Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over wachtincidenten door hoge werkdruk in Uruzgan

Dovnload 41.25 Kb.

Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over wachtincidenten door hoge werkdruk in Uruzgan



Datum05.12.2018
Grootte41.25 Kb.

Dovnload 41.25 Kb.








Ministerie van Defensie



Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Justitie, de antwoorden aan op de vragen van de leden Poppe (SP) en Eijsink (PvdA) over wachtdelicten in Afghanistan (nr. 2009Z00252 / 2080909270 en nr. 2009Z00300 / 2080909340, ingezonden 12 en 13 februari 2009).




DE MINISTER VAN DEFENSIE




E. van Middelkoop


Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over wachtincidenten door hoge werkdruk in Uruzgan (ingezonden 12 januari 2009 met kenmerk 2009Z00252 / 2080909270).

 

1



Kent u het bericht "Door werkdruk niet wakker tijdens wacht"? 1) Kloppen de gestelde gegevens?
Het bericht is bekend. Inderdaad wordt een militair vervolgd voor slapen tijdens een 24-uurs wachtdienst ten behoeve van de bewaking van een detainee.
2

Hoe vaak komen zulke wachtincidenten voor, en in welke perioden?
Wachtincidenten komen met wisselende frequentie voor, gemiddeld enkele malen per jaar.

Zie voor uitgebreidere cijfers en informatie over de afdoening het antwoord op vraag 2 van het Lid Eijsink (d.d. 13 januari 2009, nummer 2009Z00300 / 2080909340).


3

Is het waar dat er in Uruzgan wachtroosters van 24 uur worden gemaakt waardoor personeel 24-uursdiensten moeten draaien zelfs als ze al 24 uur in touw zijn?
Eénmalig is, als gevolg van een op dat moment krappe personele bezetting van de eenheid, een 24-uursdienst ingesteld. De betrokken militairen waren de enige aanwezige functionarissen die voor de hun opgelegde taak waren opgeleid. Het instellen van de 24-uursdienst betrof een tijdelijke maatregel. Voorafgaand aan de ingestelde 24-uursdienst is voor het betrokken personeel een rustperiode in acht genomen.
4

Hoeveel militairen hebben tijdens de missie in Uruzgan wachten van 24 uur moeten draaien?
Vier militairen hebben een 24-uurs wachtdienst verricht.
5

Acht u wachtroosters van 24 uur onder gevaarlijke en vermoeiende omstandigheden verantwoord?

6

Was u op de hoogte van de 24-uurs wachtroosters? Zo ja, wat heeft u gedaan om dit te voorkomen?

7

Acht u 24-uurs wachtroosters in gevaarlijke omstandigheden passen bij een professioneel leger? Zo nee, is een dergelijke onverantwoorde werkdruk na deze vragen afgelopen? Zo nee, waarom niet?

9

Is een dergelijk onverantwoord 24-uurs wachtrooster geen verantwoordelijkheid van de militaire leiding? Zo ja, welke maatregelen worden er, of zijn er tegen de militaire leiding genomen? Zo nee, waarom niet?

12

Zijn de in het artikel vermelde werkomstandigheden u bekend? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De commandant ter plaatse maakt onder operationele omstandigheden de afweging tussen het belang van de uitvoering van de verschillende taken en de belasting voor het personeel. Daarbij wordt ook de uitvoering op langere termijn betrokken. De 24-uursdienst betrof in dit geval een eenmalige en tijdelijke maatregel.
8

Is het militairen volledig aan te rekenen als ze onder een dergelijk wachtrooster in slaap sukkelen? Zo ja, waarom?
Of een feit een militair is aan te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld.

10

Is er naar aanleiding van een wachtincident om deze reden oneervol ontslag verleent? Zo ja, beseft u welk een impact en belemmering zo'n maatregel kan hebben op de carrièremogelijkheden van betrokkene zeker wanneer zulke wachtincidenten zo makkelijk plaatsvinden?
Er zijn geen gevallen bekend van oneervol ontslag naar aanleiding van een wachtincident.
11

Kent u het bericht "Nachtmerrie van 15 maanden na kort tukje"? 2) Kloppen de gestelde gegevens?
Het bericht is bekend. Een onderofficier is vrijgesproken ten aanzien van een wachtdelict. Het is niet waar dat repatriëring onderdeel is van een standaardstraf voor een wachtdelict.
13

