Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak

Dovnload 275.49 Kb.

Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak



Pagina4/5
Datum03.04.2017
Grootte275.49 Kb.

Dovnload 275.49 Kb.
1   2   3   4   5

Voor zover Nederland betrokken was bij de stabilisatie en wederopbouw van Irak, m.n. in het kader van SFIR, zijn binnen Defensie de gebruikelijke evaluaties uitgevoerd.
Zie ook het antwoord op vraag F6.
F10.

Was het kabinet ervan op de hoogte dat de bezettende macht in Irak als eerste maatregelen de Baath partij zou ontbinden en alle politiediensten en militairen zou ontbinden? Zo ja, achtte het kabinet dat verstandig? Hoe oordeelt het kabinet daar nu over?
Antwoord op vraag F10:
Nee, daarvan is de Nederlandse regering niet tevoren op de hoogte gebracht. Nederland is van mening dat er een te rigoureuze en snelle de-Ba’athificatie heeft plaatsgehad, met negatieve gevolgen voor de bestuurlijke capaciteiten van de Irakese overheid.74 Bovendien is het Irakese leger naar het oordeel van de Nederlandse regering, alsmede naar het oordeel van de VS administratie (bij evaluatie achteraf) en het VK, te snel ontbonden, waardoor reeds in een vroeg stadium de basis van de bestuurlijke structuur vrij wankel was.75
Zie ook het antwoord op vraag F11.
F11.

Is de wijze waarop de wederopbouw is aangepakt door de regeringen van landen die militaire of politieke steun aan de aanval gaven, na de oorlog geëvalueerd? Zo ja, heeft dat tot gemeenschappelijke conclusies geleid? Zo nee, acht u dit niet een gezamenlijke verantwoordelijkheid van landen die het aanvangen van een oorlog militair c.q. politiek hebben gesteund?
Antwoord op vraag F11:
Gemeten naar financiële inspanningen heeft de VS veruit de grootste bijdrage geleverd aan de wederopbouw van Irak. Over de effectiviteit van de wederopbouwinspanningen zijn in de VS verschillende evaluaties gedaan, zoals door het United States Government Accountability Office. De Irakese regering heeft inmiddels ook haar eigen ontwikkelingsstrategie ontwikkeld. Ook in ‘International Compact for Iraq’, dat door zowel de Irakese regering als de VN wordt voorgezeten, wordt de Irakese strategie gepresenteerd voor de wederopbouw van Irak. De bijeenkomsten van ‘International Compact for Iraq’ zijn bedoeld als platform om het wederopbouwproces met de internationale gemeenschap te bespreken.
Achteraf bezien kan worden geconstateerd dat fouten zijn gemaakt in de periode na de verdrijving van het regime van Saddam Hoessein, hetgeen mogelijk deels het gevolg was van onvoldoende post-conflict planning in de periode voorafgaand aan de inval. Dit is overigens geen uitsluitend Nederlandse observatie. Ook president Bush en toenmalig premier Blair hebben erkend dat er in dit opzicht fouten zijn gemaakt. Er is over dit onderwerp inmiddels ook uitvoerige literatuur verschenen. Fouten na de inval waren onder andere: te rigoureuze en snelle de-Ba’athificatie, met negatieve gevolgen voor de bestuurlijke capaciteiten van de Irakese overheid; te snelle ontbinding van het Irakese leger; de excessen in Abu Ghraib; onderschatting van de onder de oppervlakte aanwezige interne bedreigingen en sektarische tegenstellingen; onderschatting van de potentiële kracht van terroristische organisaties als al-Qa’ida.
Op basis van de notitie ‘wederopbouw na conflict’ en ervaringen uit andere wederopbouwprocessen stond voor Nederland met betrekking tot wederopbouw een aantal uitgangspunten centraal: de bevolking en haar vertegenwoordigers zijn zelf het best in staat de noodzakelijke prioriteiten te stellen en deze in te bedden in de specifieke politieke en sociaaleconomische context. In dit licht heeft Nederland een belangrijke taak weggelegd gezien voor de Irakese ‘Governing Council’ en stond zij achter de nadruk die de Speciale Vertegenwoordiger van de VN, Vieira De Mello, legde op de leidende rol die de Irakese ‘Governing Council’ zou moeten spelen in de politieke inrichting van Irak.
Nadien bleek de noodzaak tot wederopbouw van de Irakese economie, (sociale) infrastructuur en overheidsstructuren duidelijk aanwezig. Verbetering van de veiligheidssituatie is daarvoor van essentieel belang geweest, zowel voor de Irakese bevolking als voor hulpverleners. De onzekere veiligheidssituatie vormde echter een ernstige belemmering voor de wederopbouw en ontwikkelingsinspanningen.
F12.

