Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Water, gluteneiwitten en zetmeelkorreltjes

Dovnload 72.49 Kb.

Water, gluteneiwitten en zetmeelkorreltjes



Datum05.12.2018
Grootte72.49 Kb.

Dovnload 72.49 Kb.
    Navigeren deze pagina:
  • Boter

Deeg en beslag

De basiselementen van deeg en beslag zijn water, gluteneiwitten en zetmeelkorreltjes. De laatste twee zijn over het algemeen afkomstig uit bloem, en bloem wordt gewonnen uit granen (met name tarwe). Naast deze basiselementen kunnen ook zout, suiker, eieren, vet en gist of rijsmiddelen aan deeg of beslag worden toegevoegd.

Een deeg bevat meer bloem dan water. Al het water is gebonden aan de gluteneiwitten en aan het oppervlak van de zetmeelkorreltjes. Een beslag bevat meer water dan bloem. Een groot deel van het water is vrije vloeistof.

Tarwe


De meeste tarwe is een vorm van broodtarwe (Triticum aestivum). Harde soorten hebben een hoger gehalte aan sterkere gluteneiwitten dan zachte soorten. Dwergtarwe is een aparte soort die een zeer zwak gluten geeft. Durum (‘harde’) tarwe heeft een hoog gehalte aan sterke gluteneiwitten.
Tarwekorrels worden tot meel vermalen tussen gegroefde metalen walsen of tussen stenen. Het meel wordt meestel gezeefd (geraffineerd) waarbij kiem en zemel worden gescheiden van het eiwit- en zetmeelrijke meellichaam (endosperm). Het vermalen meellichaam noemen we bloem. De stenen malen grondiger, waardoor er toch kiem en zemel in de bloem komt.

De gevormde bloem bevat nauwelijks suikers (die dienen als voeding voor de gisten), en wordt daarom meestal aangevuld met gemoute tarwe of gerst. Deze zijn ontkiemd, en bevatten enzymen die zetmeel afbreken tot glucose of maltose (als voeding voor de kiem).


Soorten bloem en meel

Bloem is meestal niet gemaakt van 1 soort tarwe, maar een mengsel wat is samengesteld om het juiste gehalte aan en de juiste sterkte van de gluteneiwitten te bereiken. In het geval van meel ook om het juiste gehalte aan zemel, kiem en aleuron te bereiken.



  1. Broodmeel bevat een hoog gehalte aan sterke gluteneiwitten, en geeft een zeer luchtig, sterk rijzend en prettig kauwbaar brood.

  2. Patentbloem is vergelijkbaar met broodmeel, maar bevat een lager gehalte aan sterke gluteneiwitten en is dus dichter, rijst iets minder en is minder kauwbaar.

  3. Volkorenmeel is rijk aan eiwitten, dit zijn grotendeels niet-gluteneiwitten uit de kiem en de aleuronlaag. Deze belemmeren de glutenvorming, wat een dichter, donkerder brood geeft met meer smaak (van kiem en aleuron).

  4. Cakemeel bevat weinig en zwak gluteneiwit, wat een zacht eindproduct geeft. Daarnaast is het gechloreerd, wat ervoor zorgt dat het zetmeel sneller water opneemt en een sterkere gel vormt. Geschikt gebak

  5. Zeeuwse bloem bevat weinig en zwak gluteneiwit. Geschikt voor koekjes.

  6. Zelfrijzend bakmeel bevat al rijsmiddelen bevat.

  7. ‘Instant flour’ is bloem met weinig eiwitten waarvoor het zetmeel is voorgekookt totdat het geleert, waarna het weer wordt gedroogd. Hierdoor dringt het water er makkelijk in door. Dit is geschikt voor zacht gebak.

Gluteneiwitten

Gluteneiwitten vormen ongeveer 10% van de bloem. Ze zijn ongeveer duizend aminozuren lang. Er zijn 2 belangrijke soorten gluteneiwitten:



  1. De gluteninen. Deze hebben een langgerekte spiraalstructuur die het deeg elastisch maakt. Met elastisch bedoelen we niet de ‘rekbaarheid’, maar de neiging van het deeg naar zijn oorspronkelijke vorm terug te keren.

