Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Waarschuwing tegen dominantie

Dovnload 80.97 Kb.

Waarschuwing tegen dominantie



Datum27.11.2017
Grootte80.97 Kb.

Dovnload 80.97 Kb.

XI. WAARSCHUWING TEGEN DOMINANTIE

1 Kor. 14:27-4O
27.En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten hoogste drie geschiede, en bij beurte; en dat een het uitlegge.

28.Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente; doch dat hij tot zichzelf spreke, en tot God.

29.En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.

30.Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.

31.Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.

32.En de geesten der profeten zijn de profeten onderworpen.

33.Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen.

34.Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.

35.En zo zij iets willen leren, laat ze thuis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken.

36.Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?

37.Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.

38.Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.

39.Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.

40.Laat alle dingen eerbaar en met orde geschieden.
Het is bepaald niet aangenaam, als iemand in een gesprek altijd het hoogste woord heeft. Wij vinden zo iemand dan dominant. Hij stelt zich op als één die denkt, dat alleen zijn mening van belang is, valt de ander gewoon in de rede en hoort meestal maar amper wat hij zegt.
Zo'n opdringerige en drammerige manier van doen is te bestraffen. Zeker in de gemeente die naar Christus' Naam is genoemd, moet niemand denken, dat hij de waarheid in pacht heeft. Daar wacht men op zijn beurt. Daar doet de één voor de ander op zijn tijd een stap terug. Daar treedt men niet bazig op.

Spreken is zilver, zwijgen goud

Wanneer de apostel Paulus in het slotgedeelte van 1 Kor.14 op het punt van de uitingen van de Geest in Korinthe orde op zaken stelt - en dat doet hij - , dan is het eerste, dat hij hier duidelijk voorrang geeft aan de gave van de profetie. Profeteren is beter dan in onverstaanbare en onvertaalde tong/ talen spreken. Vanaf vs. 27 voert hij echter een vurig pleidooi voor orde en regelmaat in beide gevallen. Niet allemaal tegelijk. Ieder op zijn beurt. En elkaar de gelegenheid geven om zich te uiten, ook om op wat de ander zegt in te haken.


En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee of ten hoogste drie geschiede en bij beurte; en dat één het uitlegge (vs. 27). Al eerder heeft de apostel laten weten, dat het niet goed is, dat alle gemeenteleden in tong/ talen spreken, zonder er rekening mee te houden, dat andere aanwezigen het niet verstaan (vs.23vv). Thans beperkt hij het zelfs tot twee á drie hoogstens en ieder op zijn beurt 1. Het is het meest waarschijnlijk, dat hier bedoeld wordt, dat er in één gemeentesamenkomst niet meer dan door drie personen maximaal in een tong-/taal dient te worden gesproken. Paulus roept dus op tot matiging. Hij rantsoeneert. Er zijn ook anderen die andere gaven hebben gekregen en die zich eveneens moeten kunnen uiten. Men moet zich in Korinthe niet in ongeremde uitbarstingen van de Geest laten gaan. Vgl. 1 Kor. 14:2.

Daar komt nog bij, dat men op elkaar moet kunnen wachten. Als er zich twee of drie gedrongen gevoelen om in een tong/taal te spreken, dan a.u.b niet door elkaar heen. Houdt u in. Wacht totdat de ander klaar is. Geen dominant optreden.


En bovenal - maar daarvoor is al vaker in 1 Kor.14 de aandacht gevraagd - zonder uitleg is tong/taal in Gods gemeente niet gepast. Iemand moet het in goed verstaanbare woorden in de volkstaal (Grieks) vertolken. 2. Dat is er dan tegelijk een bewijs van, dat de dingen die gezegd zijn, geen onzinnige dingen zijn. De uitleg dient ook als een soort controle. 3.
Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente; doch dat hij tot zichzelf spreke en tot God (vs.28). 4. Wanneer iemand thuis - in de stilte van zijn bidvertrek - dusdanig door de Geest in beslag genomen wordt, dat hij zijn tong niet langer in toom kan houden en in een vreemde (misschien zelfs wereldvreemde/ engelen-) taal zich gaat uiten, laat hij het doen. Het is een soort zelfaanspraak. En hij mag daardoor ook op een bijzondere wijze communiceren met God. In stille verwondering en aanbidding.

Maar in de gemeente zijn we er met en voor elkaar. Een gemeente is geen optelsom van individuele sprekers en bidders. Hier legt men de dingen aan elkaar uit. Hier mag genoten worden van wat de Geest tot de gemeente zegt. Hier is het de plaats van de gezamenlijke aanbidding.


Dit geldt over de gehele breedte van het gemeente-zijn. En het geldt ook alle andere Geestesgaven. Laat ons aannemen, dat de Geest der profetie vaardig wordt over alle gemeenteleden (zie vs.24). 5. Betekent dat dan, dat alle gemeenteleden maar tegelijk en door elkaar heen aan het woord moeten komen? Geen sprake van. Ook hier rantsoeneert de apostel weer. En dat twee of drie profeten spreken (vs.29a). Al zou er een rij van tien wachtenden voor u zijn, rustig op uw beurt wachten. Niet afhaken, als het te lang duurt. Niet denken: ik moet nu eerst. Ook al zegt de ander iets wat minder belangrijk schijnt. Ook al vindt u, dat u iets heel actueels te zeggen hebt. Het kan wel wat wachten. Zelfs wel tot een volgende keer als de gemeente weer opnieuw samenkomt. De Geest van de profetie is niet aan het moment, ook niet aan een sterke innerlijke impuls van het hart gebonden. Niet domineren a.u.b. Niet drammen. Vgl. 1 Thess. 5:19vv.
Twee á drie profeten spreken achter elkaar. Laat dat vooreerst genoeg zijn. Wees niet teleurgesteld, als u deze keer geen kans krijgt. Bovendien moeten er ook nog een paar andere dingen gebeuren in de samenkomst van de gemeente. Wat hardop gezegd wordt, moet ook door de anderen beoordeeld worden. En dat de anderen oordelen (vs. 29b). Bedoeld zijn in principe alle andere gemeenteleden, al zal Paulus hier wel speciaal het oog hebben gehad op andere profeten.

