Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen en wereldorientatie

Dovnload 207.34 Kb.

Vragen en wereldorientatie



Pagina1/5
Datum24.09.2018
Grootte207.34 Kb.

Dovnload 207.34 Kb.
  1   2   3   4   5


VRAGEN EN WERELDORIENTATIE
'Ik weet het antwoord wel, maar wat is de vraag eigenlijk?'

Lazer Goldberg


'Zo'n van leven tintelende groep kinderen of jongeren zit boordevol met vragen. Daarmee bedoel ik niet de vragen, die hoofdzakelijk of alleen door de leraar worden gesteld als hij overhoort of iets laat zien. Nee, de voorwerpen zelf, de menselijke relaties, de gebeurtenissen, de ontwikkelingen en verwikkelingen, kortom alle relaties binnen deze planmatig gestructureerde wereld (van de pedagogische situatie) hebben een natuurlijk of bewust versterkt uitnodigend karakter: 'Vraag mij alsjeblieft! Doe dit of dat met mij! Wat ben ik? Wat kun je allemaal met mij doen? Hoe heet ik? Hou je van mij? En honderd en nog meer van dit soort vragen.'

Peter Petersen1
'Leraren: dirigenten van het koor der vragenden'

Franz Rosenzweig2
'Het energie-potentieel van de vraag is niet geringer dan dat van het waterstofatoom, maar vermoedelijk veel gevaarlijker. .... Overal worden door vragen mensen geraakt, werkelijkheden veranderd, werelden bewogen.'

Hans Dieter Bastian3
'The best school is where the children ask the most questions'

A.S. Neill
Wereldoriëntatie en vragen zijn nauw met elkaar verbonden. Mensen oriënteren zich in de wereld door vragen te stellen - impliciete (in het handelen verpakte) en expliciete vragen - en op zoek te gaan naar antwoorden. Dat geldt het sterkst voor kinderen. Een theorie van de vraag neemt dan ook een centrale plaats in bij het nadenken over wereldoriëntatie.

In dit stuk wordt allereerst de relatie tussen WO in het basisonderwijs en vragen nader geanalyseerd. Daarbij zijn vooral vragen van kinderen (‘werkers’) van belang en pas in tweede instantie die van leraren (‘medewerkers’). In het onderwijs was en is eerder het omgekeerde het geval en het benadrukken van vragen van kinderen is dan ook een belangrijke perspectiefwisseling.



Vragen zijn wezenlijk verbonden met mens-zijn, met een 'open wereld'. Er wordt besproken hoe vragen ontstaan en wat de functies zijn van vragen. Het onderscheid van verschillende soorten vragen is van belang om 'de vraag achter de vraag' te kunnen herkennen, om niet aan de haal te gaan met kindervragen. Twee terreinen worden tenslotte nader uitgewerkt: vragen die je kunt beantwoorden door iets met dingen te doen en filosofische vragen. Daarbij wordt het eerste terrein hier het meeste uitgewerkt.
Wij voelen dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensvragen nog helemaal niet geraakt zijn

L. Wittgenstein


Wetenschap als menselijke houding is, als ik er iets goeds over mag zeggen, het geluk de kinderlijke nieuwsgierigheid tot op hoge leeftijd te bewaren, waarvoor men ongelooflijk dankbaar moet zijn. Het is ook het zich erin oefenen niet meer te beweren dan wat je verantwoorden kunt en zich bewust te zijn van wat je (allemaal) niet weet. Maar dan ook dapper naar voren brengen wat je weet en wat je vermoedt … In dat laatste geval moet je zeggen: ‘Ik vermoed het slechts’.

