Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak

Dovnload 275.49 Kb.

Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak



Pagina1/5
Datum03.04.2017
Grootte275.49 Kb.

Dovnload 275.49 Kb.
  1   2   3   4   5

Nr. 3072914

Antwoorden vragen Eerste Kamer Irak

Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 200 V, F

VRAGEN VAN DE PVDA-FRACTIE OVER DE BESLUITVORMING VAN HET NEDERLANDSE KABINET MET BETREKKING TOT DE OORLOG TEGEN IRAK

Algemene aspecten
A1.

Bij de bespreking van het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Srebrenica, constateerde het toenmalige kabinet dat het er bij zo’n onderzoek vooral om gaat lessen te trekken uit het falen van personen, organisaties en politieke en militaire processen. Ook werd van de zijde van het kabinet opgemerkt dat in algemene zin geldt, dat hoe sneller informatie naar voren komt, hoe beter het is. Volgens het kabinet zou de les naar de toekomst zijn dat informatie zo snel mogelijk naar voren moet komen.

Acht de minister-president deze observaties ook van toepassing op de besluitvorming van ons land met betrekking tot de oorlog in Irak?
Antwoord op vraag A1:
In de kwestie Srebrenica ging het om een uitzending van Nederlandse militaire eenheden, net als in Irak in de periode 31 juli 2003 tot en met 7 maart 2005, toen Nederland heeft deelgenomen aan Stabilisation Force Iraq (SFIR). Bij de uitzending van militaire eenheden naar Irak, was het toetsingskader van toepassing en heeft ook een formele evaluatie van die uitzending plaatsgevonden.
A2.

Vindt het kabinet het gewenst dat de internationale gemeenschap lessen trekt uit de besluitvorming over, en het verloop en de gevolgen van de oorlog tegen Irak in 2003? Zo ja, kan de regering concreet aangeven in welke internationale kaders (bijv. VN, NAVO, EU) deze lessen getrokken moeten worden? Is dat al (partieel) gebeurd?

A3.


Is het kabinet van mening dat het ook een bijzondere verantwoordelijkheid is van Nederland, als een van de landen die de oorlog politiek hebben gesteund, daaraan een bijdrage te leveren?
Antwoord op de vragen A2 en A3:
De internationale gemeenschap was in de aanloop naar de inval in Irak verdeeld, waarbij de verschillen in zienswijze dwars door de genoemde organisaties liepen. Een groot aantal van onze partners deelde de Nederlandse opstelling, maar een aantal ook niet. In deze internationale constellatie heeft ieder land zijn eigen afweging gemaakt. Het streven van de Nederlandse regering was erop gericht deze zo zorgvuldig mogelijk te maken, zowel intern als in het overleg met de Kamer. Eén van de belangrijkste lessen uit de onderhavige kwestie is, zoals ook met de Eerste kamer besproken tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in 2003, dat als de internationale gemeenschap verdeeld is, dit kwaadwillende landen slechts in de kaart kan spelen.1 Het blijft het doel van de regering over vraagstukken van vrede en veiligheid internationale consensus te bereiken
Tegen deze achtergrond heeft de Secretaris-Generaal van de VN in 2003 het High-level Panel on Threats, Challenges and Change ingesteld. Dit Panel presenteerde eind 2004 zijn rapport2. De Secretaris-Generaal heeft op deze en andere aanbevelingen van het Panel voortgebouwd in zijn in maart 2005 gepresenteerde rapport "In larger freedom"3. De Secretaris-Generaal heeft op basis hiervan een aantal conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan in zijn in maart 2005 gepresenteerde rapport "In larger freedom". Een van de belangrijkste conclusies is dat de internationale gemeenschap een nieuwe consensus op het gebied van veiligheid behoeft. Deze dient gebaseerd te zijn op het uitgangspunt dat alle bedreigingen van vrede en veiligheid internationaal onlosmakelijk met elkaar verweven zijn en dat ontwikkeling, veiligheid en mensenrechten onderling afhankelijk zijn. De SGVN stelt voorts dat geen enkele staat geheel alleen zichzelf kan verdedigen en dat derhalve een rechtvaardig, efficiënt en effectief stelsel van collectieve veiligheid van groot belang is. Meer specifiek wordt in het rapport gepleit voor een sterk mechanisme ter controle van de naleving van de non-proliferatie van massavernietingswapens en worden staten opgeroepen samen te werken in hun strijd tegen het internationaal terrorisme. Tenslotte wordt de Veiligheidsraad gevraagd principes te formuleren op basis waarvan het gebruik van geweld zou kunnen worden toegestaan; deze principes zouden moeten omvatten het recht van de Veiligheidsraad op het gebruik van geweld - ook preventief - in geval van genocide, etnische zuivering en andere misdaden tegen de menselijkheid. Dit rapport heeft de basis gevormd van de in september 2005 aanvaarde "World Summit Outcome", waarin staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de VN hun steun aan de VN, het VN-Handvest en het hierin neergelegde stelsel van collectieve veiligheid herbevestigden.
A4.

