Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vrije beeldende kunst

Dovnload 0.77 Mb.

Vrije beeldende kunst



Pagina6/16
Datum01.08.2017
Grootte0.77 Mb.

Dovnload 0.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

5.3Het ontplooien van de zelfstandigheid, de zelfverantwoordelijkheid en de zelfdiscipline van de leerling


Het artistiek vormingsproces stopt niet bij de schoolpoort. Zowel binnen de beeldende kunsten als binnen de podiumkunsten, geeft de leerkracht in het atelier de aanzet tot de uit te voeren opdrachten. De eigenlijke uitwerking vindt dikwijls plaats buiten de school, onder de vorm van zelfstudie en zelfstandig werk.
Binnen het werkatelier worden ‘lijnen’ uitgezet, de invulling van die ‘lijnen’ gebeurt grotendeels thuis. De leerling wordt in grote mate zelf verantwoordelijk voor zijn vorderingsproces. Daarom is de ontplooiing van zijn zelfstandigheid en zelfdiscipline zo belangrijk.

Het werk van een KSO-leerling is, artistiek gezien, nooit klaar. Het artistiek proces maakt een wezenlijk deel uit van zijn dagelijks leven.


5.4Aandacht voor socialisatieproces


De opdracht van het KSO is zodanig opgevat, dat brede marges worden uitgestippeld waarin de leerling de zoektocht naar zijn persoonlijkheid kan aanvatten en waarbij de opvoeders optreden als begeleiders.
Binnen de cursussen ‘samenspel’ in de verschillende podiumkosten, in het raam van artistieke en andere projecten, in het kader van geïntegreerde werkperiodes, wordt het sterk individuele karakter van de opleiding getemperd door de nood aan samenwerking.
De schoolcultuur impliceert een samenlevingsvorm op basis van het principe dat leefregels een resultaat zijn van een democratisch proces. Overleg en inspraak vormen een wezenlijk bestanddeel van een schoolcultuur, in die zin, dat de ruimte die gelaten wordt voor inspraak, bepaald wordt door de mate van verantwoordelijkheidsbesef van de betrokken partners, dus ook van de leerling.
Het schoolreglement biedt de leerling de nodige vrijheid tot persoonlijkheidsontwikkeling. In die zin wordt aan de leerling de mogelijkheid geboden om, onder begeleiding, te experimenteren met normen en gedragsregels, met als doel het ontwikkelen van een eigen normen-, waarde-, en gedragspatroon, dat tegelijk beantwoordt en aan de maatschappelijke verwachtingen en aan het behoud van de eigen identiteit.

5.5Het belang van de artistieke activiteiten, zowel binnen- en buitenschools


Het werk in het atelier biedt slechts één, weliswaar het voornaamste, facet van de artistieke vorming van de leerling. Ook buiten het atelier zijn de mogelijkheden legio om de artistieke vorming te verdiepen. Hier zijn ook heel wat aanknopingspunten te vinden voor de vakoverschrijdende werking.
Geïntegreerde werkperiodes, zowel binnen- als buitenschools, bieden de leerling de mogelijkheid kennis te maken met aspecten van de artistieke vorming die buiten het traditionele leerplan vallen of kunnen aangewend worden om grotere artistieke projecten uit te werken (concerten, tentoonstellingen, opvoeringen, reportages, …). Zij vereisen bovendien een intensieve samenwerking en stimuleren het socialisatieproces.

Extra-murosactiviteiten, zoals het bezoeken van tentoonstellingen, concerten, theaterproducties en andere culture en/of maatschappelijke manifestaties over de verschillende kunstdisciplines heen, verruimen het referentiekader van de leerling voor het ontwikkelen van de creatief-concipiërende intelligentie.


5.6Algemene principes die het leerproces in de kunstvakken in de hand kunnen werken


  • combinatie van discipline-oefeningen en opgaven die de sensibiliteit en creativiteit stimuleren;

  • geen te lange oefeningen, maar met veel variatie;

  • globalisatieprincipe - probleemstellend onderricht;

  • technisch aspect mag niet worden verwaarloosd;

  • individualisatie;

  • leergesprek en ‘zichzelf-evaluerend’ vraaggesprek;

  • thematisch onderricht en projecten;

  • uitgaan van de leefwereld en interessesfeer van de leerlingen;

  • zelfactualisatieprincipe:

  • zowel rationeel als inductief – intuïtief te werk gaan.