Carl Friedrich von Weiszäcker, natuurwetenschapper en filosoof



1. Oriënteren en vragen
Vragen nemen een centrale plaats in binnen de wereldoriëntatie. We herhalen nog eens de omschrijving van 'wereldoriëntatie' van de Commissie Basisonderwijs uit 1969 (welke ook in hoofdstuk A.2.2. van de algemene map te vinden is):

'Wereldoriëntatie is het geheel van bemoeienissen door de school, waardoor spontane of opgewekte vragen van het kind betreffende samenleving, cultuur en natuur worden beluisterd en waarbij door begeleiding van het vragende kind in de richting van correcte antwoorden op het niveau van het kind, de voor hem ingewikkelde wereld van mensen, dingen en dieren wordt geordend en geduid en hij zich daarin een weg leert zoeken'.4

Deze omschrijving roept (en dat zal niet toevallig zijn) in herinnering wat Peter Petersen schreef over vragen in de pedagogische situatie, wat hierboven als citaat is afgedrukt. De pedagoog richt de situatie zo in dat er spanning wordt opgeroepen, tussen kinderen onderling (o.a. door de heterogene groepering), tussen kind en ding - dier - plant - andere mensen - etc. Een spanning die kan motiveren (=in beweging zetten) tot vragen en onderzoeken. Zodra je een vraag hebt en je daarvan bewust bent, is er een belangrijke stap gezet in het eigen oriëntatieproces.

Suus Freudenthal heeft in dezelfde lijn doordenkend de methodiek van het 'vraag het de dingen zelf maar' in Nederland geïntroduceerd. In Pedomorfose verschenen artikelen van Jos Elstgeest, allereerst 'Vraag het de mierenleeuw zelf maar', gevolgd door vele andere van zijn hand en de reeks 'Vraag het de (cavia, rupsen, vogels, etc.) zelf maar' van schrijver dezes.

'Wereldoriëntatie' heeft, zoals we elders al aangaven, meer betekenissen. Al deze betekenissen hebben relaties met vragen:



- wereldoriëntatie als onderwijsdoel: belangrijk hierbinnen zijn verwondering, kritisch denken, zorg en het leren hoe te leren; al deze doelen zijn verbonden met vragen willen en kunnen stellen en op zoek gaan naar antwoorden;

- wereldoriëntatie als leerproces, dat levenslang duurt; in dat leerproces neemt het vragen stellen een belangrijke plaats in:

- wereldoriëntatie als procesgerichte didactiek: met vragen stellen als sturend principe, in het verlengde van het spontane vragen van kinderen;

- wereldoriëntatie als centrale vormingsgebied, dat die inhouden omvat welke het meest met WO als doel te maken hebben: vragen stellen binnen de ervaringsgebieden.
Impliciete en expliciete vragen

In de interactie van de kinderen met de omgeving en in het nadenken over zichzelf ontstaan vragen, die vaak in taal geuit worden. Dit laatste hoeft niet altijd het geval te zijn: kinderen kunnen hun vragen ook in hun handelen tonen: door iets vast te pakken en te betasten, door aandachtig te kijken, dingen te manipuleren, iets uitproberen, etc. Dat geldt het sterkst voor kleuters (zie ook: Elstgeest, 1993/`1996)

Deze impliciete vragen kunnen we (zij het voorzichtig, tastenderwijs) proberen voor de kinderen te verwoorden, te expliciteren: 'ik denk dat je probeert uit te zoeken .....'.

Zodra een vraag expliciet verwoord wordt is deze communicabel geworden, kun je het er met anderen over hebben5. Als je een duidelijke vraag hebt kun je ook tot onderzoek komen. De wereld is ontzaglijk rijk en ingewikkeld en door middel van een vraag heb je een beginpunt voor het onderzoeken ervan, heb je een sleutel. Je zegt tegen jezelf en anderen: 'daarover wil ik het nu hebben', 'dat wil ik weten'. In de moderne onderwijspsychologie zijn 'actualiseren van voorkennis' (wat weet je al? wat wil je verder weten?) en 'zelfsturing' belangrijke sleutelbegrippen. Het ontdekken van vragen is daarom minstens zo belangrijk als het beantwoorden ervan.
Vragen van kinderen belangrijker dan die van leraren

In de traditionele didactiek werd veel aandacht geschonken aan vragen van leraren aan kinderen, in het door de leerkracht gestuurde leergesprek. Vragen van leraren waren didactische middelen bij uitstek. Jos Elstgeest heeft in verschillende publicaties laten zien tot wat voor vreemde (vervalsende: tussen leraren en kinderen en tussen kinderen en zaak) communicatieve situaties dat kan leiden (zie het voorbeeld in par. 4). Kinderen gaan gissen naar het 'goede antwoord', dat ergens tussen de oren van de meester of juf zit. Pedagogen als Berthold Otto (1859-1933) en Frits Gansberg (1871-1950) wezen dit af en wilden juist voortbouwen op 'de vraaglust van de kinderen', zoals de titel van een opstel van Gansberg luidde (Dietrich, 1972). Peter en Else Petersen deden ook onderzoek naar vragen van leraren en kwamen tot soortgelijke conclusies6.