Op 1 september 2003 heeft de Nederlandse regering in de Raad voor Algemene Zaken voor een driesporenbeleid gepleit: «Veiligheid, «Winning the hearts and minds» van de bevolking en politieke reconstructie.» Wat waren de kernelementen van dit plan? Kan de regering een evaluatie geven van de inspanning op deze terreinen en van de mate waarin Nederland en de internationale gemeenschap hiermee succes hebben gehad?
Antwoord op vraag F12:
De inzet van de Nederlandse regering voor Irak, zoals destijds verwoord in de RAZEB van 1 september 2003, bestond ondermeer uit de drie genoemde elementen: versterkte bijdragen van de internationale gemeenschap aan de stabilisatiemacht (‘veiligheid’), verbetering in de voorzieningen, met name water en brandstof (‘winning the hearts and minds’ van de bevolking) en zichtbaar toenemende overdracht van de macht aan de Irakezen (‘politieke reconstructie’). Het parlement is in die periode regelmatig op de hoogte gehouden over ontwikkelingen en inspanningen van Nederland en de internationale gemeenschap in Irak. De drie genoemde elementen vormden vaste onderdelen van deze informatievoorziening.

Verantwoording aan de Kamer
G1.

Het kabinet heeft in haar verantwoording aan de Kamer regelmatig betoogd dat de Kamer alleen met de daden en besluiten van het kabinet te maken had, en geen informatie zou krijgen over de achtergronden c.q. achterliggende (ambtelijke) onderbouwing.

Is het kabinet de opvatting toegedaan dat artikel 68 van de Grondwet, dat voorschrijft dat de regering de verlangde inlichtingen aan een of meer kamerleden verschaft waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat, het verstrekken van informatie over ambtelijke advisering in de weg staat?
Antwoord op vraag G1:
In de notitie over de reikwijdte van artikel 68 Grondwet76 die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 21 januari 2002 aan het parlement heeft gezonden, is uiteengezet dat persoonlijke beleidsopvattingen in interne stukken aan het parlement kunnen worden onthouden. Dit geldt eveneens voor ambtelijke advisering die informatie van zodanige aard bevat dat verstrekking hiervan andere belangen zou schaden of benadelen zoals opgenomen in de geciteerde notitie, bijvoorbeeld de veiligheid van de staat of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit standpunt van de regering geldt onverkort.
Zie tevens de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C5.
G2.

Deelt het kabinet de opvatting dat het in bijzondere gevallen voor het beoordelen door de volksvertegenwoordiging van de kwaliteit en zorgvuldigheid van besluitvorming en handelen van een kabinet van groot belang kan zijn om te weten of de regering zich daarbij baseerde op ingewonnen adviezen dan wel of het die adviezen negeerde?
Antwoord op vraag G2:
De regering is van mening dat de ministeriële verantwoordelijkheid van bewindspersonen inhoudt dat zij aan het parlement verantwoording afleggen over de besluiten zoals zij die hebben genomen. Deze verantwoording is niet afhankelijk van informatie over de vertrouwelijke wijze van totstandkoming van dit besluit tijdens de voorbereidingen binnen een ministerie, tussen ministeries, in onderraad en de ministerraad. Indien voor de voorbereiding van een besluit een wettelijk voorgeschreven procedure geldt die mede inhoudt dat adviezen worden ingewonnen van adviescolleges of andere organen, worden deze adviezen op enig moment openbaar gemaakt.
G3.

