Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak

Dovnload 275.49 Kb.

Vragen van de pvda-fractie over de besluitvorming van het nederlandse kabinet met betrekking tot de oorlog tegen irak



Pagina5/5
Datum03.04.2017
Grootte275.49 Kb.

Dovnload 275.49 Kb.
1   2   3   4   5

Zie ook het antwoord op vraag C1.

13.


Is de regering het met de fractie eens dat het uitoefenen van een parlementair grondrecht principieel niet mag worden ingeperkt door de macht van het orgaan dat het parlement controleert namelijk de regering?
Antwoord op vraag 13:
Ja. Zie hiervoor hetgeen besproken is door de regering en de Tweede Kamer tijdens het debat over Irak op 4 april 2007.87
14.

Wil het overbodig verklaren van de regering een parlementair onderzoek te doen naar Irak feitelijk betekenen dat hieruit geen lessen zijn te trekken en de regering het in een volgende situatie precies zoals toen zou doen?
Antwoord op vraag 14:
Neen. Een parlementair onderzoek is niet de enige manier om lessen te kunnen trekken. De regering bepaalt per geval haar standpunt.
[N.B.: er is géén vraag 15]

3. Het besluitvormingsproces binnen de Nederlandse regering
De argumentatie van de Nederlandse regering
Er lijkt een verschuiving te hebben plaatsgevonden in de argumentatie van de Nederlandse omtrent de redenen voor het verlenen van politieke steun aan de oorlog in Irak. In september 2002 lag (bij monde van minister De Hoop Scheffer): ‘De legitimatie voor optreden van de internationale gemeenschap ... nagelvast in de kwestie van de massavernietigingswapens.’

Tijdens het Kamerdebat van 18 maart 2003 wordt duidelijk dat volgens de regering ook zonder resolutie 1441 er een mandaat ligt voor de oorlog tegen Irak. Tegelijkertijd stelt de minister-president: ‘Er komt nog iets bij. Er zijn op dit moment terroristische groeperingen actief die er niet voor terugdeinzen dodelijke wapens in te zetten, met als enig doel het maken van zoveel mogelijk slachtoffers. Van een aantal van deze terroristen is bekend dat zij hebben geprobeerd massavernietigingswapens te verwerven. Ofschoon ik niet wil beweren dat er een directe link is tussen Bagdad en bijvoorbeeld AL-Quada, acht ik het regime van Saddam evenmin betrouwbaar genoeg om te durven garanderen dat toekomstige samenwerking niet zal plaatsvinden. Wij zouden het onszelf nooit vergeven als dit horrorscenario werkelijkheid zou worden. Militair ingrijpen is door het kabinet steeds gezien als de ultieme remedie: het instrument dat gebruikt moet worden als alternatieven niet meer voorhanden zijn. Helaas lijkt dat moment nu aangebroken’
In augustus 2003 geeft de regering blijk van een bijgestelde visie, bij monde van een brief van het Ministerie van Algemene Zaken: ‘Niet het bewijs van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, maar de wederom gebleken onwil van het regime van Saddam Hussein om de laatste kans aan te grijpen die met V-Raad Resolutie 1441 werd geboden om door actieve medewerking aan de wapeninspecties opheldering te verschaffen aan de wereldgemeenschap met betrekking tot gegronde vragen over de Irakese massavernietigingswapen, heeft voor de Nederlandse regering de doorslag gegeven’.
16.

Kan de regering aangeven welke precieze feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan waardoor er een verschuiving in het kabinetsstandpunt voor steun aan de aanval in Irak heeft plaatsgevonden?

17.


Kan de regering aangeven of ontwikkelingen in Duitsland, Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten hebben voorgedaan waardoor een verschuiving in grondslag zich ook heeft voorgedaan?

18.


Zo ja, welke ontwikkelingen waren dit? Waren er contacten met de genoemde regeringen dan wel relevante organen van die regeringen (zoals inlichtingendiensten) hierover?

