Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wat dichtbij komt laat sporen na

Dovnload 292.47 Kb.

Wat dichtbij komt laat sporen na



Pagina1/4
Datum02.01.2019
Grootte292.47 Kb.

Dovnload 292.47 Kb.
  1   2   3   4


WAT DICHTBIJ KOMT LAAT SPOREN NA


OVERDRACHT EN TEGENOVERDRACHT IN SUPERVISIE

Eindwerkstuk supervisiekunde II Hogeschool Windesheim

Wies Brinkhof, januari 2002

Begeleiding: Bea Jongema


WAT DICHTBIJ KOMT LAAT SPOREN NA




VOORWOORD 2

HOOFDSTUK 1

Inleiding en probleemstelling 3
HOOFDSTUK 2

Overdracht en tegenoverdracht in de hulpverleningsrelatie 9

    1. Overdracht en tegenoverdracht volgens Bouwkamp 9

      1. De visie van Bouwkamp op overdracht en tegenoverdracht 9

      2. Condities waaronder overdracht en tegenoverdracht optreden 11

      3. De relatie tussen overdracht/tegenoverdracht en confrontatie 12

    2. Overdracht en tegenoverdracht volgens Boswijk-Hummel 13

      1. De visie van Boswijk-Hummel op overdracht en tegenoverdracht 13

      2. Condities waaronder overdracht en tegenoverdracht optreden 13

      3. De relatie tussen overdracht/tegenoverdracht en confrontatie 14

    3. Overdracht en tegenoverdracht volgens Ford 14

      1. De visie van Ford op overdacht en tegenoverdracht 14

      2. Condities waaronder overdracht en tegenoverdracht optreden 14

      3. De relatie tussen overdracht/tegenoverdracht en confrontatie 15

    4. Conclusies 15


HOOFDSTUK 3

Overdracht en tegenoverdracht in de supervisierelatie 16

    1. Supervisie en leren in supervisie: een omschrijving 16

    2. Het onderscheid tussen hulpverlening en supervisie 18

    3. Overdracht en tegenoverdracht volgens Körner 18

3.3.1. De visie van Körner op overdracht en tegenoverdracht 18

3.3.2. Condities waaronder overdracht en tegenoverdracht optreden 19 3.3.3. De relatie tussen overdracht/tegenoverdracht en confrontatie 19



    1. Overdracht en tegenoverdracht volgens Weisfelt 20

3.4.1. De visie van Weisfelt op overdracht en tegenoverdracht 20

3.4.2. Condities waaronder overdracht en tegenoverdracht optreden 20

3.4.3. De relatie tussen overdracht/tegenoverdracht en confrontatie 21


    1. Conclusies 21


HOOFDSTUK 4

De hantering van overdracht en tegenoverdracht in supervisie 24

    1. Bewustwording van overdracht en tegenoverdracht 24

    2. Leeraspecten van overdracht en tegenoverdracht voor de supervisant 26

    3. Leeraspecten voor de supervisor 27

    4. Hantering overdracht en tegenoverdracht en supervisiedoelen 29.


HOOFDSTUK 5

Conclusies en aanbevelingen 31
LITERATUURLIJST 33

VOORWOORD

Dit afstudeerverslag is mijn laatste activiteit voor de opleiding supervisiekunde aan de Hogeschool Windesheim te Zwolle.

Zonder de docenten, medestudenten en supervisanten was mijn ontwikkeling tot supervisor niet mogelijk geweest. Hen wil ik bedanken voor wat ik van hen geleerd heb.

Bea Jongema wil ik bedanken voor de wijze waarop ze mijn eindwerkstuk begeleid heeft.

Voor de inhoudelijke feedback wil ik Agnes bedanken en in het bijzonder Wilma, vooral voor de boeiende gesprekken die we hadden over overdracht en tegenoverdracht, het thema van dit eindwerkstuk.

