Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vrije beeldende kunst

Dovnload 0.77 Mb.

Vrije beeldende kunst



Pagina3/16
Datum01.08.2017
Grootte0.77 Mb.

Dovnload 0.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

2.3Psychologisch profiel van de leerlingen1


Leerlingen in de derde graad doen hun intrede in de late adolescentiefase (17 tot 22 jaar) ook wel de jongvolwassenheid genoemd. Na de periode van veelvuldig en overvloedig experimenteren met heel wat keuzemogelijkheden zullen deze jongeren stilaan meer gerichte en stabiele keuzen maken en gaan zij over het aangaan van (‘volwassen’) verplichtingen met betrekking tot maatschappelijke posities, zoals bijvoorbeeld beroeps- en of studiekeuze, en van persoonlijke relaties, zoals bijvoorbeeld een vaste relatie, een stabiele vriendenkring, …

2.3.1De cognitieve ontwikkeling


Het denken verandert drastisch tijdens de adolescentie en heeft (normaliter) tegen het einde van de adolescentie een ‘volwassen’ vorm bereikt. Concreet betekent dit dat het abstractievermogen, het probleemoplossend denken, alsook het construeren van logische combinaties het hoogste ontwikkelingsniveau bereiken.
Jongvolwassenen hebben een grote interesse voor datgene wat niet waarneembaar is. Inhoudelijk betekent dit dat zij in staat zijn hun mening te vormen over maatschappelijke onderwerpen, zoals wereldproblemen, milieu, oorlog, culturele verschillen, … Zij kunnen zich een voorstelling maken van een probleem zonder dat dit probleem zich in hun directe omgeving voordoet. Zij kunnen actief nadenken over efficiënte en realistische oplossingen voor mogelijke of toekomstige problemen.
Bovendien wordt het denkproces van jongvolwassenen gekenmerkt door het vermogen om probleemoplossend te denken. Concreet betekent dit dat zij in staat zijn om voor een (abstracte) probleemstelling verscheidene oplossingen te bedenken, deze mogelijkheden naar waarde en efficiëntie in te schatten en ten slotte de meest accurate oplossing te beargumenteren. Dit alles kunnen ze zonder dat het probleem of de mogelijke oplossingen zich ervoor daadwerkelijk dienen voor te doen of uitgevoerd moeten worden.

Jongvolwassenen hebben het vermogen probleemstellingen inzichtelijk te benaderen en oplossingen te formuleren met de nodige bewijsvoering. Het denkvermogen wordt dus wetenschappelijk van aard.


Verder kunnen deze jonge mensen ideeën, eigenschappen, factoren, … op een logische wijze combineren om zo tot een duidelijk allesomvattende gedachte, mening of oplossing te komen. Hun gedachtegang is holistisch en logisch van aard. Jongvolwassenen benaderen problemen of vraagstelling in hun totaliteit en proberen zo ruim mogelijk het spectrum van componenten te analyseren om tot een zo volledig mogelijke oplossing of mening te komen.
Tot slot dient vermeld dat jongvolwassenen zeer gericht met hun aandachtscapaciteit kunnen omgaan. Deze vaardigheid betreft een tweetal richtingen. Enerzijds zijn deze jongeren in staat hun aandacht over verschillende zaken tegelijkertijd te verdelen. Anderzijds kunnen ze hun aandacht zeer selectief op een bepaalde taak richten. Concreet betekent dit dat zij meerdere zaken tegelijkertijd kunnen doen (bijvoorbeeld naar twee mensen tegelijk luisteren) en dat zij hun aandacht selectief kunnen richten naar één taak zonder dat andere stimuli aandacht krijgen (bijvoorbeeld de krant lezen met de radio aan).
Met het geheel van al deze vaardigheden zijn jongvolwassenen in staat op efficiënte wijze informatie te verwerken, deze informatie te relateren aan reeds bestaande informatie om ze ten slotte op gegeneraliseerde, abstracte en wetenschappelijke wijze te gebruiken.
De vakoverschrijdende eindtermen ‘leren leren’ (zie bijlage 14) ondersteunen dit groeiproces. in de derde graad worden de leerinhouden complexer en complexer en de contexten ruimer. Het geleerde moet toepasbaar en transferabel zijn op een grotere variëteit van situaties. Bovendien vertoont het leerproces een groeiende graad van zelfstandigheid.