Een profetische uitspraak is niet het eind van alle tegenspraak. Profeteren is niet hetzelfde als ongecontroleerde en oncontroleerbare uitspraken doen. De gemeente dient niet uitgeleverd te worden aan willekeurige uitspraken, ook al zijn dat uitspraken van mannen van naam en ook al worden de dingen in groot gezag uitgesproken. Er is geen sterveling onfeilbaar. Laten wij ons goed bewust zijn van het gevaar van 'indoctrinatie' d.m.v. dominante mensen die veel in hun mars hebben en rap van tong zijn.



Wel, daar moet in Gods gemeente tegen gewaakt worden. In de gemeente moeten ook anderen, ook de minder begaafden, tijd en gelegenheid krijgen om na te denken over wat er is gezegd. Ook die niet gewend zijn het woord te voeren, moeten mee kunnen oordelen over wat hun geestelijke leidslieden hen te zeggen hebben. 6. Gemeenteleden, die zich eveneens als profeten kunnen uiten. Maar net zo goed ook (in principe) alle gemeenteleden.

Een door Gods Geest bearbeide gemeente bestaat niet uit ja-broeders die het bij voorbaat met hun geliefde leiders eens zijn. En een gemeente bestaat zeker ook niet uit nee-zeggers die het natuurlijk altijd beter weten dan iedereen.



Toetsing/ onderworpenheid

Nu goed dan, Paulus geeft twee of drie profeten het woord. Dan is het welletjes. Dan komt de beurt aan de anderen. En die stellen vragen ter verduidelijking. Zij mogen ook gerust kritische vragen stellen ter aanvulling of correctie. Dat moet kunnen lijden. Een profetische geest heeft geen onaantastbaar en ontegensprekelijk gezag. Het mag en moet allemaal getoetst worden aan wat de gemeente is toevertrouwd in het rotsvaste apostolische getuigenis. Zo dient er gewaakt te worden tegen het indringen van wolven in de schaapskooi van Christus. Ook tegen mogelijke afwijkingen in de leer en het leven.



Kortom, wat niet is naar de analogie van het overgeleverde geloof (Rom. 12:6), is verwerpelijk. Wat in de kerk verkondigd en beleden wordt, moet de toets van de kritiek vanuit het Woord van God kunnen doorstaan. Daarom is het ook altijd, althans kort na de Reformatie ten onzent, een goede gewoonte geweest om geloofsbelijdenissen, al waren ze met het bloed der martelaren geschreven en al waren ze als een 'gemeen accoord' aanvaard, blijvend te onderwerpen aan de toetssteen van het Woord van God, de Bijbel. En zo zijn wij dan gaan spreken over ons 'algemeen ongetwijfeld christelijk geloof'.
Tegenwoordig lopen er ook z.g.profeten rond die menen over een algemeen betwijfeld christelijk geloof te kunnen spreken, omdat zij op hun eentje of met een paar z.g. verlichte geesten om zich heen, overhoop zijn komen te liggen met wat in de kerk van 21 eeuwen altijd is geloofd: dingen die onder ons volkomen zekerheid hadden (Luk. 1:1vv). Welnu, laat de gemeente dan oordelen. Laten zulke geesten voor het forum van Gods gemeente verschijnen. Of is er thans geen gemeente meer die protest aantekent, als de valse profetie hoogtij viert? Durven wij in onze dagen de hoogst geleerden nog wel te 'examineren in hun leer' (uitdrukking van J. Calvijn).
Dat de anderen oordelen, schrijft de apostel.

Niet voor uw beurt spreken. Dat is de algemene regel. Maar ook op tijd ophouden.Dat is een andere goede regel in Gods gemeente. Doch indien een ander die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge (vs.3O). Het kan zijn, dat er iemand in de gemeentesamenkomst is, die popelt om iets onder woorden te brengen van wat hem op dat moment of wellicht al eerder te binnen is gebracht door Gods Geest; iets dat van betekenis is om de gemeente wegwijs te maken in de geheimen van Gods Raad 7. Dus niet zomaar een invallende gedachte.

En stel, dat er dan (nog steeds) een eerste spreker 8. aan het woord is, iemand die in een tong/ taal spreekt of iemand die profeteert. Laat deze ophouden, als hij bemerkt, dat iemand anders iets prealabels heeft, iets dat op prioriteit aanspraak maakt. Wat die ander te zeggen heeft op dat moment, kan aanvullend of verduidelijkend zijn. Het kan ook gewoon een exclamatie zijn van iets belangrijks. Welnu, dan behoort het tot de goede orde, dat de eerstgenoemde zwijgt. In Gods gemeente mag men elkaar ook wel eens een halt toeroepen. Men geeft elkaar daar in elk geval ook voorrang: ga jij maar eerst; ik kan me nog wel even inhouden.
Want, aldus vs.31 gij kunt allen, de één na de ander 9. profeteren. U kunt op die manier allemaal een beurt krijgen. Voor zover u bedeeld bent met de gave van de profetie. Het is hier niet Paulus' bedoeling te zeggen, dat alle gelovigen per se ook moeten profeteren. Maar wie ervoor in aanmerking komen, mogen allen aan het woord komen.