Wies Brinkhof, januari 2002

INLEIDING EN PROBLEEMSTELLING

Geluk is:

Wanneer datgene wat je denkt, wat je zegt en wat je doet

in harmonie zijn.


Mahatma Gandhi
Een heel herkenbaar thema binnen supervisie is het zoeken naar balans, naar evenwicht, naar innerlijke groei bij de supervisant. De supervisant zoekt naar een gevoel van harmonie in het werk, wat kan betekenen: de taken aankunnen waar je voor staat, de hulp verlenen die van je verwacht wordt en je daar als werker capabel in voelen. Binnen supervisie wordt dit omschreven als het werken aan geïntegreerd functioneren: op het eerste niveau in denken, voelen en handelen en op het tweede niveau: als persoon binnen het beroep en in de organisatie.
Ook de supervisor, in opleiding of afgestudeerd, zoekt naar een balans in het supervisie geven, naar het op een competente wijze begeleiden van supervisanten, als werkers in hun beroep. Naast de kennis, waarover de supervisor dient te beschikken, vraagt dit ook nogal wat van houding en vaardigheden van de supervisor om het supervisieproces goed te laten verlopen. Vanuit de ervaring, die ik inmiddels als supervisor heb opgedaan, is het mij duidelijk geworden dat een goede samenwerkingsrelatie met de supervisant voorwaarde is om een veranderingsproces goed te kunnen begeleiden, maar dat dit niet betekent dat er altijd sprake kan of moet zijn van harmonie.
Het gevoel in balans te zijn kan soms tijdens de supervisie ontstaan: de supervisant heeft een nieuw inzicht, ontdekt iets te durven wat zij niet van zichzelf gedacht had en heeft meer zelfvertrouwen ontwikkeld, waardoor ze als een capabele hulpverlener kan functioneren.

Ook de supervisor kan dit soort harmonie-ervaringen hebben tijdens het supervisieproces: het is gelukt de supervisant naar haar eigen houding in het werk te laten kijken, naar sterke en zwakke kanten en deze nieuwe inzichten te vertalen naar ander handelen. Daardoor wordt het zelfstandig en geïntegreerd functioneren van de supervisant vergroot, het doel van supervisie. De supervisor voelt zich een capabele supervisor. In goede samenwerking is de supervisant gekomen tot een hoger niveau van integratie.


Soms verloopt het anders in supervisie. Het streven naar harmonie, vanuit de supervisant of vanuit de supervisor, kan juist tegengesteld werken aan de doelen, die in supervisie bereikt moeten worden. Als het verlangen naar harmonie te sterk is kan dit er toe leiden dat zaken, die mogelijk tot een conflict kunnen leiden in de supervisie, toegedekt worden. Het kan dan nodig zijn dat bepaalde reactiepatronen van de supervisant aangepakt worden, omdat deze patronen zich ook in de werksituatie kunnen voordoen.

In supervisie wordt dit het parallelproces genoemd. Zo kan een supervisant er moeite mee hebben om op het werk conflicten aan te gaan. Ze probeert ook mogelijke conflicten in supervisie, bijvoorbeeld over te laat komen of geen inbreng inleveren, te vermijden. Wanneer deze processen in de werksituatie én in de supervisie een rol spelen kan een doorbraak in supervisie leiden tot een veranderde opstelling in de werksituatie.


