Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wat is kunstbeschouwing

Dovnload 4.62 Mb.

Wat is kunstbeschouwing



Pagina1/16
Datum13.11.2017
Grootte4.62 Mb.

Dovnload 4.62 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

Wat is kunstbeschouwing
Binnen de kunsttheorie zijn er twee belangrijken methode van het kijken naar kunst. Dit zijn de iconografie en de morfologie.
De iconografie gaat vooral over de inhoud en betekenis van wat er te zien is.

De morfologie gaat over de vorm, de uiterlijke verschijning in de kunst: compositie, kleur, licht, ruimte enz.


Om op een iconografische manier een kunstwerk te analyseren heb je een grote kennis nodig van literatuur, filosofie, godsdienst, politiek, wetenschap, muziek, levenswijze enz.
Voor morfologie heb je kennis nodig van, kleur, compositie, licht, ruimte, gebruikte materiaal enz.
De morfologie gaat vooraf aan de iconografie, maar het is te simpel om dat dan als een opstapje te beschouwen. Een kunstwerk binnen de beeldende kunst bestaat bij gratie van zijn materiële verschijningsvorm. Het kunstwerk is een materieel object en heeft fysieke eigenschappen.
Over de jaren heeft de iconografie een dominante rol gespeeld in de kunstgeschiedenis. Iconografie heeft alleen een beperking omdat de specifieke betekenis van een bepaald beeld alleen hierop van toepassing is of eventueel op een bepaalde periode. De morfologie is van toepassing op alle kunst en een zinvolle benadering voor kunst die niet literair gefundeerd is.
Het oppositie model en begrippenparen
Heinrich Wolfflin heeft een model bedacht dat zich baseert op tegenstellingen.( dit model gaat meer over de stijl ) Oorspronkelijk was dit model bedoeld voor kunst uit de renaissance en de barok maar deze methode is ook toepasbaar op kunst uit andere periode en brengt op een heldere manier tegenstellingen in kaart met behulp van een vijftal begrippenparen:


  • Tektonisch atektonisch

  • Lineair picturaal

  • Plastisch ruimtelijk

  • Veelheid eenheid

  • Absolute relatieve

Duidelijkheid onduidelijkheid
Juist de benadering vanuit tegenstellingen werkt verhelderend, omdat de contrasten tussen twee kunstwerken (kriskras door de geschiedenis, maar ook uit een periode) juist specifieke en individuele kenmerken benadrukken: iets lijkt extra donker als je er iets lichts naast houdt, een rechte lijn lijkt rechter met een kromme lijn ernaast, een bewegelijke vorm lijkt dynamischer naast een statische enz.
De methode van dit boek gaat als volgt: eerst worden de technieken en materialen besproken, vervolgens komen de algemene beeldmiddelen aan bod: ordening, ruimte, licht, kleur, beweging enz. Indien van toepassing wordt aan het einde van elk hoofdstuk het model van Wolfflin aangehaald en worden er vanuit de tekst verklarende aanvullingen gedaan.

Aan de hand van genoemde morfologische aspecten zullen we proberen zoveel mogelijk beeld en vorminformatie uit het kunstwerk te halen zonder te rade te gaan bij de cultuurgeschiedenis.


Het grootste gedeelte van wat nu volgt is een opsomming van materialen en technieken en de betekenis van alle verschillende termen die te maken hebben met de morfologie. Hier een daar een voorbeeld van het oppositie model van Wolfflin.

Materiaal en techniek I
Het eerste waar we op zouden moeten letten is het materiaal dat een kunstenaar heeft gebruikt.

Het maakt nogal een verschil of een kunstwerk bestaat uit verf of glas of aan elkaar gelast schroot.



