Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak

Dovnload 275.49 Kb.

Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak



Pagina2/5
Datum03.04.2017
Grootte275.49 Kb.

Dovnload 275.49 Kb.
1   2   3   4   5

Het werd in de dagen voorafgaand aan het militaire ingrijpen in Irak duidelijk dat de Veiligheidsraad bij gebrek aan eensgezindheid geen nieuwe resolutie zou kunnen aannemen waarbij de machtiging voor militair ingrijpen zou worden herbevestigd. Deze machtiging bestond al. Zoals door de minister-president op 18 maart 2003 in de Tweede Kamer is aangegeven, bestond deze machtiging in drie eerder door de Veiligheidsraad aangenomen resoluties, resoluties 678, 687 en 1441. De regering heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad politiek wenselijk maar juridisch niet noodzakelijk was. Hierbij speelde voor de regering de afweging dat de bevordering van de internationale rechtsorde ermee was gediend dat het gezag van de Veiligheidsraad niet zou worden aangetast door het schenden van Veiligheidsraadresoluties zonder dat de Veiligheidsraad hiertegen kan optreden omdat één of meer permanente leden dreigen hun veto uit te spreken. Om deze reden heeft de Permanente Vertegenwoordiger van de VS bij de VN, John Negroponte, niet alleen de in vraag C13 geciteerde woorden uitgesproken bij het aannemen van resolutie 1441 op 8 november 2002. Hij heeft benadrukt dat deze resolutie Irak een laatste kans bood om volledig mee te werken met de inspecties en met de uitvoering van de relevante Veiligheidsraadresoluties. Deze laatste kans heeft het regime van Saddam Hoessein niet aangegrepen. Het is in dit verband van belang aan te geven dat, op 8 november 2002, Negroponte eveneens het volgende zei bij de aanname van resolutie 1441 door de VN Veiligheidsraad: “If the Security Council fails to act decisively in the event of further Iraqi violations, this resolution does not constrain any Member State from acting to defend itself against the threat posed by Iraq or to enforce relevant United Nations resolutions and protect world peace and security”. Resolutie 1441 betekende enerzijds niet automatisch dat geweld gebruikt zou gaan worden tegen Irak, maar deze bood anderzijds, bij aanhoudend gebrek aan medewerking van het Irakese regime, de mogelijkheid aan de leden van de VNVR naleving van relevante resoluties af te dwingen.
Voor de Nederlandse standpuntbepaling wordt verwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6.

De oproep tot een compromis
D1.

De minister-president verklaarde tijdens de persconferentie met Kofi Annan (11 maart 2003): ”It is important to have a resolution with clear disarmament tasks and with a clear deadline. I think the countries involved should try to find such a compromise because if there are different signals in the direction of Saddam that is the best thing for him.”

Blijkt hieruit dat de minister-president op deze datum inderdaad nog de overtuiging was toegedaan dat een oorlog kon worden voorkomen door het sluiten van een compromis? Op grond waarvan had hij deze overtuiging? Zo nee, waarom opperde hij deze mogelijkheid op dat moment?
Antwoord op vraag D1:
Voor de volledige tekst van het verbatim van de persconferentie zij verwezen naar de website van de VN17. Op het moment van de persconferentie waaruit in de vraag wordt geciteerd, was de overtuiging van de regering dat de druk op Saddam Hoessein geloofwaardiger en daarmee effectiever zou zijn, indien de internationale gemeenschap in het algemeen, en de Veiligheidsraad in het bijzonder, een eensgezinde en eenduidige opstelling zou uitdragen. Verdeeldheid van de internationale gemeenschap zou Saddam Hoessein slechts in de kaart kunnen spelen, zo was de inschatting van de regering. Het voorkómen van de inval was mogelijk geweest indien Saddam Hoessein de VN-resoluties onverkort en volledig had uitgevoerd. Verder was het de opvatting van de regering dat een nieuwe VNVR-resolutie politiek wenselijk maar juridisch niet noodzakelijk was.
D2.

Bedoelde de minister-president met ‘the countries involved’ ook Nederland?
Antwoord op vraag D2:
De minister-president doelde in de in de vraag specifiek geciteerde uitspraak primair op de leden van de Veiligheidsraad; uit de bredere tekst is duidelijk dat hij ook doelde op de internationale gemeenschap (in het bijzonder ook de NAVO en de EU), waarvan ook Nederland deel uitmaakte.
D3.