Bij iedere nieuwe opdracht worden de leerlingen geconfronteerd met het totaalconcept. Dit concept wordt onderzocht door ontwerp, toepassing, training, organisatie, reflectie en handeling.


6. Leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken en hulpmiddelen


Leeswijzer
Het leerplan wordt schematisch voorgesteld in 6 kolommen. Deze zijn van links naar rechts te lezen.

Kolom 1: Numerieke volgorde (Nr.)

De doelstellingen zijn numeriek geordend van begin tot einde leerplan. Deze nummering heeft geen implicaties voor de chronologie in de realisatie van de doelstellingen. Er wordt geen volgorde voorgesteld, het betreft een graadleerplan waarbij de vakwerkgroep dient uit te maken welke doelstellingen tot de invulling van het eerste en het tweede leerjaar behoren.



Kolom 2: Leerplandoelstellingen en leerinhouden

Leerplandoelstellingen (in omrande kader)
Deze geven de eigen doelstellingen weer voor het vak. Een leerplandoelstelling kan ook een vakoverschrijdende eindterm zijn of inhouden.
Leerinhouden (in wit vak)
Dit is leerstof die bedoeld is om de bijhorende leerplandoelstellingen te realiseren.

Kolom 3: Code

Codering van de leerplandoelstellingen:




  • EDV eigen doelstelling voor het vak;




  • LER leren leren;

  • SOC sociale vaardigheden;

  • BUR opvoeden tot burgerzin;

  • GEZ gezondheidseducatie;

  • MIL milieueducatie;

  • MCV muzisch-creatieve vorming

telkens met het decretaal nummer: leerplandoelstelling die een vakoverschrijdende eindtem inhoudt.

Het gaat hier om verwijzen naar de vakoverschrijdende eindtermen van de derde graad, de tekst is integraal in bijlage 14 opgenomen.

Kolom 4: Basis of breiding
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen basis- en uitbreidingsdoelstellingen.

Basisdoelstellingen (B) vormen de criteria voor het slagen, moeten door nagenoeg alle leerlingen bereikt worden.

Uitbreidingsdoelstellingen (U) zijn bedoeld voor uitbreiding en differentiatie. Het realiseren ervan is afhankelijk van de beschikbare tijd en van de mogelijkheden binnen de leerlingengroep, ze kunnen niet verplicht worden voor alle leerlingen.

Kolom 5: Didactische wenken en hulpmiddelen

Didactische wenken zijn bedoeld als ondersteuning van de leerkracht, de vakwerkgroep en het schoolteam.


Zij kunnen:

  • een leerplandoelstelling of leerinhoud verduidelijken;

  • didactische werkvormen of hulpmiddelen aangeven die leerplandoelstellingen helpen realiseren;

  • richtlijnen geven voor evaluatie;

  • verwijzen naar bibliografie, nuttige adressen;

  • verbanden leggen met andere vakken, met vakoverschrijdende eindtermen, met informatie- en communicatietechnologie, met intercultureel onderwijs, met taalbeleid.

Zie ook overeenstemmende hoofdstukken elders in dit leerplan.

Kolom 6: Link

Deze kolom is bedoeld om het schoolteam te ondersteunen. De in kolom 5 omschreven verwijzingen worden gecodeerd weergeven en vestigen de aandacht van de lezer op vakoverstijgende afspraken en vakoverschrijdende eindtermen.


Codering:

  • ander vak, bijvoorbeeld AAR (aardrijkskunde), BIO (biologie), FRA (Frans), NED (Nederlands), …;

  • vakoverschrijdende eindtermen: LER leren leren;

SOC sociale vaardigheden;

BUR opvoeden tot burgerzin;

GEZ gezondheidseducatie;

MIL milieueducatie;

MCV muzisch-creatieve vorming;


  • informatie- en communicatietechnologie: ICT;

  • intercultureel onderwijs: ICO;

  • taalbeleid: TA.BE.