Antwoord op de vragen 16 tot en met 18:


Voor de Nederlandse regering heeft de weigerachtigheid van de regering van Saddam Hoessein om resoluties van de VNVR onverkort en volledig uit te voeren, immer voorop gestaan bij de afweging politieke steun te verlenen aan de militaire inval in Irak. Van een verschuiving van het regeringsstandpunt is geen sprake geweest.
Over de Nederlandse zienswijze en de opvattingen die leefden in andere landen zijn in de loop van 2002 en 2003 veel politieke en diplomatieke contacten geweest, alsmede contacten tussen inlichtingendiensten.
Zie ook het antwoord op vraag C1.

De rol van de VN-resoluties in de beleidsafweging
In onze zienswijze gebruikt het kabinet ter juridische onderbouwing voor de oorlog in Irak meerdere V-Raad resoluties (te weten de resoluties 678, 687 en 1441) om tot een mandaat te komen. In een internationale vergelijking is dit een omstreden standpunt. Volgens veel landen, waaronder bondgenoten als Duitsland en Frankrijk, boden deze resoluties –ook in combinatie- geen voldoende mandaat. Het Britse standpunt, verwoord door Lord Goldsmith (de toenmalige hoogste juridische overheidsbeambte, de attorney-general) gaf in januari 2003 aan dat op basis van alléén resolutie 1441 Irak niet binnengevallen kan worden, daar het geen juridische grondslag daarvoor biedt. Doch op 15 maart 2003 (5 dagen voor het begin van de oorlog) geeft Lord Goldsmith aan dat er wél een juridische grondslag is, mits resolutie 1441 gecombineerd wordt met de eerdere V-Raad resoluties die dienden voor een andere context, andere tijd, en andere doeleinden.
19.

Wanneer is de Nederlandse regering tot haar conclusie gekomen dat de huidige resoluties een voldoende volkenrechtelijk mandaat gaven? Is er hierover contact geweest met Lord Goldsmith? Zo ja, kan de Kamer inzage krijgen in deze communicatie?
Antwoord op vraag 19:
Na het gedwongen terugtrekken van de VN-inspectieteams eind 1998, heeft de Nederlandse regering het standpunt ingenomen dat de militaire sancties die daarop volgden – in de vorm luchtaanvallen genaamd operatie Desert Fox – werden gelegitimeerd door het geheel aan resoluties van de VNVR vanaf 199188. Na 1998 heeft de VNVR nog enkele resoluties aangenomen die het streven van de internationale gemeenschap te komen tot ontwapening van Irak verder versterkten en nader legitimeerden (1284 en 1441).
Dit betekent dat de regering al ten tijde van operatie Desert Fox in 1998, het standpunt had ingenomen dat resoluties 678 en 687 tezamen een voldoende rechtsbasis boden voor het gebruik van geweld tegen Irak bij niet naleving van de in 1991 overeengekomen bestandsvoorwaarden. Daarvoor bestond toen ook een breed draagvlak in de Tweede Kamer. Door de aanname van resolutie 1441 was hier niets aan veranderd; deze resolutie stelt immers in paragraaf 1 vast dat “Iraq has been and remains in material breach of its obligations under relevant resolutions, including resolution 687 (1991)”. Het standpunt van de regering dat een nieuwe resolutie daarom juridisch niet noodzakelijk was, is herhaaldelijk aan het parlement meegedeeld. Hierover is geen contact geweest met Lord Goldsmith.
20.

In de aanloop naar de oorlog tegen Irak heeft de Nederlandse regering altijd aangegeven een nieuwe resolutie tegen Irak gewenst te achten. Wat zegt dit over de robuustheid van de resoluties die op dat moment op tafel lagen?
Antwoord op vraag 20:
Ter beoordeling van de robuustheid van de bestaande resoluties dienen deze in onderlinge samenhang te worden bezien. Veiligheidsraadresolutie 678 machtigt tot het gebruik van alle noodzakelijke middelen, inclusief geweld. Resolutie 687 bevestigt resolutie 678 en legt Irak additionele verplichtingen op. In de preambule van resolutie 1441 wordt opnieuw verwezen naar resoluties 678 en 687. Dit betekent dat de machtiging tot het gebruik van geweld voor het afdwingen van het naleven door Irak van relevante resoluties al bestond en dat derhalve de bestaande resoluties als voldoende “robuust” konden worden beoordeeld. De regering achtte een nieuwe resolutie politiek wenselijk, maar juridisch niet noodzakelijk.
Zie ook het antwoord op de vragen C10 t/m C14.
21.