Glutenine gaat onderling bindingen aan, waardoor een netwerk ontstaat, het gluten. Aan het uiteinde van de glutenineketens zitten aminozuren waarvan de zwavelatomen sterke bindingen aan kunnen gaan met elkaar. In eerste instantie door het kneden, daarna door bloem een paar weken laten rusten. Om tijd te besparen wordt deze reactie tegenwoordig geforceerd door bloem met vitamine C te behandelen. Het middengedeelte van een glutenineketen vormt alleen maar zwakkere, tijdelijke bindingen met andere ketens.

  1. Gliadinen. Deze gaan zelf geen bindingen aan. Ze zijn compact en opgerold, en laten de gluteninen makkelijk langs elkaar glijden zonder dat ze bindingen aangaan. Hierdoor wordt het deeg kneedbaar. Belangrijk is dat de elasticiteit van de gluteninen na verloop van tijd afneemt, omdat sommige bindingen langzaam verbroken worden door de mechanische spanning. Dat maakt het deeg nog beter kneedbaar.

Een krachtig gluten geeft een elastischer en steviger deeg. De kracht van het gluten wordt beinvloed door:



  1. De hoeveelheid en sterkte van de gluteneiwitten in de bloem.

  2. De hoeveelheid oxiderende stoffen (stoffen die H-atomen op een molecuul vervangen, zoals zuurstof, gistproducten, deegverbeteraars) in de bloem. Deze zijn noodzakelijk voor voor de bindingen van de zwavelatomen van de glutenineketens.

  3. Te zuur deeg (door het water of een zuurdesemcultuur) verzwakt het gluten omdat de eiwitketens dan positief geladen worden en elkaar afstoten.

  4. De hardheid (calcium en magnesium geven steviger deeg) en de hoeveelheid (weinig water geeft een onvolledig ontwikkeld gluten en een kruimelig deeg; veel water geeft verdund en zwak gluten en een open structuur van het brood) water. Des te meer eiwitten de bloem bevat, des te meer water je nodig hebt.

  5. Zout versterkt het gluten omdat het de lading van de eiwitten verlaagt waardoor ze elkaar minder afstoten. Door gebruik van zou wordt het volume van het eindresultaat vergroot.

  6. Bij zoet brood met minstens 10% suiker beperkt suiker de ontwikkeling van het gluten.

  7. Vetten en oliën (1% in bloem of handmatig toegevoegd) verzwakken het gluten omdat ze zich hechten aan de waterafstotende aminozuren in het gluten.

Zetmeel

Zetmeel vormt ongeveer 70% van de bloem. Zetmeel onderbreekt het gluten, zodat het deeg zachter wordt. Als het gluten zwak is (zoals bij cake) is het het belangrijkste structuurmateriaal.

Gist en rijsmiddel

Gist

Gisten zijn eencellige schimmels, verwant aan de paddestoelen. Als gist in deeg zit gaat het suikers fermenteren: omzetten in alcohol en koolstofdioxide. Deze gassen vergroten de belletjes die bij kneden of kloppen ontstaan zijn tot 80% van het volume van het product. Uiteindelijk worden zowel alcohol als koolstofdioxide door de hitte van het bakken uit het deeg verdreven.


Een beetje zout of suiker stimuleert de gistactiviteit, teveel gaat de gistactiviteit tegen. Gisten werken optimaal rond 35 graden maar produceren dan ook onaangename bijproducten. Daarom wordt 27 graden aangeraden. Hoe langer het deeg mag rijzen, hoe minder gist je nodig hebt, en hoe beter de smaak (gist schept smaakstoffen).
Gist wordt in 3 vormen verkocht:

  1. Een vochtig blok van verse gistcellen. Levert veel gas en is bederfelijk. Van verse gist heb je ongeveer twee keer zoveel (2,5 – 20 gram per 500 gram bloem) nodig als van gedroogde.

