Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak

Dovnload 275.49 Kb.

Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak



Pagina3/5
Datum03.04.2017
Grootte275.49 Kb.

Dovnload 275.49 Kb.
1   2   3   4   5

Dit laat uiteraard onverlet dat de regering in het kader van zijn oordeelsvorming kennis heeft genomen van inlichtingenbronnen en –presentaties, waaronder het Britse inlichtingenrapport van september 2002 en de presentatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, in de VN-Veiligheidsraad van 5 februari 2003. In de uiteindelijke oordeelsvorming is deze informatie alleen betrokken na te zijn getoetst door de MIVD en de AIVD. Zoals de toenmalige minister van Defensie tijdens een plenair debat op 28 augustus 200342 en tijdens het debat op 30 juni 2004 over de brief over de voorbereiding van het kabinetsbesluit inzake Irak43 heeft laten weten, was deze toetsing over het algemeen nuancerend van aard. Zowel de minister van Defensie in laatstgenoemd debat als de minister van Buitenlandse Zaken per brief44 hebben gemeld dat de inlichtingendiensten ook over informatie uit eigen bronnen beschikten. Daarnaast heeft de minister van Binnenlandse Zaken aangegeven dat de AIVD, als uitvloeisel van een programma om bij Nederlandse bedrijven en kennisinstituten het risico van proliferatiegevoelige activiteiten onder de aandacht te brengen, had vastgesteld dat Irak heimelijke pogingen deed tot verwerving van goederen ten behoeve van de programma’s ter ontwikkeling en vervaardiging van massavernietigingswapens.45 Daarnaast ontvingen de diensten informatie van buitenlandse diensten46, zowel gevraagd als ongevraagd.
E6.

Op 25 augustus 2003 berichtte de Financial Times dat de Nederlandse minister-president op 25 september 2002 een document met geheime informatie van de Engelse premier heeft ontvangen (“for your eyes only”) waarover hij de verantwoordelijke ministers in het kabinet niet heeft ingelicht.

Acht de minister-president dit staatsrechtelijk juist?

Is het kabinet van mening dat als bewindslieden vertrouwelijke informatie krijgen aangereikt over onderwerpen waarvoor collega-bewindslieden (mede-)verantwoordelijk zijn, zij deze niet direkt met hun collega’s behoren te delen? Heeft volgens het kabinet de minister-president in zo’n geval een bijzondere positie? Zo ja, hoe verdraagt zich dat met de positie van de Nederlandse minister-president als primus inter pares? Kunnen andere ministers, indien zij door collega’s niet worden ingelicht over zaken die hun politieke verantwoordelijkheid betreffen, deze verantwoordelijkheid ten volle waarmaken?
Antwoord op vraag E6:
Zoals in het antwoord van de minister-president op Kamervragen gesteld47 en vervolgens in een Algemeen Overleg met de Vaste Commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Defensie met hem besproken48, zijn de stukken die persoonlijk aan de minister-president waren gestuurd (“for your eyes only”) op het Ministerie van Algemene Zaken door de coördinator Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten vergeleken met informatie die daags daarna door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, AIVD en MIVD was ontvangen. Daarbij is toen op Algemene Zaken vastgesteld dat er materieel geen verschil was tussen de stukken en er dus geen reden was voor verdere actie. De aan de minister-president gerichte Britse rapportage heeft indertijd geen aparte of relevante betekenis gehad voor de besluitvorming in de regering.
Het bevorderen van de eenheid van regeringsbeleid betekent niet, zoals ook door de minister-president tijdens genoemd debat uiteengezet, dat ministers de verplichting hebben om elk stukje informatie waarover zij beschikken altijd direct uit te wisselen.49 Wel is wezenlijk dat de essentie van de informatie wordt gedeeld, en dat is in onderhavige aangelegenheid dan ook zeker gesteld.
E7.

Hebt u kennis genomen van de mededeling van Hans Blix (BBC Radio 4 Today, 15 juli 2004) dat Bush en Blair zo overtuigd waren van hun eigen gelijk dat ze alle bewijzen en aanwijzingen van het tegendeel negeerden?

