Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wat van ver komt …

Dovnload 153.52 Kb.

Wat van ver komt …



Pagina1/4
Datum13.06.2017
Grootte153.52 Kb.

Dovnload 153.52 Kb.
  1   2   3   4

CSE tekenen, handenarbeid en textiele werkvormen 2009
Inleiding tot “Wat van ver komt …”

Op een – geënsceneerde - foto van de Nederlandse kunstenaar Barbara Visser uit 2001 staat een Nederlands stel, gekleed en geschminkt als Japanse toeristen tegen de achtergrond van een typisch Nederlands dorp dat is nagebouwd in Japan, compleet met molens. Daarbij valt op dat de “Japanners”, net als echte Japanners, niet gekleed gaan in traditionele Japanse kledij, maar in merkkleding van Westerse makelij, net als de Japanse toeristen die naar Nederland komen om een “echt” Nederlands dorp en een molen te zien.

Vissers foto verbeeldt de kruising van culturen, zoals we die vandaag de dag om ons heen zien. Overal dringen invloeden van andere culturen door. In veel Nederlandse huizen staan bijvoorbeeld Boeddha-beeldjes, voorwerpen uit China, Japan en – dikwijls in Nederlandse huizen – uit Indonesië, uit Zuid-Amerika of Afrika. Soms zijn de voorwerpen meegenomen uit het land van herkomst, maar veel vaker zijn ze gewoon hier gekocht. Wie verbaast zich daar nog over? We vinden het ook niet vreemd om in onze vrije tijd tango of flamenco te dansen, naar niet-Westerse muziek luisteren of gerechten met sterke mediterrane en Aziatische invloeden te eten.

De vermenging van diverse culturen is een vanzelfsprekendheid geworden in een tijd waarin het reizen comfortabel en goedkoop is en waarin zelfs de thuisblijvers via de media rechtstreeks geïnformeerd worden over het leven elders. Deze vanzelfsprekendheid mag uniek zijn, zij heeft wel een voorgeschiedenis.

Zolang er mensen zijn, reizen zij en komen zij in contact met andere culturen. Een andere cultuur betekent een ander geloof, andere zeden en gebruiken, andere landschappen en een geheel verschillend klimaat. De reiziger reist door een andere wereld. Contacten met een andere cultuur worden aangeduid als confrontatie met de Ander (“the Other”). Tot de Ander wordt alles gerekend dat vreemd is aan de eigen cultuur, oftewel het Eigene (“the Self”). Het contact met de Ander heeft niet altijd geleid tot conflicten. Heel vaak overheersten bewondering en nieuwsgierigheid en niet zelden was dit wederzijds. In dergelijke gevallen ontstond een uitwisseling, die sporen heeft nagelaten in de beeldende kunst van beide culturen.

In het thema “Wat van ver komt …” zijn vier onderwerpen bijeengebracht die licht werpen op de wijze waarop de Westerse wereld kennis heeft genomen van vreemde en veelal verre werelden: het Nabije Oosten, het Verre Oosten, primitivisme, globalisering.

De onderwerpen staan in een chronologische volgorde. De Westerse kennismaking begint met het Nabije Oosten. Eeuwen later maken ontdekkingsreizigers de sprong naar Verre Oosten en komt er een geregeld contact met dit verre continent tot stand. Het primitivisme wijkt hiervan af omdat de ontmoeting meestal niet in een ver buitenland plaatsvond, maar in de volkenkundige musea en verzamelingen in het vaderland van de kunstenaar.

De eerste drie onderwerpen zijn in feite historische onderwerpen, want hun betekenis voor onze actuele cultuur is afgesloten. Globalisering is daarentegen een recent verschijnsel. Het is zelfs zo nieuw dat we niet eens precies weten wat we eronder moeten verstaan. In dit thema is ervoor gekozen om de globalisering te beschouwen als een fenomeen dat in de lijn ligt van de eerdere ontwikkelingen.


Het Westen centraal

In het thema “Wat van ver komt …” bekijken we hoe vanuit het Westen naar de Ander is gekeken, een perspectief dat we occidentocentrisch kunnen noemen: het Westen (de occident) wordt als centrum genomen. Dit is in dit geval niets anders dan een praktische beperking van het materiaal.

Zonder daar nu al te lang bij stil te staan, moeten we enkele bezwaren tegen deze zienswijze kort noemen. Zo mag niet vergeten worden dat vanuit het oogpunt van verre volken en culturen wij de vreemde Ander zijn of waren. Bovendien is het gebied dat wij het Westen noemen niet vast omlijnd. Zo’n tweeduizend jaar geleden waren de Germanen bijvoorbeeld de Ander voor de Romeinen. Na de val van het Romeinse rijk is het culturele en innovatieve zwaartepunt van Europa meer naar het noordwesten van het continent verschoven. Landen als Frankrijk, de Republiek en Engeland – om enkele te noemen – wonnen aan betekenis. Vanaf de achttiende eeuw is ons begrip van het Westen uitgebreid met Noord-Amerika.