Hoe bemoedigend is het voor iemand die als een profeet in Gods gemeente mag spreken, om dezelfde Geest ook te zien werken in anderen. J. Calvijn schrijft: 'En voorwaar, het is voor de godzalige dienaren een bijzondere troost, de Geest Gods wiens instrumenten zij zijn, ook in anderen te zien werken.' En even verder: 'Uit deze plaats van Paulus mag men verstaan, hoe uitnemend schone overvloed en verscheidenheid van geestelijke goederen die gemeente (van Korinthe) had. Daar waren samenkomsten der profeten, zodat men moeite had om de beurten onder hen te verdelen: daar was zulk een grote verscheidenheid van gaven, dat er overvloed was. Nu zien wij onze kleinheid, ja armoede; maar deze straf wordt zeker onze ondankbaarheid opgelegd: want de schatten Gods zijn niet uitgeput en zijn goedigheid is niet verminderd, maar wij zijn noch bekwaam noch waardig om Zijn gaven te ontvangen. Hoewel, er is nog overvloedig licht en lering genoeg, zo er maar gebrek ware in de begeerte en oefening der godzaligheid en in de vruchten die daaruit voortkomen'. 1O.
Laat de één na de ander profeteren. Met welke bedoeling wordt ons dat in 1 Kor.14 gezegd? Met geen ander doel, dan opdat zij allen leren en allen getroost worden (vs.31b). Het beoogt, als het goed is, de geestelijke opbouw van Gods gemeente. Die moet immers dagelijks leren, d.i. onderwezen worden, instructie ontvangen, bijgestuurd worden ook. En getroost worden, d.i. vermaand/ bemoedigd worden, zich met raad en daad bijgestaan gevoelen. 11. Allen in de gemeente dus op hun tijd actief: profeteren. Allen op hun tijd ook passief: leren en getroost worden. Beide dingen zijn nodig. We kunnen niet altijd alleen maar geven. We moeten op zijn tijd ook ontvangen. Vgl. Openb. 22:6.
Hoe rijk om zo op elkaar aangewezen en afgestemd te zijn binnen één gemeente in de wetenschap, dat Gods Geest de gemeente zodanig met gaven heeft bedeeld, dat de één niet zonder de ander kan. Zo houdt het alles elkaar in goed evenwicht.

De man met een hoog I.Q. moet niet van een onbestudeerd mens zeggen: ik kan van hem niets leren. En een bezielde en begaafde redenaar moet het kunnen hebben, als gemeenteleden hem erop wijzen, wanneer hij iets gezegd heeft dat niet klopt. In de gemeente van Christus laat men zich aan elkaars oordeel gelegen liggen.


We lezen in vs.32: En de geesten der profeten zijn de profeten onderworpen. 12. Een profeet zal zich met alles wat er zich in zijn binnenste afspeelt, gaarne onderwerpen aan de beoordeling van collega-profeten. 13. De Geest van Christus is nooit het monopolie of alleenbezit van een genie. Er wordt gesproken en gezwegen op zijn tijd. Men laat zich in zijn spreken ook door de gemeente beoordelen. Dat moet kunnen lijden. Een profeet is geen mens zonder zelfbeheersing.
Helaas, hoe velen lopen er ook vandaag niet rond, die de waarheid in erfpacht lijken te hebben, vooral als ze van zichzelf zijn gaan denken, dat ze grote theologen zijn. Ze wanen zich ver verheven boven eenvoudige gemeenteleden, aan wier z.g. gemeente-theologie ze een gruwelijke hekel hebben. Alsof die gemeente-theologie - bij alle aberraties die daarin kunnen schuilgaan - ook niet een door en door Geest-elijke waarheidsbeleving kan bevatten. Het zou wel eens kunnen zijn, dat die althans de door bijbelkritiek verziekte en gerationaliseerde theologie-beoefening aan menige academie ver te boven gaat.