Wat is daarover uw oordeel?
Antwoord op vraag E7:
Ja. De rapportages van UNMOVIC onder leiding van Hans Blix en van het IAEA onder leiding van El Baradei schetsten een beeld van het regime van Saddam Hoessein als een regime Hoesseindat onvoldoende meewerkte aan de wapeninspecties, dat geen volledige openheid van zaken gaf, dat slechts ten dele meewerkte aan het proces en dat tactische concessies deed. Deze rapportages zijn uitgebreid besproken in de Veiligheidsraad, onder andere door de vertegenwoordigers van de Verenigde Staten en het VK. De basis voor het Nederlandse standpunt was, zoals gezegd, de niet-nakoming door het regime van Saddam Hoessein van de VNVR-resoluties. Daarover waren de rapportages van UNMOVIC duidelijk.
E8.

Heeft het toenmalig kabinet zich actief op de hoogte laten stellen van de bevindingen van de inspectieteams, door contact te zoeken met het team van Blix, of met Nederlanders die daarin een rol speelden?
Antwoord op vraag E8:
De wapeninspecteurs van UNMOVIC en het IAEA deden hun werk in opdracht van de VN. Ze rapporteerden over hun bevindingen aan de VN Veiligheidsraad. Hun onafhankelijkheid van nationale regeringen was cruciaal om hun opdracht op een juiste manier te volbrengen. De Nederlandse regering heeft deze onafhankelijkheid steeds gerespecteerd. Wel is er contact geweest tussen de diensten en de inspecteurs. Hierover is in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer gesproken.
De regering heeft de rapportages afkomstig van de wapeninspecteurs van UNMOVIC en het IAEA uiteraard uitgebreid bestudeerd en in haar bevindingen betrokken.50
Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
E9.

Is het waar dat het Kabinet geen kennis heeft genomen c.q. laten nemen van de duizenden pagina’s informatie die door de regering van Saddam Hoessein aan het team van Blix zijn verschaft? Waarom heeft de regering dat nagelaten?
Antwoord op vraag E9:
UNMOVIC en het IAEA gaven aan dat de verklaring die Irak op 12 december 2002 aflegde, mogelijk informatie zou bevatten over het productieproces van massavernietigingswapens. Eerdere verklaringen waren slechts aan de inspecteurs overlegd en niet aan de VN-Veiligheidsraad. Om de kans te verkleinen dat deze gevoelige informatie zou uitlekken, kregen de permanente leden van de VNVR gelijk een kopie van de Irakese verklaring en de overige leden een versie waaruit de inspecteurs, in samenwerking met de permanente leden, deze informatie hadden verwijderd. Nederland maakte op dat moment geen deel uit van de Veiligheidsraad.
UNMOVIC en het IAEA kregen de opdracht de informatie te analyseren en terug te koppelen aan de VN Veiligheidsraad. Zoals gebleken uit de rapportage van dhr. Blix en dhr. El Baradei aan de VN Veiligheidsraad op 27 januari 2003, heeft de Irakese regering inhoudelijk onvoldoende meegewerkt met de diverse wapeninspecteurs.51 Waar er concessies werden gedaan, was dit vooral vanuit tactisch oogpunt, of omdat er geen andere mogelijkheid meer was voor het regime van Irak. De Nederlandse regering heeft vertrouwd op de inschatting en informatie geleverd door UNMOVIC en het IAEA en heeft kennis genomen van de bespreking in de Veiligheidsraad van deze materie.52
E10.

Heeft de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties contact onderhouden met de heer Blix en/of leden van diens team en het kabinet daaromtrent geïnformeerd? Kunnen de rapportages daarover aan de kamer worden overlegd?
Antwoord op vraag E10:
De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de VN heeft geregeld contact onderhouden met dhr. Blix en leden van zijn team en heeft daarover gerapporteerd. Dat maakt deel uit van het diplomatieke werk van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de VN.
Voor wat betreft het overleggen van interne ambtelijke documenten zij verwezen naar de betreffende passage in het antwoord op vraag C3 t/m C6.
E11.