In de supervisies, die ik de afgelopen jaren gegeven heb en zelf heb gehad, ben ik meerdere van die parallelprocessen, zich herhalende patronen, tegengekomen zowel bij supervisanten als bij mijzelf als supervisor.Vaak bleken deze strategieën al lang te bestaan en soms te herleiden te zijn tot patronen, samenhangend met de relaties thuis en met de socialisatie: het proces van opgroeien en het ontwikkelen van een eigen identiteit.
Zo ben ik vanuit mijn eigen opvoeding en socialisatie geneigd conflicten toe te dekken en confrontaties te vermijden. Het antwoord op de vraag welke invloed dit heeft op mijn wijze van supervisie geven en tot welke effecten dit leidt binnen de supervisierelatie werd mij vrij snel duidelijk: ik ging confrontaties uit de weg en was erg voorzichtig wanneer spanningen dreigden. Ik gaf hierbij mijn eigen grenzen onvoldoende aan en bleef de aardige supervisor, ook al dacht ik anders.
Wanneer irritaties niet worden uitgesproken of niet bespreekbaar worden gemaakt door de supervisor kunnen deze een rol gaan spelen in de onderlinge communicatie. Dit kan leiden tot verborgen conflicten, die gevoelens oproepen, gerelateerd aan eerdere relaties, waarin bedekte of openlijke conflicten een rol speelden. De oorsprong van bepaalde reactiepatronen ligt dus mogelijk in de opvoeding en is beïnvloed door latere levens- en werkervaringen.
Als orthopedagoog ben ik geïnteresseerd in alles wat met opvoeding te maken heeft en derhalve ook in de herhaling van opvoedingspatronen. Ieder mens heeft een levensverhaal, waarin naar voren komt hoe iemand zin en betekenis aan zijn leven geeft, hoe het leven nu beleefd wordt en hoe dat vroeger is geweest.

In de hulpverlening werken bijvoorbeeld veel mensen die hopen dat ze voor een ander iets kunnen betekenen, voor een ander willen zorgen. Vaak is die zorg voor anderen al op jonge leeftijd begonnen, bijvoorbeeld door de positie die ze in het gezin hadden of door bepaalde gebeurtenissen in het leven. Er is een bepaalde opstelling ten opzichte van leven en werken, waar normen en waarden, overtuigingen, opvattingen en meningen in tot uiting komen, die vaak te herleiden zijn tot wat thuis van een kind of jongere verwacht werd of wat een kind zichzelf tot taak stelde, meestal gekoppeld aan een bepaalde waardering die dit opleverde van ouders en omgeving.

Supervisie start vaak met het socialisatieverhaal, zodat zowel de supervisant als de supervisor zicht krijgen op de patronen die van invloed zijn op iemands denken, voelen en handelen. Het levensverhaal vormt als het ware de ondergrond voor het eerste integratieniveau. Hierop wordt voortgebouwd om integratie op het tweede niveau te bereiken: het functioneren als persoon binnen de context van beroep en organisatie.

In supervisie wordt gewerkt aan veranderingsprocessen, waarbij ook de ervaringen met eerdere veranderingsprocessen, zoals in de opvoeding, naar voren komen. Als iemand als kind niet geleerd heeft bepaalde gevoelens te uiten, bijvoorbeeld boosheid, kan het confronterend zijn wanneer deze vaardigheden in de werksituatie wel vereist zijn, bijvoorbeeld in het omgaan met pubers met gedragsproblemen. Dit vergt alsnog het leren hanteren van boosheid. De supervisant kan dit als leervraag inbrengen in supervisie.Vaak zal dan gezocht worden naar eerdere situaties, waarin boosheid optrad. De supervisor kan de volgende vragen stellen: “Hoe reageerde je als kind als je boos was?” of “In welke andere situaties ben je wel eens boos geweest? Wat deed je toen?” Door situaties te analyseren en nieuwe gedragspatronen te bespreken en te oefenen wordt concreet gewerkt aan het beter leren integreren van dit gevoel in het denken en handelen.


De supervisant kan ook in de supervisierelatie ervaringen opdoen, die boosheid bij haar oproepen welke zij niet durft te uiten. Zij kan dan, onbewust, terugdenken aan de thuissituatie, waarin boosheid ten aanzien van ouders niet geuit mocht worden en een opstelling kiezen die vergelijkbaar is met het kleine meisje toen. De gevoelens van toen, gericht op de ouders, worden geprojecteerd op de supervisor. We spreken dan van overdracht.