Vindt u het niet vreemd dat een wachtcommandant na een wachtincident vervolgens zijn wacht hervat, vervolgens op patrouille gaat, en daarna pas wordt aangeklaagd? Vindt u het niet vreemd dat na de aanklacht en zending naar een ander kamp deze militair vervolgens aansluit bij andere eenheden en ook daarmee op patrouille gaat, en daarna pas wordt gerepatrieerd (waardoor hij uitzendvergoeding mis loopt), en vervolgens in Nederland wordt voorgeleid aan het Openbaar Ministerie?
De strafrechtelijke afdoening van een wachtdelict staat los van de beslissing van de commandant om een militair al dan niet te repatriëren. Een militair die wordt verdacht van het plegen van een wachtdelict kan worden ingezet voor verdere werkzaamheden in het missiegebied. Het is aan de commandant om te bepalen of de betrokken militair bepaalde taken in het uitzendgebied kan uitvoeren. De commandant hoeft met het nemen van eventuele rechtspositionele maatregelen het verloop van het strafrechtelijke traject niet af te wachten.
De commandant ter plaatse heeft het desbetreffende incident gemeld aan de Koninklijke Marechaussee en heeft geoordeeld dat er geen extra risico werd gelopen indien deze persoon niet op non-actief werd gesteld. Ik heb geen reden dit oordeel in twijfel te trekken.
14

Bent u van mening dat het repatriëren, en het in feite uit de groep halen na een wachtincident, een onnodige maatregel is wanneer na een rechtszaak in Nederland een taakstraf wordt opgelegd, die ook in het missiegebied had kunnen worden opgelegd en uitgevoerd door de militaire leiding en marechaussee conform het tuchtrecht?
Het voltooien van een taakstraf ter voorkoming van verdere strafvervolging vindt na terugkeer van de militair in Nederland plaats. Het tenuitvoerleggen van een taakstraf, het uitvoeren van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, is niet praktisch of zinvol in het missiegebied.
Tegen tuchtrechtelijke afdoening van een wachtdelict door de commandant bestaat in algemene zin geen bezwaar. Indien sprake is van een wachtdelict in het uitzendgebied is al snel sprake van een strafbaar feit, daar er op grond van de gedraging veelal sprake is van het zogenaamde ‘gevaarscriterium’ als bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het Wetboek Militair Strafrecht Het ‘gevaarscriterium’ doet zich voor indien:


  • schade ontstaat of te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie; of

  • levensgevaar voor een ander ontstaat of is te duchten; of

  • gevaar voor goederen ontstaat of is te duchten.

Is aan het ‘gevaarscriterium’ voldaan, dan is de commandant wettelijk verplicht om aangifte te doen van dit strafbaar feit en is tuchtrechtelijke afdoening niet mogelijk.


15

Bent u, van mening dat het direct opleggen en uitvoeren van straffen in het uitzendgebied er voor kan zorgen dat militairen minder gefrustreerd raken, beter ingezet kunnen blijven worden in het missiegebied, en langer verbonden blijven aan de krijgsmacht als werkgever (in plaats van gefrustreerd na repatriëring en rechtszaak ontslag aanvragen)? Zo ja, welke actie gaat u hierin ondernemen?
Het direct opleggen van een straf in het uitzendgebied schept duidelijkheid voor zowel de betrokkene als de commandant.

Enkel indien de aard van het feit dat toelaat en de toedracht eenvoudig van aard is, wordt een snelrechtprocedure toegepast. De beslissing hierover is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie.


16

Kent u het bericht “Commandant durft niet zelf te straffen”? 3) Kloppen de gestelde gegevens?
Het bericht is bekend. Ik herken mij niet in het beeld van een sterke juridisering van de militaire praktijk.
17

Valt hieruit te concluderen dat er vaak te snel aangifte wordt gedaan door commandanten van een wachtincident, en dat commandanten hiertoe worden opgedragen door hun leidinggevenden c.q. dat de meldplicht te strak wordt gehanteerd?

18

Is het waar dat vooral onervaren commandanten te vlug overgaan tot het melden van incidenten en daarmee de marechaussee extra (onnodig) werk bezorgen in plaats van het zelf oplossen van incidenten? Wordt hieraan aandacht besteed binnen de behandeling van het militair recht tijdens de opleiding en in het uitzendgebied?

19

Wat vindt u van het plan voor een “moment van bezinning” 3) tussen de aangifte en repatriëring?
De keuze tussen het doen van aangifte en het tuchtrechtelijk afdoen van een (wacht)delict wordt bepaald door de vraag of er sprake is van een strafbaar feit. Op grond van artikel 78 Wet Militair Tuchtrecht is de commandant verplicht onverwijld aangifte te doen indien hij van oordeel is dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft. Indien sprake is van een wachtdelict in het uitzendgebied is al snel sprake van een strafbaar feit daar er op grond van de gedraging veelal sprake is van het zogenaamde ‘gevaarscriterium’ als bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het Wetboek Militair Strafrecht.

Of sprake is van een strafbaar feit is ter beoordeling aan het Openbaar Ministerie en (bij vervolging) aan de strafrechter.