Is het waar dat de MIVD regelmatig tot andere conclusies is gekomen dan de Amerikaanse en Britse politieke leiders presenteerden? Wat heeft het kabinet met die andere conclusies gedaan? (Joost Oranje, NRC 12 juni 2004 citerend uit een MIVD rapport van 23 juli 2003).
Antwoord op vraag E11:
De conclusies van de MIVD over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak waren over het algemeen nuancerend van aard in vergelijking met de door de door de Amerikaanse en Britse regeringen ingenomen standpunten.53
Zoals in het antwoord op de vragen E3 t/m E5 al is gesteld, wordt benadrukt dat de toenmalige regering zich in zijn uiteindelijke oordeelsvorming vooral heeft laten leiden door de openbare rapportages van UNMOVIC, UNSCOM en het IAEA. In dat verband speelde het zogenoemde clusterdocument van UNMOVIC van 6 maart 2003, waarin 128 onbeantwoorde vragen stonden opgesomd, een belangrijke rol. Niet het bewijs van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, maar de wederom gebleken onwil van het Irakese regime om actief mee te werken aan de VN-wapeninspecties gaf voor de regering de doorslag.
E12.

Is het MIVD rapport van 23 juli 2003 ter inzage gegeven aan de Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer en met deze commissie besproken?
Antwoord op vraag E12:
Bij het in de NRC van 12 juni 2004 bedoelde ‘MIVD-rapport van 23 juli 2003’ gaat het niet om een rapport, maar om een achtergrondnotitie (speaking notes) voor de minister van Defensie ten behoeve van een voor die dag gepland TV-interview. De notitie bevatte geen nieuwe informatie en is dan ook niet als zodanig met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) gedeeld.
Naast de brief van 22 augustus 200354, is de regering ook uitvoerig ingegaan op de inlichtingen die het ter beschikking stonden in antwoord op vragen van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, op 21 oktober 200355. Zoals gemeld in de brief van 21 juni 200456 is op vertrouwelijke basis ook informatie verstrekt in antwoord op vragen van de CIVD.

Het doel van de oorlog, de proportionaliteit van het geweldsgebruik en de effectiviteit van het proces van wederopbouw
F1.

Het ging er in de Nederlandse besluitvorming dus niet om dat Saddam mogelijk over massavernietigingswapens beschikte, maar wel over het feit dat hij weigerde, conform hetgeen geëist werd in de resoluties van de VN Veiligheidsraad, om aan te tonen dat hij niet meer over die massavernietigingswapens beschikte (....).” (Minister van Buitenlandse Zaken, Tweede Kamer, februari 2008).



Moet hieruit worden afgeleid dat zelfs als er bij het kabinet gerede twijfel was geweest dat Saddam Hoessein over massavernietigingswapens beschikte, het toch politieke steun aan de oorlog had gegeven?

F2.


Zo nee, waarom heeft het kabinet het feit dat de internationale gemeenschap door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten met betrekking tot de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak onjuist is voorgelicht, voor de Nederlandse legitimatie van de steun aan de oorlog niet relevant verklaard?
Antwoord op de vragen F1 en F2:
Voor de Nederlandse regering heeft van meet af aan de weigerachtigheid van het regime van Saddam Hoessein om resoluties van de VN-Veiligheidsraad onverkort en volledig uit te voeren, centraal gestaan bij de afweging politieke steun te verlenen aan de militaire inval in Irak.

De hoofdlijn van de door de Nederlandse regering gevolgde redenering was dat Saddam Hoessein op basis van de VNVR-resoluties diende aan te tonen dat hij geen massavernietigingswapens, andere verboden wapens en verboden overbrengingsmiddelen in zijn bezit had, c.q. had ontmanteld en daarmee de resterende onzekerheid weg te nemen. Leidend voor de Nederlandse regering waren hierin de rapportages van UNMOVIC en het IAEA aan de Veiligheidsraad, waarin niet onomstotelijk kon worden vastgesteld dat Irak hier niet over beschikte. Als Saddam Hoessein op dat punt volledige duidelijkheid had geboden door alle VNVR-resoluties onverkort en volledig uit te voeren of op te volgen, had zich een andere situatie voorgedaan. De regering heeft daarbij haar eigen afweging gemaakt.
Zie ook het antwoord op vraag C1.
F3.

Impliceert de motivering van het toenmalig kabinet dat het de oorlog vooral als een sanctie op het wangedrag van Saddam Hoessein beschouwde of had de oorlog voor het kabinet nog een ander doel?

F4.