De supervisor wordt geconfronteerd met vermijdingsgedrag of met heftige emotionele reacties, die niet direct te plaatsen zijn. Door aan dit soort patronen aandacht te besteden kan de supervisant meer zicht krijgen op wat er speelt in haar functioneren, in dit geval in de supervisierelatie, maar mogelijk ook in werk- en andere relaties.


Hoewel de opvoedings- en supervisierelatie op veel punten niet vergelijkbaar zijn is er een punt van overeenkomst, wat mogelijk overdracht zou kunnen uitlokken.

De supervisierelatie is een ongelijkwaardige relatie, waarbij de macht van de supervisor soms duidelijk voelbaar is voor de supervisant. De hiërarchische aspecten in de supervisierelatie leiden mogelijk tot het optreden van overdracht bij de supervisant. Ook zou de afhankelijkheid van de supervisant ten opzichte van de supervisor kunnen leiden tot tegenoverdracht, gevoelens van de supervisor die opgeroepen worden door de supervisant.. In hoofdstuk 4 kom ik terug op dit thema over hoe om te gaan met de machtsfactor in supervisie in relatie tot het optreden van overdracht en tegenoverdracht.


Samengevat: wanneer sprake is van herhaling van bepaalde patronen en de daarmee samenhangende reacties vanuit de eigen opvoedingssituatie of vanuit daarna opgedane ervaringen binnen andere relaties kan gesproken worden van overdracht. Tegenoverdracht treedt op wanneer de supervisor, eveneens vanuit eerdere (opvoedings-)relaties, met overdrachtsgevoelens reageert op hetgeen de supervisant inbrengt. Tegenoverdracht is de overdracht van de supervisor.
Beide processen, zowel overdracht als tegenoverdracht, herken ik vanuit het supervisie geven. De supervisie-ervaringen met een supervisante, die ik Hester zal noemen, zijn hier een illustratie van. Vanuit de supervisiepraktijk zal ik eerst ingaan op hoe overdracht en tegenoverdracht in deze supervisie naar voren kwamen om vervolgens als illustratie van de theorie in hoofdstuk 2 enkele thema’s verder toe te belichten, cursief weergegeven. Ik doe dit in de vrouwelijke vorm, maar waar zij staat kan ook hij gelezen worden.

Hester is een vriendelijke, zeer gemotiveerde supervisant, die haast opgebrand is door het vele overwerk en door alle taken die ze naast haar werk op zich neemt. Ze vraagt zelf om supervisie om in dit patroon verandering te brengen.

Ik bemerkte dat zij in haar kindertijd een aantal ervaringen had opgedaan, die vergelijkbaar waren met mijn eigen ervaringen als kind. Zo zag ik overeenkomsten in de verhoudingen binnen het gezin, in de opvoedingsstijl van ouders, de normen en waarden die overgedragen waren en in reactiepatronen, c.q. overlevingsstrategieën. In haar inbreng kwam een ook voor mij herkenbaar patroon naar voren: investeren, doorzetten en over je eigen grenzen heengaan, bijvoorbeeld wat betreft meer werken dan de werktijd die afgesproken is, je niet ziek melden als daar wel aanleiding voor is, etc. Aanvankelijk toonde ik veel begrip en erkenning, waarbij ook een rol dat ik haar erg graag mocht. Daarna kwam ik op een punt dat ik, als supervisor, haar wilde confronteren met dit patroon en haar wilde uitnodigen om stil te staan bij vragen als “Waar liggen je grenzen?” en “Wat wil jij?” Ze liet zich hier moeilijk op aanspreken en reageerde met: “Het gaat goed, ik doe het altijd zo”. Er was weerstand om naar deze patronen te kijken en er afstand van te nemen, c.q. afstand van te doen.

Voor haar gold dat er niemand geweest was, die haar destijds thuis ondersteund had. Ze had het altijd zelf gered, kon zich geen zwakheid permitteren of grenzen aangeven. Dus ook nu niet in supervisie. De boodschap naar mij als supervisor was “laat mij maar”, zoals dat ook destijds haar boodschap naar haar ouders was.