2.3.2De morele ontwikkeling


De cognitieve veranderingen eigen aan de adolescentieperiode hebben een belangrijke invloed op de morele ontwikkeling. Wanneer jongeren het einde van de adolescentie bereiken, worden ze zich meer bewust van morele en ethische vraagstukken. Zo zijn jongvolwassenen in staat om meer genuanceerd en gedistantieerd na te denken over ethische en morele kwesties. Zij kunnen zich een oordeel vormen over wat recht en billijk is en over wat sociale vaardigheid omvat.
In eerste instantie zullen jongeren zich oriënteren naar waarden die binnen een bepaalde gemeenschap gedeeld worden. Met andere woorden bij het vormen van een moreel oordeel wordt uitgegaan van de sociale orde, de maatschappelijke afspraken en de regels binnen de samenleving. Concreet betekent dit dat jongeren zich bij hun morele oordeelvorming baseren op het waarde- en normensysteem dat geldend is binnen het gezin, hun leeftijdgroep en de cultuur waarin zij leven. Correct handelen betekent dat datgene te doen wat anderen (in de eerste plaats leeftijdsgenoten, maar ook ouders, leerkrachten, …) verwachten. Conformisme evenals de ondersteunen van de sociale orde is wat als ethisch en moreel correct wordt beschouwd.
In het laatste komt geleidelijk verandering. Het vermogen na te denken over morele vraagstukken krijgt een andere dimensie. Jongvolwassenen oriënteren zich op meer universele ethische principes, waarbij ze zich bewust zijn dat dit mogelijks een conflict met zich meebrengt tussen de ethische kant van de vraagstelling enerzijds en de juridische kant anderzijds. Jongvolwassenen ontwikkelen autonome morele principes. Deze principes hebben waarde en geldigheid onafhankelijk van de maatschappelijke maatstaven en onafhankelijk van persoonlijke relaties en gebruiken binnen de leeftijdgroep en de jeugdcultuur. Dit betekent niet dat deze jongeren zich afzetten tegen wetten en sociale regels, want veelal komen deze overeen met wat als ethisch en moreel gefundeerd wordt beschouwd. Wanneer wet en sociale regels botsen met ethische principes, zal het principe echter de bovenhand halen en zal men handelen naar het principe. Het vermogen om morele vraagstukken ruimdenkend te benaderen is zeer duidelijk zichtbaar in heel wat ethische debatten, zoals bijvoorbeeld het euthanasiedebat, het abortusdebat, …
Binnen de zoektocht naar identiteit of, met andere woorden de zoektocht naar een ‘ik’, dat constant blijft tussen alle afwisselingen in de persoonlijke omgeving, wordt het nadenken over morele vraagstukken zeer belangrijk. Het geeft de jongeren een eigen moreel en ethisch referentiekader. De jongvolwassene heeft sterk aan dit eigen waardesysteem, in het bijzonder nu hij/zij de waarden die hem/haar door de ouders werden bijgebracht in twijfel trekt.
Verder kunnen we stellen dat de morele ontwikkeling door bepaalde omstandigheden bevorderd kan worden. Vooral een gevarieerde sociale stimulatie zou hier een belangrijke stimulans zijn. Met andere woorden jongeren zouden verschillende sociale rollen moeten kunnen vervullen. Een belangrijke voorwaarde hiertoe is dat jongeren in staat gesteld worden tot een bepaalde groep te behoren. Dit laatste geldt zowel binnen het gezin, de peergroep als de school of de werksituatie. Tevens is het belangrijk dat jongeren betrokken worden bij beslissingsprocessen. Zij kunnen daarbij algemeen aanvaarde morele conventies kritisch benaderen om zo tot de vaststelling te komen dat niet één oordeel geldend is.
Vanzelfsprekend zal in eerste instantie door de jongeren vanuit gegaan worden dat éénieder op een eigen manier over de zaken denkt. Jongeren vertrekken dus op dat ogenblik niet van aanvaarde conventies, maar laten zich vooral leiden door de gevolgen van hun gedrag. In de verdere ontwikkeling van het moreel redeneren zal de morele beoordeling opnieuw plaatsvinden vanuit centralere morele uitgangspunten. Deze zijn niet meer de conventies die de ouders, de peergroep of de school overdragen. Zij zijn geïntegreerd door de jongere zelf. Jongvolwassenen hebben hun morele waarden en normen dus aanvaard als zijnde geldig en universeel ethisch.
De vakoverschrijdende eindtermen ‘opvoeden tot burgerzin’ (zie bijlage 14) en een participatief schoolklimaat dragen bij tot deze ontwikkeling door elke jongere te vormen tot een democratisch denkende, voelende en handelende persoon. Dit omvat onder meer de volgende aspecten:

  • emancipatorisch: elke jongere opleiden tot zelfstandigheid en mondigheid;

  • maatschappelijk: de betrokkenheid van elke jongere bij het sociale gebeuren bevorderen;

  • ethisch: jongeren vormen tot openheid voor en vaardigheid in waardeanalyse en waardeverheldering.

2.3.3De psychosociale ontwikkeling


Naar het einde van de adolescentie toe zijn jongeren in staat duurzame relaties aan te gaan. In de eerste plaats kunnen deze relaties tot stand komen omdat jongeren begrip hebben voor de wijze waarop andere denken en voelen en tevens aanvaarden dat dit anders kan zijn dan de wijze waarop zij zelf denken en voelen. Jongvolwassenen hebben immers inzicht in de uniciteit van elkeen en in het feit dat elkeen gekenmerkt wordt door een eigen levensgeschiedenis. Een gevolg hiervan is dat jongeren zich realiseren dat het niet altijd mogelijk is de beweegredenen en motieven van anderen te onderkennen. Bovendien zijn jongvolwassen zich ook bewust van de relativiteit en standpunten, beweegredenen en maatstaven. Binnen vriendschappen wordt de gezamenlijkheid van standpunten gerelativeerd. De vroegere onvoorwaardelijke groepsloyaliteit vormt stilaan geen voorwaarde meer voor een duurzame relatie. Men kan stellen dat jongeren van 17-18jaar eerder streven naar een evenwicht tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid binnen hun relaties,in het bijzonder binnen hun partnerrelatie. Afhankelijk geeft daarbij aan dat jongeren beseffen dat zij in hun relaties steun vinden en dat ze deze relaties nodig hebben voor hun verdere ontwikkeling. Onafhankelijkheid staat uit het groeiend besef dat men anderen de ruimte dient te geven en zelf ook de ruimte dient te krijgen om andere relaties te ontwikkelen.
Jongeren en hun ouders
Ook voor ouders wordt het duidelijk dat jongvolwassenen een grote zelfstandigheid vertonen. Zij ruilen de rol van afhankelijk kind in voor de rol van een autonoom beslissende jongere. Concreet betekent dit dat jongeren zelf opvattingen vormen, beslissingen nemen en individuele keuzen maken. Dit alles betreft niet alleen dagelijkse zaken, zoals kleding, inrichting van de eigen kamer, haardracht, televisieprogramma’s, …, maar ook meer fundamentele beslissingen zoals studie- en beroepskeuze, relatievorming, ontspannings-mogelijkheden … Het gedrag van jongeren wordt dus steeds minder bepaald door gebods- en verbodsbepalingen vanuit het gezin. Veelal wordt thuis en op school steeds meer rekening gehouden met de mening van jongeren en is men geneigd deze mondigheid tegemoet te treden. Deze permissiviteit waarvan jongeren kunnen genieten, impliceert evenwel dat men verwacht dat ze zelfcontrole, verantwoordelijkheid en plichtsbesef tonen.