Er valt nog een andere kanttekening te maken: het Europese Westen is grotendeels door zee omsloten, behalve aan de oostkant. Waar in het oosten eindigt Europa? Een negentiende-eeuws Oostenrijks politicus heeft eens gezegd dat Azië aan de oostkant van Wenen begint. Nu verbazen we ons wellicht over deze uitspraak - of we moeten er om lachen - maar de vraag waar het Westen eindigt - en de wedervraag wat met het begrip Europese Westen wordt bedoeld -, is nog onverminderd actueel, zeker in het licht van de globalisering, waarin staatsgrenzen lijken te vervagen maar er steeds nadrukkelijker wordt gevraagd naar nationale en culturele identiteiten.



Onderwerpen, teksten en bronnen

Het thema “Wat van ver komt, …” bestaat uit vier onderwerpen, die onderling niet scherp begrensd zijn. Zoals de lezer zal merken, zijn er tal van overlappingen en raakvlakken tussen de onderwerpen. In elk onderwerp keren elementen terug uit de voorafgaande onderwerpen.

De kern van het thema wordt gevormd door teksten en tekstfragmenten die zijn ontleend aan het werk van experts. Na een algemeen gedeelte wordt de lezer geleid naar de deelonderwerpen die per examenjaar gelden. De teksten moeten voor zichzelf spreken, maar waar dat nodig of gewenst scheen, zijn toelichtingen, verwijzingen en verklaringen opgenomen.

De omgang met bronnen vereist oplettendheid en een gezond wantrouwen van de lezer. Achter elke bron gaat namelijk een auteur schuil met zijn of haar persoonlijke overtuigingen en denkbeelden. Van sommige is de auteur zich zelf bewust, van andere wordt de lezer zich bewust. Zulke denkbeelden zijn echter niet alleen persoons-, maar ook tijdgebonden. Dit houdt in dat zij op zeker moment achterhaald worden door nieuwe ideeën, waardoor de oudere bron al gauw gedateerd lijkt. Dat hoeft niets te zeggen over de kwaliteit, maar toch is er bij de samenstelling van de teksten binnen het thema “Wat van ver komt …” naar gestreefd om zoveel mogelijk recente bronnen te geven. De lezer moet zich er van bewust zijn dat dit thema niet bedoeld is als een canon. Het moet hem helpen en stimuleren om zich in de vier onderwerpen en hun samenhang te oriënteren.



Hoofdstuk 1: Het Nabije Oosten

Het Nabije Oosten (Binnen het thema “Wat van ver komt …” worden afwisselend de termen het ‘Nabije Oosten’ en ‘de Oriënt’ gebruikt. Hiermee wordt de Arabisch Islamitische wereld rondom de Middellandse zee aangeduid. Van Marrakesh tot Isfahan en van Istanbul tot Mekka) is in tal van opzichten de bakermat van het Westen, hoe paradoxaal dat ook klinkt. De klassieke Griekse cultuur, over het algemeen aangeduid als de start van de Westerse beschaving, is op haar beurt gestoeld op oudere ‘Griekse’ beschavingen die op verschillende manieren banden hadden met het Nabije Oosten. Enerzijds vertoonde het volk van de vroegste beschaving in Griekenland, de Minoïers, verwantschap met volken uit Klein-Azië en Egypte. Daarnaast onderhielden ze belangrijke handelsbetrekkingen met de Cycladen en met grotere beschavingsgebieden zoals het Oude Egypte, Anatolië en Kanaän.

In het Nabije Oosten bevinden zich ook de bronnen van het christendom. Als gevolg van de ineenstorting van het Romeinse rijk, eerst door de ondergang van het West-Romeinse rijk in de vijfde eeuw en vervolgens door de verovering van het Nabije Oosten op het Oost-Romeinse rijk door de Arabieren, was het Westen afgesneden van het Heilige Land, waar Jezus van Nazareth had geleefd en was gestorven. Dit was een van de redenen om in de elfde eeuw de kruistochten te beginnen. Met wisselend succes; op de lange termijn kon men het Heilige Land niet behouden.

Het Iberisch schiereiland werd aan het begin van de achtste eeuw veroverd door de Arabieren. Sindsdien leefden hier vier groepen naast elkaar: Arabieren, tot de islam bekeerde inwoners, christenen die hun cultuur mengden met die van de Arabische cultuur en Joden. Vanaf de elfde eeuw werden de Arabieren geleidelijk teruggedrongen. De Arabische cultuur heeft echter een blijvende invloed gehad op de kunst en architectuur van dit gebied. De voormalige moskee in Córdoba, de Mezquita, is daarvan het bekendste voorbeeld.