Bedoelde de minister-president met het woord ‘compromis’ dat ook de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk van hun plan om Irak meteen aan te vallen zouden moeten kunnen afzien, indien dat tot consensus in de Veiligheidsraad zou kunnen leiden?

D4.


Realiseerde het kabinet zich dat een compromis tussen de verschillende opvattingen in de Veiligheidsraad in ieder geval zou betekenen dat een aanval zou moeten worden uitgesteld? Was deze consequentie in het kabinet besproken? Werd deze consequentie door het kabinet aanvaardbaar geacht?
Antwoord op vraag D3 en D4:
De minister-president bedoelde met zijn uitspraak dat de druk op Saddam Hoessein geloofwaardiger en daarmee effectiever zou zijn, indien de internationale gemeenschap in het algemeen, en de Veiligheidsraad in het bijzonder, eensgezind zou zijn geweest.
Het is indertijd helaas niet mogelijk gebleken de door de Nederlandse regering gewenste eensgezindheid van de internationale gemeenschap te realiseren. Dat is ook in die zin besproken met het parlement.
Voor de besluitvorming in de ministerraad wordt verwezen naar het antwoord op de vragen B1 en B2.
D5.

Heeft de minister-president of de minister van Buitenlandse Zaken deze gedachte met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk en/of andere landen besproken? Hoe stonden zij tegenover deze gedachte?
Antwoord op vraag D5:
In internationale contacten heeft de regering indertijd bij herhaling uitgedragen dat verdeeldheid van de internationale gemeenschap Saddam Hoessein slechts in de kaart zou kunnen spelen en dat het van groot belang was eensgezindheid te behouden c.q. te bereiken. Daar waren onze internationale gesprekspartners het op zich mee eens, maar inhoudelijke verschillen van inzicht verhinderden in de loop van de tijd dat de internationale consensus, zoals nog in november 2002 tot uiting kwam in resolutie 1441, stand hield.
D6.

Waarom heeft het kabinet, toen geen compromis gerealiseerd werd, en de voorgenomen aanval plaats vond, besloten die aanval onmiddellijk politiek te steunen? Kan hieruit worden afgeleid dat de opstelling van het kabinet in die dagen is veranderd?
Antwoord op vraag D6:
Voor de afweging die ten grondslag lag aan de door de regering indertijd gegeven politieke steun, zij verwezen naar de brief van de regering van 18 maart 2003 en het debat van dezelfde datum. Daarbij vormde de stelselmatige schending van VN-resoluties door Irak het centrale element in de uiteindelijke afweging van de Nederlandse regering de militaire inval in Irak politiek te steunen.
D7.

Heeft het kabinet de mogelijkheid overwogen belangrijke traditionele bondgenoten van ons land, tevens lid van de Veiligheidsraad, de NAVO en de Europese Unie, die de overtuiging hadden dat er nog tijd was om de kwestie vreedzaam tot een oplossing te brengen, te steunen? Zo nee, waarom niet? Is hierover intensief overleg met die bondgenoten gevoerd?
Antwoord op vraag D7:
Er is door de Nederlandse regering zeer intensief overleg gevoerd met diverse bondgenoten in VN-, NAVO- en EU-verband, waarover de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken destijds ook uitgebreid hebben gerapporteerd aan de Tweede Kamer.
Op 14 februari 2003 hebben dhr. Blix, hoofd van UNMOVIC en dhr. El Baradei, directeur-generaal van het IAEA, aan de VN-Veiligheidsraad gerapporteerd. Uit deze briefings kwam naar voren dat enige voortgang was geboekt in de samenwerking met de Irakese regering. Het Irakese regime gaf echter nog niet de vereiste volledige uitvoering aan Veiligheidsraadresolutie 1441.
Binnen de NAVO werd op 16 februari 2003 de eerder uitgesproken steun aan de VN herhaald en bevestigd om Irak te bewegen tot volledige uitvoering van VN-Veiligheidsraadresolutie 1441.18 De dag daarna, op 17 februari, vond een ingelaste Europese Raad plaats over de kwestie Irak. De Europese Raad was het eens over de absolute noodzaak van medewerking door het Irakese regime met de VN-inspecteurs en de urgentie van deze medewerking. Hoewel op dat moment ook meningsverschillen bestonden binnen de Europese Unie, werd het gebruik van geweld in laatste instantie niet uitgesloten.19 Het regeringsstandpunt is steeds geweest dat geweld het uiterste middel was, in te zetten nadat politieke, diplomatieke en andere inspanningen onverhoopt geen resultaat zouden hebben gehad.
Getracht is een coalitie te vormen met partnerlanden binnen de Europese Unie.20 Men is het, zoals gezegd, eens geworden over de noodzaak Irak te bewegen zich te houden aan de VN Veiligheidsraadresoluties en in ieder geval de wapeninspecteurs te laten terugkeren naar Irak.21 Behalve op dit punt kon men het binnen de EU helaas niet eens worden, diverse inspanningen ten spijt.22
D8.