Vanuit mijn eigen thuissituatie was haar achtergrond herkenbaar: de vader fysiek of emotioneel op afstand, waarbij de moeder een beroep deed op ondersteuning door het kind, c.q. erop rekende dat het kind zichzelf zou redden. Het patroon, als kind aangeleerd, van sterk moeten zijn, het zelf uitzoeken, accepteren dat je zelf niet met emoties/gevoelens komt, is een eigen bestaan gaan leiden en vormt een soort leidraad in het latere leven, zowel bij Hester als bij mijzelf.

De weerstand van Hester tegen verandering van dit patroon was voor mij als persoon begrijpelijk en invoelbaar. Ik gaf haar alle ruimte om te vertellen en stemde mij volledig af op de supervisant. Echter, ik voelde mij als supervisor steeds machtelozer. Ik raakte geïrriteerd: ik ergerde mij steeds meer aan de rol die ik kreeg toebedeeld, namelijk die van luisteraar, terwijl zij de touwtjes in handen nam en mijn inmenging in haar proces niet accepteerde. Ook ergerde ik mij aan het drukke gedrag van de supervisant: ze was steeds aan het woord, luisterde niet, liet mij niet uitpraten en gaf mij geen ruimte.

De supervisierelatie dreigde verstoord te raken door overdracht en tegenoverdracht. Daarnaast werd ook het supervisieproces erdoor stilgelegd: ik had het gevoel dat we niet opbouwend aan het werk konden aan punten, die wel als werkmateriaal waren ingebracht, zoals het overbelast zijn en over eigen grenzen heengaan. Ze wilde graag supervisie om hier beter mee te leren omgaan en blokkeerde mijn inziens het werken aan deze doelen.
Uiteindelijk besloot ik haar in de volgende supervisie met haar gedrag te confronteren en woorden te geven aan mijn ongenoegen. Na aanvankelijk op een vriendelijke manier haar houding aan de orde gesteld te hebben, waarbij de boodschap niet overkwam, koos ik een andere strategie. Als supervisor ging ik mij confronterend opstellen in de trant van:

“Je noemt als leervraag in supervisie dat je dit patroon van steeds maar doorgaan niet weet te stoppen en hier graag hulp bij wil. Als we er verder op doorgaan wil je graag dat ik eraf blijf. Wat wil je? Heeft de supervisie wel zin?”.

Dit riep verzet op bij de supervisant: ze ging in de verdediging. Ze zei dat ze er wel hard aan werkte en erg veel baat had bij de supervisie. Ik was geneigd haar hierin te volgen, mede doordat ik mij als supervisor door haar gewaardeerd voelde. Ik heb bevestigd dat het mij goed deed te horen dat er door de supervisie veranderingen op gang waren gekomen, maar dat ik opnieuw met haar wilde bespreken hoe we hier in supervisie aan werkten en dat ik mij afvroeg of dit de meest effectieve manier van werken was. Ik heb mijn irritaties benoemd en mijn verwachtingen voor het vervolg van de supervisie uitgesproken. Zij vond haar gedrag herkenbaar, met name de houding van een ander niet toelaten, ook in andere situaties. Ze wilde in supervisie eraan werken om hierin een andere opstelling te kunnen kiezen, wanneer dit patroon zich opnieuw zou voordoen. We hebben hierna opnieuw haar leerdoelen besproken en geëvalueerd hoe ver ze hierin gevorderd was en waar ze aan verder wilde werken, zodat als het ware opnieuw een supervisiecontract werd vastgesteld.
Terugkijkend op deze supervisie zie ik dat de harmonie in de supervisierelatie verstoord was geraakt. Van volgend, herkennend, bevestigend stapte ik, mede hierin gestimuleerd door mijn eigen Supervisie over Supervisie, ofwel SOS, over naar confronterend gedrag, haar aansprekend op haar verantwoordelijkheden. Deze confrontatie werkte aanvankelijk verwarrend en maakte de afstand tussen Hester en mij als supervisor eerder groter. In mijn irritatie was ik feitelijk de boze ouder, die haar, als een onwillig kind, ter verantwoording riep: een uiting van mijn tegenoverdrachtsgevoelens. Impliciet speelde ook de hiërarchie in de relatie een rol. Ik had het gevoel dat zij de macht overnam en mij als supervisor op een zijspoor zette. Ik wilde hier niet aan meewerken. Ik benoemde dat, als er geen werkbare basis te vinden zou zijn, ik als supervisor overwoog de supervisie te stoppen.
Nadat ik het patroon van haar zichtbaar had gemaakt door het te benoemen konden we kijken naar welke functie dit patroon voor haar had. Door het maken van een genogram en door een gesprek over haar positie in de thuissituatie, zoekend naar hoe deze reactiepatronen toen waardevol waren, ging ze inzien waarom dit gedragspatroon belangrijk was voor haar als kind. Ze ging beseffen, dat ze nu zelf kon kiezen welke positie ze zou willen innemen in werk- en andere relaties. Door hiermee aan het werk te gaan werden ook onderliggende gevoelens bespreekbaar, eveneens samenhangend met de vroegere situatie thuis.