Is het het kabinet bekend dat bij een Parlementaire Enquête ook onderzoek wordt gedaan naar de inhoud van ambtelijke stukken opdat de volksvertegenwoordiging zich een oordeel kan vormen over de kwaliteit van de besluitvorming? Meent het kabinet de Kamer kennisname van deze stukken zonder Parlementaire Enquête te kunnen onthouden? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, zal het kabinet een verzoek van de Kamer tot het inzien van ambtelijke stukken inwilligen?
Antwoord op vraag G3:
Het is mogelijk dat een commissie die is ingesteld op grond van de Wet op de parlementaire enquête ambtelijke stukken onderzoekt. In dat geval is de Wet op de parlementaire enquête van toepassing met inbegrip van de daarin vermelde specifieke bepalingen over de verstrekking van informatie en het beroep op verschoningsgronden. Indien de Wet op de parlementaire enquête, die berust op artikel 70 van de Grondwet, niet van toepassing is, is artikel 68 van de Grondwet in algemene zin het grondwettelijk kader voor de inlichtingenplicht van de regering ten opzichte van het parlement. Hierop is de regering in het antwoord op vraag G1 ingegaan.
Slotvraag.

Zijn er onderwerpen en gebeurtenissen met betrekking tot de oorlog tegen Irak die hierboven niet zijn genoemd, waarvan het kabinet meent dat daaromtrent thans, met het voordeel van de kennis en wijsheid achteraf, met het oog op de toekomst ook lessen moeten worden getrokken?
Antwoord op de slotvraag:
In de vele plenaire debatten, AO’s, brieven en vragen en antwoorden die tussen de regering en het parlement zijn gewisseld met betrekking tot de politieke steun voor de inval in Irak, is er één relevant politiek aspect dat grotendeels buiten beeld is gebleven. Daarbij gaat het om het feit dat de besluitvorming plaatsvond op een moment dat het zittende kabinet een demissionaire status had waarbij tegelijkertijd de eerste ronde informatiebesprekingen (tussen CDA en PvdA) plaatsvond op basis van het resultaat van de verkiezingen van 22 januari 2003. In die informatiebesprekingen is gesproken over onderhavige aangelegenheid. In de besluitvorming in de ministerraad is rekening gehouden met een mogelijk andere samenstelling van het kabinet en andere politieke kleur van dat kabinet. Op 24 maart 2003 hebben beiden partijen die betrokken waren in de informatie, het beroep op VR-resolutie 1441 als feitelijke grondslag voor de interventie geaccepteerd, hetgeen is vastgelegd in een persverklaring77 (“agree to disagree”).

VRAGEN VAN DE FRACTIES VAN SP, GROENLINKS, D66 EN PVDD INZAKE RECONSTRUCTIE EN REFLECTIE OP HET NEDERLANDSE BESLUITVORMINGSPROCES OM DE OORLOG IN IRAK TE STEUNEN



1. Feitelijke ontwikkelingen
1.

Al ruim voor de oorlog tegen Irak heeft president Bush laten weten dat het ‘a policy of my government is for Saddam not to be in office’78. Wanneer is de Nederlandse regering van dit Amerikaanse beleidsvoornemen op de hoogte gesteld? Heeft de Amerikaanse regering daarbij ook uitlatingen gedaan over hoe zij het vertrek van Saddam wilde bewerkstelligen? Hoe heeft de Nederlandse regering hierop gereageerd?
Antwoord op vraag 1:
Zoals de minister van Buitenlandse Zaken in april 2000 aan de Tweede Kamer heeft laten weten, had de Amerikaanse regering verklaard bereid te zijn om militair in te grijpen in Irak wanneer zij dit noodzakelijk zou achten.79 Dit was mogelijk op basis van diverse VN Veiligheidsraadresoluties waarin werd gesproken over serieuze gevolgen wanneer het Irakese regime VN resoluties niet of onvolledig zou uitvoeren en geen volledige medewerking zou verlenen aan de wapeninspecteurs.
In het interview met het Britse ITV Television waaraan in de vraag wordt gerefereerd, stelde President Bush dat militair ingrijpen één van de mogelijkheden was die hij overwoog, maar dat geen concrete aanvalsplannen op tafel lagen. Een militair ingrijpen was niet aan de orde geweest, wanneer de Irakese regering de VN-resoluties onverkort had uitgevoerd en volledige medewerking had verleend aan de wapeninspecteurs, om aan te tonen dat Irak niet (meer) in het bezit was van massavernietigingswapens. Dit heeft President Bush in datzelfde interview ook aangegeven. De regering heeft destijds kennis genomen van het interview met President Bush.
In april 2002 stond bij weten van de regering niet vast dat de VS militair zou gaan ingrijpen. Ook genoemd interview uit april 2002 gaf destijds geen aanleiding tot deze conclusie.
2.