Op 12 februari 2003 informeert het kabinet de Tweede Kamer over een Frans, Duits, Russisch initiatief om te komen tot intensivering van de inspecties. Daarbij merkt het kabinet op: “Frankrijk en Duitsland menen dat alle vreedzame middelen moeten zijn uitgeput, alvorens de ontwapening van Irak met militaire middelen kan worden afgedwongen. Dit is, zoals de Kamer bekend, ook de lijn van de regering.

Waarop had het kabinet het oog toen het sprak over “alle vreedzame middelen”?
Antwoord op vraag D8:
Gedoeld werd op alle diplomatieke middelen die de internationale gemeenschap ter beschikking stonden. Hierbij werd gebruik gemaakt van militaire druk om deze inspanningen kracht bij te zetten. De regering heeft steeds benadrukt dat militair ingrijpen het ultieme middel zou zijn. Alvorens hiertoe over te gaan, zijn vele diplomatieke en politieke inspanningen verricht met het oogmerk militair ingrijpen te voorkomen, zowel in bilateraal als in multilateraal verband (VN, NAVO, EU). Getracht is steun te verkrijgen voor een nieuwe VN Veiligheidsraadresolutie, die de regering politiek wenselijk doch juridisch niet noodzakelijk achtte, en een nieuwe deadline voor de Irakese regering.23
Het regime van Saddam Hoessein heeft daarbij steeds zelf de mogelijkheid tot een vreedzame oplossing in handen gehad, maar deze verspeeld door zich niet te houden aan de verplichtingen op basis van de diverse VN Veiligheidsraadresoluties en ook de laatste kans die resolutie 1441 bood, niet willen grijpen.24
D9.

De minister van Buitenlandse Zaken deelt op die dag aan de Kamer mede dat Nederland “tot de laatste centimeter” zal gaan om te voorkomen dat het zal moeten komen tot militair geweld.

Waarop doelde de minister met de woorden ‘tot de laatste centimeter’? Gaf hij daarmee aan dat het Nederlands kabinet verder wilde gaan dan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, had het kabinet toen al besloten in ieder geval met deze landen een lijn te trekken?
Antwoord op vraag D9:
De minister bedoelde daarmee, zoals ook tijdens het debat uitgesproken, dat de regering weigerde zich neer te leggen bij de onvermijdelijkheid van oorlog en dat de regering zich, in dit soort zaken van oorlog en vrede, tot het uiterste zou inspannen om te voorkomen dat het zou moeten komen tot militair ingrijpen. Hij gaf daarmee het Nederlandse standpunt weer, zonder daarbij een vergelijking met andere landen te maken.
De Nederlandse regering heeft zowel in EU-25, NAVO- als VN-verband met diplomatieke inspanningen geprobeerd de Irakese regering onder hoge politieke en militaire druk te bewegen over te gaan tot volledige en onverkorte uitvoering van de diverse resoluties.26 Dit alles om Irak ertoe te brengen te ontwapenen en volledig samen te werken, zoals in VN Veiligheidsraadresolutie 1441 en alle daaraan voorafgaande VNVR resoluties het land was opgelegd.
Het feit dat de Nederlandse regering heeft ingezet op een nieuwe VN Veiligheidsraadresolutie – en deze als politiek wenselijk, doch juridisch niet noodzakelijk heeft gekenschetst - en zich tot het uiterste heeft ingespannen om militair ingrijpen te voorkomen, dient niet te worden begrepen als zou de regering het gebruik van geweld op basis van de diverse resoluties hebben willen uitsluiten. Dit heeft de minister van Buitenlandse Zaken in 2002 en 2003 herhaaldelijk aan de Tweede Kamer medegedeeld27 28 en werd door de minister-president ook in diens persconferentie met Kofi Annan op 11 maart 2003 nog aangegeven.
De Nederlandse regering heeft haar uiteindelijke, eigenstandige afweging gemaakt op 18 maart 2003.
D10.