Welke concrete initiatieven heeft de Nederlandse regering genomen om een nieuwe resolutie aangenomen te krijgen?
Antwoord op vraag 21:
Nederland maakte destijds geen deel uit van de Veiligheidsraad. De regering heeft altijd gehoopt en, waar mogelijk, eraan bijgedragen dat de Veiligheidsraad overeenstemming zou bereiken over een nieuwe resolutie.89 Nederland was niet direct betrokken bij het overleg zoals dat plaatsvond binnen de VN Veiligheidsraad over een mogelijke nieuwe resolutie. Wel informeerden, zoals te doen gebruikelijk, de lidstaten die lid waren van de Veiligheidsraad, conform artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de andere leden ter zake (het gaat hier naast de permanente leden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om Ierland). In dit kader en in bilaterale contacten heeft de regering zich tot het laatste moment ingezet voor een nieuwe resolutie om de eenheid van de internationale gemeenschap trachten te bereiken.90

De rol van departementale adviezen met betrekking tot het volkenrechtelijk mandaat in de beleidsafweging
Tijdens het Eerste Kamerdebat van juli 2007 over het adequaat volkenrechtelijk mandaat kwam impliciet naar voren dat er binnen het Ministerie meerdere, met elkaar strijdige, notities waren opgesteld met betrekking tot de juridische grondslag van de Nederlandse steun aan de Amerikaans-Britse inval in Irak.
22.

Op basis van welke criteria heeft het kabinet besloten om het juridische advies te volgen dat steun geeft aan het idee dat er een adequaat volkenrechtelijk mandaat is? Van wie was dit advies afkomstig? Welke juridische en/of politieke afwegingen speelden bij deze beslissing een rol? Was het standpunt van de Verenigde Staten met betrekking tot het volkenrechtelijke mandaat van invloed op de beslissing van de regering?

23.


Kan de regering aangeven wat de kernpunten waren uit de verschillende adviezen die de regering ter beschikking had én op welke punten die van elkaar verschilden? Heeft de regering ook volkenrechtelijk advies gevraagd van niet-departementale en/of externe adviseurs? Zo ja van wie en hoe luidden deze adviezen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op de vragen 22 en 23:
Voor de beantwoording van de vraag over openbaarmaking van ambtelijke adviezen wordt terugverwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6. Voor de beantwoording over de juridische grondslag wordt verwezen naar de betreffende passage uit het antwoord op vraag C3 t/m C6 en het antwoord op de vragen C10 t/m C14.
24.

Hebben de verantwoordelijk ministers de verschillende zienswijzen voorgelegd aan de overige leden van het kabinet? Zo ja, wanneer? Wat was de reactie van de overige kabinetsleden? Zo nee, waarom niet?

25.


Kan de Eerste Kamer inzicht krijgen in de stukken die het kabinet ten aanzien van het volkenrechtelijk mandaat hebben gepasseerd?
Antwoord op de vragen 24 en 25:
De voorbereiding van de besluitvorming inzake Irak is indertijd door de meest betrokken ministers geschied. Waar nodig en gepast heeft besluitvorming in de voltallige ministerraad plaatsgevonden. De regering is van mening dat de beraadslagingen in de ministerraad geheim dienen te zijn. De reden voor de geheimhouding van hetgeen in de raad aan de orde komt, vindt zijn basis in de eenheid van het regeringsbeleid en de collegiale verantwoordelijkheid van de leden van de ministerraad. Het bekend worden van individuele standpunten van bewindspersonen in de ministerraad zou aan die eenheid afbreuk doen. Dit is temeer van belang omdat moet worden voorkomen dat bewindspersonen in de raad niet vrijuit zouden spreken omdat zij twijfelen aan de volledige vertrouwelijkheid van het beraad.
Voor wat betreft het overleggen van ambtelijke adviezen wordt terugverwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6.
26.

Klopt het citaat uit het NRC-artikel van Joost Oranje van 12 juni 2004 dat de

Directeur Juridische Zaken van het Ministerie van Defensie dat (slechts) "een

mandaterende resolutie als een grondslag zou kunnen dienen voor een rechtmatige

aanval op Irak"? Zo ja, wat is er met deze conclusie gedaan?