Is het kabinet bereid zelf lering te trekken uit de verschillende fasen van besluitvorming en uit de feitelijke gebeurtenissen zowel voor als na de inval in Irak?Is het ook bereid te bevorderen dat die lessen snel getrokken kunnen worden?

A5.


Heeft het kabinet daartoe in de afgelopen jaren door de betrokken ministers alle aspecten van het besluitvormingsproces voorafgaande aan de aanval op Irak en de feitelijke gang van zaken voor en na de oorlog aan een evaluatie laten onderwerpen? Zo nee, zijn bepaalde aspecten wel geëvalueerd?
Antwoord op de vragen A4 en A5:
De regering heeft bij herhaling in de Kamer verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid in de verschillende fasen van besluitvorming. Voor zover uit de wijze van besluitvorming lessen zijn getrokken, zijn die ter harte genomen. Een voorbeeld hiervan is de notitie ‘Rechtsgrondslag en mandaat van missies met deelname van Nederlandse militaire eenheden’, die op 22 juni 2007 aan het parlement is verzonden. Deze notitie geeft een uitwerking van de afspraken over het adequaat volkenrechtelijk mandaat in het coalitieakkoord. Hierin verduidelijkt de regering de vereisten voor de rechtsgrondslag en het mandaat voor missies waaraan Nederlandse militaire eenheden deelnemen. Bovendien stelt de regering in deze notitie dat het bestaan van een volkenrechtelijke grondslag ook een vereiste is voor politieke steunverlening aan een militaire operatie.
Een ander voorbeeld van lessen trekken is de adviesaanvraag aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken, dat heeft geresulteerd in het advies “Preëmptief optreden” (2004, nummer 36). De regering deelt de hoofdconclusie van het betreffende advies over preëmptief optreden, dat een land in geval van een dreigende aanval door terroristen en/of met massavernietigingswapens onder voorwaarden een beroep kan doen op het recht van zelfverdediging. Daarbij dient, in de visie van de regering, wel sprake te zijn van een onmiddellijke dreiging (‘imminent threat’). In dit verband wordt steeds vaker teruggegrepen op de zogenoemde ‘Caroline-criteria’. Ook behandelt het advies de mogelijkheid dat de Veiligheidsraad niet optreedt waar dat wel had mogen worden verwacht, bijvoorbeeld in het geval van een veto van één van de permanente leden. “Men kan de ogen voor zulk een mogelijke situatie niet sluiten in de wereld zoals die is”, zo stelt het advies terecht. De regering onderschrijft de opvatting dat het dan wel zaak is dat in die gevallen wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke, internationale consensus, zoals ook in de hierboven genoemde notitie van 22 juni 2007 is aangegeven.
A6.

Zo ja, door wie heeft die evaluatie plaatsgevonden?Welke lessen zijn uit deze evaluaties getrokken? Is het kabinet bereid deze evaluatie(s) en de daaraan verbonden conclusies aan de Kamer over te leggen? Acht het kabinet het gewenst de Kamer bij het trekken van conclusies te betrekken?
Antwoord op vraag A6:
Zie de antwoorden op vraag A1, A4 en A5.

Voorbereiding besluitvorming
B1.

Wanneer heeft de toenmalige ministerraad feitelijk vastgesteld dat serieus rekening moest worden gehouden met een militaire aanval op Irak?

B2.