Het gebruikte materiaal zegt nog weinig over het kunstwerk. Als je een aantal schilderijen in olieverf met elkaar vergelijkt dan zal er in veel gevallen spraken zijn van verschillen dan overeenkomsten. Het is opmerkelijk hoeveel onderscheid we kunnen aanwijzen in kunstwerken die van hetzelfde materiaal is gemaakt.
Het is onmogelijk om alle verschillende materialen die gebruikt worden te noemen, hier volgt een beknopt overzicht.
Tekenen: waarschijnlijk e oudste manier en meest verbreide techniek om iets in beeld te brengen.
Materiaal:
Potlood  Er is tegenwoordig een zeer breed scala aan potloden beschikbaar, gewoon grafiet in verschillende hardheden, maar ook in alle kleuren van de regenboog, pastel, of aquarelpotloden enz.
Houtskool  misschien wel het meest artistieke tekenmateriaal, bestaat in verschillende diktes en hardheden. Tekening moet wel gefixeerd worden.
Krijt  bestaat uit koolstof, barietwit of rode aarde vermengt met klei.
Pastelkrijt levert de mogelijkheid om in ruime mate kleur toe te passen. Het bestaat uit pigment die vermengt zijn met krijt en Arabische gom.
Inkt  vloeibaar tekenmateriaal. De bekendste is Oost-Indische inkt (zwart), bruin voor b.v bister, en sepia de inkt van de inktvis.
Naast het genoemde bestaan er nog legio andere tekenmaterialen, zoals stiften, fineliner, verfstift, vetkrijt, oliekrijt, spuitbus, airbrush, vulpen, balpen enz.
Schilderen:
Bij de samenstelling van verf zijn pigment, bindmiddel en oplosmiddel essentieel. De basis, het pigment is bij alle verfsoorten gelijk, het verschil zit in het bindmiddel en oplosmiddel.
Fresco  bij het maken van fresco’s zit het bindmiddel niet in de verf maar op de drager. De drager is een klaklaag die vlak voor het schilderen vochtig gemaakt wordt. Zolang de laag vochtig is (fresco betekend vers) kan deze beschilderd worden.
Aquarelverf  is vergelijkbaar met frescoverf, maar zonder bindmiddel zouden de verfdeeltje als het water verdampt zo van het papier wegblazen. Er wordt als bindmiddel Arabische gom aan de verf toegevoegd.
Gouache  ook wel plakkaatverf genoemd. Vergelijkbaar met aquarelverf, alleen is deze verf dekkend er wordt een vulmiddel (krijt) aan toegevoegd.
Tempera Is gebaseerd op een emulsie, d.m.v. een emulgator treedt een chemische reactie op zodat water en olie zich vermengt. Het voordeel van tempera is dat het net zo snel droogt als gouache maar de verflagen vermengen zich niet met elkaar. Wanneer tempera direct op een wand of plafond wordt aangebracht noemt men dat secco (droog)
Acrylverf  bestaat uit pigmenten vermengt met synthetisch rubber. Deze verf laat zich mengen met water maar als het opgedroogd is, is de verf niet meer gevoelig voor water en blijft elastisch. Je kan de verf in dikke lagen aanbrengen maar ook zeer dun zodat er aquarelachtige effecten ontstaan.
Hier volgen een aantal termen m.b.t. de uiterlijke kenmerken van een kunstwerk:
Oppervlaktekwaliteit zegt iets over de verfstreek, de toets en de dikte ervan
Impasto  verf in zeer dikke laag aanbrengen. Impasto betekend gekneed. Ook wel haute pâte genoemd.
Ook wordt er aan olie of acrylverf zand, gips, kurk of stro toegevoegd, dit noemen we vulstof. Hierdoor ontstaat een reliëf op het doek. Dit is een overgangsstadium van 2d naar 3d.
Als er verschillende materialen door elkaar worden gebruikt, olieverf, tempera, aquarel, dan spreekt men oven gemengde techniek ook wel mixed-media genoemd.
Een techniek die niet vaak meer wordt toegepast is encaustiek. De verf bestaat uit pigment en was die na het aanbrengen wordt ingebrand op de ondergrond.
Grafiek
Grafiek betekent tekenen, krassen of graveren.
Het doel van gravures was van oorsprong niet kunstzinnig maar vanwege de reproduceerbaarheid hadden gravures meer een informatief karakter. Boekillustraties, devotiekaartjes, landkaarten. Vooral toen de fotografie dit documentaire karakter overnam zijn kunstenaar grafiek gaan gebruiken voor specifiek kunstzinnige doeleinde. Dit wordt dan vrije grafiek genoemd.