27.


Kloppen de overige citaten van Joost Oranje?
Antwoord op vraag 26 en 27:
Voor wat betreft het overleggen van ambtelijke adviezen wordt terugverwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6.
28.

Kan de regering aangeven waarom de PV, in het faxbericht van 25-02-03 alleen scenario’s schetst die de Nederlandse steun behelzen, en geen scenario’s schetst met een andere uitkomst?

29.


Heeft de regering opdracht gegeven om alleen scenario’s te schetsen waarbij van een inval sprake is?
Antwoord op de vragen 28 en 29:
De regering gaat er van uit dat verwezen wordt naar een vertrouwelijk bericht van de Permanente Vertegenwoordiging bij de VN d.d. 25 februari 2003 aan het ministerie van Buitenlandse Zaken dat ten onrechte naar buiten is gekomen. Zoals besproken in het debat hierover met de Tweede Kamer, wordt in het bericht niet meer dan een schets gegeven van de mogelijke scenario’s die denkbaar zijn, zonder dat daarbij reeds een keuze wordt gemaakt voor steunverlening. Uit het bericht blijkt duidelijk dat er nog geen besluit ten aanzien van politieke en/of militaire steunverlening was genomen.91 Bovengenoemd bericht moet dan ook gezien worden als één van de adviezen die de regering ontving ter nadere bepaling van haar standpunt. Dit is ook in deze zin besproken tijdens het debat van 4 april 2007 in de Tweede Kamer.92

De rol van de inlichtingendiensten
Met terugwerkende kracht kan gesteld worden dat de verschillende nationale inlichtingendiensten over verkeerde informatie beschikten met betrekking tot de dreiging die er vanuit Irak uitging. Irak bleek, in tegenstelling tot er wat er wijd en zijd vermoed werd, niet over massavernietigingswapens te beschikken.
30.

Welke rol hebben de inlichtingen van Nederlandse inlichtingdiensten gespeeld in de beleidsafweging de oorlog tegen Irak politiek te steunen?
Antwoord op vraag 30:
Zoals is gesteld in het antwoord op de vragen E3 tot en met E5, moet worden benadrukt dat de regering zich destijds in zijn uiteindelijke oordeelsvorming vooral heeft laten leiden door de openbare rapportages van UNMOVIC, UNSCOM en het IAEA. In dat verband speelde het zogenoemde clusterdocument van UNMOVIC van 6 maart 2003, waarin 128 onbeantwoorde vragen stonden opgesomd, een belangrijke rol. Niet het bewijs van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, maar de wederom gebleken onwil van het Irakese regime om actief mee te werken aan de VN-wapeninspecties gaf voor de regering de doorslag.
31.

Is er gebruik gemaakt van adviezen van andere veiligheidsdiensten dan van landen de coalitie van de welwillende vormden? Zo ja, om welke landen gaat het en over welke onderwerpen? Is er in dit kader contact geweest met de Duitse inlichtingendiensten? Speelde de bron ‘Curveball’ daar een rol?

32.


Op welke onderdelen weken de Nederlandse inlichtingen af van Amerikaanse en Britse zusterdiensten als het gaat om de hardheid van de aanwezigheid van massavernietigingswapens; aard en omvang daarvan; aannemelijkheid van de dreiging dat Irak deze vermeende wapens zou gebruiken?
Antwoord op de vragen 31 en 32:
Over deze aspecten heeft de regering verantwoording afgelegd in de CIVD.93
33.

Heeft de regering achteraf een vergelijking gemaakt van de betrouwbaarheid en de kwaliteit van de adviezen van de verschillende betrokken inlichtingendiensten van onder andere Nederland, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Australië, Israel?
Antwoord op vraag 33:
Ja.
34.

Hoe beoordeelt de regering met het inzicht van nu de betrouwbaarheid van de informatie van de inlichtingendienst?
De regering is van oordeel dat de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten naar behoren hebben gefunctioneerd. Het mede op hun informatie gestoelde oordeel uit 2003 dat het regime van Saddam Hoessein onvoldoende meewerkte aan de VN-inspecties, is onomstreden.