Deze status ontleent de Mezquita aan het feit dat een van de belangrijke kenmerken van de Islamitische (bouw)kunst, een rijke ornamentiek gebaseerd op wiskundige patronen, hier in ruime mate aanwezig is. Dit kenmerk van de Islamitische kunst, ontstaan door het religieuze verbod op het afbeelden van levende wezens, vormt een van de meest opvallende verschillen met de Westerse kunst en veroorzaakt dan ook vaak een spanningsveld tussen beide culturen.

Na de succesvolle Reconquista (herovering) van het Iberisch schiereiland, bedreigden de Osmaanse Turken Europa in het zuidOosten. Eeuwenlang joeg hun geleidelijke opmars op de Balkan de christelijke Europeanen vrees aan. De Osmanen waren de gevreesde Ander. Pas in 1683 werd hun opmars bij Wenen gestuit, waarna zij geleidelijk werden teruggedrongen.

Gedurende al deze eeuwen bezat men in Europa geen getrouw beeld van het Nabije Oosten. Wat Europeanen zich bij het eigentijdse Nabije Oosten voorstelde werd meestal gevoed door angst en afkeer en berustte veelal op fantasie. Het curieuze is echter dat het Nabije Oosten tegelijkertijd als onderwerp van religieuze kunst in vrijwel elk object opdook. Of het nu om Christus’ geboorte, zijn kruisiging of om enig ander bijbels onderwerp ging, elk kerkelijk thema was gesitueerd in het Nabije Oosten. In moderne ogen is het des te opmerkelijker dat geen enkele kunstenaar moeite leek te doen om het Nabije Oosten authentiek weer te geven. Zuid-Nederlandse schilders plaatsten de Bijbelse gebeurtenissen in een Vlaams landschap.

Het Westerse beeld van het Nabije Oosten is aan vele veranderingen onderhevig geweest. In de Middeleeuwen overheerste bij Europeanen afkeer van een cultuur en een geloof, die hen niet alleen vreemd waren, maar die ook nog de heiligste plaatsen van het christendom in hun macht hadden. In de loop van de achttiende eeuw vond een voorzichtige kentering plaats.

Afkeer maakte plaats voor nieuwsgierigheid, verwondering en bewondering. Hieruit ontwikkelde zich wat het Oriëntalisme is gaan heten. Dit is het onderwerp van het tweede blok (B). In het eerste blok (A) staat de verhouding tussen Westerse en Oosterse kunst in de voorafgaande eeuwen centraal.

A. ca. 1470-1800

Rond het midden van de vijftiende eeuw restte van het Byzantijnse Rijk, het voormalige Oostromeinse rijk, alleen nog de stad Constantinopel, het tegenwoordige Istanbul. De verovering door de Turken onder leiding van Mehmed II was nog slechts een kwestie van tijd. In het voorjaar van 1453 begon het beleg.

“Throughout Europe, the fall of Constantinople in 1453 was recognised as a catastrophe for Christian civilisation. In a Latin elegy, the Venetian humanist Lauro Querini lamented:'In these sad times, the ancient, noble and rich city, once capital of the Roman Empire and mistress of all the Orient, has been seized by cruel barbarians, sacked for three days and reduced to a state of miserable slavery.5

In accounts of the conquest, Italians called the Byzantines 'Greeks', whereas the Greeks, such as the historian Kritovoulos, referred to themselves as 'Romans' - highlighting the role of Constantinople as a cultural fulcrum.

After the Christian capitulation and two days of plunder by the invading Ottoman troops, Mehmed II himself entered the city, and, as Kritovoulos recounts, 'looked about to see its great size, its grandeur and beauty, its teeming population, its loveliness, and the costliness of its churches and public buildings and of the private houses'.' At once he halted the destruction and set about the transformation of Constantinople into his new capital. According to Kritovoulos, Mehmed encouraged Christians, Jews and Muslims alike to repopulate the city.' Nonetheless it is clear that the Sultan wanted to redefine the capital as Ottoman and unambiguously Muslim. On the prominent site of the historic Church of the Holy Apostles Mehmed founded a new mosque, named the Fatih Mosque after his own title, meaning conqueror'. Founded by Constantine and rebuilt under Emperor Justinian, Holy Apostles was recognised as the prototype for Venices own apostolic church of St Marks, giving added poignancy to its obliteration. The new Fatih Mosque was built between 1463 and 1470 by the architect Sinan-i Atik, probably a Greek.'