Tussen eind 2002 – begin 2003 gaf Nederland als gevolg van NAVO-afspraken toestemming voor Amerikaanse troepenverplaatsingen door Nederland. Waren de Nederlandse autoriteiten op de hoogte van de reden voor de verplaatsingen? Hebben de Amerikaanse liaisons hun Nederlandse collega’s bij de NAVO geïnformeerd over de verplaatsingen? Zijn daarvoor redenen aangevoerd? Is dat vastgelegd in documentatie (bijv met de NAVO van defensie) en kan de Kamer die inzien?
Antwoord op vraag 2:
De Nederlandse regering was door het eerste Amerikaanse verzoek in november 2002 op de hoogte van de reden van de wens tot verplaatsing van militair personeel en materieel over Nederlands grondgebied, namelijk het (naast de diplomatieke inspanningen) willen opvoeren van militaire druk op Irak om gehoor te geven aan VN Veiligheidsraadresolutie 1441 en daaraan voorafgaande resoluties. Het parlement werd per brief op 21 november 2002 van het Amerikaanse verzoek op de hoogte gebracht. In de Kamerbrief van 6 december 2002 gaf de regering aan in beginsel positief te reageren op het (algemene) verzoek, waarin een en ander is vastgelegd. Hierbij werd de achterliggende reden voor de militaire transporten expliciet vermeld.
3.

Heeft de Nederlandse regering zich laten informeren in de aanloop naar de oorlog door de VN inspecteurs, waaronder de Nederlandse, die onder andere voor TNO werkten? Waren er contacten tussen de VN inspecteurs en de Nederlandse inlichtingendiensten?

4. (eerste deel)



Volgens het antwoord van minister Verhagen op vragen van Tweede Kamerlid van Bommel zijn er in de aanloop naar de oorlog contacten geweest tussen inlichtingendiensten en VN-inspecteurs80. Welke inlichtingendiensten waren hierbij betrokken? Welke informatie werd tijdens deze contacten uitgewisseld en in welke richting? Waren deze contacten wettelijk toegestaan, gezien de onafhankelijke positie van de VN inspecteurs? Door wie werd deze informatie geanalyseerd en hoe werd deze analyse gebruikt om tot een politieke conclusie te komen?
Antwoord op de vragen 3 en 4 (eerste deel):
De Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) is tijdens een vergadering op 12 juni 2004 vertrouwelijk geïnformeerd over de contacten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met VN-inspecteurs, zoals ook in het betreffende jaarverslag is vermeld.
Zie ook het antwoord op vraag E8.
4. (tweede deel)

Volgens de regering is bij het opstellen van dreigingsanalyses ook informatie gebruikt “geleverd door partner- en zusterdiensten”. Expliciet werd bevestigd dat informatie afkomstig van Operatie Rockingham deel kan hebben uitgemaakt van de geleverde informatie. Werd daarbij onderscheid gemaakt tussen de informatie die via Rockingham werd geleverd of die van elders kwam? Hebben juist deze inlichtingen een belangrijke rol gespeeld in de dreigingsanalyse die de basis vormde voor de Nederlandse besluitvorming?
Antwoord op vraag 4 (tweede deel):
Inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden ook in hun onderlinge verkeer hun bronnen van informatie en werkwijze geheim. Gezien de diversiteit van alle gebruikte informatie is het evenwel zeer onwaarschijnlijk dat juist eventuele, uit Rockingham afkomstige informatie een belangrijk aandeel heeft gehad in de bedoelde analyses.
4. (derde deel):

Is de regering bekend met verklaringen van voormalig inspecteur Scott Ritter dat deze operatie Rockingham inlichtingen zodanig selecteerde en doorgaf aan bewindvoerders dat een onjuist beeld ontstond van de vermeende bedreiging van Iraakse massavernietigingswapens?81
Antwoord op vraag 4 (derde deel):
Ja.
5.

Uit de interviews die Bob Woodward met Amerikaanse beleidsmakers heeft gevoerd82 blijkt dat het Amerikaanse besluit om Irak aan te vallen op 13 januari 2003 definitief was. Wanneer is de Nederlandse regering hiervan op de hoogte gesteld?
Antwoord op vraag 5:
Zie het antwoord op vraag E1 en E2.
6.