Realiseerde het toenmalig kabinet zich dat de oorlog door de aanvallende landen gericht was op “regime change”, hetgeen volgens het Nederlandse kabinet niet als een legitieme doelstelling van geweldsgebruik werd beschouwd?
Antwoord op de vragen F3 en F4:
De politieke steun aan het militaire optreden tegen het regime van Saddam Hoessein was gebaseerd op het feit dat dit regime zich jarenlang niet heeft gehouden aan de opeenvolgende resoluties van de VN Veiligheidsraad, onder andere door het werk van de wapeninspecteurs van de VN (UNSCOM, later UNMOVIC, en het IAEA) tegen te werken. Bij onvoldoende en onvolledige samenwerking, zo was in de resoluties opgenomen, zouden “serious consequences” volgen, wat nog eens werd bevestigd in VN-resolutie 1441 van 8 november 2002. Dit hield voor de Nederlandse regering in dat militair ingrijpen als uiterste middel niet werd uitgesloten, zoals ook bij herhaling is uitgedragen.
Aan de politieke steun aan het militaire optreden tegen het regime van Saddam Hoessein lagen de overwegingen ten grondslag die de regering in haar brief op 18 maart 2003 heeft gegeven, namelijk dat niet onomstotelijk kon worden vastgesteld dat Irak niet over massavernietigingswapens beschikte, dat de aanpak daarvan in de allereerste plaats een verantwoordelijkheid was van de VN, i.c. de Veiligheidsraad, dat de Veiligheidsraad (in het kader van de opschorting van geweldgebruik op basis van VNVR resolutie 678) Irak begin 1991 heeft verplicht te ontwapenen en sindsdien herhaaldelijk maatregelen heeft genomen tegen de pogingen van Irak om aan deze verplichtingen te ontkomen, dat de VNVR eraan gehouden is zijn eigen besluiten serieus te nemen, in het bijzonder die zijn vastgelegd in de unaniem aanvaarde resolutie 1441 en dat de dreiging met geweld om naleving af te dwingen een aanvaardbaar instrument was dat niet kon worden uitgesloten. Uiteindelijk heeft de regering haar eigen conclusies getrokken: dat de onvoldoende medewerking van Irak betekende dat het land VN-resoluties bleef schenden (“material breach”). De stelselmatige schending van VN-resoluties door Irak vormde het centrale element in de uiteindelijke afweging van de Nederlandse regering de militaire inval in Irak politiek te steunen.
De legitimering voor militair optreden was aldus gebaseerd op de diverse VN Veiligheidsraadresoluties.57 De regering is steeds van mening geweest dat “regime change” op zichzelf geen legitimering voor geweld oplevert58, maar is er zich wel degelijk van bewust geweest dat dit een gevolg kan zijn van het militaire optreden. Dit heeft de minister van Buitenlandse Zaken destijds meerdere keren aan de Tweede Kamer aangegeven.59
Zie tevens het antwoord op vraag C1.
F5.

Is in het overleg met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ook aandacht besteed aan de strekking van het artikel over de Golf oorlog: “Why we didn’t remove Saddam”, geschreven door George Bush en Brent Scowcroft (Time, 2 March, 1998), waarin de schrijvers wijzen op de risico’s van de eliminatie van Saddam en van de ‘incalculable human and political costs’ die daaraan verbonden zouden zijn?
Antwoord op vraag F5:
Neen. Het lag niet voor de hand in contacten in 2002 en 2003 over genoemd artikel uit 1998 als zodanig te spreken, want er was in 2002 en 2003 sprake van een andere situatie. Vanzelfsprekend heeft de minister van Buitenlandse Zaken in bilaterale gesprekken aandacht gevraagd voor de toekomst van Irak en de gevolgen voor de verhoudingen binnen de regio. De minister heeft voor deze aspecten aandacht gevraagd, voor het geval dat een besluit tot militair optreden zou worden genomen,60 en hierover in het begin van februari 2003 aan de Tweede Kamer bericht.61
F6.

Heeft het kabinet zich bij het verlenen van politiek steun rekenschap gegeven dat het daarmee medeverantwoordelijkheid nam voor de wijze waarop de oorlog zou worden gevoerd en voor de gevolgen van de oorlog voor de burgerbevolking? Zo ja, op welke wijze is dat geschied?