After the fall of Constantinople, with typical pragmatism, the Venetians lost no time in renegotiating their trading privileges with the new Ottoman regime. Meanwhile, their commercial links with the lands of the Mamluk Sultans, who ruled Egypt and Syria until their annexation by the Ottomans in 1517, continued unabated. The records of the chaplain-notary to the Venetian colony in Damascus in 1455-7 reveal intense trading activity, even in the immediate aftermath of the fall of Constantinople.9 Around seventy named Venetians are recorded there in this single three-year period, some of them semi-permanent residents. Indeed, the threat of Ottoman expansion helped to unite Venetian and Mamluk interests, and Venice would later seek other alliances with Matthias Corvinus*, King of Hungary, and Uzun Hasan, the Aqqoyunlu ruler of eastern Anatolia and Iran.

In the decades following the fall of Constantinople, intense diplomatic relations between Italy, Hungary and the Ottoman Empire opened up new lines of cultural exchange. As Corvinus patronised Italian artists, so, too, Mehmed II established contacts with various Italian states, and both rulers, apparently, employed the Bolognese architect and engineer Aristotele Fioravanti. A letter written by the humanist Filelfo in 1465 records that the Florentine architect Filarete, then employed by the Sforza rulers of Milan, was about to sail for Istanbul." Although there is no other evidence for this visit, its possible impact has been detected in the Ionic arcade of Mehmed's Treasury-Bath wing in the Topkapl Palace, and in the layout of the Fatih Mosque complex, which resembles aspects of Filarete's Ospedale Maggiore in Milan." The richly illuminated Latin translation of Filarete's treatise on architecture, originally made for Corvinus in Venice since 1490, offers further evidence of this fertile period of exchange."

* Matthias Corvinus was een van de meest vooraanstaande patronen van de Renaissance buiten Italië zelf. Door later oorlogsgeweld zijn de sporen van zijn mecenaat in Hongarije grotendeels gewist.” Bron: Caroline Campbell, A. Chong, Bellini and the East, London 2005, p. 16


De vrees van veel christenen werd niet geheel bewaarheid: met Constantinopel ging het Christendom in het voormalige Byzantijnse Rijk niet helemaal verloren. Mehmed maakt de stad tot hoofdstad van zijn rijk en de veroveraars voerden het milletsysteem in, dat niet-islamitische gelovigen hun eigen wettelijke regels garandeerde. De afzonderlijke religieuze groepen (Joden en de verschillende richtingen in het oosterse christendom als de Armeens- en Grieks-orthodoxen) werden elk onder de eigen jurisdictie van hun hoogste geestelijk leider gelaten. Mede hierdoor kon Constantinopel het kruispunt tussen Oost en West blijven.

B. ca. 1800-1920

Oriëntalisme

De Westerse belangstelling voor het Oosten kreeg in de negentiende eeuw een geheel ander karakter. De Oriënt werd een mode en dit verschijnsel noemen we Oriëntalisme. Hoe dit vorm kreeg staat beschreven in het boek Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur. Circa 1800-1920 (2008) van de Nederlandse kunsthistoricus Jan de Hond. Hoewel De Hond zich voornamelijk bezighoudt met de Nederlandse oriëntalisten, was hun belangstelling natuurlijk ingebed in een internationale beweging.
“Rond 1800 trad er een definitieve verandering op in de internationale machtsbalans tussen het Westen en het Oosten. Napoleons veldtocht naar Egypte (1798) maakte overduidelijk dat de politieke en militaire kracht van het eens zo gevreesde Ottomaanse Rijk tanende was. Stonden de Turken in 1683 nog voor de poorten van Wenen, ruim een eeuw later hadden ze geen antwoord op de invasie van de Fransen en konden ze alleen met hulp van een andere Europese grootmacht, Groot-Brittannië, Napoleons opmars een halt toe roepen. Hoewel diens interventie uiteindelijk weinig succesvol was, vormde deze wel het begin van een niet-aflatende Westerse bemoeienis met de Oriënt. In 1830 veroverden de Fransen Algerije. Het Ottomaanse Rijk desintegreerde nu steeds verder en vanaf 1880 ging het zelfs heel hard: het ene na het andere gebied kwam in handen van de Europese mogendheden. Rond 1920 restte van het Ottomaanse Rijk alleen Turkije nog als een onafhankelijke staat. De politiek-militaire interventies gingen vaak hand in hand met de vermeerdering van de economische belangen van het Westen in de regio. Het Oosten was altijd al een belangrijke handelspartner geweest, maar nu werd het ook een lucratieve afzetmarkt voor industriële producten. Westerse kapitalisten investeerden in oosterse grondstoffen en Europese bedrijven waren betrokken bij grote infrastructurele projecten als het Suezkanaal of de aanleg van spoorlijnen.

De groeiende politiek-economische invloed van het Westen gecombineerd met de snel verbeterende transport- en verblijfsmogelijkheden, zorgden ervoor dat een reis naar het Oosten voor steeds meer Europeanen tot de mogelijkheden ging behoren. In de eerste helft van de negentiende eeuw waren grote delen van de Oriënt voor westerlingen zo goed als onbereikbaar vanwege de ontoegankelijkheid of de onveiligheid van het gebied. Enkele decennia later werden er reeds groepsreizen georganiseerd naar het Heilige Land en toeristencruises over de Nijl, was het niet ongewoon om als gefortuneerd westerling te overwinteren in Algerije of Egypte en kenden steden als Istanbul, Caïro en Algiers grote Westerse wijken met Westerse voorzieningen en een mondaine, internationale sfeer.