De beleidsevaluatie
Onze fracties willen – mede gezien de internationale context en afhankelijkheden – meer inzicht in de wijze waarop de besluitvorming binnen de Nederlandse regering en vervolgens in het parlement heeft plaatsgevonden en welke informatie (zowel feitelijk en bewezen als vermeende en gesuggereerde) daaraan ten grondslag ligt.
35.

Heeft de Nederlandse regering het beleidsproces rond het verlenen van politieke steun aan de oorlog in Irak geëvalueerd? Zo ja, wat waren de belangrijkste bevindingen? Zo nee, waarom niet?

36.


Is de regering van mening dat er in het beleidsproces fouten zijn gemaakt? Zo ja, welke? En door middel van welke concrete maatregelen kunnen deze fouten in de toekomst voorkomen worden?
Antwoord op de vragen 35 en 36:
De belangrijkste stappen in het beleidsproces in dit verband zijn uitgebreid met het parlement besproken en geëvalueerd. Voor wat betreft de Tweede Kamer zij kortheidshalve verwezen naar de Handelingen op dit punt, o.a. de nummerreeks 23 432. In die debatten is de besluitvorming ruimschoots tegen het licht gehouden, met inbegrip van eventuele “fouten”.
37.

Hoe beoordeelt de Nederlandse regering de parlementaire onderzoeken die in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn gehouden? Welke nieuwe inzichten hebben deze naar de mening van de regering verschaft voor de Nederlandse situatie?
Antwoord op vraag 37:
Het verlenen van politieke steun kan niet op gelijke wijze worden beoordeeld als het initiatief nemen tot een militaire inval of hieraan een militaire bijdrage leveren. Een vergelijking van de Nederlandse situatie met die in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is om die reden lastig te maken. Voor Nederland stond centraal dat Saddam Hoessein onvoldoende meewerkte aan de uitvoering van de VNVR-resoluties. Bovendien maakt iedere regering een eigen, zelfstandige afweging.
In het Verenigd Koninkrijk zijn de volgende vier deelonderzoeken gedaan gerelateerd aan de oorlog in Irak:

  • het onderzoek van de Foreign Affairs Select Committee van de Britse Tweede Kamer (2003). De commissie concludeerde dat de overheid wist dat de inlichtingeninformatie gebruikt door de veiligheidsdiensten was ‘aangedikt’, maar dat politieke besluitvormers niet de hand hebben gehad in het (vermeende) ‘aandikken’ van het dossier;

  • het onderzoek van de Parliamentary Intelligence and Security Committee van de Britse Tweede Kamer (2003). Deze commissie concludeerde dat het dossier op basis waarvan het besluit was genomen ongebalanceerd was maar dat de overheid geen blaam trof in het aandikken van het dossier;

  • het door de overheid geïnstigeerde onderzoek naar de dood van de wapenspecialist Dr. David Kelly (de Hutton inquiry) (2004). Dit onderzoek stelde wederom vast dat de overheid het dossier niet had ‘aangedikt’, maar veroordeelde de redactionele praktijken van de BBC;

  • het door de overheid geïnstigeerde onderzoek naar kwaliteit van de inlichtingen op basis waarvan besluitvorming had plaatsgevonden (de Butler inquiry) (2004). Dit onderzoek concludeerde dat de kwaliteit van de inlichtingen onvoldoende was. MI6 steunde voor haar informatie te veel op de rapporten van derden over massavernietigingswapens zonder zelf grondig de daarin vermelde bronnen te verifiëren. Het onderzoek concludeerde echter ook dat er geen sprake was van moedwillige verdraaiing van feiten door of verwijtbare onzorgvuldigheid van betrokkenen en dat Saddam Hoessein wel degelijk de strategische intentie had massavernietigingswapens te verwerven.


In de Verenigde Staten is een groot aantal onderzoeken gedaan over de wijze waarop in de VS is omgegaan met inlichtingen rond Irak. Het begrip parlementair onderzoek wordt in de VS restrictief gebruikt: dit zijn alleen de onderzoeken die door of in opdracht van een Commissie van Huis of Senaat zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn na de inval in Irak rapporten geschreven op verzoek van senatoren en/of leden van het huis .