Else Petersen schreef:



'Nergens wordt zoveel gevraagd als in de school, niet op de universiteit, niet in de werkplaats, niet in de winkel of in welk bedrijf dan ook. Het typerende van de schoolvragen is, dat de vrager - en dat is in onze huidige scholen bijna uitsluitend de leerkracht - niet iets vraagt, omdat hij wat wil weten, dat is slechts zelden het geval, maar omdat hij de leerlingen door zijn vragen tot begrijpen wil brengen. We zijn ons van deze tegenspraak, dat degene aan wie iets gevraagd wordt eigenlijk de vrager zou moeten zijn omdat hij iets wil weten en moet leren, niet bewust, omdat we generaties lang gewend zijn aan deze vraagmethode'.

Else Petersen uitte vooral kritiek op de 'hulpvragen': vragen die de leerkracht stelt om kinderen naar 'het goede antwoord' toe te praten (Petersen, E., 1965).



Peter en Else Petersen draaiden de zaak om: de kinderen stellen de vragen, of eigenlijk kun je beter spreken over een wisselwerking van vraag en antwoord tussen kinderen en de dingen. Zie, nogmaals, het Petersen-citaat boven dit stuk. Vragen van leraren moeten dat vragen van kinderen stimuleren en ondersteunen.

2. Vragen en mens-zijn
Het vragen is existentieel verbonden met mens-zijn. Dieren, vooral hogere dieren, zijn ook nieuwsgierig, vertonen 'snuffelgedrag', reageren op zo veranderingen in hun omgeving. Dat hebben wij met de dieren gemeen. Nieuwsgierigheid wil bevredigd worden. Mensen willen echter meer: zij vragen door, verder en dieper. Daar past het begrip 'verwondering', het willen weten om zichzelfs wil, vooral ook het vragen naar zin in/van het eigen leven en het wereldgebeuren.7

'Toen in augustus 1968 vreemde troepen Tjecho-Slowakije overvielen, drong zich op de eerste bezettingsdag in Praag een Tjechische vrachtwagen tussen de colonnes van Russische militaire voertuigen. Hij droeg een aanplakbiljet waarop, in het Russisch, maar één woord stond: 'Waarom?''

(Bastian, 1970, p.27).
Vragen duiden ook op onze eindigheid. Hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je nog maar weinig weet, dat er nog veel meer te weten (=te vragen) is. Achter elke beantwoorde vraag komt een aantal nieuwe vragen tevoorschijn. Er zijn vragen waarop we nooit een (sluitend) antwoord zullen krijgen en die ons toch een heel leven kunnen bezighouden. En andere vragen zullen we moeten beantwoorden door ons eigen handelen, zoals Huub Oosterhuis in een 'lied om vrijheid' dichtte: 'Want mensen worden geroepen, terzake van ja of nee'. Oftewel de oervraag: 'Adam, waar ben je?' Waar is je naaste?8
Vragen stellen en het leven met open vragen vraagt om moed. Allereerst sociale moed: je toont dat je iets niet weet en/of twijfelt, vooral als je doorvraagt. Door het stellen van vragen stel je je kwetsbaar op. Dat geldt ook voor een groep kinderen, we moeten oog hebben voor degelijke sociale processen in de stamgroep (Meij v.d., 1989). Met name voor mensen die leven en werken onder autoritaire en totalitaire regimes, in bedrijven, andere organisaties, staten, vereist het vragen stellen moed. Het stellen van kritische vragen wordt daar niet op prijs gesteld. Zoals een vrouw in een Zuidamerikaans land zei: 'Ik durfde niet zoveel te vragen, uit angst voor represailles'9. Verzet tegen de bestaande situatie, in het klein en het groot, begint met jezelf een vraag stellen, vragen toelaten:
VRAGEN STELLEN

Verzet begint niet met grote woorden

maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin

of de kat die de kolder in z'n kop krijgt
zoals brede rivieren

met een kleine bron

verscholen in het woud
zoals een vuurzee

met dezelfde lucifer

die de sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik

een aanraking

iets dat je opvalt in een stem
jezelf een vraag stellen

daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.