In de 19e eeuw was het niemand minder dan de befaamde J.J. van Oosterzee die de jonge dominees meende te moeten bestraffen, omdat zij in de gunst van de gemeente stonden vanwege een gemeente-theologie die voor een groot deel geput was uit de oude schrijvers. En dan is het Hoedemaker die in een rectorale rede (VU) zegt, dat er nog wel eens meer degelijke godgeleerdheid kon zijn in die verwenste gemeente-theologie, al was ze dan geput uit de verachte oude schrijvers dan in het warwinkeltje van afgunstige dominees die door hun eigen gemeente werden gewantrouwd. 14.
In één zin, nogmaals: wees niet dominant. Houdt de goede orde in ere. Paulus schrijft (bij wijze van conclusie en als grondwet van alle regelgeving op dit punt): Want God is geen God van verwarring, maar van vrede (vs.33a). Aan chaos geen gebrek in de wereld. Ook in de heidense erediensten hadden de Korinthiërs er genoeg van gezien. 15. Maar die God die eenmaal de chaos heeft veranderd in een kosmos, een weldoordacht en harmonieus geheel, zou Hij in Zijn gemeente wanorde tolereren? Hij is integendeel een God van vrede. In Zijn huis staan de dingen op hun plaats. In Zijn gemeente moet alles harmonieus zijn. En daarom heeft een kerk ook een kerkorde broodnodig. Vgl. Rom. 15:33.
Gelijk in al de gemeenten der heiligen (vs.33b). Korinthe wordt op dit punt dus niet met een speciale maat gemeten. Ze mag zichzelf spiegelen aan andere gemeenten en daarvan leren, wat ordelijk is. Zoals - aldus de apostel - het overal toegaat, waar de gemeente van de God-gewijden samenkomt, zo mag het ook onder u toegaan. Ere aan de God van orde en vrede. 16. En ook zo blijft er genoeg ruimte over voor vrijheid en spontaneïteit van de Geest. Vgl. 1 Kor.4:17.
'Dat uw vrouwen zwijgen (een 'zwijgtekst')
En dan de verzen 34 en 35 van 1 Kor.14. Over de vrouwen die zwijgen moeten in de gemeente. Een aangevochten passage in dit verband 17. Opeens komen de vrouwen ter sprake. En opeens een absoluut klinkend spreekverbod. Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is hun niet toegelaten te spreken; maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt en zo zij iets willen leren, laat ze thuis hun eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken (vs.34, 35). Het heeft er de schijn van, dat hier alle vrouwen in de gemeente zonder meer het zwijgen wordt opgelegd. Als ze wat op te merken of te vragen hebben en nader onderwezen willen worden, laat ze dat dan thuis doen. Vgl. 1 Kor. 11:3, 5; 1 Tim. 2:11v.
Uit die uitleg van deze zwijgtekst (samen met de andere zwijgtekst, 1 Tim. 2:11vv) is vaak de conclusie getrokken, dat de Bijbel ons niet toestaat de vrouw in de christelijke kerk in de z.g. ambtelijke bedieningen een stem te geven. Geen vrouwen in het ambt. Anderen gaan veel verder en vinden, dat zelfs het actieve stemrecht de vrouw niet toekomt (noch in de kerk noch in de politiek).

Nog op een andere wijze wordt er vandaag gereageerd op wat ons in de vss.34 en 35 van 1 Kor.14 wordt voorgehouden. Men ziet dan in Paulus één van de vroegste getuigen van de discriminatie van de vrouw, al heeft hij hier misschien weinig meer willen doen dan extreem feminisme bestrijden. Wij - aldus de redenering - kunnen met dit soort uitspraken van de Bijbel niet meer uit de voeten; we kunnen ze beter schrappen.


Wanneer wij echter bedenken, dat de apostel Paulus in 1 Kor.11 (zie onze uitleg van deze verzen) de vrouw in de eerste christengemeente bepaald een ereplaats heeft gegeven, doordat hij haar evenzeer als de man laat delen in de gaven van de Geest, onder meer die van de profetie, moeten wij bij de uitleg van de slotverzen van 1 Kor.14 niet menen,dat diezelfde Paulus enkele hoofdstukken later opeens elke bijdrage van de vrouw in de gemeente aan de kant schuift.

Gelezen in het verband van het voorafgaande, komen wij tot de volgende uitleg. De apostel is bezig ordemaatregelen te treffen. Iemand die in een tong/ taal spreekt moet zwijgen, als er geen uitlegger is (vs.28). Een profeet moet zwijgen, als er een ander is, die staat te popelen om iets dat hem geopenbaard is, uit te spreken (vs.3O). Bovendien is het niet stichtelijk, als iedereen altijd aan het woord wil komen; twee of drie maximaal, schrijft de apostel (vs.27, 29). De Geest van Pinksteren leert ons ook op zijn tijd de hand op de mond te leggen.