Bij dit alles kunnen we opmerken dat jongeren op financieel vlak nog geruime tijd afhankelijk blijven van hun ouderlijk milieu. Dit heeft te maken met de langdurige scholing, het feit dat jongvolwassenen minder snel het ouderlijke huis verlaten en over het algemeen sowieso later de arbeidsmarkt betreden. Deze sociaaleconomische positie van jongeren staat haaks op de sociaal-culturele zelfstandigheid die hun wordt toegekend. Deze dubbele situatie kan voorjongvolwassenen tot emotionele verwarring leiden.


Jongeren en de school
De school heeft een belangrijke invloed op jongeren, vooral in een tijdperk waar jongeren een groot deel van de tijd binnen onderwijsinstellingen doorbrengen. Het is dan ook onontbeerlijk dat onderwijsinstellingen zich aansluiten bij het maatschappelijk gebeuren, waardoor jongeren de kans krijgen verschillende sociale rollen aan te gaan en daarbinnen hun verantwoordelijkheden op te nemen. Het is dan ook belangrijk dat jongvolwassenen binnen de school de mogelijkheid krijgen, naast stimulatie op cognitief vlak, zich te vormen op sociaal en moreel vlak.

Uit onderzoek blijkt dat deze holistische benadering van de leerlingen voornamelijk beïnvloed wordt door:



  • de verwachtingen die binnen de onderwijsinstelling naar de leerling toe worden gesteld;

  • het model dat de leerkrachten op de school bieden;

  • de wijze waarop feedback aan de leerlingen wordt gegeven;

  • de wijze waarop met de klas als groep wordt omgegaan;

  • de wijze waarop leerstof aangereikt wordt evenals de verwachting naar het gebruik van deze leerstof.

Kortom, de kwaliteit van de sfeer binnen de onderwijsinstelling, alsook de helderheid van de doelstellingen en verwachtingen naar de leerlingen toe blijken zeer belangrijke predictoren te zijn voor de cognitieve, sociale en morele ontwikkeling van jongvolwassenen.
De vakoverschrijdende eindtermen ‘sociale vaardigheden’ (zie bijlage 14) zien deze ontwikkeling als één leerlijn. Bij het expliciet nastreven van deze sociale vaardigheden benadert de school ze mede vanuit het kinderrechtenperspectief. Welbevinden op school is een belangrijke randvoorwaarde bij het oefenen van sociale vaardigheden.
Jongeren en hun leeftijdgenoten
Duurzame relaties komen op de voorgrond. Dit brengt met zich mee dat jongvolwassenen minder in groepsverband vertoeven, maar de voorkeur geen aan een kleinere groep van vrienden. Zij spenderen meer tijd aan intiemere activiteiten met een beperkt aantal vrienden, met een ‘beste’ vriend(in) of met hun partner. Dit beperkt aantal vrienden is voor de jongere zeer bijzonder. De jongvolwassene deelt gedachten en gevoelens met deze leeftijdgenoten. Zij zijn een toeverlaat en steun. Daar waar gelijkheid in gedachten, meningen en gevoelens zeer belangrijk is tijdens de vroege en de middenadolescentie, komt intimiteit nu op de eerste plaats. Deze intimiteit overstijgt tijdens de late adolescentie als het ware de nood aan conformiteit.
Wanneer men de activiteiten van jongvolwassenen met hun vrienden onder de loupe neemt, kan men stellen dat er geslachtsverschillen op te merken zijn. Meisjes geven aan dat ze vooral activiteiten met hun vrienden ondernemen die gericht zijn op het communicatieve zoals bijvoorbeeld op café gaan, uit eten gaan, of gewoon gezellig thuis zitten kletsen. Jongens daarentegen geven aan dat ze voornamelijk meer actieve ontspanningsactiviteiten met hun vrienden ondernemen,die in de eerste plaats gericht zijn op beweging, zoals bijvoorbeeld sporten.