Wanneer heeft de ministerraad voor het eerst onder ogen gezien dat in geval van een aanval op Irak, Nederland voor de beslissing zou komen te staan om al dan niet militaire of politieke steun aan die aanval te geven?
Antwoord op de vragen B1 en B2:
In de periode van opbouw van politieke druk op Irak, met inbegrip van de militaire opbouw door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, heeft de regering met alle mogelijke opties rekening moeten houden, waarbij over de uiteindelijk gemaakte keuzes verantwoording aan het parlement is afgelegd. In 2002 en begin 2003 werd steeds duidelijker dat Saddam Hoessein nog altijd onvoldoende meewerkte. Zoals gesteld door de minister van Buitenlandse Zaken in zijn brief van 12 februari 2003, was de regering van mening dat de vraag niet was hoeveel tijd de internationale gemeenschap de inspecteurs nog moest geven, maar hoe lang zij Saddam Hoessein nog zou geven om te laten zien dat hij bereid was volledige medewerking te verlenen.4 Op 17 maart heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Kamer geïnformeerd over de toen ontstane situatie en aangekondigd dat de regering zich daarop zou beraden.5 De regering heeft op 18 maart 2003 het parlement geïnformeerd over haar besluit politieke steun te verlenen aan het militaire optreden van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tegen het regime van Saddam Hoessein.6

Zie ook het antwoord op vraag D9.
B3.

Zijn met het oog op de voorbereiding van deze beslissing op dat moment binnen de ministerraad bijzondere afspraken over de te volgen werkwijze gemaakt? Zo ja, waaruit bestonden die? Zo nee, hoe vond de voorbereiding van de besluitvorming plaats?

B4.


Is het kabinet van mening dat de gevolgde werkwijze voor deze besluiten toereikend was, of meent het dat veranderingen moeten worden overwogen?
Antwoord op de vragen B3 en B4:
De voorbereiding van de besluitvorming is indertijd door de meest betrokken ministers geschied. Daar waar nodig en gepast heeft besluitvorming in de voltallige ministerraad plaatsgevonden.
In de periode 2002-2003 heeft de regering het parlement tijdig en volledig geïnformeerd over de standpunten die de regering innam, over de conclusies die de regering trok en over de besluiten die door de regering werden genomen. Naar aanleiding van deze informatievoorziening is zeer geregeld in de Eerste en Tweede Kamer gedebatteerd over de opstelling en de standpuntbepaling van de regering.
Voor de werkwijze van de ministerraad en de instelling van politieke en ambtelijke gremia die de besluitvorming in de ministerraad moesten voorbereiden, zij verwezen naar het antwoord op vraag 11.
Naar het oordeel van de regering heeft de gevolgde werkwijze naar behoren gefunctioneerd.

Volkenrechtelijke aspecten
C1.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 5 september 2002 in de Tweede Kamer verklaard een verandering van het regime in Irak onvoldoende basis te vinden voor het gebruik van militair geweld. “Maar de legitimatie voor het optreden van de internationale gemeenschap ligt voor mij nagelvast in de kwestie van massavernietigingswapens. Daarom vormen de inspecteurs ook de eerste stap, het gaat om het bezit van deze wapens.”

Wanneer en om welke redenen heeft het kabinet besloten dat de legitimatie voor het optreden van de internationale gemeenschap voor Nederland niet meer ‘nagelvast in de kwestie van de massavernietigingswapens’ was gelegen, maar in het jarenlang negeren door Saddam Hoessein van VN-resoluties?
Antwoord op vraag C1:
Bij de eerdere wapeninspecties door de VN die in 1998 werden afgebroken, is gebleken dat Irak beschikte over massavernietigingswapens en programma’s die ertoe strekten deze te ontwikkelen. Het regime van Saddam Hoessein heeft in de jaren ’80 zelfs chemische wapens ingezet: tegen Iran en tegen de eigen Koerdische bevolking.7 Toen de inspecties van de Verenigde Naties eind 2002 werden hervat, verleende de Irakese regering – anders dan voorgeschreven in de opeenvolgende VN-resoluties - geen volledige en onverkorte medewerking aan de wapeninspecteurs. Daardoor kon niet geloofwaardig worden aangetoond dat de massavernietigingswapens en/of ongeoorloofde overbrengingsmiddelen waren vernietigd en de WMD-programma’s niet langer bestonden.8 Om te laten zien dat het land geen ongeoorloofde wapens meer bezat, had de Irakese regering onder leiding van Saddam Hoessein moeten en kunnen meewerken door onder meer documentatie van de vernietiging te overleggen, onbeperkte toegang te verschaffen aan de inspecteurs en deze in ieder geval niet tegen te werken.9 Juist omdat het regime van Irak jarenlang, stelselmatig de VN heeft tegengewerkt, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat Irak geen massavernietigingswapens meer in het bezit had.10
Het doel van de diverse VN-resoluties was het Irakese wapenarsenaal in kaart te brengen (voornamelijk om te bezien of het land massavernietigingswapens en langeafstandsraketten in het bezit had (gehad) en waar die wapens zich al dan niet (hadden) bevonden), teneinde ontwapening van Irak te bewerkstelligen. Om dit doel te kunnen bereiken, was volledige samenwerking van de Irakese regering met de inspecteurs vereist. Die onverkorte en volledige samenwerking heeft het regime van Saddam Hoessein helaas niet geboden. Daarom heeft de minister van Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer geregeld benadrukt dat de basis van het conflict met Irak was gelegen in het jarenlang blokkeren van de op basis van de Veiligheidsraadresolutie geëiste terugkeer van de wapeninspecteurs, zoals ook in het debat op 5 september 2002.11 Door niet volledig mee, maar tegen te werken, voldeed Irak niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de diverse bindende Veiligheidsraadresoluties.
In dit licht dient bovengenoemde opmerking van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken te worden begrepen. Van een in de vraagstelling gesuggereerde verandering in het standpunt van de regering is geen sprake geweest.
C2.