Daar komt nog iets bij. In het onmiddellijk voorafgaande wordt over de profetie en over de beoordeling daarvan door anderen in de gemeente geschreven. En in dat verband waarschuwt de apostel uitdrukkelijk tegen wanordelijkheden. Hij waarschuwt zowel mannen als vrouwen. In vs.34v vooral vrouwen.
Is het wellicht bij dat beoordelen van elkanders profetie, dat de christenvrouwen in Korinthe een toonaangevende en ook dominerende rol speelden? Zodat het voorkwam, dat zij in de samenkomsten van de gemeente opponeerden tegen (haar eigen) mannen en daardoor verwarring veroorzaakten? En veroordeelt Paulus dit dan als iets lelijks? (vs.35 slot).
Welnu, dan is het op dit punt, dat zij er het zwijgen toe moeten doen. 18. De vrouwen in de gemeenten moeten net zo goed op hun beurt kunnen zwijgen als zij die in een tong/taal spreken of profeteren. 19. Laten zij geen verwarring stichten. Het is hun niet toegestaan de boventoon te voeren, maar bevolen onderworpen te zijn aan de gewenste orde (een vrouw leert niet). Die orde is in heel de gemeente die naar Christus' Naam genoemd is, voor ieder op zijn tijd een eerste vereiste. Zelfs zijn geesten der profeten aan de profeten onderworpen (vs.32). 2O. Vgl. Ef. 5:22v; Tit. 2:5; 1 Petr. 3:1, 5.
Moeten zij dan maar met hun vragen blijven zitten? Kunnen zij maar beter dom gehouden worden? In geen enkel opzicht. Als zij iets aan de weet willen komen, laten zij dan hun eigen mannen om tekst en uitleg vragen. Er is toch zeker ook nog zoiets als een huisgodsdienstoefening? Waarin alle ruimte is voor een elkaar bevragen en een wederzijds zich oefenen in de kennis van wat de Heere God ons heeft geopenbaard. 21. Gebeurde het maar meer. Overigens wordt hier uiteraard niet gezegd, dat vrouwen niets aan profeten mogen vragen. J. Calvijn (a.w., blz. 245) zegt terecht, dat dit haar hier niet verboden wordt; 'want alle mannen zijn niet bekwaam om antwoord te geven'. Vgl. 1 Kor. 7:2, 10.
Iemand vraagt, wat wij met deze uitspraken van de Bijbel m.b.t. de vrouw in de gemeente, aan moeten in onze tijd. Klinken ze niet hopeloos ouderwets? Kunnen we ze maar niet beter schrappen? Dan zijn we van heel wat problemen af. Paulus kan er dan in elk geval niet meer van beschuldigd worden een vrouw-onvriendelijke houding te hebben aangenomen. Of moeten we maar gewoon doen, alsof deze woorden niet in de Bijbel staan? We kunnen er immers in onze tijd toch niets mee.
Wie buigen wil voor het gezag van de Heilige Schrift zal het laatstgenoemde nooit kunnen. Daar komt bij, dat wij in een tijd leven, waarin er sprake is van een volstrekte gelijkschakeling van man en vrouw in kerk en maatschappij. En dat is in elk geval iets, dat God ons in Zijn Woord niet leert. Het is zelfs iets waartegen we gewaarschuwd worden in de brieven van de apostel Paulus. Gelijkwaardigheid is niet hetzelfde als eenvormigheid en is-gelijk-heid.
In Gods Woord hebben man en vrouw elk hun onderscheiden plaats gekregen. Niet voor niets beroept de apostel zich daarom op de wet (aan het slot van vs. 34). Zoals hij dat ook deed in 1 Kor. 11. Waaraan hij dan precies gedacht heeft, wordt niet gezegd. Onwillekeurig denken we in het bijzonder aan het begin van de Bijbel. Aan de schepping van de mens, man en vrouw naar het beeld van God. En aan de plaats die God aan de man en aan de vrouw gaf, ook na de zondeval. En niet aan de gebruikelijke interpretatie van de wet door zijn Joodse volksgenoten die vonden, dat de vrouw niet alleen niet de Thora mocht onderwijzen, maar ook meenden, dat aan haar geen Thora-onderwijs mocht worden gegeven. Vgl. Gen. 1:26v; Gen. 3:16.
Het zou zeker te ver voeren om daar in dit verband uitvoerig over te spreken. 22. Twee dingen willen we nog opmerken:
a. de gelijkwaardigheid van man en vrouw binnen de christelijke

gemeente waar het Nieuwe Testament ons duidelijke aanwijzingen voor geeft, moet ons ervoor behoeden de vrouw te discrimineren, door haar elke vorm van mee-spreken en mee-doen te ontzeggen. Hoeveel zinvolle taken, juist binnen de gemeente van Christus kunnen niet door haar worden vervuld!

Laat haar stem niet langer gesmoord worden.
b. de verscheidenheid van man en vrouw binnen de christelijke gemeente houdt in, dat het goed is, dat de man hier, de vrouw daar functioneert. En dan valt het niet in te zien, dat b.v. de openstelling van alle ambten voor de vrouw in de kerken, niet in strijd zou zijn met wat de diepste intenties zijn van de apostel ons voorhoudt, ook in de besproken verzen van 1 Kor.14. Met nadruk schrijft hij, dat wat hij hier zegt niet maar geldt in de situatie van Korinthe, maar ook van kracht is voor al de gemeenten der heiligen 23. Wanneer wij in de 21e eeuw te maken hebben met extreem feminisme waarin alles in de relatie tussen man en vrouw op zijn kop wordt gezet, hebben wij ook hier de grenzen te bewaken. Zo goed als wij hebben te waken tegen de handhaving van een eeuwenlange onderwaardering en onderdrukking van de vrouw in kerk en maatschappij.

Baas in eigen huis?



Hoe goed en nodig is het dan om hier de dingen niet te willen gaan regelen vanuit de gedachte, dat wij het op ons eentje wel zullen uitmaken, hoe het allemaal moet en dat wij daarin met niemand en niets hebben te rekenen. Juist deze funeste gedachte wordt bij de wortel afgesneden, wanneer Paulus schrijft: Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen? (vs.36). Korinthe moet het niet beter willen weten dan iedereen. Men moet zich daar de rol van koploper niet aanmeten. Alsof Korinthe aan de hele wereld wel eens even zal vertellen, wat God wil. Zo'n model-gemeente is die van Korinthe nu ook weer niet. En ook moet men zich daar niet verbeelden, dat men als enige gemeente de waarheid in pacht heeft gekregen. Het Woord van God is niet tot Korinthe alleen gekomen. 24.
Een ernstige waarschuwing tegen individualistisch christendom en tegen een geest van separatisme. Ook voor onze dagen nodig en belangrijk. In de kerk moeten we niet independentistisch te werk gaan. Ook waar het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente, is het goed, dat er naar elkaar geluisterd wordt.
Wij hebben overigens allemaal te maken met de duidelijke uitspraken van het Woord van God. Daarom schrijft Paulus: indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, geboden des Heeren 25. zijn (vs.37).

Men kan toch niet in Korinthe door de Geest van God profeteren en geestelijk bezig zijn en niet tegelijk ook erkennen, dat de apostel Paulus de uitdrukkelijke wil des Heeren verkondigt. Paulus rekent erop, dat er naar hem geluisterd wordt.