Tijdens het Kamerdebat van 5 september 2002 stelt minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer dat ‘zowel de Amerikaanse president Bush als minister van Buitenlandse Zaken Powell hebben gezegd dat zij, voordat zij plannen finaliseren, intensief de bondgenoten zullen consulteren.’ Wanneer is dat gebeurd en wat is de insteek van de Nederlandse regering tijdens deze consultatie geweest?

Antwoord op vraag 6:


De Nederlandse insteek is steeds geweest dat Irak moet voldoen aan de verplichtingen op basis van de VN Veiligheidsraadresoluties, in feite volledige medewerking verlenen aan de wapeninspecteurs.83 In beginsel lag de besluitvorming of de Irakese regering aan de resoluties voldeed uiteraard bij de Veiligheidsraad zelf, waar Nederland destijds geen zitting in had. De bilaterale gesprekken en consultaties vanuit de Nederlandse regering waren erop gericht Irak te bewegen tot onverkorte uitvoering van VN-resoluties en volledige medewerking met de wapeninspecteurs van UNMOVIC en het IAEA.84 Naast de Europese en NAVO-partners, legde de Nederlandse regering ook de nadruk op de rol van de buurlanden van Irak.85

2. De rol van het Nederlandse parlement
7.

Op basis van welke informatie is de Minister van Buitenlandse Zaken tot zijn oordeel gekomen, op 4 september 2002, dat: “het lijdt weinig twijfel dat Irak beschikt over massavernietigingswapens”? Kan de regering deze ter beschikking stellen aan het parlement?
Antwoord op vraag 7:
Zie het antwoord op vraag C1.
8.

Op 19 februari 2003 verklaarde Minister van Buitenlandse Zaken dat ‘noch de VS, noch de internationale gemeenschap is bezig met oorlogsvoorbereiding’. Op basis waarvan kwam hij tot deze inschatting?

9.


Hoe verklaart de regering de discrepantie tussen de uitspraken van minister van Buitenlandse Zaken in 19 februari 2003 die aangeeft dat de VS nog geen concrete plannen had met betrekking tot een inval in Irak, terwijl het besluit daartoe al wel door de Amerikaanse beleidsmakers genomen was?
Antwoord op de vragen 8 en 9:
In het debat in de Tweede Kamer op 19 februari 2003 over Irak is het de toenmalige minister van Defensie geweest – en niet de minister van Buitenlandse Zaken – die stelde: “Noch de VS, noch de internationale gemeenschap is bezig met oorlogsvoorbereiding”. Hiermee verwoordde de minister van Defensie dat de militaire opbouw in het teken stond van het verder opvoeren van de internationale druk op het regime in Irak uit die tijd, met het doel de volledige naleving van VN-resoluties door Irak en ontwapening van Irak te bewerkstelligen. Die druk had ook effect – zo wordt ook in het debat op 19 februari in de Tweede Kamer geconstateerd – omdat Saddam Hoessein sinds 18 november 2002 – na jarenlange weigeringen – weer wapeninspecteurs in Irak toeliet. In de tijd dat dit debat werd gehouden, was het nog mogelijk een gewapend optreden te vermijden. De sleutel hiervoor lag in Bagdad. Een vreedzame oplossing was ook de geprefereerde optie van de Nederlandse regering. Militair ingrijpen was een laatst, ultiem middel. Dat was ook het standpunt zoals dat in die periode van Amerikaanse zijde is verwoord.
Zie ook de antwoorden op de vragen E1 en E2.
10.

Naar aanleiding van de presentatie van minister Powell in de Veiligheidsraad stelde de minister van Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer dat “Veel van wat door Powell naar buiten wordt gebracht is reeds langer in inlichtingenkringen bekend en is in lijn met hetgeen uit Nederlandse inlichtingenbronnen is gebleken.” In hoeverre bleken deze Nederlandse inlichtingenbronnen correct te zijn? Mochten deze bronnen incorrect zijn geweest, in hoeverre is hun werkwijze geevalueerd en met welk gevolg?

Antwoord op vraag 10:


Zie de antwoorden op de vragen E3 t/m E5.
11.