De belangrijkste onderzoeken zijn uitgevoerd door het Select Committee on Intelligence van de Senaat. Het gaat hierbij om de volgende zes rapporten, gepubliceerd tussen 7 juli 2004 en 5 juni 2008:

  • Op 7 juli 2004: Report on the US intelligence community’s prewar intelligence assessment on Irak d.d. 7 juli 2004, 521 blz., phase I van het onderzoek.

  • In September 2006: publicatie van de twee eerste secties van phase II van het onderzoek: 1. The use by the intelligence committee of information provided by the Iraqi National Congress en 2. Postwar findings about Iraq’s WMD programs and links to terrorism and how they compare with prewar assessments.

  • Mei 2009: derde sectie van phase II: Prewar intelligence assessments about postwar Iraq.

  • 5 juni 2008: laatste twee secties van phase II: Misstatements on prewar Iraq intelligence en 2. Inappropriate activities by Pentagon Policy Office.


Daarnaast zijn onder meer de volgende rapporten gepubliceerd:

  • The Commission on the Intelligence Capabilities of the United States Regarding Weapons of Mass Destruction, ook bekend als het “Silberman report”, van Lawrence Silberman en Charles Tobb, d.d. 31 december 2005. Uitgevoerd door een groep senatoren op verzoek van president Bush, 618 blz.

  • Irak Survey Group report, ook bekend als het Duelfer report, van de Irak Survey Group onder leiding van David Kay, d.d. 30 september 2004.

Deze groep concludeerde dat het onwaarschijnlijk was dat Saddam Hoessein over voorraden MVW beschikte, maar ook dat Saddam Hoessein meerdere malen VN-resoluties schond, de intentie tot het vervaardigen van MVW bleef bestaan en over de daarvoor benodigde intellectuele capaciteit beschikte. Bij dit onderzoek waren ook veel Britten betrokken.

  • The Iraq Study Group Report: The Way Forward - A New Approach van James Baker en Lee Hamilton, September 2006.

  • Rapport van de Pentagon Inspector General, begin 2007.


De onderzoeken hebben nieuwe feiten, omstandigheden en informatie naar buiten gebracht die ten tijde van de besluitvorming niet bekend waren. Tegelijkertijd stelt de regering vast dat de onderzoeken geen nieuw licht hebben geworpen op het centrale argument van de regering indertijd politieke steun te verlenen: Saddam Hoessein werkte onvoldoende mee aan uitvoering van de VR-resoluties.
38.

Is een ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’, zoals staat vermeld in het huidige regeerakkoord, vereist bij de uitzending van Nederlandse militairen? Geldt dit ook voor politieke steun aan militaire acties? Indien niet, aan wat voor situaties moeten wij denken waarin wel politieke steun kan worden verleend zonder volkenrechtelijk mandaat?

39.


Deelt de regering de opvatting van Pieter Kooijmans, oud hoogleraar Volkenrecht en Minister van Staat, dat de formulering rond het volkenrechtelijk mandaat eerder mystificerend werkt dan verhelderend als deze redenering niet opgaat voor politieke steun aan militaire missies die geen adequaat volkenrechtelijke mandaat kennen?
Antwoord op de vragen 38 en 39:
In de notitie ‘Rechtsgrondslag en mandaat van missies met deelname van Nederlandse militaire eenheden’, op 22 juni 2007 toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer is aangegeven dat steeds een adequaat volkenrechtelijk mandaat is vereist bij de uitzending van Nederlandse militairen. De regering deelt de opvatting van prof. Kooijmans dat een volkenrechtelijke rechtsgrondslag eveneens is vereist bij politieke steunverlening aan militaire operaties door andere landen. Om die reden is dit opgenomen in genoemde notitie.


1 Eerste Kamer, Handelingen 2003-2004, Algemene Politieke Beschouwingen, nr. 3, pp. 94-163, 21 oktober 2003, p. 147.

2 VN Doc. A/59/565.

3 VN Doc. A/59/2005.

4 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 77, pp.1-2, 12 februari 2003, p. 2.

5 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 93, 17 maart 2003, p. 1.

6 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 94, pp. 1-8, 18 maart 2003.

7 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 1.

8 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26949, nr. 98, pp. 6348-6379, 6 september 2000, p. 6354.