Maar, zo schrijft hij onmiddellijk daarna, zo iemand onwetend is, die zij onwetend (vs.38). D.w.z. wie van wat er geschreven is, niets wil weten, van hem wil ik (of zelfs ook de Heere) niets weten 26. Klare taal. Een apostel geeft zijn mening niet maar even voor beter.
En daarmee wordt dan de breedvoerige bespreking van wat we noemen de gaven van de Geest in 1 Korinthe 12-14 afgesloten. Nog een keer herhaalt Paulus en vat samen: Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren en verhindert niet in vreemde talen te spreken. Laat alle dingen eerbaar en met orde geschieden (vs. 39, 4O). Voorrang aan de profetie. Ruimte voor de glossolalie. Maar dit alles eerbaar, gepast en geordend. 27. Vgl. 1 Kor. 14:1; 16:14; Kol. 2:5; 1 Thess. 4:12.
Weg met alle dominantie. Laat elkaar uitpraten. Laat de gemeente een plaats zijn, waar wij van elkaar genieten en met elkaar optrekken. En laat ze zo licht der wereld en zout der aarde zijn.
Dat vreed' en aangename rust en milde zegen u verblij.....(Psalm 122:3 ber.)

NOTEN



1. Gr.'pleiston' = op zijn best, hoogstens. Gr.'ana meros' = de één na de ander, op zijn beurt, één tegelijk. Het is ook mogelijk, dat hier het aantal sprekers achter elkaar geregeld wordt, evenals in vs. 29 bij de profetie. Dat zou dan een pleidooi voor afwisseling in de gemeentesamenkomsten betekenen met het doel om alle Geestesuitingen tot hun recht te kunnen laten komen.
2. Ten onrechte zegt J. Calvijn (a.w. blz. 24O): 'De gemeente kan zonder enige schade de vreemde talen missen, uitgenomen in zoverre zij behulpselen der profetie zijn; gelijk heden de Hebreeuwse en Griekse taal'.
3. Voor het woord uitleggen (Gr. 'diermèmeuoo') zie onder 1 Kor. 12:1O, 3O; 14:13, 26.
4. In dit vers komen de woorden 'zwijgen' (Gr.'sigaoo') en spreken (Gr.'laloo') voor die ook vss.34, 35 gebruikt worden i.v.m. de positie van de vrouw in de gemeente. 'Zwijgen' en 'spreken' moeten niet negatief worden uitgelegd als: niet mogen zeggen wat je op je hart hebt; en: babbelen/ 'lallen'.

Bovendien regelt de apostel hier de verhouding tussen wat in de gemeentesamenkomsten een plaats mag hebben en wat meer in de privé-sfeer thuishoort. Zo ook in vs.34, 35. Vanuit het oogpunt van 'ordemaatregelen' dus vallen de vss.34, 35 niet uit de toon.


5. Paulus gaat niet uit van de gedachte, dat een gemeente een aparte groep van profeten kent. In principe kan de Geest deze gave van de profetie aan ieder schenken.
6. Over het Griekse werkwoord 'diakrinoo' zie onder 1 Kor. 12: 8, 1O o.a. Vs.29 begint met: profeten (zonder lidwoord) nu... Het gaat hier om een categorie. Maar niet los van de gemeente als geheel die beoordeelt.
7. Voor het ontvangen van een 'openbaring', zie onder 1 Kor. 14:26.
8. Het Griekse 'prootos'(eerste) = de eerste van twee of meer (in onderscheiding van 'proteros' = eerste van twee).
9. Gr. 'kath' hena' = één voor één.
1O. J. Calvijn, a.w. blz. 243v.
11. Gr. 'manthanoo'- trainen, studeren. Zie onder vs.35. Vgl. ook 1 Tim. 2:11. En Gr. 'parakaleoo' = troosten in dubbele zin: vermanen en bemoedigen. Paulus gebruikt dit woord vaak. Het herinnert aan het typische werk van Gods Geest die de grote Parakleet is. Zie verder onder 1 Kor. 14:3.
12. Evenals in vs. 28 waar een regel voor zwijgen en spreken wordt gegeven, wordt ook in dit vs. een regelingsprincipe voor een geordend gemeenteleven genoemd, nl. dat van de onderworpenheid (Gr. werkwoord = 'hupotassomai'). Vanuit deze regelgeving wordt in vs. 34, 35 ook over het zwijgen/ spreken en de onderworpenheid van de vrouwen geschreven. M.a.w. op zijn tijd zwijgen en zich altijd onderwerpen aan de orde die voor de gehele gemeente geldt (niet alleen voor vrouwen).
13. Letterlijk staat er: want geesten (zonder lidwoord) van profeten onderwerpen zich aan profeten (zonder lidwoord). Het gaat hier dus weer om de categorie van de profeet. M.a.w. het is typerend voor de door Gods Geest in beslaggenomen geest van de mens, dat hij de betrekkelijkheid van wat gezegd wordt, inziet en verlegen is om aanvulling/ correctie van de kant van dezelfde Geest door een andere profeet. Een profeet is geen 'alleenstaande religieuze genie' (H.D. Wendland, a.w., S. 131) noch een manische extaticus als in de heidense cultus.

Voor de uitdrukking 'geesten der profeten' zie onder 1 Kor. 14 :12, 14v; vgl. ook 1 Kor. 5:3v; 12:1O.