Grafiek laat zich in een viertal soorten onderverdelen: hoogdruk, diepdruk, vlakdruk en doordruk.


Hoogdruk  bv houtsnede of linosnede. Alles wordt weggesneden behalve het beeld. Het beeld blijft dus boven de rest van de drukvorm uitsteken. Kleuren variëren tussen de kleur van de inkt en de ondergrond, tussen tonen worden bereikt door arceringen, of eventueel de structuur van de drukvorm.
Diepdruk  twee belangrijkste soorten zijn de ets en de gravure. De gravure is de oudste vorm, de afbeelding wordt in gepolijste plaat getekend. Door verschillende druk op de burijn (puntig beiteltje) worden verschillende lijndiktes gecreëerd. Ook hier worden de middentonen d.m.v. arceringen gemaakt. Dit is een mechanische techniek. De ets daarin tegen is een chemische methode, hier wordt een gepolijste plaat een zuurbestendige laag aangebracht. Vervolgens tekent men de afbeelding met een etsnaald. Door de plaat in een etsbad te leggen wordt het gedeelte dat in de plaat is getekend door het zuur uitgebeten. Het grote verschil tussen deze twee technieken is dat bij een ets de lijnen veel brokkeliger zijn dan bij een gravure. Het karakter van een ets is wat vrijer, spontaner en schetsmatiger dan bij een gravure.

De derde vorm na diepdruk is de droge naald. Door het krassen in een plaat ontstaan eer bramen aan weerzijde van de lijn. Deze bramen houden inkt vast en kan vervolgen op een dragen gedrukt worden. Op deze manier kunnen niet veel reproducties gemaakt worden omdat de plaat snel verslijt. De lijnen krijgen door deze techniek een vaag en vloeiend karakter.


Vlakdruk steendruk of ook lithografie genoemd. Op het vlak wordt vet krijt of vette verf aangebracht. Bij het etsen vindt een chemisch proces plaats waarbij het inrollen met inkt de niet geëtste delen wel en de niet geëtste delen geen inkt opnemen. Een moderne methode van dit proces noemt met off-set.
Doordrukde bekendste manier van doordruk is zeefdruk. Op de zeef, een raamwerk bespannen met zijde, worden gedeelte met een soort lak bestreken, zodat de tekening uitgespaard blijft. Vervolgens wordt er onder de zeef een papier gelegd en doormiddel van een rakel inkt van de ene naar de andere zijde van de zeef gestreken zodat da inkt door de zijde gedrukt wordt, hierdoor ontstaat er een afbeelding.
Glas en mozaïek  glas en mozaïek worden beide gerekend tot de monumentale of toegepaste kunst. Glas in lood bestaat uit door oxyden gekleurd glas verbonden door loodstrippen. Gebrandschilderd glas wordt ook gebruikt, dit is glas dat gekleurd wordt met emailleverf dat vervolgens in een oven wordt gebakken. Mozaïek wordt gemaakt van een groot aantal stukjes marmer of glas dat in verse mortel gedrukt wordt.
Textiel  textiel is een aardige overgang van 2d naar 3d. Er zijn veel verschillende soorten van textiel. Haak en brei werk, of het samenvoegen van meerdere draden leidt tot weven. Daarnaast onderscheiden we nog borduurwerk. Stik en applicatiewerk geven de mogelijkheid om verschillende weefsels samen te voegen.
Driedimensionaal
Drie dimensionaal wil zeggen dat er spraken is van drie dimensies. De derde dimensie behelst de werkelijke ruimte. Beeldhouwkunst, sculptuur, plastiek zijn termen die gebruikt worden voor alle ruimtelijke werken.
Sculptuur  dit betekend beitelen of kappen. Dit is een subtractieve methode, er wordt materiaal weggehaald. Dit wordt gedaan met een spieijzer of job om grote stukken weg te slaan en met een ciseleerijzer worden kleinere stukken verwijderd. Tot slot wordt de steen geschuurd of gepolijst.