Wanneer men jongeren bevraagt over de onderwerpen waarover zij met elkaar praten, blijven deze zowel over maatschappelijke thema’s te gaan, zoals bijvoorbeeld oorlog, religie, … als over intieme onderwerpen, zoals partnerrelaties, vriendschap, seksualiteit, …

Geslachtsverschillen zijn ook hier op te merken. Zowel jongens als meisjes praten over dezelfde onderwerpen, alleen bespreken meisjes meer intieme zaken in vergelijking met jongens. Jongens blijken meer een beroep te doen op anoniemere bronnen, zoals boeken, internet, … wanneer het gaat over het diepste van hun binnenste.
Jongeren en hun vrije tijd
Met betrekking tot de vrijetijdsbesteding zijn er niet echt veel veranderingen tussen de verschillende stadia binnen de adolescentie. Wel kan worden opgemerkt dat met het ouder worden de vrije tijd steeds meer buitenhuis doorgebracht wordt. De beeld- en muziekcultuur wordt zo bijvoorbeeld steeds meer buitenshuis opgezocht. Concerten, cafés, bioscoop, fuiven, discotheken … zijn dan ook favoriete ontmoetingsplaatsen voor jongvolwassenen. Maar ook de sport- en recreatiezalen blijven in de top tien van de meest bezochte plaatsen. Toch is het zo dat de deelname aan deze activiteiten niet meer in grote groep gebeurt, wel in een kleinere, hechtere vriendenkring. Die beperkte vriendenkring krijgt dus binnen de vrije tijd een uitverkoren plaats.
Tot slot
Hoewel het veel moeilijker is de verschillende veranderingen tijdens de late adolescentie vast te leggen in vergelijking met deze binnen de vroegere en middenadolescentie, kunnen we toch stellen dat er zich tijdens deze fase een aantal ontwikkelingen voordoet. Deze resulteren in een vervollediging van de ontwikkelingstaken die tijdens de gehele adolescentieperiode moeten worden volbracht.

Zowel op cognitief, als op moreel en sociaal vlak bereikt men aan het einde van de adolescentie een ‘volwassen niveau’. Van jongeren in het laatste stadium van de adolescentie wordt een (volwassen) verantwoordelijke, plichtsbewuste houding verwacht. Zij zijn in staat complexere denkoperaties te verrichten. Zij gaan intieme en duurzame relaties aan. Zij denken na over allerhande maatschappelijke en morele vraagstellingen. Kortom, jongeren in de late adolescentiefase komen tot een eigen zelfstandige identiteit gekenmerkt dor eigen keuzen, een persoonlijke levensstijl en een eigen sociale entourage.

Hier tegenover staat het feit dat deze jongeren sociaaleconomisch gezien nog niet het statuut van volwassenen bereiken. Zij blijven afhankelijk van hun gezin van herkomst, van hun onderwijsinstelling en hebben de arbeidsmarkt nog niet betreden.

Deze dualiteit, eigen aan de jongvolwassenheid, verdient de nodige aandacht. Jongeren die de late adolescentie bereikt hebben, zijn volwassenen, maar dan ook weer niet. Deze dubbele boodschap kan voor verwarring zorgen. Aandacht en begrip voor deze emotionele verwarring is dan ook onontbeerlijk.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

  • 2.3.1De cognitieve ontwikkeling
  • 2.3.2De morele ontwikkeling
  • 2.3.3De psychosociale ontwikkeling

  • Dovnload 0.77 Mb.