse doli fabricator305 Epeos.

265 Invadunt urbem somno vinoque sepultam306;

266 caeduntur vigiles, portisque patentibus omnes

267 accipiunt socios atque agmina conscia iungunt.


Opengemaakt geeft het paard hen terug

aan de lucht en blij komen ze uit het holle eikenhout tevoorschijn,

de aanvoerders Thessandrus en Sthenelus en de gruwelijke Odysseus,

neerglijdend langs een neergelaten touw, en Acamas en Thoas

en de kleinzoon van Peleus Neoptolemus en als eerste Macaon

en Menelaus en de bouwer van de list zelf, Epeus.

Ze gaan de stad binnen, die door slaap en wijn begraven is;

de wachters worden gedood, en door de openstaande poorten

laten ze al hun makkers binnen en ze voegen de medeplichtige troepen samen.




H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.268-276 (p.88); Hector verschijnt in een droom aan Aeneas (1)

268 Tempus erat307 quo prima quies mortalibus308 aegris

269 incipit309 et dono divum gratissima310 serpit.

270 In somnis, ecce, ante oculos maestissimus Hector

271 visus311 adesse mihi312 largosque effundere fletus313,

272 raptatus bigis314 ut quondam, aterque cruento

273 pulvere perque pedes traiectus lora tumentes.

274 Ei mihi315, qualis erat, quantum mutatus ab illo

275 Hectore qui redit exuvias indutus Achilli

276 vel Danaum Phrygios316 iaculatus puppibus ignes!


Het was de tijd waarop de eerste slaap voor de vermoeide stervelingen

begint en hen door het geschenk van de goden zeer welkom besluipt.

In mijn slaap, kijk, scheen mij voor mijn ogen de zeer bedroefde Hector

aanwezig te zijn en rijkelijk tranen te vergieten,

zoals (hij) eens (was) toen hij was meegesleurd door het tweespan, en zwart door het bebloede stof en (wat betreft) zijn gezwollen voeten doorboord door leren riemen.

Wee mij, hoe zag hij er uit, hoezeer verschillend van die

Hector die terugkeert gekleed in de wapenrusting van Achilles

of nadat hij Phrygische vuren geslingerd heeft naar de schepen van de Danaërs/Grieken.





H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.277-286 (p.88); Hector verschijnt in een droom aan Aeneas (2)

277 Squalentem barbam et concretos sanguine317 crines

278 vulneraque illa318 gerens319, quae circum plurima muros

279 accepit patrios. Ultro flens ipse320 videbar

280 compellare virum et maestas expromere voces:

281 ‘O lux321 Dardaniae, spes o322 fidissima Teucrum,

282 quae323 tantae tenuere morae? Quibus Hector ab oris

283 exspectate324 venis? Ut te post multa tuorum325

284 funera, post varios hominumque urbisque326 labores327

285 defessi328 aspicimus! Quae causa indigna serenos

286 foedavit329 vultus? Aut cur haec vulnera cerno?’



Hij droeg/Met een vuile baard en zijn haren aan elkaar gekoekt door het bloed

en die wonden, die hij in groten getale rondom de muren

van zijn vaderstad heeft opgelopen. Ik droomde/scheen zelf wenend uit eigen beweging

de man toe te spreken en de bedroefde woorden uit te spreken:

“O licht van Troje, o betrouwbaarste hoop van de Teucriërs,

welk zo groot oponthoud heeft u vastgehouden? Van welke kusten, langverwachte Hector,

kom je? Hoe zien wij u, na de vele sterfgevallen van de uwen,

na afwisselende ellende van zowel de mensen als van de stad

uitgeput als we zijn! Welke onwaardige oorzaak heeft uw edele

gelaatstrekken geschonden? Of waarom zie ik deze verwondingen?”





H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.287-292 (p.88); Hector verschijnt in een droom aan Aeneas (3)

287 Ille nihil330, nec me quaerentem vana331 moratur,

288 sed graviter gemitus332 imo333 de pectore ducens,

289 ‘heu fuge334, nate335 dea336, teque his’ ait ‘eripe flammis337.

290 Hostis habet muros338; ruit alto a culmine Troia339.

291 Sat patriae340 Priamoque datum341: si342 Pergama dextra

292 defendi possent, etiam343 hac344 defensa fuissent345.



Hij (antwoordt) niets, en let niet op mij die zinloze dingen vraag,

nee, diep zuchtend vanuit het diepst van zijn hart

zegt hij “Ach, vlucht, zoon van een godin, en ontruk u aan deze vlammen.

De vijand heeft de muren; Troje stort in vanaf zijn hoge top.

Voldoende is gegeven aan het vaderland en aan Priamus: als de burcht van Troje/ Pergamum met de rechterhand verdedigd kon worden, wás hij ook hiermee verdedigd.


http://geschiedenis.hobo-online.nl/wp-content/uploads/2013/02/13.02.21.feit-en-fictie-troy-paard.jpg

H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.293-297 (p.88); Hector verschijnt in een droom aan Aeneas (3)

293 Sacra suosque tibi commendat346 Troia347 penates348;

294 hos cape fatorum comites, his349 moenia quaere350

295 magna351 pererrato statues352 quae353 denique354 ponto355.’

296 Sic ait356 et manibus vittas Vestamque potentem

297 aeternumque adytis357 effert penetralibus ignem358.


Zijn heilige voorwerpen en zijn Penaten vertrouwt Troje aan jou toe;

neem deze als metgezellen van je lot, zoek hiervoor machtige stadsmuren

die je tenslotte, na over zee rondgezworven te hebben, zult neerzetten.”

Zo spreekt hij en met zijn handen haalt hij de machtige Vesta met haar wollen banden

en het eeuwige vuur uit het binnenste gedeelte van de tempel naar buiten.




