Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Vrouwen maken scènes. Over vrouwen in Griekse tragedies

Dovnload 19.7 Kb.

Vrouwen maken scènes. Over vrouwen in Griekse tragedies



Datum08.07.2017
Grootte19.7 Kb.

Dovnload 19.7 Kb.




Vrouwen maken scènes.

Over vrouwen in Griekse tragedies
L. Van der Stockt

Griekse Filologie – K.U.Leuven



0. Het klassieke Hellas: bijstelling van een idealistisch misverstand
De geschiedenis van West-Europa kent golven van ‘Hellenomanie’, van mateloze en kritiekloze verering van het oude Hellas. De 20ste eeuw leefde, tot in zijn Golden Sixties, in de nasleep van zo’n golf van Grieken-verering. Men koesterde in feite een a-historisch (en in die zin: idealistisch) en idealiserend beeld van een Griekenland dat in vele domeinen als norm wordt voorgehouden. De Grieken zouden, boven tijd en ruimte verheven (= a-historisch), eeuwige waarheden hebben ontdekt, niet te overtreffen schoonheid hebben geschapen, en in serene wijsheid hun leven hebben geleid.

Deze reconstructie van het oude Hellas is niet grotendeels een projectie van 19de-eeuwse idealen: een cocktail van Victoriaanse opvattingen over ‘de ware gentleman’ op een bedje van Pruisisch Junkertum, overgoten met een scheutje Romantiek. Ze bevestigt het strelend zelfbeeld van een socio-economische elite.

Tegenwoordig zal men wél erkennen dat Griekenland fundamentele oriëntaties heeft gegeven aan de Westerse cultuur, zonder evenwel al te simplistisch de contemporaine cultuur in die van Hellas te herkennen. Hellas nodigt uit tot confrontatie en onderzoek, eerder dan tot verering.
1. ‘Vrouwen en Griekse tragedies’:

het probleem, de gepaste benadering en de onderzoeksmethoden
a. ‘Vrouwen en Griekse tragedies’: is er een probleem?
Het probleem ‘vrouwen en Griekse tragedie’ is vrij recent: het gaat om een contemporaine bevraging van Griekse tragedie, onder invloed van de feministische beweging(en). Het contemporaine karakter van de vraagstelling roept vragen op over haar legitimiteit: gaat het hier niet om een modieuze oprisping?

Twee bedenkingen dringen zich hierbij op: 1) Griekse tragedie is ‘klassiek’ inzoverre ze telkens nieuwe bevraging toelaat (in tegenstelling tot bv. de ‘stationsroman’), en 2) contemporaine bevraging is legitiem inzoverre ze de eigen aard van de brontekst respecteert.


b. ‘Vrouwen en Griekse tragedie’: een reële paradox!
Griekse tragedie wemelt van vrouwen. Dat is op zijn minst een paradox, gelet op de marginale positie van de vrouw in het klassieke Athene. Politiek, juridisch en sociaal was ze – in die periode, dus in de periode van de creatie van tragedies – niet méér dan een rekwisiet op de scène van de man. De samenleving drong haar terug in de private sfeer van het Huis (oikos), terwijl de man opereerde in de publieke sfeer van de staat (polis). Die twee sferen hebben hun eigen waardenpatroon. Hoe kan het dan dat in Griekse tragedie vrouwen een zo vooraanstaande rol spelen in aangelegenheden van publiek belang?
c. ‘Vrouwen en Griekse tragedie’: de aanpak!
- psychoanalyse (Slater, 1968): vrouwen op de scène van het Griekse theater zijn niets anders dan de nachtmerrie van de Griekse man, die in een web van zeer ambivalente relaties wordt opgevoed. Die opvoeding stimuleert, in de fase van afhankelijkheid van de moederfiguur, de (afgunstige) competitiviteit onder mannen en een zekere gynofobie tot en met homosexuele pederastie als initiatieritus.

Korte kritiek van deze benadering: Victoriaanse afkeer van classici voor alle psychoanalyse; het probleem van het ‘karakter’ in Griekse tragedie.