14. Zie dr. Ph.J. Hoedemaker, De verhouding der ethiek tot de dogmatiek en de practijk der godzaligheid, ter opening van de lessen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, Amsterdam/ Höveker en zn. 1881.
15. Het Griekse woord 'akatastasia' = wanorde, verstoring. Zie 2 Kor. 12:2O; Jak. 3:16. Het Griekse woord 'eirènè' = vrede, harmonie (de dingen staan op hun plaats).
16. Ondanks de plaatsing van dit tweede deel van vs.33 in de Griekse tekstuitgave van Nestle-Aland (nl. als eerste deel van vs. 34), is er alles voor te zeggen de vroege Westerse tekst te volgen die dit versdeel bij vs.33 voegde. Zie Gordon D.Fee, a.w., p. 697.
17. Deze verzen zijn een voorwerp van veel discussie in de wereld van de nieuwtestamentici. Deze plotselinge uitspraak over vrouwen lijkt niet te passen in wat Paulus bezig is te schrijven. In een aantal handschriften komen ze voor na vs. 4O. Ook dan evenwel lijken ze een vreemd aanhangsel te zijn. Argumenten om ze als een 'glosse' - een invoeging van een latere over schrijver van het handschrift - te beschouwen, zijn: a. ze verbreken het verband (vs. 36 is een natuurlijke voortzetting van vs.33); b. de inhoud komt niet overeen met wat Paulus elders (ook enkele hoofdstukken eerder in dezelfde eerste brief aan Korinthe) over de vrouw schrijft (1 Kor. 11:1vv): de vrouw profeteert in het midden van de gemeente, zij het met een 'hoofdbedekking'; daarom kan Paulus toch niet in 1 Kor. 14:34v een absoluut spreekverbod willen invoeren?

Op grond van deze argumenten wordt vaak verondersteld, dat de genoemde verzen reeds in de eerste eeuw door een overschrijver als een randopmerking aan de tekst zijn toegevoegd. Vermoedelijk naar analogie van 1 Tim. 2:11v. Deze 'glossator' zou een Joodse christen zijn geweest, die moeite had met de door Paulus verdedigde vrijheid van Geestesuiting door de vrouw en die zich daarbij beriep op een mondelinge rabbinistische uitleg van de wet zoals bij Josephus ('De vrouw', zegt verder de wet, 'staat in alle opzichten onder de man'; Tegen Apion B. 24). Zo o.a. ook Gordon D.Fee, a.w. p. 699 ff. Voor de discussie over deze zaak (alsook voor literatuur): zie C.den Boer (red), Man en vrouw in Bijbels perspectief, a.w. blz. 97vv; vooral ook de excursen II en III. Voor verdere literatuur zie Gordon D.Fee, a.w., p. 699 (note 4).

Wanneer wij bedenken, dat in geen enkele van de ons bekende handschriften de verzen 34 en 35 gemist worden, wanneer wij ook niet om aan contextuele en inhoudelijke bezwaren te ontkomen de toevlucht willen nemen tot de vooronderstelling, dat deze verzen, zijnde niet van Paulus, reeds in de eerste eeuw door een ander (uit een zeker antifeministisch streven) zijn ingevoegd en wanneer wij tenslotte ook de algemeen aanvaarde stelling, dat de moeilijkere lezing ('lectio dificilior') de voorkeur verdient, willen handhaven, staan wij voor de opdracht om een in het verband passende verklaring te geven. Als wij bovendien ook de andere z.g. zwijgtekst (1 Tim. 2:11vv) niet aan Paulus ontzeggen en tevens vast willen houden aan de door ons gegeven uitleg van 1 Kor. 11:1vv, staan we voor een moeilijke taak.



Deze taak willen wij niet uitvoeren zoals Werner de Boor dat doet (a.w., S. 245ff). Hij herinnert aan de opmerking van Leipold ('Die Frau in der Antiken Welt und im Urchristentum') die zegt, dat een verschillende plaatsing van een tekstgedeelte door overschrijvers van een handschrift er meestal een bewijs van is, dat dat tekstgedeelte later is toegevoegd (als een glosse in de marge die door overschrijvers verschillend in de tekst werd geplaatst). Inmiddels acht hij het mogelijk, dat Paulus - hoewel in de vorm van een absoluut spreekverbod - niet meer bedoelt dan de vrouw buiten te sluiten van het z.g. leergesprek, omdat zij zich daarin zou verheffen boven de man. De Boor verklaart echter dit verbod om te spreken aan de vrouw als een aansluiting van Paulus aan de cultuurwereld van zijn dagen (in de Grieks-Romeinse zowel als in de Joodse wereld gold de zwijgende vrouw als iets vanzelfsprekends). En Paulus wilde nu eenmaal niet, dat de christelijke gemeenten ook in hun aan de vrouw toegekende rechten als revolutionair bij de buitenwacht zouden overkomen. De Boor verbindt daaraan dan de conclusie, dat de christelijke gemeente in onze cultuur waarin de sprekende vrouw iets vanzelfsprekends is, zich ook geen houding mag veroorloven tegenover de vrouw die daar haaks op staat.'Wenn feinste und edelste Frauen von der Parlementstribüne sprechen, kann die Frau auf der Kanzel nicht auf einmal eine Schände sein'.
18. Het lijkt beter om voorkeur te geven aan die handschriften die lezen 'de vrouwen' en niet die lezen 'uw vrouwen'. Hoewel vs.35 lijkt te veronderstellen, dat het hier vooral gaat om gehuwde vrouwen ('haar eigen mannen' thuis). Niettemin is er geen grond voor de bewering, dat Paulus de ongehuwde vrouw meer vrijheid van spreken zou toestaan dan de gehuwde,
19. Het Griekse werkwoord 'laleoo' - spreken in vs. 34 een andere betekenis geven dan elders in dit hoofdstuk (b.v. in vss.27 - 29) is niet verantwoord. Men kan er moeilijk in dit verband 'lallen' van maken. Dat zou hier bepaald een 'frauenfeindliche' uitspraak van Paulus zijn.
2O. Het Griekse werkwoord 'hupotassoo' = onderwerpen. Hier in de bevelende vorm (passief): zij moeten onderworpen zijn. Een enkel handschrift voegt toe: aan de mannen. Wanneer wij dit apostolisch gebod van onderworpenheid aan het adres van de vrouw lezen tegen de achtergrond van vs. 32, waar van de geesten der profeten worden gezegd, dat zij aan de profeten onderworpen zijn, beseffen we, dat hier niet een bepaalde groep in de gemeente (vrouwen) gediscrimineerd wordt, maar dat ook de vrouw op haar tijd dient terug te treden en de leiding uit handen dient te geven.
21. 'Leren' is hier niet 'didaskoo' (Gr.) - onderwijs geven, maar wat de Duitser noemt 'lernen' (Gr.'manthanoo') - door elkaar vragen te stellen nader inzicht en instructie ontvangen (zie vs.31).