Realiseerde het kabinet zich, toen het voor deze legitimatie van een mogelijke oorlog koos, dat het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hun besluit om Irak aan te vallen juist wel op de aanwezigheid van massavernietiging wapens baseerden?

Betekent dit, dat het kabinet de legitimatie van die landen om een oorlog te beginnen toen niet juist of adequaat achtte? Heeft het kabinet daarover met de betrokken landen van gedachten gewisseld?
Antwoord op vraag C2:
De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk – maar ook andere landen – maakten hun eigen afweging op welke gronden zij het militaire optreden tegen Irak rechtvaardigden in 2003. Overigens speelde voor deze landen de niet-naleving door het toenmalige Irak van de resoluties van de VNVR een belangrijke rol. Daardoor kon, zoals gezegd in het antwoord op vraag C1, niet geloofwaardig worden aangetoond dat de massavernietigingswapens en/of ongeoorloofde overbrengingsmiddelen waren vernietigd en de WMD-programma’s niet langer bestonden.
Over de Nederlandse zienswijze en de opvattingen die leefden in andere landen zijn in de loop van 2002 en 2003 geregeld intensieve politieke en diplomatieke contacten geweest, ook met de landen die in de vraagstelling worden genoemd.
C3.

Hoe is het kabinet tot het standpunt gekomen dat volgens het volkenrecht individuele lidstaten de naleving van resoluties van de Veiligheidsraad met geweld mogen afdwingen, zonder dat de Raad zelf daartoe expliciet een machtiging heeft afgegeven?

C4.


Is voor de onderbouwing van dit standpunt ambtelijk advies en/of het advies van niet-ambtelijke volkenrechtdeskundigen ingewonnen? Bent u bereid deze adviezen aan de Kamer over te leggen?

C5.


Is het standpunt van het kabinet in consultaties met de Verenigde Naties en met bondgenoten getoetst? Zo ja, hoe heeft deze toetsing plaatsgevonden en wat was het resultaat van deze toetsing?

C6.


Kunt u aangeven door welke volkenrechtdeskundigen tot nu toe steun aan dit standpunt is gegeven?
Antwoord op de vragen C3 t/m C6:
De regering had al eerder het standpunt ingenomen dat lidstaten de naleving van VN-resoluties mogen afdwingen, o.a. ten tijde van operatie “Desert Fox” (1998). Indertijd bestond voor dit standpunt een breed draagvlak in de Tweede Kamer. De regering heeft dit standpunt ook gehuldigd bij de Nederlandse deelname aan de NAVO-luchtaanvallen op Servië in 1999 in verband met de kwestie Kosovo; daarvoor is eveneens de steun van de Tweede Kamer verkregen. In de kwestie Irak is overigens door de regering aangegeven dat het militair ingrijpen was gebaseerd op resoluties 678, 687 en 1441 van de Veiligheidsraad; van eenzijdig ingrijpen zonder machtiging van de Veiligheidsraad kan daarom niet worden gesproken. Ook hiervoor is steun van de Tweede Kamer verkregen.