- geno-logische interpretatie: Griekse tragedie als subversie en katharsis. Vrouwen maken deel uit van het subversief karakter van het genre van de Griekse tragedie, dat vigerende (religieuze, sociale, politieke, culturele) axioma’s genadeloos in vraag stelt. De tragedie is evenwel ook kathartisch: uiteindelijk verzoent ze met de bestaande orde. In de Griekse tragedie krijgt die kathartische functie gestalte o.m. in de ondergang van haar grote vrouwen...
2. Clytaemnestra: een priesterlijk monster
a. Aeschylus (525-456 v.C.) en de Oresteia (458), een trilogie bestaande uit Agamemnon, Offerplengsters en Eumeniden. De oudste Griekse tragicus staat vertrouwvol in het oude mythische wereldbeeld en verheerlijkt de orde ingesteld door Zeus, de oppergod.

b. Samenvatting van Aeschylus’ Agamemnon

(Vertalingen: e. de waele, Aeschylus. Tragediën, Pelckmans, Kapellen, 19872; g. koolschijn, Eén familie, acht tragedies. Aischylos. Sofokles. Euripides, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1999)

c. De figuur van Clytaemnestra

Clytaemnestra is “een man-beraden” vrouw, en heroïsch-moedig. Deze mannelijke eigenschappen zet ze in in een actie tégen het Huis, waardoor ze een perversie wordt van haar plichten als moeder en echtgenote: ze pleegt een koelbloedige moord op haar man, Agamemnon, en installeert een tirannie in Argos. Haar actie is evenwel ook een re-actie op de aanslagen die Agamemnon pleegde op de waarden van het Huis: vooral het offer van Iphigeneia wordt hem niet vergeven. Aeschylus suggereert dat Clytaemnestra een priesterlijke daad, nl. een offer, voltrekt. Maar dit offer stort het Huis in een totale chaos: het is een pervers offer.

Het vervolg van de tragedie en van de trilogie laat zien hoe Clytaemnestra haar zelfzekerheid verliest, afhankelijk wordt, geterroriseerd door angstdromen, en uiteindelijk vermoord door haar zoon Orestes.


3. Medea: een serial killer
a. Euripides (480-406 v.C.), Medea (431). Euripides staat bekend als mythencriticus (met recht en reden) en als “vrouwenhater” (volstrekt ten onrechte). Achtergrond voor zijn Medea is Pericles’ befaamde uitspraak: “de goede vrouw is die waarover niet gesproken wordt”.

b. Samenvatting van Euripides’ Medea

(Vertaling: g. koolschijn, Euripides. Verzameld werk. I, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2001)

c. De figuur van Medea

Ook Medea gedraagt zich als een man: ze beweert zelf beslist te hebben met wie ze zou huwen, sluit zelf ‘contracten’ af, noemt zichzelf verstandig (en wordt ook door anderen als verstandig beschouwd!). Ze is moedig en beraden. Kortom, ze vertoont alle eigenschappen van de mannelijke held (heros). Maar ook zij keert zich tegen de door mannen geregeerde oikos, en speelt het spel met haar echtgenoot Jason competitief en tot het bittere einde. Daarbij perverteert ook zij haar rol als echtgenote, maar ook als moeder: ze verliest haar humane status, en wordt op het einde van de tragedie ‘ten hemel opgenomen’.

Euripides veroordeelt Medea dus niét. Zijn tragedie wordt zo een tartende uitdaging aan het rollenpatroon en de waardenschaal van zijn tijd.


4. Iphigeneia: tranen om een kind
Clytaemnestra en Medea vertegenwoordigen één klasse van ‘vrouwen in Griekse tragedie’, Iphigeneia een andere: die van de onschuldige, weerloze jonge vrouw die ten prooi valt aan een ‘offercrisis’ (r. girard, La violence et le sacré, Paris, 1972), een offercrisis veroorzaakt door mannen. Waar het offer verondersteld wordt orde en harmonie te herstellen, is het ‘offer’ van Iphigeneia slechts een schakel in een ketting van chaotisch onrecht dat mannen én vrouwen elkaar aandoen. Als nu het offer van Iphigeneia niets anders zou zijn dan een (‘ordinaire’) moord (een satanisch ritueel!), als ook dit offer in die zin pervers is, vanwaar moet dan de verzoening, de harmonie, de zingevende ‘kosmos’ komen?
5. Slotbeschouwing
Griekse tragedie is niet feministisch; ze handelt over het onrecht dat mannen en vrouwen elkaar aandoen, en over het onrecht dat ze lijden door toedoen van elkaar. In die zin baadt ze in een visie zoals die enigmatisch is verwoord door de filosoof Anaximander (610-536 v.C.): “Oorsprong van alles is het oneindige. En waaruit alle zijnden ontstaan, daarheen keren ze onvermijdelijk terug. Want ze betalen straf en boete omwille van het onrecht, naar de orde van de Tijd”. Is het bestaan zelf een onrecht?