Door haar voelen, denken en handelen opnieuw te doorleven werd de integratie op het eerste niveau vergroot. Ze kon kijken naar het overlevingsgedrag, dat ze als kind in de thuissituatie ontwikkeld had en dat haar als volwassene soms hinderde in haar functioneren. Ze kon teruggaan naar de bron van deze gevoelens en daardoor een andere houding aannemen tegenover dit patroon. Ze kon nu ook beter de waardevolle elementen benoemen, die het patroon van destijds haar opgeleverd had, zoals haar doorzettingsvermogen en haar daadkracht. Hierna was ze in staat een betere balans te vinden in haar werk- en leefsituatie. Een betere integratie op het tweede niveau werd mogelijk. Ze leerde beter te luisteren naar haar eigen behoeften en op tijd grenzen aan te geven. Doordat ze merkte hoe belangrijk dit voor haarzelf was, kon ze ook aan anderen meer ruimte bieden om met gevoelens te komen en grenzen aan te geven.


Zowel bij haar als supervisant als bij mij als supervisor ontstond er opluchting, nadat besproken was wat in de supervisierelatie een belemmerende rol speelde.

Het bespreken van haar overdrachtsgevoelens, “laat mij het zelf bepalen”, en mijn tegenoverdracht, mijn irritatie over haar afwerende gedrag, bood helderheid over wat er speelde in de supervisierelatie, waarna ruimte ontstond voor een nieuwe fase in het supervisieproces.


Vanuit de supervisiedoelen en werkwijze was het een goede stap geweest om haar te confronteren met deze, zich herhalende, patronen, zoals die ook in de supervisierelatie optraden.Door niet toe te dekken wat er speelde, maar de confrontatie aan te gaan kwamen essentiële leerpunten naar voren. Blijkbaar was de relatie veilig genoeg om grenzen aan te geven, de confrontatie aan te gaan en de verbondenheid te behouden.

Het benoemen van overdracht- en tegenoverdrachtgevoelens heeft waarde gehad voor het supervisieproces en voor de supervisierelatie.



PROBLEEMSTELLING

Ik wist tijdens de supervisie niet precies hoe overdracht en tegenoverdracht een rol speelden en welke processen daarmee samenhangen. Dit riep de volgende vragen op:




  • Roept confrontatie overdracht op?

  • Treden overdracht en tegenoverdracht gelijktijdig op?

  • Maken overdracht en tegenoverdracht een confrontatie onvermijdelijk?

  • Welke rol speelt hiërarchie, c.q. de macht van de supervisor, in een dergelijke situatie waardoor mogelijk overdracht en tegenoverdracht uitgelokt worden?