Verder zijn er nog twee begrippen: taille direct en taille indirect. Bij taille direct wordt er direct in de steen gekapt en bij taille indirect werkt de kunstenaar aan de hand van een model.

Hout is ook een materiaal waarin gekapt wordt, met gutsen en beitels, tegenwoordig gebruikt menig kunstenaar ook elektrisch gereedschap.
Plastiek  betekend modeleren. Dit is de additieven methode, er wordt materiaal toegevoegd. Bv klei, gips, was, kunststof enz.

Een bepaald soort plastiek is keramiek, dit wordt meestal gerekend tot de toegepaste kunst. Deze naam heeft zijn oorsprong van de pottenbakkerswijk in Athene Kerakeikos. Deze term betekend dus eigenlijk pottenbakken maar wordt tegenwoordig voor alles wat gebakken wordt gebruikt.

Een bronzen beeld is ook een plastiek, met behulp van hitte bestendige mallen en was worden de bronzen beelden gegoten.
De constructie  het opbouwen van een vorm uit verschillende materialen. Buis, plaat, draad. Dit wordt samengevoegd doormiddel van bouten, moeren, klinknagels en lassen. Constructies hoeven niet perse in metaal maar kunnen uit allerlei materialen bestaan: hout, kunststoffen, glas, leer, touw, bamboe, textiel enz.
De tot nu toe besproken veelal traditionele materialen en technieken zijn nog steeds in gebruik maar daarnaast is er een schijnbaar onuitputtelijke scala aan materiaal en technieken voorhanden waarmee gewerkt kan worden. De hedendaagse kunst kent wat dat betreft geen grenzen meer.
Verzamelingen  Een van de oudste vormen van kunst is de collage, gewoon materiaal zoals kranten, plaatjes, zeil, enz. worden op een ondergrond geplakt. (coller betekend plakken)

In het geval van ruimtelijke dingen die worden samengevoegd dan spreken we van assemblage. Tafelpoten, koffiepotten, stukken viool, enz. In de kunst noemen we dergelijke voorwerpen objet trouvé, Frans voor gevonden voorwerpen. In het Engels noemt men dit junk – art. In nauwe relatie staat de ready made. Voorwerpen die al gemaakt zijn samengevoegd tot een kunstwerk. Marchel Duchamp zijn beroemde fietswiel. Dit wordt ook wel Dada of antikunst genoemd.

Een stap verder is de installatie, meerdere voorwerpen in een ruimte. De Engelsen noemen dit environment.
Land-art en art povera Land art wordt in de natuur gemaakt, er worden bv een aantal stenen in een landschap gelegd of zoals Long cirkels van hout of grote kiezels hoog in het Andes gebergte gelegd. Meestal zijn deze kunstwerken van tijdelijke aard en worden dan ook vaak gefotografeerd en samen met tekst ten toon gesteld.

Art povera wordt gemaakt van materiaal dat voorhanden is zoals drijfhout, aarde, stenen. Arte povera is Italiaans voor armoedige kunst.


LichtkunstVroeger hadden kunstenaars veel interesse in het licht maar dan het licht in dienst van de afbeelding. Bij lichtkunst houdt men zich bezig met het licht zelf.
Fotografiefotografie heeft lange tijd moeten strijden om tot de officiële kunst gerekend te worden. De eerste 50 jaar na de uitvinding van de fotografie heeft zij vooral gespeeld van surrogaat schilderkunst. Daardoor zijn veel schilders een andere weg ingeslagen want zij waren immers ontslagen van de taak zo realistisch mogelijk mogelijke afbeeldingen te maken. Vanwege deze wisseling heeft de fotografie lang de regels van de traditionele schilderkunst gevolgd.

Na de tweede wereld oorlog heeft de fotografie zich ontwikkeld tot een artistieke kunst.