selectieve bibliografie

Bibliografieën
sarah b. pomeroy, "Selected Bibliography on Women in Antiquity", Arethusa 6 (1973), 125-152.

a.-m. vérilhac, c. vial, l. darmezin, La femme dans le monde méditerranéen. II. La femme grecque et romaine. Bibliographie, Paris, 1990.
Vrouwen in Griekse tragedies: algemeen
h. foley, "The Conception of Women in Athenian Drama", in h. foley (ed.), Reflections of Women in Antiquity, New York - London - Paris, 1981, 127-168.

grace harris, "Furies, witches and mothers, in j. goody (ed.), The Character of Kinship, Cambridge, 1973, 145-159.

d. lanza, "La donna nella tragedia greca", in r. uglione (ed.), Atti del Convegno nazionale di studi su la donna nel mondo antico (Torino 21-23 aprile 1986), Torino, 1987, 93-103.

b. seidensticker, "Die Frau auf der attischen Bühne", in Die Frau in der Gesellschaft (Humanistische Bildung, 11), 1987, 7-42.

m. shaw, "The female intruder: women in fifth-century Drama", Classical Philology 70, 1975, 255-266.

p. slater, The glory of Hera, Boston, 1968.
Aeschylus
d. lanza, "Clitemnestra: il feminile e la paura", in Vicende e figure femminili in Grecia e a Roma: Atti del Convegno di Pesaro 28-30 aprile 1994, 31-42.

patrizia liviabella furiani, "Le donne eschilee in guerra tra immaginario e realtà sociale", Euphrosyne 18 (1990), 9-22.

u. albini, "Personnaggi femminili nelle tragedie di Eschilo", Parola del Passato 48 (1993), 176-185.

a.j. podlecki, "Quelques aspects de l'affrontement entre les hommes et les femmes chez Eschyle", in e. lévy (ed.), La femme dans les sociétés antiques. Actes des colloques de Strasbourg (mai 1980 et mars 1981), Strasbourg, 1983, 59-71.
Sophocles
patrizia liviabella furiani, "Donne tragiche in guerra: passività e trasgressione in Sofocle e in Euripide", Euphrosyne 20 (1992), 9-30.

s. wiersma, "Women in Sophocles", Mnemosyne 37 (1984), 25-55.

r. p. winnington-ingram, "Sophocles and Women", in b. knox (ed.), Sophocle (Entretiens sur l'Antiquité Classique, 29), Genève, 1983, 233-257.
Euripides
simone bécache, "Médée", Revue française de psychanalyse 46 (1982), 4, 773-793.

b.m.w. knox, "The Medea of Euripides", Yale Classical Studies 25 (1977), 193-225.

emily a. mc.Dermott, Euripides' Medea: the Incarnation of Disorder, Pennsylvania, 1989.

h. sztulman, "Le mythique, le tragique, le physique: Médée. De la déception à la dépression et au passage à l'acte infanticide chez un sujet état-limite", Pallas 45 (1996), 385-396.

margaret williamson, "A Woman's Place in Euripides' Medea" in a. powel (ed.), Euripides, Women and Sexuality, London, 1990, 16-31.

  • 2. Clytaemnestra: een priesterlijk monster
  • 3. Medea: een serial killer
  • 4. Iphigeneia: tranen om een kind
  • 5. Slotbeschouwing
  • Vrouwen in Griekse tragedies: algemeen

  • Dovnload 19.7 Kb.