Hoewel Nederland geen koloniën had in de Oriënt en ook zijn economische belangen in deze regio veel geringer waren dan die van andere Europese mogendheden, zoals Frankrijk, Engeland of Italië, ondervonden Nederlandse reizigers in het Oosten natuurlijk wel de gevolgen van de grotere politiek-economische invloed van het Westen in de regio. Bovendien was Nederland wel een belangrijke koloniale macht in Zuidoost-Azië, Zuid-Amerika en West-Afrika. In de negentiende en vroege twintigste eeuw veranderde de aard van het Nederlandse kolonialisme. Dit had niet alleen gevolgen voor de verhouding tot de gekolonialiseerde ander m de eigen koloniën, maar indirect ook voor de beeldvorming over de Oriënt. Zo waren, zoals we nog zullen zien, de Japanse overwinning op Rusland (1904-1905) en de mogelijke consequenties daarvan voor Nederlands-Indië, van grote invloed op de wijze waarop Abraham Kuyper het Oosten benaderde.

Niet alleen op politiek-economisch, maar ook op cultureel gebied vormde Napoleons Egyptische avontuur een mijlpaal voor de oost-west relaties. In het kielzog van de Franse troepen trok onder leidingvan Dominique Vivant Denon een klein leger geografen, ingenieurs, archeologen en kunstenaars oostwaarts. Zij moesten de Oriënt wetenschappelijk en artistiek in kaart brengen. Dit resulteerde in de beroemde 23-delige Description de l'Egypte (1809-1828), een lijvig standaardwerk dat vooral aandacht schonk aan het faraonische Egypte, maar waarin ook de eigentijdse oosterse samenleving uitvoerig werd beschreven. Die culturele en wetenschappelijke belangstelling voor de historische en de eigentijdse Oriënt nam na Napoleon alleen maar verder toe. De oriëntalistiek wist zich in de negentiende eeuw een vaste plaats te verwerven binnen het curriculum van de belangrijkste Europese universiteiten. Er werden gespecialiseerde tijdschriften uitgegeven, internationale congressen georganiseerd en oriëntalistische genootschappen opgericht. Op het gebied van de wetenschappelijke oriëntalistiek bleef Nederland bepaald niet achter met internationaal hoog aangeschreven oriëntalisten als Reinhart Dozy, Michaeljan de Goeje en Christiaan Snouck Hurgronje.

Al sinds de late achttiende eeuw werd het enthousiasme voor de Oriënt verder gestimuleerd door de opkomst van de romantiek. Voor romantische schrijvers en kunstenaars, met hun voorliefde voor passie, heroïek en felle tegenstellingen, was de Oriënt, met zijn sensuele haremvrouwen, stoere bedoeïenen en wilde hartstochten, een ideale plaats voor de lokalisatie van hun eigen idealen en dromen. Het Oosten werd een heuse hype. Oriëntalistische romans, gedichten, toneelstukken, opera's, schilderijen, sculpturen, keramiek, meubels, fotografie en architectuur: geen enkel genre bleef gevrijwaard van deze oosterse rage. Meer dan een eeuw lang bleef het Oosten een telkens terugkerend thema in de Westerse kunsten. Lang is beweerd dat de romantiek grotendeels aan Nederland is voorbijgegaan, maar recente studies wijzen erop dat Nederland wel degelijk een eigen romantische beweging heeft gehad. Die Nederlandse romantiek heeft zich weliswaar niet altijd zo extreem geuit als de Franse, maar dat betekent nog niet dat ze hier geen wortel heeft geschoten. Bepaalde aspecten van de romantische levenshouding hebben ook hier de hang naar het exotische en de interesse voor de Oriënt gestimuleerd.

Als eindpunt van deze studie is gekozen voor de jaren rond 1920. Internationaal gezien was het Europese kolonialisme toen op zijn hoogtepunt.” Bron: Jan de Hond, Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur. Circa 1800-1920, Leiden 2008, p.18-p.19


De visie op het Westerse Oriëntalisme is met name gevormd door de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said. Zijn boek Oriëntalism uit 1978 lokte felle debatten uit. Waarom, kunnen we lezen in het boek van De Hond.