9 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pag. 5648-5671, 5 september 2002, p. 5665.

10 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26949, nr. 98, pp. 6348-6379, 6 september 2000, p. 6349.

11 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, p. 5648-5671, 5 september 2002, p. 5665. .

12 Vol. 97, 2003, pp. 557-563.

13 Tweede Kamer, Aanhangsel van de Handelingen 2004-2005, pp. 3861-3862.

14 Tweede Kamer, Aanhangsel van de Handelingen 2004–2005, kenmerk 2030421580, ingezonden op 20 september 2004.

15 Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 21 664, nr. 102, pp. 1-2, 17 december 1998, p. 2.

16 Tweede Kamer vergaderjaar 1998-1999, nr. 61, 24 maart 1999, p. 3793.

17 www.un.org.

18 NAVO/DPC-besluit van 16 februari 2003, SG(2003)0181.

19 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, pp. 1-5, 18 februari 2003, nr. 85.

20 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, pp. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3028.

21 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pp. 5648-5671, 5 september 2002, pp. 5663 en 5664.

22 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, p. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3037.

23 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 50, pp. 3275-3313, 18 maart 2003, pp. 3302-3303.

24 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 1.

25 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, p. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3019 en p. 3020.

26 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, p. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3013.

27 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, p. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3037.

28 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 2.

29 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 50, pp. 3275-3313, 18 maart 2003, pp. 3302-3303.

30 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 74, 6 februari 2003, p.6. Zie ook de brieven van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie d.d. 21 november en 6 november 2002, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 64 en 65.

31 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 101, pp. 1-3, 24 maart 2003.

32 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 85, pp. 1-5, 18 februari 2003, p. 5.

33 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 85, pp. 1-5, 18 februari 2003, p. 5.

34 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 92, pp. 1-4, 11 maart 2003, p. 4.

35 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 85, pp. 1-5, 18 februari 2003, p. 5 en Tweede Kamer, vergaderjaar
2002–2003, 23 432, nr. 92, pp. 1-4, 11 maart 2003, p. 4.

36 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 46, pp. 3085-3120, 19 februari 2003, p. 3110.

37 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 92, pp. 1-4, 11 maart 2003, p. 4.

38 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 46, pp. 3085-3120, 19 februari 2003, p. 3102.

39 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 94, pp. 1-8, 18 maart 2003.

40 Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 166, pp. 1-3, 21 juni 2002.

41 BBC news, 3 april 2004.

42 Tweede Kamer, 23432, nr. 86, pp. .4993-5029, 28 augustus 2003.

43 Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 166, pp. 1-3, 21 juni 2004.

44 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 124, pp. 1-4, 22 augustus 2003.

45 Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 90, pp. 5804-5820, 30 juni 2004.

46 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, 23 432, nr. 86, pp. 4993-5029, 28 augustus 2003.

47 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 23 432, nr. 129, pp. 1-11, 21 oktober 2003.

48 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 23 432, nr.139, pp. 1-7, 29 december 2003.

49 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 23 432, nr. 129, pp. 1-11, 21 oktober 2003.

50 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, ,pp. 12 februari 2003, p. 3019 en p. 3020.

51 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 69, pp 1-4, 30 januari 2003.

52 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 74, pp. 1-7, 6 februari 2003, p. 5.

53 Jaarverslag MIVD 2002, p. 28.

54 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 124, pp. 1-4, 22 augustus 2003.

55 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 23 432, nr. 129, pp. 1-11, 21 oktober 2003.

56 Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 166, pp. 1-3, 21 juni 2004.

57 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 2.

58 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pp. 5648-5671, 5 september 2002, p. 5666.

59 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 2.

60 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, pp. 1-3, 4 september 2002, p. 2.

61 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 76, 10 februari 2003, p. 3.

62 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 76, p. 3.

63 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, pp. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3019.

64 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 50, 18 maart 2003, p. 3308 en p. 3313.

65 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 50, pp. 3316-3327, 18 maart 2003, p. 3327.

66 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 50, pp. 3275-3313, 18 maart 2003, p. 3308.

67 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 46, 19 februari 2003, p. 3110.

68 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 46, 19 februari 2003, p. 3111.

69 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 61, p. 7.