22. We mogen hier naast de in noot 17 genoemde publicaties ook verwijzen naar J. Hoek, Man en vrouw naar Gods beeld, een bijbelse bezinning (Reformatiereeks), Kampen 1984 en J. Hoek/ A.B.F. Hoek-van Kooten, Man en vrouw in Gods weg, (Reformatiereeks), Kampen 1985).
23. Opvallend is ook het meervoud 'gemeenten' in vs.34. J. Calvijn (a.w. blz. 245) schrijft: 'Het leerambt is een stedehouderschap in de gemeente.' Het zou dus strijden tegen de onderworpenheid van de vrouw, als zij het gezag van dit publieke leerambt zou hebben. 'En voorwaar, waar de eerbaarheid der natuur plaats heeft, daar zijn de vrouwen in alle eeuwen van de openbare bediening uitgesloten geweest'.
24. 'Katantaoo'(Gr.) = naar of over iemand/ iets komen. Vgl. Hand. 16:1.
25. Een aantal (o.a. de Westerse) handschriften heeft hier het meervoud.
26. Gr. 'agnoeitai' = die is niet ge- of erkend. Bedoelt Paulus: ik erken zo iemand niet? Of: de kerk erkent zo iemand niet? Of:God erkent hem niet? Vermoedelijk het laatste. Vgl. voor het Griekse werkwoord 'epignooskoo' 1 Kor. 13:12 en voor agnoeöo' 1 Kor. 1O:1; 12:1. Een aantal handschriften heeft 'agnoeitoo' = die moet maar onwetend blijven. Zie R. Bultmann in G.Kittel, a.w., Bnd. I S. 17. Hij vertaalt met: die mag onverstandig blijven.
27. Gr.'euschèmonoos' = adequaat, passend. F.J.Pop, a.w., blz. 343 zegt, dat dit een aanduiding is van het fatsoens-en decorumbegrip van de antieke wereld. Philo en Josephus gebruiken dit woord ook voor de orde en regel binnen de godsdienstige gemeenschappen der Joden; ook in Qumran mocht niemand voor zijn beurt en zijn rang spreken.
'Kata taxin' (van het Griekse 'tasso' - ordenen) = geordend. Ook dit woord herinnert volgens Pop aan wat in de toenmalige wereld de mormale orde werd geacht te zijn (de slagorde van een leger, de orde van de kalender, de opzet van een rede, de orde van de staat, de orde van de kosmos, de orde van iedere vorm van eredienst). 'Paulus gebruikt derhalve voor de ordeproblemen bescheiden, conventionele, algemeen-menselijke en civiele begrippen en regelt op deze wijze het verkeer in Gods huis'. (P.A.v. Stempvoort, Decorum, orde en mondigheid in het Nieuwe Testament, Nijkerk 1956, blz. 5vv).'

G E S P R E K S V R A G E N
1. Wat kan Paulus bedoelen, als hij in vs. 28 schrijft, dat men tot zichzelf moet spreken en tot God?
2. De Geestesgave van de profetie krijgt onder ons gestalte in de ambtelijke bediening van Gods Woord op de kansel. Vindt u dit de enige vorm van profetie of moet er ook plaats voor zijn onder de kansel/ in de gemeente?
3. Wat zou ermee bedoeld zijn, als in 1 Kor.14 door de apostel steeds wordt gezegd, dat men de profetie in de gemeente ook moet beoordelen?
4. Calvijn schrijft in zijn commentaar op 1 Kor.14, dat het ontbreken van de grote verscheidenheid van Geestesgaven (als in Korinthe) voor ons een reden tot verootmoediging moet zijn ('wij zijn niet bekwaam noch waardig om Zijn gaven te ontvangen'). Hoe oordeelt u over deze uitspraak?
5. Uit vs. 33 en 4O blijkt, dat een 'kerkorde' waarin orde op zaken wordt gesteld voor de gemeenten in het algemeen een nodige zaak is. Maar kan een kerkorde met allerlei voorschriften ook niet iets zijn dat ons in onze vrijheid belemmert? Wat zegt ons in dit verband vs.36?
6. Wat moeten we verstaan onder wat in vs. 34, 35 aan het adres van de vrouwen in de gemeente wordt gezegd: 'Dat de vrouwen zwijgen in de gemeenten?'Is dit een absoluut spreekverbod?





  • Spreken is zilver, zwijgen goud
  • Toetsing/ onderworpenheid
  • Baas in eigen huis

  • Dovnload 80.97 Kb.