“Het Orientalismedebat

De Westerse beeldvorming van het Oosten heeft de afgelopen decennia volop in de wetenschappelijke belangstelling gestaan. Als de meest invloedrijke, maar ook meest omstreden studie op dit gebied geldt nog steeds Edward Saïds Orientalism uit 1978. Voor Saïd verwees de term oriëntalisme niet alleen naar de academische discipline die de Oriënt tot onderwerp had: de oriëntalistiek. Oriëntalisme was voor hem ook een typisch Westerse denkwijze, die gekenmerkt werd door de veronderstelling dat het Oosten wezenlijk en onoverbrugbaar anders was dan het Westen. Tussen oost en west liep een absolute scheidslijn en de verschillen tussen beide werden gedefinieerd als onveranderlijke essenties: statisch/dynamisch; irrationeel/ rationeel; natuur/cultuur, onbeschaafd/beschaafd; sensueel/kuis; despotisch/ democratisch et cetera. Met behulp van dergelijke stereotypen, die volgens Saïd teruggingen tot de klassieke oudheid, werd het Oosten tot de absolute 'ander’ van Europa gemaakt. Daarbij was het van essentieel belang zich te realiseren dat dit 'Oosten' - net als het 'Westen' overigens -geen natuurlijk feit was, maar in de eerste plaats een menselijke constructie. Een constructie die tot doel had de superioriteit van het Westen aan te tonen. Verder stelde Saïd dat het oriëntalisme in de negentiende en twintigste eeuw onlosmakelijk verbonden was met het Westerse imperialisme. Deze recente vorm van oriëntalisme beschouwde hij als een Westerse methode om de Oriënt te controleren en te overheersen. Om deze relatie tussen kennis en macht te kunnen analyseren, maakte Saïd gebruikt van Michel Foucaults begrip 'discours' en Antonio Gramsci’s notie van hegemoniale cultuur. Zo kwam hij tot zijn derde definitie van het oriëntalisme: een hegemoniaal discours waardoor Europa na de verlichting in staat was geweest de Oriënt politiek, maatschappelijk, militair, ideologisch, wetenschappelijk en verbeeldend te beheersen -en zelfs te produceren. Dit oriëntalisme was zo invloedrijk dat volgens Saïd niemand nog kon denken of handelen over of in de Oriënt zonder daarbij rekening te houden met de beperkingen die het oriëntalistische vertoog aan dit denken en handelen oplegde. En dat gold dus niet alleen voor politici, maar ook voor wetenschappers, reizigers, schrijvers en kunstenaars.

De invloed van Saïds studie valt moeilijk te overschatten. Orientalism groeide in de Verenigde Staten uit tot een van de kernteksten van nieuwe academische disciplines als cultural studies en meer in het bijzonder post-colonial studies en colonial discourse analysis. In het kielzog van de meester probeerde een nieuwe generatie wetenschappers met behulp van (post-) moderne (literatuur)theorieën aan te tonen hoe wezenlijk de oriëntalistische literatuur, reisverhalen en schilderkunst doordrenkt waren van een imperialistische cultuur. Enkele van deze studies leverden verrassende nieuwe inzichten op, maar na verloop van tijd werden ze steeds meer tot invuloefeningen volgens vaste sjablonen.

Maar Saïds studie riep ook veel kritiek op. De meeste academische oriëntalisten reageerden zeer afwijzend. Zij lazen Orientalism, en niet geheel ten onrechte, als een diskwalificatie van hun professie en sommigen voelden zich zelfs persoonlijk aangevallen. Dat gold bijvoorbeeld voor Bernard Lewis, wiens werk in Saïds boek naar voren werd geschoven als een voorbeeld van modern oriëntalisme en werd gekenschetst als een abjecte verweving van wetenschap en imperialistische politiek. Saïd en Lewis voerden een uiterst venijnige polemiek in de New York Review of Books. Niet alle oriëntalisten reageerden zo fel als Lewis en velen erkenden dat hun discipline niet vrij was van politieke beïnvloeding -welke tak van wetenschap is dat wel?- maar ook onder hen was er een algemeen gevoelen dat Saïd individuele wetenschappers rücksichtslos over één kam had geschoren en ten onrechte de integriteit van een heel vakgebied in twijfel had getrokken door te stellen dat de academische oriëntalistiek een verwrongen beeld schetste van het Oosten en een handlanger was van het Westerse imperialisme.

Vanuit de historische wetenschappen klonk het verwijt dat Saïds oriëntalisme een veel te homogene en monolithische constructie was. Deze critici wierpen Saïd voor de voeten dat zijn beeld van het Westen veel te eenzijdig en stereotiep was en dat hij geen oog had voor de verschillen, nuances en tegengeluiden binnen de Westerse cultuur. Volgens hen had Saïd precies gedaan wat hij de Westerse oriëntalisten zo had verweten, namelijk een immens gebied met een zeer heterogene cultuur - in dit geval het Westen en niet het Oosten - terugbrengen tot enkele onveranderlijke essenties. De historici riepen juist op om bij de analyse van het oriëntalisme meer aandacht te schenken aan veranderingen door de tijd, de rol van individuele personen, nationale verschillen en sociaal-politieke contexten. John MacKenzie, die met Orientalism: history, theory and the arts een van de meest scherpzinnige en bruikbare kritieken op Saïd schreef, wees er bijvoorbeeld op dat de ontwikkeling van het oriëntalisme in de kunsten helemaal niet gelijk opliep met die van het Europese imperialisme: het artistieke oriëntalisme beleefde zijn hoogtepunt lang voordat het imperialisme rond 1880 goed op gang kwam.