Is het huidige kabinet de opvatting toegedaan, mede in het licht van de bevindingen van de wapeninspecteurs na de oorlog, dat de landen die meer tijd wilden nemen om het probleem vreedzaam op te lossen, het bij het rechte eind hebben gehad en dat een oorlog waarschijnlijk had kunnen worden voorkomen?
Antwoord op vraag D10:
De regering acht het niet zinvol met de kennis van nu te speculeren over wat destijds had kunnen gebeuren.
D11.

Waarom was het toenmalige kabinet van mening dat gekozen moest worden tussen steun aan Bush of Saddam Hoessein, terwijl andere bondgenoten een andere keuze maakten? Was het de opvatting van het kabinet dat deze bondgenoten daarmee steun aan Saddam Hoessein gaven?
Antwoord op vraag D11:
Tijdens het debat met de Tweede Kamer op 18 maart 2003, heeft de minister-president aangegeven dat de genoemde keuze tussen Bush en Blair of Saddam een illustratie was van de keuze die uiteindelijk moet worden gemaakt bij een militair conflict, waarbij de complexiteit van de situatie uiteraard werd onderkend.29 De motivatie voor politieke steun aan de inval is geweest dat de Irakese regering onder leiding van Saddam stelselmatig niet heeft voldaan aan de eisen onder diverse VN-Veiligheidsraadresoluties. Zelfs onder grote politieke en militaire druk van de internationale gemeenschap, is het regime van Saddam Hoessein slechts overgegaan tot onvolledige en schoorvoetende uitvoering van VN-resoluties en medewerking met VN-wapeninspecteurs. Toen door de houding van de Irakese regering het patroon uit de jaren ’90 van onvolledige uitvoering van VN-inspecties en onvoldoende medewerking met de wapeninspecteurs zich dreigde te gaan herhalen, ontstond een nieuwe impasse. Nadat was gebleken dat de internationale gemeenschap het niet eens kon worden over een passende reactie op deze impasse, heeft de regering de keuze gemaakt politieke steun te verlenen aan militair ingrijpen door het VK en de VS.
De toenmalige regering heeft zich bij herhaling op het standpunt gesteld dat gebrek aan eensgezindheid tot een verkeerd signaal aan Saddam Hoessein zou leiden en hem daarbij in de kaart zou spelen.
D12.

Heeft/hebben de Verenigde Staten en/of het Verenigd Koninkrijk aan Nederland gevraagd een aanval militair dan wel politiek te steunen? Zo ja, wanneer is dit verzoek aan de Nederlandse regering gedaan? Heeft over dit verzoek overleg plaats gevonden? Wanneer is het kabinet hier voor het eerst over gepolst? Zo nee, heeft de Nederlandse regering uit eigen beweging steun aan de oorlog gegeven? Wanneer is daartoe besloten? Wanneer zijn de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk daarover geïnformeerd?
Antwoord op vraag D12:
Nederland steunde, mede op verzoek van de Verenigde Staten, het opbouwen van een geloofwaardige militaire aanwezigheid teneinde diplomatieke druk op te voeren om een politieke oplossing te bewerkstelligen.30 Hiertoe zijn Amerikaanse verzoeken ontvangen of Nederland het opbouwen van een militaire aanwezigheid wilde steunen. Voor de militaire invulling hiervan, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
De Verenigde Staten hebben geen formeel verzoek gedaan aan de Nederlandse regering om deel te nemen aan de daadwerkelijke militaire inval in Irak. De VS hebben Nederland gevraagd politieke steun te bieden, mocht het komen tot militair optreden. De Nederlandse regering heeft haar uiteindelijke, eigenstandige afweging om een inval in Irak niet militair31 doch wel politiek te steunen gemaakt op 18 maart 2003. Hiervan is de Kamer op dezelfde dag per brief op de hoogte gebracht en dit is daarmee ook ter kennis gebracht van andere landen.