Vanzelfsprekend heeft de regering haar zienswijze in internationaal overleg uitgedragen en besproken. Er kon helaas geen consensus worden bereikt.
Dit standpunt werd tevens ingenomen door juridisch adviseurs van landen die de inval in Irak steunden. In dit verband kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de bijdrage van juridisch adviseurs van het Amerikaanse State Department aan de discussie in het American Journal of International Law12.
In antwoord op eerdere vragen van de Staten-Generaal over de interne ambtelijke adviezen van ambtenaren van de Ministeries van Buitenlandse Zaken en van Defensie heeft de regering aangegeven dat interne documenten vertrouwelijk dienen te blijven teneinde de adviseurs van de departementen in staat te stellen onbevangen advies uit te brengen. Daarbij is ook aangegeven dat het beantwoorden van vragen over dergelijke stukken, indien zij via andere weg openbaar zijn gemaakt, niet in overeenstemming is met het normale democratische proces. Adviezen van ambtenaren dienen ter voorbereiding van een besluit van de regering. De regering legt vervolgens verantwoording af over het genomen besluit, maar niet over de daaraan voorafgaande interne ambtelijke adviezen. De regering verwijst hierbij naar de antwoorden op Kamervragen gegeven op 7 juni 200513 en naar de brief van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Defensie aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 22 juni 2007.
C7.

Hoe beoordeelt het kabinet de ontkenning van de juistheid van dit standpunt door Professor Peter Kooijmans (CDA-Verkenningen, deel 3, zomer 2007)?
Antwoord op vraag C7:
Over de juridische grondslag voor het militaire optreden tegen het regime van Saddam Hoessein leven meerdere opvattingen en standpunten. Hierover zijn destijds veel argumenten gewisseld. De regering heeft indertijd haar eigen afweging gemaakt en het standpunt ingenomen zoals het in de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6 is verwoord.
Zie tevens het antwoord op vraag 39.
C8.

Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2002 waarschuwde secretaris-generaal Kofi Annan voor unilaterale actie, omdat dit zou kunnen leiden tot het eenzijdig en onrechtmatig gebruik van geweld. Op 10 maart 2003 verklaarde de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in Den Haag: “If the US and others were to go outside the Council and take military action, it would not be in conformity with the Charter.” Welk gewicht heeft het kabinet aan deze uitspraken van de secretaris-generaal gehecht? Is in de periode na de toespraak van Kofi Annan voor de Algemene Vergadering aan hem meegedeeld dat Nederland diens opvatting niet deelde? Kon de secretaris-generaal daarvan anderszins op de hoogte zijn? Is de uitspraak van de secretaris-generaal in Den Haag, kort voor de oorlog uitbrak, in het kabinet besproken? Zo ja, welke betekenis hechtte het kabinet toen aan dit standpunt?

C9.


Heeft de minister-president of hebben andere leden van het toenmalige kabinet, over dit standpunt met Kofi Annan van gedachten gewisseld? Is de secretaris-generaal er toen op gewezen dat de Nederlandse regering een andere opvatting was toegedaan? Zo nee, waarom niet? Is de Nederlandse regering nog steeds van mening dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties ongelijk had?
Antwoord op de vragen C8 en C9:
De regering wil op voorhand herhalen dat ze betreurt dat het niet mogelijk is gebleken om via de weg van de Verenigde Naties tot een vreedzame oplossing te komen in de situatie rond Irak in 2003. De uitspraak van de SGVN is indertijd bij de beraadslagingen betrokken, temeer daar er geen twijfel over bestond dat ook bij hem het uiteindelijke doel was, de volledige en onverkorte medewerking te verkrijgen van het regime van Saddam Hoessein met de VN-inspecteurs.
De regering is van opvatting dat de uitspraak van de SGVN in de context van die tijd moet worden gezien, namelijk ook als een ultieme poging om de eensgezindheid in de internationale gemeenschap te bewerkstelligen, zodat maximale druk op het regime van Saddam Hoessein kon worden uitgeoefend met als doel met vreedzame middelen tot een oplossing te komen.
Eenieder had hierin zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen en rol te spelen. Het standpunt van de Nederlandse regering hieromtrent was bekend, ook bij de VN. Een tweede resolutie was naar het oordeel van de regering politiek wenselijk maar juridisch niet noodzakelijk. De regering had en heeft het grootste respect voor de SGVN, die in het collectieve belang van alle VN-lidstaten en op grond van het VN-Handvest onafhankelijk is en een eigen verantwoordelijkheid heeft.14
Zoals eerder gesteld, had Nederland het toegejuicht indien het was gelukt via de weg van de Verenigde Naties tot een oplossing te komen. Een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad om zo nodig geweld te gebruiken was naar het standpunt van de regering politiek wenselijk maar juridisch niet noodzakelijk. De regering heeft ook altijd aangegeven dat zij een eigen afweging zou moeten maken. Zoals eerder gesteld, heeft de regering geconcludeerd dat hoewel een tweede resolutie politiek wenselijk ware geweest, de rechtsgrond voor militair optreden tegen het regime van Saddam Hoessein wel degelijk voldoende was. In contacten met de Secretaris-Generaal is dit onderwerp aan de orde gekomen. Voor de goede orde zij er aan herinnerd dat ook ten tijde van de operatie Desert Fox in 199815 en de bombardementen op Kosovo in 199916, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kanttekeningen plaatste bij het gebruik van geweld zonder expliciete nieuwe resolutie daartoe van de Veiligheidsraad. Ook in die twee gevallen heeft de Nederlandse regering zich op het standpunt gesteld dat er wel sprake was van een afdoende legitimering in bestaande VNVR-resoluties, zonder een expliciet nieuwe resolutie. Ook in het parlement bestond een breed draagvlak voor deze visie.
Zie het ook de betreffende passage uit het antwoord op de vragen C3 t/m C6.
C10.