Daarnaast verwierp MacKenzie Saïds homogene visie op de imperialistische cultuur. Deze was volgens de koloniaal historicus helemaal niet statisch, maar juist instabiel, heterogeen en tegenstrijdig. De Westerse omgang met de Oriënt was dan ook veel complexer dan Saïd had gesuggereerd. Natuurlijk speelde het imperialisme daarbij een belangrijke rol, maar dat was niet de enige factor. Zo toonde MacKenzie aan dat in de oriëntalistische kunsten geen sprake was van een eenvoudig eenrichtingsverkeer. Het was juist een proces van wederzijdse beïnvloeding, waarbij Westerse kunstenaars zich diepgaand en oprecht lieten inspireren door oosterse voorbeelden.

Bovendien ging het bij het oriëntalisme uiteindelijk niet zozeer over de 'ander’, maar veeleer over het 'zelf’. Het kon daarom álleen begrepen worden tegen de achtergrond van specifieke ontwikkelingen binnen de Europese cultuur. Veel oriëntalistische kunst getuigde van een zeer kritische kijk op de eigen beschaving. Sommige kunstenaars gebruikten het beeld van de 'onbedorven' Oriënt om de lelijkheid of de decadentie van het industriële, kapitalistischeWesten aan de kaak te stellen, terwijl andere droomden over het sensuele Oosten als een alternatiefvoor de bekrompenheid van het bourgeois Europa. Ook 'interne' stilistische en iconografische motieven speelden een rol, zoals het streven naar vernieuwing binnen de decoratieve kunsten, het verlangen naar een ander kleurgebruik of de behoefte aan een feller en egaler licht En natuurlijk was er ook nog het fenomeen mode: Europa kende in de negentiende en vroegtwintigste eeuw verschillende oosterse revivals die ervoor zorgden dat ontwerpers en kunstenaars massaal de steven oostwaarts wendden omdat het 'in' was en de markt er om vroeg. Bron: Jan de Hond, Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur. Circa 1800-1920, Leiden 2008, p.12-p.14


Wat het oriëntalisme was en wat de Oriënt heeft betekend voor het negentiende-eeuwse Europa kunnen we nalezen in het boek van De Hond. Het gaat hierbij om vier noties. Allereerst is dat het begrip dat gebaseerd is op het feit dat de bijbel zich afspeelt in het Nabije Oosten.
“Eeuwenlang was Europa vooral geïnteresseerd in het Oosten, omdat het het land van de Bijbel was. In Palestina, en met name in Jeruzalem, lagen de meest heilige plaatsen van het christendom, direct verbonden met het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus. Al vanaf de tweede eeuw van de christelijke jaartelling reisden bedevaartgangers uit het Westen naar deze heiligdommen. Zelfs toen in de zevende eeuw Palestina onder islamitisch gezag kwam - en de unieke situatie ontstond dat het kernland en de bron van het christendom buiten de christelijke wereld kwam te liggen - kon dat niet verhinderen dat Westerse pelgrims naar het Heilige Land bleven trekken. Pas met reformatie kwam het nut van een bedevaart ter discussie te staan. De protestanten zwoeren de fysieke pelgrimage af en vervingen deze door een spirituele zóektocht. Het echte beloofde land lag in de harten van de mensen, aldus Luther. De protestanten concentreerden zich voortaan op het woord Gods, de Bijbel, en niet langer op het land Gods, Palestina. Tegelijkertijd liep in de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw ook onder katholieken het animo terug om naar Jeruzalem te pelgrimeren..

In de negentiende eeuw echter werd het Heilige Land 'herontdekt' en kwam het eigentijdse Palestina weer volop in de belangstelling van de Westerse christenen te staan. Deels was dat te verklaren uit de snel groeiende politiek-militaire en economische betrokkenheid van het Westen bij de regio. Het begon in 1799 met de mislukte poging van Napoleon om Acre te veroveren en het eindigde in 1917 toen Palestina definitief een Brits mandaat werd. In de tussenliggende periode nam de Westerse invloed gestaag toe en verbeterden de reismogelijkheden voor westerlingen aanzienlijk. Toch lag de belangrijkste reden voor de hernieuwde interesse in het Heilige Land niet in deze meer praktische voordelen, maar in het veranderende religieuze klimaat in Europa, waarbij met name de interpretatie en de status van de Bijbel een cruciale rol speelden.