70 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 76, p. 4.

71 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 103, p. 3.

72 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 23 432, nr. 107, 15 april 2003.

73 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23 432, nr. 117, pp. 1-36, 18 juni 2003, p. 4.

74 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 29 521, nr. 20.

75 Tweede Kamer, Aanhangsel van de Handelingen 2005-2006, nr. 1811, pp. 3857-3858, 7 juli 2006.

76 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28362, nr. 2.

77 Zie de website: http://www.kabinetsformatie20062007.nl/Actueel/Pers_en_nieuwsberichten/2003/maart/Onderhandelaars_eens_over_de_oorlog_in_Irak.

78 Interview of the President by Sir Trevor McDonald of Britain’s ITV Television Network, 4 april 2002.

79 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 949, nr. 5, 11 april 2000, p. 4.

80 verslag interpellatie van Bommel Handelingen 27 feb 2008 p 56-4000

81 Zie The very secret service;  The Guardian 21 nov 2003, www.guardian.co.uk/politics/2003/nov/21/davidkelly.media/print.

82 Zie Bob Woodward State of Denial. Bush at War, part III, p. 106.

83 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pp. 5648-5671, 5 september 2002, pp. 5664-5668.

84 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pp. 5648-5671, 5 september 2002, p. 5665 en p. 5667.

85 Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 23 432, nr. 56, 4 september 2002, p. 2.

86 Zie Trouw 9 april 2005.

87 Tweede Kamer, Handelingen 2006-2007, nr. 57, p. 3251.

88 Tweede Kamer, brief van 17 december 1998.

89 Tweede Kamer, Handelingen 2001-2002, nr. 95, pp. 5648-5671, 5 september 2002, p. 5664 en Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 46, pp. 3085-3120, 19 februari 2003, p. 3101 en p. 3108.

90 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 23432, nr. 62, 31 oktober 2002.

91 Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 23 432, nr. 221, pp. 1-5, 2 april 2007.

92 Tweede Kamer, nr. 57, pp. 57-3234, 4 april 2007, Kabinetsstandpunt Irak.

93 Tweede Kamer, Handelingen 2002-2003, nr. 43, 19-02-2003, pp. 2992-3038, 12 februari 2003, p. 3028, Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 166, 24 juni 2002 (voorbereiding van het kabinetsbesluit inzake Irak) en Tweede Kamer, Handelingen 2003-2004, 23 432, nr. 90, pp. 5804-5820, 30 juni 2004.



1   2   3   4   5

  • Ja. Zie hiervoor hetgeen besproken is door de regering en de Tweede Kamer tijdens het debat over Irak op 4 april 2007. 87
  • Neen. Een parlementair onderzoek is niet de enige manier om lessen te kunnen trekken. De regering bepaalt per geval haar standpunt.
  • Zie ook het antwoord op vraag C1.
  • . Na 1998 heeft de VNVR nog enkele resoluties aangenomen die het streven van de internationale gemeenschap te komen tot ontwapening van Irak verder versterkten en nader legitimeerden (1284 en 1441).
  • Zie ook het antwoord op de vragen C10 t/m C14.
  • Voor wat betreft het overleggen van ambtelijke adviezen wordt terugverwezen naar de betreffende passage in het antwoord op de vragen C3 t/m C6.
  • Over deze aspecten heeft de regering verantwoording afgelegd in de CIVD. 93
  • In het Verenigd Koninkrijk zijn de volgende vier deelonderzoeken gedaan gerelateerd aan de oorlog in Irak
  • De belangrijkste onderzoeken zijn uitgevoerd door het Select Committee on Intelligence van de Senaat. Het gaat hierbij om de volgende zes rapporten, gepubliceerd tussen 7 juli 2004 en 5 juni 2008
  • Mei 2009: derde sectie van phase II: Prewar intelligence assessments about postwar Iraq.
  • Irak Survey Group report, ook bekend als het Duelfer report, van de Irak Survey Group onder leiding van David Kay, d.d. 30 september 2004.
  • The Iraq Study Group Report: The Way Forward - A New Approach van James Baker en Lee Hamilton, September 2006. Rapport van de Pentagon Inspector General, begin 2007.

  • Dovnload 275.49 Kb.