6.1 KV Vrije beeldende vorming/
KV Plastische kunsten: 12u

Ten geleide

De 12 wekelijkse lesuren worden ingevuld met diverse beeldende middelen, technieken en materies:




  • experimenteel onderzoek;

  • kleur;

  • vorm, zowel twee- als driedimensionale vormgeving;

  • vrije grafiek;

  • digitale beeldvorming (indien ingericht).

Op het einde van de derde graad dienen de leerlingen alle basisdoelstellingen bereikt te hebben.

De realisatie hiervan kan aan verschillende leerkrachten worden toevertrouwd, de organisatie gebeurt door de vakgroep Vrije beeldende kunst.

Beginsituatie voor het vak
De vooropleiding van de leerlingen kan verschillend zijn, het is nodig hun voorkennis na te gaan. Algemeen wordt aangenomen dat zij vanuit de tweede graad een basiskennis hebben op het gebied van de beeldtaal (beeldende middelen, technieken en materies) die ze verworven hebben in het vak KV Beeldende vorming.

Voor digitale beeldvorming (uitbreiding) wordt verwacht dat de leerlingen noties hebben van de werking van een computer en van de basisregels van een tekstverwerkingsprogramma.


Algemene doelstellingen
De leerlingen worden gestimuleerd tot het creatief hanteren van alle elementen van de beeldtaal in functie van gestelde ontwerpproblemen. Zij worden geconfronteerd met diverse deelaspecten. Ze worden verondersteld de vakbegrippen uit de compositie-, de vorm- en de kleurenleer te gebruiken.
Experimenteel onderzoek:

  • openstaan voor onconventionele zaken;

  • richting kunnen geven aan het toeval;

  • de relatie onderzoeken tussen schrijven en tekenen en het verbinden van taal, tekens en tekeningen;

  • materialen en middelen op een economische wijze kunnen aanwenden;

  • het laten samengaan van inhoud, vormingeving, materialen en technieken op experimentele basis.

Dit komt aan bod in het experimenteel onderzoek, met de overweging dat de beeldende vorming een permanent proces inhoudt.

Het is van belang dat de leerlingen kunnen denken vanuit het geheel, het leven zelf en met verschillende vormen van kunstuiting worden geconfronteerd. Via studie, experiment en fundamenteel onderzoek leren zij de verbondenheid tussen de verschillende actuele en klassieke beeldtalen ervaren.
In het eerste jaar is een meer technische en begeleide aanpak nodig. In het tweede jaar staat de inhoudelijke invulling en de grotere zelfwerkzaamheid van de leerling meer centraal.

Kleur:


  • zich kunnen uitdrukken door middel van beeldende middelen en kleurtechnieken;

  • gevoelens, stemmingen, gedachten en bewegingen kunnen weergeven op een creatieve manier;

  • inzicht hebben in de expressieve en verwerkingsmogelijkheden van het aspect kleur.



Vorm:

  • het specifieke lexicon met betrekking tot ‘vorm’ inzichtelijk kunnen gebruiken;

  • vormentaal kunnen analyseren en synthetiseren zowel theoretisch als praktisch;

  • kennismaken met verschillende standpunten in de kunst;

  • kenmerken van verschillende visies kunnen weergeven door toepassing van de aangeleerde technieken;

  • zelfstandig kunnen werken;

  • creatief kunnen inspelen op de gegeven opdracht.

Het aspect ‘vorm’ omvat zowel twee- als driedimensionale vormgeving.



Vrije grafiek

  • de verschillende grafische procedés (hoogdruk, diepdruk, vlakdruk en doordruk) leren kennen en kunnen onderscheiden;

  • de aangeboden grafische technieken leren beheersen en correct kunnen toepassen;

  • de aspecten compositie, punt-lijn-vlak en kleur kunnen verwerken in grafische technieken;

  • inzicht krijgen in de specifieke expressiemogelijkheden van de grafische technieken en deze kunnen aanwenden;

  • de experimentele mogelijkheden, inherent aan de grafische technieken, herkennen en kunnen toepassen;

  • via de vrije grafiek komen tot het persoonlijk visualiseren en beeldend vertalen van eigen ideeën.