Besluitvorming over de oorlog (algemeen)
E1.

Het besluit van President Bush om tegen Irak ten oorlog te trekken stond op 13 januari 2003 vast. Hij deelde het op die dag aan minister Colin Powell mee. (Bob Woodward, Staat van Ontkenning, op basis van interviews met President Bush en oud-minister Powell). Robin Cook verklaart in zijn memoires dat premier Blair dit rond half januari van president Bush had vernomen.

Wanneer en op welke wijze heeft de Nederlandse regering kennis genomen van dit besluit? Hebben de Verenigde Staten en/of het Verenigd Koninkrijk daarover indertijd met de Nederlandse regering actief gecommuniceerd? Hebben de diplomatieke vertegenwoordigers van Nederland of de inlichtingendiensten hierover voor de aanval geëffectueerd werd informatie verkregen en die aan het kabinet voorgelegd?

Zo ja, wanneer en op welke wijze is dat geschied?

E2.


Betekent dit besluit van 13 januari 2003, dat de Verenigde Staten, voor zover ze hun bondgenoten en anderen in de waan lieten dat er geen oorlog zou komen, hen gedurende enkele maanden daaromtrent hebben misleid? Wat is hierover het oordeel van het kabinet?
Antwoord op de vragen E1 en E2:
Voor de regering was het in 2002 en 2003 duidelijk dat de VS vastbesloten was de situatie niet te laten voortbestaan waarin Saddam Hoessein geen uitvoering gaf aan de VNVR-resoluties.32 Het beeld dat op 13 januari 2003 een definitief Amerikaans besluit was genomen om werkelijk Irak binnen te vallen, wordt evenwel niet herkend. Van misleiding is dan ook geen sprake geweest. Als Saddam Hoessein volledig en onverkort uitvoering had gegeven aan de diverse VN-resoluties, had militair ingrijpen33 34 kunnen worden afgewend, daarvan was de regering overtuigd.35
Het Amerikaanse besluit om militair op te treden tegen het regime van Saddam Hoessein kreeg voor de Nederlandse regering een finaal karakter met de toespraak van president Bush op de avond van 17 maart, waarin hij een ultimatum van 48 uur bekend stelde voor Saddam Hoessein en zijn zoons om het land te verlaten. Indien geen gehoor aan het ultimatum werd gegeven, zou kort daarop volgend de aanval worden ingezet.
De militaire opbouw was noodzakelijk om de internationale druk op Saddam Hoessein op te voeren en zo zijn regering te bewegen de VN-resoluties volledig en onverkort uit te voeren, zodat er geen onduidelijkheid meer zou bestaan over de aanwezigheid van massavernietigingswapens, andere verboden wapens en verboden overbrengingsmiddelen in Irak. Alleen dan zou een militair optreden kunnen worden vermeden..36 37 Geleidelijk aan – in de periode van november 2002 tot maart 2003 – werd duidelijk dat het regime van Saddam Hoessein zijn kat-en-muisspel met de VN-wapeninspecteurs voortzette. De internationale druk leidde slechts tot gedeeltelijke medewerking en onvolledige uitvoering van VN-resoluties. Bovendien liet het regime van Saddam Hoessein vele vragen onbeantwoord met betrekking tot de massavernietigingswapens en verboden overbrengingsmiddelen. Het werd de Nederlandse regering enkele dagen voor het werkelijke militaire optreden tegen het regime van Saddam Hoessein duidelijk dat de kans op een vreedzame oplossing zeer klein was geworden.38 De regering maakte haar eigenstandige afweging op 18 maart 2003 en deelde die terstond met het parlement.39 Zoals ook herhaaldelijk met het parlement is besproken, zag de regering gebruik van geweld als een ultiem middel. Op geen enkel moment was gebruik van geweld op voorhand uitgesloten.
E3.