De regering heeft in aanloop naar de Brits-Amerikaanse invasie een zogenaamde 'strategiegroep Irak' opgericht.86 Deze (inter)-departementale werkgroep had als taak het voorbereiden van een communicatieplan voor de naderende oorlog. Had de Nederlandse regering het parlement niet moeten informeren over de oprichting van een dergelijke strategiegroep? Wat was de precieze taakomschrijving van deze werkgroep? Waarom werd er van uitgegaan dat er oorlog kwam? Kan de Kamer inzage krijgen in alle correspondentie en documenten van deze werkgroep?
Antwoord op vraag 11:
Er dienen in genoemde periode en in deze context drie groepen te worden onderscheiden:

- De Ministeriële Stuurgroep 1441. Die had als taak in het licht van de toen (eind 2002, begin 2003) oplopende internationale spanning de samenhang en de coördinatie te bevorderen van die aspecten van het regeringsbeleid die geraakt werden door die oplopende spanning;

- Die Ministeriële Stuurgroep werd ondersteund door een ambtelijk voorportaal met als taak het voorbereiden en ondersteunen van de Ministeriële Stuurgroep;

- Voor wat betreft de voorlichtingsaspecten was er tenslotte en Strategiegroep van directeuren voorlichting met als taak afstemming en coördinatie van de communicatie-inspanningen in dit verband.
Het ligt in het algemeen niet in de rede het parlement te informeren over elke ambtelijke werkgroep die wordt ingesteld. De stelling in de vraag dat de strategiegroep “als taak had het voorbereiden van een communicatieplan voor de naderende oorlog” is niet correct. Wel was destijds duidelijk, en dat is ook uitgebreid met het parlement besproken, dat de spanning internationaal aan het oplopen was en dat de mogelijkheid van een militair conflict niet kon worden uitgesloten. Daarop nam de regering gepaste maatregelen.
Voor zover de ambtelijke adviezen van genoemde strategiegroep aanleiding waren voor besluitvorming door de Ministeriële Stuurgroep waarvan het noodzakelijk was ter zake het parlement te informeren, is dat gebeurd.
Zie verder de betreffende passages in de antwoorden op de vragen C3 t/m C6.
12.

Heeft de Nederlandse regering zich, gezien het feit dat zij diverse malen heeft aangegeven van mening te zijn dat Irak massavernietigingswapens in haar bezit had, ooit onderzoek ingesteld naar de vraag hoe het kon gebeuren dat zij foutief bleek te zijn geïnformeerd? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo niet, waarom niet?
Antwoord op vraag 12:
Voor de Nederlandse regering heeft de weigerachtigheid van de regering van Saddam Hoessein om resoluties van de VNVR onverkort en volledig uit te voeren, immer centraal gestaan bij de afweging politieke steun te verlenen aan de militaire inval in Irak. Het was aan Saddam Hoessein aan te tonen dat hij deze wapens niet in zijn bezit had, c.q. had ontmanteld. Tot die tijd moest er, gezien de gebeurtenissen uit het verleden, veiligheidshalve van uitgegaan worden dat er nog steeds een potentiële dreiging bestond. Leidend voor de Nederlandse regering waren hierin de rapportages aan de Veiligheidsraad van UNMOVIC en het IAEA, waarin door een gebrek aan medewerking van de kant van Saddam Hoessein niet onomstotelijk kon worden vastgesteld dat Irak niet over massavernietigingswapens beschikte. Daardoor konden alle signalen dat Irak nog over massavernietigingswapens zou (kunnen) beschikken destijds niet worden ontkracht.
1   2   3   4   5

  • 75 Zie ook het antwoord op vraag F11.
  • Verantwoording aan de Kamer
  • In de notitie over de reikwijdte van artikel 68 Grondwet 76
  • Zie tevens de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C5.
  • 77 (“agree to disagree”).
  • In april 2002 stond bij weten van de regering niet vast dat de VS militair zou gaan ingrijpen. Ook genoemd interview uit april 2002 gaf destijds geen aanleiding tot deze conclusie.
  • Zie ook het antwoord op vraag E8.
  • Zie het antwoord op vraag E1 en E2.
  • 2. De rol van het Nederlandse parlement
  • Zie het antwoord op vraag C1.
  • Zie ook de antwoorden op de vragen E1 en E2.
  • Zie de antwoorden op de vragen E3 t/m E5.
  • Er dienen in genoemde periode en in deze context drie groepen te worden onderscheiden
  • - Die Ministeriële Stuurgroep werd ondersteund door een ambtelijk voorportaal met als taak het voorbereiden en ondersteunen van de Ministeriële Stuurgroep;
  • Zie verder de betreffende passages in de antwoorden op de vragen C3 t/m C6.

  • Dovnload 275.49 Kb.