De humanistische filologen uit de zestiende en zeventiende eeuw hadden de Bijbel -althans in methodologisch opzicht - reeds behandeld als een gewone literaire tekst. Ze zuiverden het Oude en het Nieuwe Testament van latere wijzigingen en toevoegingen en gingen op zoek naar de oerversie van de Bijbeltekst. Daarbij maakten zij dankbaar gebruik van het Arabisch, dat net als het Hebreeuws en het Aramees een Semitische taal was en dus een belangrijk hulpmiddel kon zijn bij de speurtocht naar de oorspronkelijke tekst. De universiteit van Leiden groeide mede daardoor in de zeventiende en achttiende eeuw uit tot een centrum van wetenschappelijke arabistiek, met internationaal befaamde geleerden als Thomas Erpenius (1584-1624), Jacob Golius (1596-1667) en Albert Schultens (1686-1750).

De negentiende-eeuwse Bijbelwetenschappers continueerden en verfijnden deze taalkundige methoden, maar lieten het niet bij tekstkritiek alleen. Zij stortten zich ook op een nieuwe inhoudelijke interpretatie. Voor velen van hen was de Bijbel niet langer het woord Gods, maar, net als elke andere literaire bron, een tekst die geschreven was in een specifieke tijd en een specifieke context en die ook als zodanig geïnterpreteerd moest worden. De Bijbel was dus bovenal een oosters boek: geschreven door oosterlingen, voor oosterlingen. Meer kennis van de geografische, sociale, maatschappelijk en historische context waarbinnen de Bijbelteksten waren ontstaan en hadden gefunctioneerd, zou ook bijdragen aan een beter begrip van de tekst. Deze historisch-kritische methode nam rond 1800 in Duitsland een grote vlucht. Radicale exegeten stelden daar zelfs de historiciteit van de Bijbel ter discussie. De meest spectaculaire, maar ook meest omstreden resultaten van deze nieuwe historisch-kritische methode waren twee biografieën van Christus: Das Leben Jesu uit 1835 door David Friedrich Strauss (1808-1874) en La vie de Jésus uit 1863 door Ernest Renan (1823-1892). Renan wilde in zijn studie de historische Jezus weergeven in zijn natuurlijke milieu: het Palestina van de eerste eeuw. Daarom reisde hij ter voorbereiding van zijn biografie eerst zelf naar het Heilige Land. Renan verwierp alle bovennatuurlijke aanspraken van de Bijbel. De evangeliën beschouwde hij als mythen en niet als betrouwbare historische bronnen.

Tegelijkertijd rees er ook verzet tegen de rationalistische interpretaties van de Bijbel. Met name in de Angelsaksische wereld ontstonden allerlei evangelische bewegingen die juist vast wensten te houden aan een letterlijke interpretatie. Voor hen was en bleef de Bijbel het woord van God waaraan niet te tomen viel. In hun streven de historiciteit van de Bijbel aan te tonen, wendden ook zij in de negentiende eeuw hun steven oostwaarts. In Palestina lagen immers de bewijzen voor de letterlijke waarheid van de Bijbel voor het oprapen. Het is enigszins ironisch dat zij daarbij gebruik maakten van dezelfde wetenschappelijke methoden en disciplines, zoals de moderne geografie, archeologie en vergelijkende taalwetenschap, die er nu juist de oorzaak van waren dat voor andere westerlingen de authenticiteit van de Bijbel aan het wankelen was gebracht. Zo werd het Heilige Land in de negentiende eeuw een strijdperk tussen de aanhangers van de moderne historisch-kritische Bijbelexegese en de rechtzinnige verdedigers van een letterlijke Bijbelinterpretatie. Beide kampen haalden hun ammunitie in het eigentijdse Palestina.

De gevolgen van de moderne historisch-kritische exegese bleven niet beperkt tot Bijbelwetenschappers en theologen. Het nieuwe religieuze klimaat beïnvloedde ook de reizigers naar het Heilige Land: hun perceptie van het eigentijdse Palestina werd mede getekend door de inzichten van de moderne Bijbelkritiek -of ze het nu daarmee eens waren of juist niet. Tenslotte liet de historisch-kritische exegese ook zijn sporen na in de verbeelding van het Heilige Land in de literatuur en de visuele kunsten: van gewijde poëzie tot Bijbelillustraties en devotieparken.”


  1   2   3   4

  • Hoofdstuk 1: Het Nabije Oosten
  • Bron: Caroline Campbell, A. Chong, Bellini and the East , London 2005, p. 16
  • Bron: Jan de Hond, Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur. Circa 1800-1920 , Leiden 2008, p.18-p.19
  • Bron: Jan de Hond, Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur. Circa 1800-1920 , Leiden 2008, p.12-p.14

  • Dovnload 153.52 Kb.