Uit tal van publicaties, onderzoeken en verklaringen, zoals van Colin Powell, is komen vast te staan dat zowel het Verenigd Koninkrijk als de Verenigde Staten met gefabriceerde ‘intelligence’ omtrent de aanwezigheid van massavernietingswapens de publieke opinie hebben misleid.

Wat is daarover het oordeel van de Nederlandse regering? Deelt de regering de mening dat door zo’n handelwijze de geloofwaardigheid van regeringen in democratische geregeerde landen onoverzienbare schade lijdt?

E4.


Is het kabinet door de eigen inlichtingendiensten of door andere bronnen gewaarschuwd tegen de stelligheid van de door beide landen geproduceerde bewijsmiddelen over de massavernietigingswapens van Irak?

E5.


Zijn de eigen inlichtingendiensten ooit door andere diensten (bijv. de Duitse of de Israëlische diensten, die bij bepaalde delen van bewijsmateriaal respectievelijk twijfels hadden, dan wel wisten dat ze ondeugdelijk waren) gewaarschuwd?

Hebben de eigen inlichtingendiensten actief informatie trachten te verzamelen?
Antwoord op de vragen E3 tot en met E5:
Ieder democratisch land heeft eigen, nationale procedures om het inlichtingenproces democratisch controleerbaar te maken en de integriteit hiervan te handhaven. Voor Nederland geldt dat de vertrouwelijke aspecten van het werk van de inlichtingendiensten onderworpen zijn aan democratische controle in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer. Dit gold ook voor de inlichtingeninformatie met betrekking tot Irak in 2002 en 2003.
Zoals vastgelegd in de jaarverslagen van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer, heeft de regering verantwoording afgelegd voor het optreden van de MIVD en de AIVD in deze commissie. De Nederlandse regering kan immers niet in het openbaar ingaan op vragen over bronnen, werkwijzen en kennisniveau van de Nederlandse Inlichtingen en Veiligheidsdiensten. 40
Colin Powell heeft aangegeven dat de informatie op basis waarvan hij de presentatie bij de VN heeft gegeven achteraf minder solide bleek te zijn (“appears not to be … that solid”)41. Uiteraard is het te betreuren dat de informatie minder solide was dan indertijd voorgesteld; tegelijkertijd moet niet worden vergeten dat de lacunes en de kennis destijds over de situatie in Irak, werden veroorzaakt door het gebrek aan medewerking door Saddam Hoessein aan de VN-inspecties. Bovendien hebben de uitspraken van Powell geen betrekking op de kern van de argumentatie waarom de Nederlandse regering politieke steun heeft verleend aan de inval in Irak. Ten slotte heeft de regering niet kunnen vaststellen dat Amerikaanse of Britse veiligheidsdiensten de publieke opinie bewust hebben misleid.
Benadrukt moet worden dat de regering zich destijds in zijn uiteindelijke oordeelsvorming vooral heeft laten leiden door de openbare rapportages van UNMOVIC, UNSCOM en het IAEA. In dat verband speelde het zogenoemde clusterdocument van UNMOVIC van 6 maart 2003, waarin 128 onbeantwoorde vragen stonden opgesomd, een belangrijke rol. Niet het bewijs van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, maar de wederom gebleken onwil van het Irakese regime om actief mee te werken aan de VN-wapeninspecties gaf voor de regering de doorslag.
1   2   3   4   5

  • Voor de Nederlandse standpuntbepaling wordt verwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6. De oproep tot een compromis
  • Voor de besluitvorming in de ministerraad wordt verwezen naar het antwoord op de vragen B1 en B2.
  • De Nederlandse regering heeft haar uiteindelijke, eigenstandige afweging gemaakt op 18 maart 2003.
  • De regering acht het niet zinvol met de kennis van nu te speculeren over wat destijds had kunnen gebeuren.
  • De toenmalige regering heeft zich bij herhaling op het standpunt gesteld dat gebrek aan eensgezindheid tot een verkeerd signaal aan Saddam Hoessein zou leiden en hem daarbij in de kaart zou spelen.
  • Hiertoe zijn Amerikaanse verzoeken ontvangen of Nederland het opbouwen van een militaire aanwezigheid wilde steunen. Voor de militaire invulling hiervan, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
  • Besluitvorming over de oorlog (algemeen)

  • Dovnload 275.49 Kb.