Ik hoop door overdenking en theoretische verdieping meer duidelijkheid te krijgen over de rol van processen van overdracht en tegenoverdracht in de supervisierelatie, waarbij ik in hoofdstuk 4 de volgende vragen zal beantwoorden:




  1. Hoe kan ik mij bewust worden van processen van overdracht en tegenoverdracht in supervisie?

  2. Wat kan de supervisant ervan leren?

  3. Wat kan ik ervan leren, als supervisor?

  4. Hoe hanteer ik overdracht en tegenoverdracht op constructieve wijze, gerelateerd aan de supervisiedoelen?

Mijn vraagstelling luidt:


Welke rol spelen processen van overdracht en tegenoverdracht in supervisie en hoe kan ik overdracht en tegenoverdracht hanteren gerelateerd aan de supervisiedoelen?
De opbouw in mijn verhaal is als volgt:

eerst zal ik de begrippen overdracht en tegenoverdracht verhelderen vanuit de hulpverlening bezien (hoofdstuk 2), om vervolgens dieper in te gaan op wat geschreven is over de rol, die de processen overdracht en tegenoverdracht binnen de supervisierelatie spelen (hoofdstuk 3). Daarna zal ik beschrijven hoe deze processen in de praktijk van het superviseren te hanteren zijn (hoofdstuk 4). In de conclusies en aanbevelingen zal ik weergeven welke betekenis overdracht en tegenoverdracht voor de het supervisieproces en voor de supervisierelatie kunnen hebben.



2.OVERDRACHT EN TEGENOVERDRACHT IN DE HULPVERLENINGSRELATIE
In dit hoofdstuk zal ik een nadere definiëring geven van de begrippen overdracht en tegenoverdracht, zoals beschreven vanuit de hulpverlening. Waar mogelijk zal ik, in cursief, lijnen aangeven met wat ik vanuit de literatuur herken in mijn eigen supervisieproces, zoals beschreven in de inleiding.


  • Wat is overdracht en tegenoverdracht: definiëring.

  • Wanneer treedt overdracht en tegenoverdracht op, onder welke condities?

  • Welke relatie bestaat er tussen overdracht/tegenoverdracht enerzijds en confrontatie in supervisie anderzijds?

  • Welke overeenkomsten en verschillen zijn er in de beschrijving van overdracht en tegenoverdracht in de relatie hulpvrager-hulpverlener bij Roel Bouwkamp in Psychosociale therapie en Riekje Boswijk-Hummel in Liefde in wonderland en Debbie Ford in Licht op de schaduw?



2.1. Overdracht en tegenoverdracht: definiëring
Overdracht en tegenoverdracht zijn bij uitstek termen uit de psychoanalytische therapie. Overdracht wordt omschreven als: “De analysant beleeft de gevoelens ten opzichte van centrale figuren uit zijn jeugd opnieuw, maar nu worden die gevoelens geprojecteerd op de psychoanalyticus. De analyticus wordt vereenzelvigd met de sleutelfiguren.”

(Prisma van de psychologie, p. 206).


De term overdracht kan overdrachtelijk gezien worden als metafoor: het pakketje doorgeven. Overdracht en tegenoverdracht ontstaan wanneer onverwerkte gevoelens, wensen, behoeften en onverwerkte frustraties, die thuishoren in een eerdere (opvoedings-) relatie, geprojecteerd worden naar een andere persoon.

Algemeen wordt erkend dat in meerdere relaties sprake kan zijn van overdracht, zoals bij leraar-leerling, werkgever-werknemer, binnen supervisie zowel tussen supervisor en supervisant, als tussen supervisanten onderling, bijvoorbeeld in een groepssupervisie.

Om na te gaan of overdracht samenhangt met een bepaalde afhankelijkheidsrelatie, zoals genoemd in de voorbeelden, wil ik dieper ingaan op de opvattingen van drie schrijvers over overdracht en tegenoverdracht in de hulpverlening, namelijk Roel Bouwkamp, Riekje Boswijk-Hummel en Debbie Ford.
2.1.1. De visie van Bouwkamp op overdracht en tegenoverdracht
Roel Bouwkamp verwijst voor de uitleg van het begrip overdracht naar de psychoanalyse en omschrijft overdracht als: “het ervaren van gevoelens, driften, houdingen, fantasieën en weerstanden ten aanzien van een persoon in het heden (in casu de therapeut), die niet het werkelijke object van deze gevoelens en emotionele reacties is” (Bouwkamp, 1999).