Remco Campert


Als mensen geen vragen meer stellen zijn zij fysiek/psychisch/moreel/mentaal 'dood', verstard.

'Antwoorden vormen een waterdicht systeem, waarin dingen steeds zichzelf blijven. Bij vragen is er geen bevestiging van de dingen, maar een ontkenning ervan. De vraag importeert het 'nee' in het huis van de kant-en-klare antwoorden.

Vragen slaan gaten in het weten, slaan open plekken van mogelijkheid in het oerwoud van de feitelijkheid. Een organisme dat niet kan of mag vragen, is gedoemd tot een voortdurend antwoord' (Bastian, 1970, p. 30).
3. Waar komen vragen vandaan?
Vragen ontstaan vooral daar, waar de vanzelfsprekendheid van het verloop van gebeurtenissen wordt doorbroken. Dat kan zijn omdat er iets nieuws/onbekends in het vizier komt, dat als het ware vraagt om nadere exploratie. Het kan ook zijn dat er tegenstrijdigheden ervaren worden in de ervaring: tegenstrijdige informatie ('wat is nou waar?'), tegenstrijdige oordelen ('wat is nou goed?' wat heb ik hiermee te maken?'), tegenstrijdige eisen die aan mij gesteld worden en verschillende keuzemogelijkheden die ik heb ('hoe moet ik hier handelen?'), tegenstrijdigheden tussen mijn verwachtingen en waarden en wat er gebeurt ('wat is de zin van dit alles?'). Het leven zit vol met tegenstrijdigheden (cognitieve-, ethische-, esthetische- en existentiële dissonantie) en dat roept vragen op. Het kan ook zijn dat het vanzelfsprekende als niet meer vanzelfsprekend ervaren wordt. Vragen dienen dan om een 'gat' of 'dissonant' in de informatie te dichten en het verstoorde evenwicht weer te herstellen ('Ergänzungs'- of 'evenwichtsvragen') of twijfel te uiten aan een (tot dan toe onaangevochten) waarheid ('openende' vragen).

Het kind dat zich verwondert en zegt: 'Ik probeer steeds weer te denken dat ik een ander ben en ik ben elke keer weer ik' (een 'openende vraag') vraagt daarmee naar de eigen identiteit, de ervaring van continuïteit in het eigen 'zijn', naar het raadsel van het ik-zijn dat alleen uit zichzelf te begrijpen is. Het kind dat, ziek thuis, naar de radio luistert en dan tegen zijn moeder zegt: 'gek hè, dit moment, nu, komt nooit meer terug', dit kind verwondert zich over het raadsel van de tijdstroom, de vergankelijkheid en vraagt zich af wat dat is.

Essentieel in schoolverband zijn tevens de vragen: 'wat kan ik hiermee?' en 'wat moet ik hiermee?', ook wat betreft de leerstof.

In de school moet je in verband hiermee twee dingen doen:

- openstaan voor spontane vragen van kinderen, zoals die voortkomen uit het buitenschooolse leven en daarmee verder werken;

- situaties proberen te scheppen ('pedagogische situaties'), die aanleiding geven tot vragen; vragen waarop je voorts weer verder kunt bouwen in het onderwijs. Dat veronderstelt wel dat het echte vragen zijn.


4. Waarop zijn vragen uit?

  1   2   3   4   5

  • 1. Oriënteren en vragen
  • 2. Vragen en mens-zijn
  • 3. Waar komen vragen vandaan
  • 4. Waarop zijn vragen uit

  • Dovnload 207.34 Kb.