Digitale beeldvorming (indien ingericht)

  • creativiteit ontwikkelen:

. verscheidene beeldoplossingen vinden voor een gesteld beeldprobleem;

. weinig middelen optimaal kunnen gebruiken;



  • reeds geïntegreerde kennis kunnen toepassen op ‘beeld’-gebied;

  • kennismaken met digitale kunst als hedendaagse kunstuiting;

  • digitale middelen kunnen aanwenden in een experimenteel-creatief proces;

  • interesse hebben voor allerlei vormen van computergemanipuleerde beelden;

  • kennismaken met kunstsites op het internet;

  • attitudevorming: de computer als een werkinstrument leren zien;

  • interesse hebben voor de mogelijkheden en de ontwikkeling in de ruime, snel evoluerende computerwereld;

  • kennismaken met een logisch computerdenken, dat terugkeert in verschillende softwaretoepassingen.


Algemene didactische wenken

Coördinatie met de andere kunstvakken en met AV Kunstgeschiedenis is noodzakelijk. Overleg en samenwerking is uiterst belangrijk voor alle leraren binnen de studierichting.

De opdrachten houden zowel een technische als een creatief aspect in.

De leerlingen leggen een werkboek en een documentatiemap aan.


Zowel in ‘experimenteel onderzoek’ als in ‘digitale beeldvorming’ (indien ingericht) kunnen de aangeboden thema’s en inhoudelijke elementen een even hedendaags en experimenteel karakter hebben als de daarbij aangewende technieken. Door het eigen multimediale karakter van het experimenteel onderzoek kan dit vak fungeren als een koepel over alle plastisch-artistieke componenten heen. Het gebruik van de ‘nieuwe’ multimediale middelen staat vooral op zichzelf als artistieke uitingsvorm (digitale beeldvorming), maar kan ook integrerend worden aangewend als archiveringsmethode (bv. digitale portfolio) en/of registratiemethode (bv. video als blijvend document over een performance of ‘in situ’ werk).

Evaluatie

Belangrijke criteria zijn:



  • begrijpen van de opdracht;

  • creatief zijn: probleemoplossend handelen, durf hebben, patronen doorbreken en een eigen persoonlijkheid uitbouwen;

  • zelfstandig werken: vertrouwen tonen in eigen kunnen, initiatief nemen, een beroep doen op hulp indien nodig;

  • leergierig zijn;

  • samenwerken: spontaan, efficiënt meewerken bij groepswerk, behulpzaam zijn, gemaakte afspraken naleven;

  • brede belangstelling: zich interesseren voor wat er gebeurt, openstaan voor de omgeving, andere culturen, kunststromingen;

  • structureren, samenvatten: logisch en systematisch werken, het beeldend proces organiseren en verwoorden;

  • breeddenkend, kritisch zijn: openstaan voor het standpunt van anderen en bereid zijn tot luisteren, kritisch staan ten opzichte van beweringen van anderen, gericht zijn op zelfcontrole, eigen mening staven aan deze van anderen;

  • verwoorden van hun creaties: gebruiken van vaktermen;

  • orde, stiptheid en nauwkeurigheid: in functie van de opgaven. Dit houdt respect in voor eigen materiaal en dat van anderen, naleven van afspraken, zorg voor het werk, …



Leermiddelen

Minimale materiële vereisten

Het vak KV Vrije beelden vorming vereist een eigen lokaal met voldoende ruimte voor de verschillende activiteiten.