Video, happening, performancewat voor de fotografie in grote lijnen geldt, geldt ook voor de video en film. Happenings werden voor het eerst in de jaren 20 gehouden en na de tweede wereld oorlog. Dit waren vaar eenmalige acties waarbij de kunstenaar zelf optreed of als regisseur van een performance. Soms zijn deze performances in scene gezet of zijn gebaseerd op toeval en improvisatie. Tegenwoordig zijn performances gemeengoed geworden in de podiumkunst.
Computerkunst en conceptuele kunst bij computerkunst kun je denken aan beelden gegenereerd door een computer of geluid. Of bv het genereren van getallen die vervolgens op een drager gezet worden. Conceptuele kunst is een vorm van kunst die vooral gaat over het idee. Dit idee wordt doormiddel van tekst en schetsjes of foto’s gepresenteerd. Deze twee kunstvormen hebben de laatste jaren een grote vlucht genomen en zijn ook alom vertegenwoordigd in de kunst wereld van vandaag.

Algemene opmerkingen over alle technieken zijn moeilijk te maken en hebben doorgaans nauwelijks of geen zin. We maken een uitzondering voor de textuur en de daarmee samenhangende begrippen factuur en schriftuur.


Onder textuur verstaan ven de oppervlakte kwaliteit van het kunstwerk. Hoe ziet het oppervlak van verf, steen of klei eruit?

Onder factuur verstaan we de informatie die het voltooide werk ons geeft over de manier hoe een kunstenaar te werk is gegaan.

Onder schriftuur verstaan we da hand van de kunstenaar, deze heeft een eigen manier van schilderen, beitelen enz. Je kunt hierbij denken aan, schetsmatig of nauwkeurig, van schraal tot royaal, egaal, glad, enz.
Soms wordt textuur verward met structuur wanneer de oppervlaktekwaliteit bedoeld wordt. Met Structuur heeft anders dat de textuur alleen te maken met de opbouw van het geheel.
Naast het gebruikte materiaal is er nog de gebruikte techniek. Hiermee wordt bedoeld, de oppervlaktestructuur, penseelstreek, toets, kleurmenging enz. ( dit is overigens bij reproductie vaak slecht te zien)

Afmetingen en kader II
Afmeting
Bij het bekijken van kunstwerken zien we vaak de reproductie in boeken of op bv kaarten. Daarbij vragen we ons niet af hoe groot of hoe klein het werk in werkelijkheid is. In boeken staat de afmeting er vaak wel bij maar dan is het toe moeilijk voor te stellen hoe het in werkelijkheid eruit ziet. De kunstenaar heeft bepaalde bedoelingen en opvattingen die niet overeen komen met wat jezelf in gedachte had bij het zien van een reproductie. In boeken zie je vaak een veelheid van verschillende werken teruggebracht tot een standaardmaat. Dit geld vooral voor schilderijen, bij ruimtelijk werk wordt vaak ook de omgeving mee gefotografeerd, dus krijg je een idee over de afmetingen van het werk. Een kunstenaar zal niet zomaar een stuk papier of spieraam of een stuk marmer dat voorhanden is, maar zal zorgvuldig overwegen in welk formaat hij zijn idee wil realiseren.

Binnen het begrip grootte onderscheiden we de kwantitatieve en de kwalitatieve grootte.



De kwantitatieve grootte is de daadwerkelijke afmeting en de kwalitatieve grootte is de indruk die het werk op ons maakt. Vaak zullen deze twee begrippen hand in hand gaan.

Hilliard 14 x 7 cm David 610 x 951 cm


Hierboven zie je een voorbeeld van twee werken uit een boek. In het boek lijken ze even groot maar in werkelijkheid is het werk van David 6000x groter dan dat van Hilliard.

Je kunt jezelf natuurlijk wel voorstellen dat het werk van David een stuk groter is dan dat van Hilliard vanwege de aard van de afbeelding, maar de echte indruk krijg je alleen als je er daadwerkelijk voor staat.

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

  • Het oppositie model en begrippenparen
  • Materiaal en techniek I
  • Tekenen: waarschijnlijk e oudste manier en meest verbreide techniek om iets in beeld te brengen.
  • Driedimensionaal
  • Afmetingen en kader II Afmeting

  • Dovnload 4.62 Mb.