In de praktijk blijkt dat de beoordeling of sprake is van gevaarzetting, en derhalve van een strafbaar feit, enige tijd vergt. Het is daarom niet in alle gevallen raadzaam een moment van bezinning tussen de aangifte en de repatriëring in te voeren. De verdenking van een strafbaar feit kan de werkzaamheden van de betrokken militair en zijn/haar eenheid negatief beïnvloeden. De commandant ter plaatse kan, afhankelijk van de omstandigheden, besluiten of een verdachte direct of pas na enige periode wordt gerepatrieerd.

1) Brabants Dagblad, 4 januari 2009 en de GPD-kranten, 5 januari 2009: “Door werkdruk niet wakker tijdens wacht”

2) BN/ De Stem, 5 januari 2009: “Nachtmerrie van 15 maanden na kort tukje”

3) Nederlands Dagblad, 6 januari 2009: “Commandant durft niet zelf te straffen”

Vragen van het lid Eijsink (PvdA) aan de minister van Defensie over wachtdelicten en toepassing van het militair tuchtrecht (ingezonden 13 januari 2009 met kenmerk 2009Z00300 / 2080909340).
1

Kent u de artikelen “Vijftien ‘wachtdelicten’ in Uruzgan” 1) en “Commandant moet meer zelf oplossen”? 2)
Ja
2

Hoe vaak zijn in de jaren 2003, 2004, 2005, 2006, 2007 en 2008 militairen straf- of tuchtrechtelijk aangeklaagd in verband met een zogenoemd ‘wachtdelict’ (incident waarbij militairen, wanneer zij geacht worden waakzaam te zijn, zitten te knikkebollen of in slaap zijn gevallen) tijdens uitgezonden missie in Afghanistan? Kunt u in uw antwoord per kalenderjaar aangeven hoeveel van deze aanklachten tuchtrechtelijk danwel strafrechtelijk zijn afgedaan en wat daarbij de gemiddelde opgelegde tucht- en strafmaatregelen waren?
2003: 3 tuchtrechtelijke vergrijpen

2004: noch strafrechtelijke feiten noch tuchtrechtelijke vergrijpen

2005: 4 strafrechtelijk feiten en 1 tuchtrechtelijk vergrijp

2006: noch strafrechtelijke feiten noch tuchtrechtelijke vergrijpen

2007: 7 strafrechtelijke feiten en 5 tuchtrechtelijke vergrijpen

2008: 4 strafrechtelijke en 9 tuchtrechtelijke vergrijpen


De tuchtrechtelijke afdoening van bovengenoemde wachtdelicten heeft in tien gevallen tot strafdienst, in zes gevallen tot een tuchtrechtelijke boete en in twee gevallen tot vrijspraak geleid.
De afdoening van wachtdelicten die strafrechtelijk worden afgedaan resulteert doorgaans in een transactievoorstel aan de betrokken militair. Dit was in elf zaken het geval. De mate van verwijtbaarheid en de uit de nalatigheid voortvloeiende directe gevaarzetting of schade aan de operatie zijn bepalend voor de hoogte van het transactievoorstel.

Bij geldboetes kan dit variëren van € 200,00 tot € 750,00. Bij werkstraffen ligt het aantal te werken uren tussen de 40 en de 120. Drie zaken zijn voorgelegd aan de strafrechter. In één zaak is een werkstraf opgelegd, beide andere zaken zijn nog in behandeling.


3

Kunt u een causaal verband tussen de hoge werkdruk en het aantal ‘wachtdelicten’ bevestigen? Zo nee, op welke gronden?
Een verband tussen de werkdruk en het aantal ‘wachtdelicten’ kan niet worden vastgesteld. Er zijn geen gegevens bekend waaruit dit verband zou blijken.
4

Op welke wijze kunt u adequate beveiliging en/of bewaking uitgevoerd door wachtpelotons blijven garanderen, wanneer zou blijken dat de kwaliteit van hun werk lijdt onder de hoge werkdruk?
Het Opleidings- en Trainingsprogramma van militairen, aangevuld met de Missie Gerichte Opleiding, garandeert dat het personeel zijn taken onder operationele omstandigheden naar behoren kan uitvoeren, waaronder beveiliging en/of bewaking. De commandant ter plaatse beoordeelt de uitvoering van dergelijke taken en kan indien nodig maatregelen nemen om de taakuitvoering te optimaliseren.
5

Deelt u de analyse van Luitenant-kolonel Van Tussenbroek dat er te weinig mensen en middelen zijn en er onvoldoende mandaat is om te komen tot voldoende slaapmanagement en recuperatie voor de militairen in Uruzgan? Zo nee, op welke gronden niet?

6

Indien u de analyse van genoemde Luitenant-kolonel Van Tussenbroek deelt, hoe verhoudt zich deze analyse dan tot uw stelling dat er voor de uitvoering van de ISAF-missie in Uruzgan voldoende mensen en middelen beschikbaar zijn?
De commandant ter plaatse beziet continu hoe hij de middelen die hij ter beschikking heeft, inzet voor de uit te voeren taken.