Antwoord op vraag F6:


Zoals in de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 18 maart 2003 aan de Kamer is aangegeven, realiseerde de regering zich ten volle dat, als het conflict niet met andere middelen zou kunnen worden opgelost, de inzet van militaire middelen ernstige gevolgen zou kunnen hebben, bijvoorbeeld door verder lijden van de burgerbevolking die al jarenlang het slachtoffer was van het Irakese regime. De verantwoordelijkheid en schuld daarvoor lag, naar het oordeel van de regering destijds bij het Irakese regime. De in de bewuste brief genoemde toezegging van de Nederlandse regering om bij te dragen aan humanitaire hulp en wederopbouw is geconcretiseerd middels financiële steun en militaire inzet.
In gesprekken met Washington en al vóór het militair ingrijpen heeft de regering aandacht gevraagd voor de situatie in Irak na de val van Saddam Hoessein. Hierbij heeft de minister van Buitenlandse Zaken in een vroeg stadium aandacht gevraagd voor noodhulpvoorzieningen en wederopbouw van Irak. De Verenigde Naties en andere organisaties werden aangespoord zich voor te bereiden op de humanitaire gevolgen van militair optreden, teneinde vluchtelingen en ontheemden snel en goed op te vangen.62 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft steeds intensief contact gehouden met de diverse VN-instanties. In een humanitaire noodsituatie zou Nederland zich in eerste instantie laten leiden door verzoeken vanuit de VN.63 Op een dergelijk verzoek van de VN, met name van de UNHCR, was voorzien snel en flexibel in te gaan.64
De Nederlandse regering is steeds bereid geweest substantieel bij te dragen aan de wederopbouw in Irak, ook op humanitair gebied.65 Hierbij was tevens een rol weggelegd voor de Europese Unie: de minister-president heeft tijdig het initiatief genomen in de Europese Unie te spreken over humanitaire hulp en wederopbouw in de post-conflictperiode.66 Vóór de inval gaf de regering al aan dat de EU, onder verantwoordelijkheid van de VN, samen met de VS en de rest van de wereldgemeenschap zowel op humanitair als politiek vlak verantwoordelijkheden zou dragen.67 Dit hield onder meer in vooruit te denken over recht, orde en het systeem van politie en justitie.68 De VS heeft tevoren toegezegd er alles aan te zullen doen om Irak als eenheidsstaat in stand te houden. Hierover is toen eveneens gesproken met de Irakese oppositie.69
Nederland heeft na de inval in totaal €21 miljoen bijgedragen aan humanitaire hulp voor Irak, waarvan €14,2 miljoen aan de VN is toegekend, €4 miljoen aan het Internationale Comité van het Rode Kruis en verder zijn enkele NGO’s ondersteund die reeds ervaring hadden in Irak.
F7.

Heeft het kabinet, alvorens steun te verlenen aan de aanval op Irak, zich op de hoogte doen stellen van inschattingen over aantallen slachtoffers en aan te richten schade?

Zo ja, door wie zijn die inschattingen ter beschikking gesteld? Kwamen deze inschattingen overeen met wat er tot heden feitelijk is gebeurd?
Antwoord op vraag F7:
Binnen de Verenigde Naties zijn vóór de inval in Irak diverse scenario’s geschetst voor de situatie na een mogelijk conflict. Het Regional contingency planning framework van de UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA), het World Food Programme (WFP), de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) en UNICEF hielden rekening met een “worst case scenario” van enkele miljoenen hulpbehoevenden in totaal.
In geval van een mogelijk militair conflict werd uitgegaan van maximaal 1,45 miljoen Irakese vluchtelingen die hun toevlucht zouden proberen te zoeken in de regio. In die periode waren sterke verschillen te zien in de aannames over aantallen mensen (variërend van 0,5 tot 1,45 miljoen mensen), afhankelijk van de aard en omstandigheden van het conflict. Het Internationaal Comité van het Rode Kruis kwam in verschillende scenario’s uit op lagere aantallen hulpbehoevenden.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer in een brief op 10 februari 2003 van genoemde scenario’s op de hoogte gesteld.70
De regering van de VS heeft op 25 februari 2003 een (vertrouwelijke) “humanitarian relief strategy” overlegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierin gaf de VS aan op welke wijze de aan te richten schade van een eventueel militair ingrijpen zoveel mogelijk beperkt zou worden, dat zou worden samengewerkt met private humanitaire hulpinstanties, op welke wijze civiel-militaire coördinatie effectief kon worden geregeld en internationale organisaties en NGO’s konden worden gefaciliteerd.
Op 26 maart 2003 (na de militaire inval in Irak) heeft de minister aan de Tweede Kamer gemeld dat de schatting van het aantal ontheemden in Noord-Irak rond de 500 000 mensen lag. Dit aantal lag uiteindelijk lager dan waarmee genoemde organisaties tevoren in diverse scenario’s rekening hadden gehouden.71
F8.