Bouwkamp spreekt van “ervaringserfgoed”: de ideeën, gevoelens en gedragingen die zijn doorgegeven in de opvoeding, zijn geïnternaliseerd. Een deel, het inhoudelijke facet, heeft betrekking op wat een kind wel en niet toegestaan is te ervaren en te uiten. Een kind wil erkenning van zijn autonomie, van een eigen bestaan, wil zelf kunnen bepalen, maar wil ook verbondenheid, het relationele facet. Het moet leren om samen te leven zonder zichzelf of anderen tekort te doen. Dit betekent dat we moeten leren omgaan met conflicten, wanneer de balans tussen autonomie en verbondenheid verstoord raakt. Als het niet toegestaan wordt bepaalde gevoelens, gedachten en gedragingen te uiten, wordt dat deel ontkent en genegeerd, terwijl het wel een rol kan spelen, zoals later in overdracht naar voren kan komen.

Het gehoorzamen aan wat verwacht wordt, c.q. kiezen voor verbondenheid, levert patronen op, die ook in latere relaties een rol spelen.

In het volgende schema is weergegeven hoe dit proces een rol speelt in de persoon zelf.




Figuur 1 Figuur 2


Toelichting:

1 = hoe de persoon zich uitdrukt.

2 = onderdrukkend gedrag, dat iemand naar het niet toegestane deel wil verplaatsen, maar zich wel bewust is.

3 = gevoelens, gedachten die om uitdrukking vragen.

4 = innerlijke dialoog, waarin veroordeling van en verzet tegen wat niet toegestaan is samenkomen.
Deze als ‘goed’ en ‘slecht’ ervaren delen, opgedaan in een hiërarchische relatie, gaan ook in andere relaties, zoals de partnerrelatie en in de hulpverleningsrelatie een rol spelen.

Het streven naar autonomie en naar verbondenheid ziet Bouwkamp daarbij als centrale thema’s. (Bouwkamp 1999).

Door ervaringen in andere relaties kan de verbindingslijn tussen het toegestane en niet-toegestane deel meer openingen gaan vertonen en worden niet-toegestane delen bewerkbaar (zie figuur 2). Daardoor kan ook hetgeen eerst niet toegestaan was ontwikkeld worden en bijdragen aan het gevoel van autonomie, mogen zijn wie je bent, en aan verbondenheid met anderen, omdat een vollediger relatie kan worden aangegaan.
Wat voor de cliënt geldt, geldt ook voor de therapeut.

De persoonlijke kwaliteiten van de therapeut zijn zeer bepalend voor het verloop van het therapeutisch proces en de resultaten daarvan (Bouwkamp, 1999). Naast persoonlijke kwaliteiten spelen ook persoonlijke beperkingen in de vorm van defensieve en irrationele reacties, aangeduid als tegenoverdracht, een rol.

“Zoals de cliënt bij overdracht zijn onbewuste reacties op ouderfiguren uit zijn verleden op de behandelaar projecteert, zo projecteert de behandelaar bij tegenoverdracht op analoge wijze zijn onbewuste reacties op figuren uit zijn verleden op de cliënt” (Bouwkamp, 1999).

Met andere woorden: de persoonlijke problemen en beperkingen van de therapeut beïnvloeden de interactie met de cliënt.

  1   2   3   4

  • Bea Jongema wil ik bedanken voor de wijze waarop ze mijn eindwerkstuk begeleid heeft.
  • Wies Brinkhof, januari 2002 INLEIDING EN PROBLEEMSTELLING

  • Dovnload 292.47 Kb.