Slaap en recuperatie zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Op dit moment zijn de slaap- en recuperatieperioden geen reden om de personele omvang van de missie in Uruzgan te herzien.


7

Heeft u het optreden van advocaat Reitsma in het televisieprogramma ‘Goedemorgen Nederland’ gezien? 3)
De inhoud is mij bekend.
8

Herkent u het beeld dat advocaat Reitsma schetst, waarin hij beschrijft hoe de afgelopen jaren ‘lage’ commandanten verantwoordelijkheden, waaronder het opleggen van disciplinaire (tucht)maatregelen, steeds vaker zijn gaan doorschuiven naar ‘hogere’ commandanten of de marechaussee? Zo nee, op welke gronden niet?
Er zijn mij geen gegevens bekend die een dergelijk beeld ondersteunen.
9

Deelt u de opvatting dat voorkomen zou moeten worden dat militairen strafrechtelijk vervolgd worden voor misstanden waarvoor een (disciplinaire) straf opgelegd op grond van het tuchtrecht zou volstaan? Zo nee, waarom niet?
Sinds de herziening van het militaire straf- en tuchtrecht in 1991 is op grond van artikel 78 Wet Militair Tuchtrecht de commandant verplicht aangifte te doen indien hij van oordeel is dat een hem ter kennis gekomen gedraging een strafbaar feit betreft. Indien sprake is van een wachtdelict in het uitzendgebied is al snel sprake van een strafbaar feit, daar er op grond van de gedraging sprake is van het zogenaamde ‘gevaarscriterium’ als bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het Wetboek Militair Strafrecht. Het ‘gevaarscriterium’ doet zich voor indien:

  • schade ontstaat of te duchten is voor de gereedheid tot het daadwerkelijk uitvoeren van een operatie; of

  • levensgevaar voor een ander ontstaat of is te duchten; of

  • gevaar voor goederen ontstaat of is te duchten.

Is het ‘gevaarscriterium’ in het geding, dan is de commandant wettelijk verplicht om aangifte te doen van dit strafbare feit en is tuchtrechtelijke afdoening niet mogelijk. Of vervolgens daadwerkelijk wordt vervolgd, bepaalt het Openbaar Ministerie.


Gezien de veiligheidssituatie in Uruzgan zal een wachtdelict eerder een strafbaar feit opleveren dan bij missies waar de dreiging lager is. Aangifte van een wachtdelict levert daardoor sneller het vermoeden van een strafbaar feit op. De beoordeling of sprake is van gevaarzetting en derhalve een strafbaar feit is aan de Officier van Justitie. Die kan in bepaalde gevallen op basis van artikel 79 van het Wetboek van Militair Tuchtrecht een zaak van relatief geringe ernst terugverwijzen naar de commandant ter tuchtrechtelijke afdoening. Dit geldt echter voor een beperkt aantal strafbare feiten. Wachtdelicten vallen hier niet onder.
10

Hoe beoordeelt u de suggestie van advocaat Reitsma om bij kleine incidenten te komen tot procedurele veranderingen voor militairen, in casu betrekking hebbende op de procedure van het aflossen van de wacht, in plaats van hen straf- dan wel tuchtrechtelijk te vervolgen?
De procedures met betrekking tot het aflossen van de wacht zijn duidelijk. Het niet volgen van de procedure in het geval van de onderofficier die werd vervolgd voor een wachtdelict geeft geen aanleiding om de procedures aan te passen.
1) Dagblad van het Noorden, 5 januari 2009

2) De Telegraaf, 8 januari 2009

3) Goedemorgen Nederland, 7 januari 2009





Pagina /11



  • Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Defensie over wachtincidenten door hoge werkdruk in Uruzgan (ingezonden 12 januari 2009 met kenmerk 2009Z00252 / 2080909270).
  • Was u op de hoogte van de 24-uurs wachtroosters Zo ja, wat heeft u gedaan om dit te voorkomen 7
  • 1) Brabants Dagblad, 4 januari 2009 en de GPD-kranten, 5 januari 2009: “Door werkdruk niet wakker tijdens wacht”
  • Vragen van het lid Eijsink (PvdA) aan de minister van Defensie over wachtdelicten en toepassing van het militair tuchtrecht (ingezonden 13 januari 2009 met kenmerk 2009Z00300 / 2080909340).
  • Op welke wijze kunt u adequate beveiliging en/of bewaking uitgevoerd door wachtpelotons blijven garanderen, wanneer zou blijken dat de kwaliteit van hun werk lijdt onder de hoge werkdruk
  • 1) Dagblad van het Noorden, 5 januari 2009 2) De Telegraaf, 8 januari 2009 3) Goedemorgen Nederland, 7 januari 2009

  • Dovnload 41.25 Kb.