H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.721-729 (p.95); De vlucht (1)

721 Haec359 fatus latos umeros subiectaque colla

722 veste super fulvique360 insternor pelle leonis,

723 succedoque oneri361; dextrae se362 parvus Iulus

724 implicuit sequiturque363 patrem non passibus aequis364;

725 pone365 subit coniunx366. Ferimur per opaca locorum367,

726 et me368, quem dudum369 non ulla iniecta movebant

727 tela370 neque adverso glomerati examine Grai,

728 nunc omnes terrent aurae, sonus excitat omnis371

729 suspensum372 et pariter comitique onerique373 timentem.


Na dit gezegd te hebben bedek ik me wat betreft mijn brede schouders en gebogen nek

van bovenaf met een kleed en wel met de huid van een roodbruine leeuw

en ik buig me onder mijn last; de kleine Julus vouwde zijn hand in mijn rechterhand

en volgt zijn vader met niet gelijke passen;

achteraan volgt mijn vrouw. Wij haasten ons door donkere plaatsen,

en mij, die kortgeleden geen wapens, naar mij geworpen, bang maakten

en ook niet de Grieken, samengedromd in een vijandige groep,

maken nu alle zuchtjes wind bang, (mij) doet elk geluid opschrikken,

angstig als ik ben, en bezorgd tegelijk zowel voor mijn metgezel als mijn last.




H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.730-737 (p.95); De vlucht (2)

730 Iamque374 propinquabam portis375 omnemque videbar

731 evasisse viam, subito cum creber ad aures

732 visus376 adesse pedum sonitus, genitorque per umbram377

733 prospiciens378 ‘nate,’ exclamat379, ‘fuge, nate380; propinquant381.

734 Ardentes clipeos atque aera382 micantia383 cerno.’

735 Hic384 mihi nescio quod trepido385 male numen amicum386

736 confusam387 eripuit mentem. Namque388 avia cursu

737 dum sequor et nota389 excedo regione viarum, …



En reeds naderde ik de poorten en meende ik de hele weg veilig

afgelegd te hebben, toen plotseling het luide/talrijke lawaai van voeten bij onze oren

aanwezig scheen te zijn, en mijn vader door de duisternis vooruitkijkend

uitriep “Zoon, vlucht, zoon; ze komen er aan.

Ik zie hun schilden blinken en hun bronzen wapens flikkeren.”

Op dit moment ontrukte mij, angsthaas, een of andere vijandige gezinde goddelijke macht

mijn verstand zodat ik in de war raakte. Want terwijl ik al rennend zijwegen volg

en weg ga van de bekende route van de wegen, …





H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.738-744 (p.96); De vlucht (3)

738 heu misero390 coniunx fatone391 erepta Creusa

739 substitit, erravitne via seu lapsa392 resedit393,

740 incertum394; nec post395 oculis est reddita nostris.

741 Nec prius396 amissam397 respexi398 animumve reflexi

742 quam tumulum antiquae399 Cereris sedemque sacratam400

743 venimus: hic demum collectis omnibus401 una402

744 defuit403, et comites404 natumque virumque fefellit405.


… is, ach, mijn echtgenote Creüsa, mij ongelukkige ófwel, door het lot ontnomen,

blijven staan, of zij is de weg kwijt geraakt of ze is, na gevallen te zijn, gaan zitten,

het is onduidelijk; en daarna is zij niet (meer) teruggegeven aan onze ogen.

En niet eerder keek ik naar haar, verloren als ze was, om of heb ik aan haar gedacht

dan toen we bij de heuvel en de heilige woning van de eerbiedwaardige Ceres

kwamen: pas hier bleek zij, toen wij allemaal verzameld waren, als enige

afwezig, en bleek zij haar metgezellen én haar zoon én aan haar man ontglipt.




H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (Aeneas’ zoektocht naar Creüsa) > 2.745-751 (p.96); Aeneas’ zoektocht naar Creüsa (1)

745 Quem non incusavi amens406 hominumque deorumque407,

746 aut quid408 in eversa409 vidi crudelius urbe?410

747 Ascanium Anchisenque patrem Teucrosque penates411

748 commendo sociis et curva valle412 recondo;

749 ipse413 urbem repeto et cingor414 fulgentibus415 armis416.

750 Stat casus417 renovare omnes omnemque418 reverti

751 per Troiam et rursus419 caput obiectare periclis420.


Wie van én mensen én goden heb ik, buiten zinnen, niet beschuldigd,

of wat heb ik in de verwoeste stad/bij het verwoesten van de stad voor wreders gezien?

Ascanius en mijn vader Anchises en de Teucrische Penaten

vertrouw ik toe aan mijn makkers en ik verberg hen in een diep dal;

zelf zoek ik de stad weer op en ik omgord mij met blinkende wapens.

Ik ben vastbesloten alle lotgevallen/ellende opnieuw door te maken en terug te keren

door heel Troje en opnieuw mijn hoofd bloot te stellen aan gevaren/mijn leven te riskeren.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.187-191 (p.39);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.192-197 (pp.39-40);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.198-203 (p.40);
  • H4 – SCHIPBREUK EN REDDING Aeneis 1 (Landing op de Afrikaanse kust) > 1.204-209 (p.40);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.250-259 (p.86);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.259-267 (pp.86-87);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.268-276 (p.88);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.277-286 (p.88);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.287-292 (p.88);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De laatste nacht) > 2.293-297 (p.88);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.721-729 (p.95);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.730-737 (p.95);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (De vlucht) > 2.738-744 (p.96);
  • H6 – DE VAL VAN TROJE Aeneis 2 (Aeneas’ zoektocht naar Creüsa) > 2.745-751 (p.96);

  • Dovnload 0.73 Mb.