Atelieruitrusting

Algemeen

  • twee ruime en op goede hoogte geplaatst spoelbakken met zeef en een overloop-systeem;

  • een bord;

  • prikborden;

  • verstelbare, individuele tafels met een krasvrije, afwasbare bekleding;

  • een goede verlichting en verplaatsbare spots;

  • schildersezels;

  • sokkels van verschillende hoogte;

  • een grote werktafel of schragen met een afneembaar werkblad;

  • zinken snijplaten, snijmatten en stalen latten;

  • bergingsmogelijkheden:

. kasten met schuifladen (min. 70 cm x 100 cm);

. droogrekken;

. kasten voor gereedschappen, werkstukken, didactisch materiaal en audiovisuele middelen;


  • audiovisuele middelen:

. scherm, dataprojector, tv-toestel en dvd-recorder, radio-cassetterecorder, lichtback;

uiteraard moet het lokaal makkelijk en volledig kunnen worden verduisterd;



  • ruimte voor een kunstbibliotheek;

  • computerconfiguratie met internetaansluiting.


Experimenteel onderzoek


Vorm

  • werkbanken hout en metaal;

  • decoupeerzaag;

  • gipsruimte;

  • kleibakken;

  • keramiekoven;

  • verplaatsbare verwarmingstoestellen voor modellen;

  • lasapparaten, lasgordijnen, lastafel;

  • slijpmolen;

  • kolomboormachines, gewone boormachine;

  • schuurmachine.


Vrije grafiek

  • tafels op werkhoogte;

  • werkbank;

  • grote metaalschaar;

  • papiersnijtoestel;

  • zinksnijder;

  • ijzeren latten;

  • verwarmingstafel;

  • verwarmkast;

  • droogrek;

  • inktrollen;

  • inkttafel en steen;

  • drukpers;

  • zeefdrukinstallatie;

  • zuur- en waterbakken;

  • airbrush-installatie.


Digitale beeldvorming (indien ingericht)

  • up-to-date multimedia computers, liefst in netwerk (ideaal = één computer per leerling);

  • flatbedscanner;

  • kleurenprinter (bij voorkeur min. A3);

  • digitale tekentablet;

  • digitale camera (foto, video), projector;

  • internetaansluiting;

  • micro;

  • nodige software.



Nr.

Leerplandoelstelling en leerinhoud

Code

B/U

Didactische wenken en hulpmiddelen

Link

    1. KV VRIJE BEELDENDE VORMING/KV PLASTISCHE KUNSTEN




6.1.1 Omgaan met taal






De nieuwe begrippen kunnen gebruiken, mondeling en/of schriftelijk kunnen omschrijven.

EDV

B













Laat leerlingen een nieuw vakbegrip met eigen woorden omschrijven, mondeling of schriftelijk. Door vraagstelling het begrip zo duidelijk mogelijk laten omschrijven.
Laat leerlingen vakbegrippen aan elfkaar laten uitleggen. Indien schriftelijk: gebruik leren maken van een schrijfkader (zie taalvakken).
Bij elk hoofdstuk een lijst met nieuwe vakbegrippen meegeven. De verklaring ‘van buiten’ laten leren heeft niet altijd zien.






Vakgerichte tekstjes kunnen schrijven, zoals het verwerken van gegevens of leerstof, antwoorden op toetsvragen, onderschriften, bij afbeeldingen, enz.

EDV

B













Leer aandacht besteden aan spelling en zinsbouw (eventueel aan de hand van instructiekaartjes en schrijfkaders - zie taalvakken). Maak samen met de andere leerkrachten afspraken over de evaluatie (aanrekenen van spel- en schrijffouten in toetsen en taken).






Op een sociaalvaardige manier kunnen deelnemen aan een onderwijsleergesprek of een groepsgesprek.

EDV

B













Geef zoveel mogelijk het woord. Laat leerlingen niet naast elkaar spreken, maar actief naar elkaar luisteren. Dit kan door de leerling eerst te laten herhalen wat de vorige leerling zegde en dan pas het eigen standpunt te laten weergeven.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

  • 5.4Aandacht voor socialisatieproces
  • 5.5Het belang van de artistieke activiteiten, zowel binnen- en buitenschools
  • 5.6Algemene principes die het leerproces in de kunstvakken in de hand kunnen werken
  • 6. Leerplandoelstellingen, leerinhouden, didactische wenken en hulpmiddelen

  • Dovnload 0.77 Mb.