Deelde het kabinet, alvorens een militaire aanval van enkele landen te steunen, de algemene opvatting dat uit de debatten in de Veiligheidsraad de conclusie getrokken moest worden dat een oorlog tegen Irak op dat moment geen steun had van de VN-Veiligheidsraad? Zo ja, heeft deze vaststelling nog tot expliciete besluitvorming in de ministerraad geleid?

C11.


Waarom meende het kabinet aan het ontbreken van die steun te mogen voorbij gaan?

C12.


Heeft het kabinet expliciet overwogen dat een aanval zonder steun van de VN-Veiligheidsraad en zonder overeenstemming binnen de Navo en binnen de Europese Unie, niet beschouwd kan worden als een bijdrage aan de bevordering van de internationale rechtsorde? Zo nee, bent u die opvatting wel toegedaan? Zo ja, waarom heeft dat in het licht van de Grondwet niet tot het onthouden van steun geleid?

C13.


De Nederlandse regering heeft zich bij herhaling op het feit beroepen dat resolutie 1441 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties gebruik van militair geweld toestond.

Had het kabinet kennis genomen van de volgende uitspraken na het aannemen van resolutie 1441:

-“As we have said on numerous occasions to Council members, this resolution contains no ‘hidden triggers’ and no ‘automaticity’ with respect to the use of force” (Stemverklaring van John D. Negroponte (US. Permanent Representative to the United Nations;

en -met gelijke strekking- onder meer verklaringen van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland (UN press release, direct na het aannemen van de resolutie).

C14.


Heeft de permanente vertegenwoordiging de Nederlandse regering hierover ingelicht? Wat heeft het kabinet uit deze stemverklaringen afgeleid? Wanneer en om welke reden heeft het kabinet geconcludeerd dat de resolutie wel zonder nadere resolutie tot een aanvalsoorlog mocht leiden?
Antwoord op de vragen C10 t/m C14:
  1   2   3   4   5

  • 1 Het blijft het doel van de regering over vraagstukken van vrede en veiligheid internationale consensus te bereiken
  • Zie de antwoorden op vraag A1, A4 en A5. Voorbereiding besluitvorming
  • 4 Op 17 maart heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Kamer geïnformeerd over de toen ontstane situatie en aangekondigd dat de regering zich daarop zou beraden.
  • 6 Zie ook het antwoord op vraag D9.
  • De voorbereiding van de besluitvorming is indertijd door de meest betrokken ministers geschied. Daar waar nodig en gepast heeft besluitvorming in de voltallige ministerraad plaatsgevonden.
  • Voor de werkwijze van de ministerraad en de instelling van politieke en ambtelijke gremia die de besluitvorming in de ministerraad moesten voorbereiden, zij verwezen naar het antwoord op vraag 11.
  • 11 Door niet volledig mee, maar tegen te werken, voldeed Irak niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de diverse bindende Veiligheidsraadresoluties.
  • Vanzelfsprekend heeft de regering haar zienswijze in internationaal overleg uitgedragen en besproken. Er kon helaas geen consensus worden bereikt.
  • 12 .
  • Zie tevens het antwoord op vraag 39.
  • 15 en de bombardementen op Kosovo in 1999 16
  • Zie het ook de betreffende passage uit het antwoord op de vragen C3 t/m C6.

  • Dovnload 275.49 Kb.