Heeft het toenmalige kabinet, alvorens steun te verlenen aan de oorlog tegen Irak, er zich van vergewist dat de VS en het Verenigd Koninkrijk over een adequaat plan van aanpak voor de wederopbouw na de aanval beschikten? Zo nee, waarom niet?

F9.


Zo ja, achtte het kabinet deze plannen realistisch? Is de regering die opvatting nog steeds toegedaan? Zo nee, wat zijn volgens de regering de essentiële tekortkomingen van die plannen geweest? Zijn de tekortkomingen in internationaal kader of bilateraal geëvalueerd?
Antwoord op de vragen F8 en F9:
Het was de regering bekend dat de VS plannen maakte voor de opbouw van Irak na de val van Saddam Hoessein, voor het geval dat het zou komen tot een militaire inval. Nederland heeft zich actief ingezet voor de wederopbouw van Irak, nadat er in mei 2003 sprake was van een VN mandaat en deelname aan SFIR. Sindsdien heeft de regering de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd over ondermeer het verloop van het wederopbouwproces.
Al eind 2002 was de Nederlandse regering, evenals de VS en het VK, van mening dat het, indien het tot militair ingrijpen zou moeten komen, zaak was dat de Irakese bevolking zo snel mogelijk positieve veranderingen zou moeten kunnen zien. Ook zouden de Irakezen een groot aandeel moeten hebben (‘ownership’) in de reconstructie van onder meer de bestuursstructuren.72

De regering heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat een centrale rol van de VN bij de internationale betrokkenheid bij de reconstructie van Irak van belang was.
Zoals bekend, stond de Nederlandse regering hierin niet alleen. De EU en een aantal andere landen deelden dit standpunt. Mede als gevolg daarvan heeft de VN, naast en in samenwerking met het militaire bestuur, een duidelijke en centrale rol gekregen die is vastgelegd in resolutie 1483. Daarin staat dat er een Speciale Vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (SVSGVN) voor Irak zou komen. Deze zou onder andere verantwoordelijk zijn voor coördinatie van de humanitaire hulp en wederopbouwactiviteiten van de VN en van NGO’s, waarbij hij tevens de terugkeer van vluchtelingen en ontheemden zou bevorderen. Ook zou deze SVSGVN een taak hebben in het politieke proces, dat wil zeggen samen met de Coalition Provisional Authority (CPA) en het Irakese volk de wederopbouw van overheidsstructuren te faciliteren en mensenrechten en juridische hervormingen te bevorderen. De verwachting was dat een goede samenwerking tussen de SVSGVN en de CPA, evenals een duidelijke taak- en werkverdeling, recht zou doen aan de beoogde wederopbouw en het benodigde politieke proces in Irak.73 De plannen hiervoor werden destijds realistisch geacht. De veiligheidssituatie liet uitvoering hiervan echter niet toe.
1   2   3   4   5

  • Zoals in het antwoord van de minister-president op Kamervragen gesteld 47
  • De regering heeft de rapportages afkomstig van de wapeninspecteurs van UNMOVIC en het IAEA uiteraard uitgebreid bestudeerd en in haar bevindingen betrokken. 50
  • Voor wat betreft het overleggen van interne ambtelijke documenten zij verwezen naar de betreffende passage in het antwoord op vraag C3 t/m C6.
  • Het doel van de oorlog, de proportionaliteit van het geweldsgebruik en de effectiviteit van het proces van wederopbouw
  • Zie ook het antwoord op vraag C1.
  • De legitimering voor militair optreden was aldus gebaseerd op de diverse VN Veiligheidsraadresoluties. 57
  • kan zijn van het militaire optreden. Dit heeft de minister van Buitenlandse Zaken destijds meerdere keren aan de Tweede Kamer aangegeven. 59
  • 63 Op een dergelijk verzoek van de VN, met name van de UNHCR, was voorzien snel en flexibel in te gaan. 64
  • 67 Dit hield onder meer in vooruit te denken over recht, orde en het systeem van politie en justitie. 68
  • De minister van Buitenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer in een brief op 10 februari 2003 van genoemde scenario’s op de hoogte gesteld. 70
  • De regering heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat een centrale rol van de VN bij de internationale betrokkenheid bij de reconstructie van Irak van belang was.

  • Dovnload 275.49 Kb.