  2. Actieve droge gist in gedroogde korreltjes. De gistcellen slapen en worden gewekt door ze in warm water te weken (42 graden).

  3. Gedroogde instantgist is sneller gedroogd tot poreuze staafjes. Hoeft niet geweekt te worden en levert meer koolstofdioxide dan actieve droge gist.


Rijsmiddel

Gist levert zijn koolstofdioxide in de loop van 1 uur. Zwak deeg of dun beslag is dan al ingezakt, en heeft een sneller werkende gasbron, chemische rijsmiddelen, nodig. Hierbij leidt de reactie tussen bepaalde zure en basische (meestal natriumbicarbonaat (zuiveringszout)) stoffen tot de aanmaak van kooldioxide. Teveel van het basische ingredient leidt tot kleurveranderingen. In bakpoeder zit zowel de zure als de basische component. De snelheid en het tijdstip van gasvorming hangen af van het gebruikte zuur. De meeste bakpoeders uit de supermarkt produceren zowel belletjes tijdens het mengen van het beslag als tijdens het bakken.

Brood

Gistbrood komt in 4 fasen tot stand:



  1. Bloem, water, gist en zout worden gemengd.

  2. Het mengsel wordt gekneed om het gluten te ontwikkelen. Minder kneedtijd leidt tot grotere bellen en tot een grovere, onregelmatige structuur.

  3. Het gist krijgt de tijd om koolstofdioxide te maken en het deeg met gascellen te vullen. Ook tijdens de fermentatie en het rijzen van het deeg gaat de ontwikkeling van het gluten door. Het volume moet ongeveer verdubbeld zijn en als je er een vinger in zet mag het deeg niet terugveren. Als in de bloem veel gluteneiwitten zitten kan het nodig zijn het deeg een tweede keer te kneden (om het gluten volledig te ontwikkelen) en te laten rijzen. Tegenwoordig wordt de fermentatie vertraagd door het deeg in een gekoelde ruimte te laten rijzen. Daardoor hoeven bakkers niet meer s nachts te werken. Afwisselend opwarmen en afkoelen zorgt voor een herverdeling van gassen in het deeg van kleine naar grotere belletjes en zorgt voor een open en onregelmatige kruimstructuur.

  4. Het deeg wordt gebakken om de structuur vast te leggen en smaak te scheppen. Een traditionele oven bestaat uit klei, steen of baksteen. Zo’n oven kan veel hitte opslaan en worden verhit tot ongeveer 350-450 graden. Moderne ovens zijn ongeschikt voor broodbakken. De temperatuur komt niet hoger dan 250 graden. Worden ook gasvlammen of electrische elementen gebruikt, dan wordt de temperatuur makkelijk te hoog. Gasovens worden geventileerd waardoor het stoom ontsnapt.

Het bakken bestaat uit 3 fasen:



  1. De ovenrijs. Als het brood goed gekneed is, zijn er veel belletjes met stoom die de hitte veel beter geleiden dan de vaste deeltjes, en is het brood sneller gaar. Daarnaast condenseert het stoom op het broodoppervlak, waardoor het in eerste instantie flexibel en elastisch blijft en de rijs niet belemmert.

  2. Van schuim tot spons. Als de korst stijf en stevig is en de temperatuur hoog genoeg (68-80 graden) om de eiwitten een netwerk te laten vormen en het zetmeel te laten geleren stopt de rijs. De belletjeswanden breken open onder de toenemende druk en het de structuur van het brood wordt open, waardoor de gassen overal naartoe kunnen en het brood niet meer inzakt.

  3. Ontwikkeling van de smaak en garing. Als de temperatuur in de buurt van het kookpunt is, stoppen we nog niet met garen. Het zetmeel geleert dan volledig waardoor het zoveel mogelijk water opneemt, het kruim droog en licht wordt, en het oudbakken worden wordt vertraagd. Door Maillard-reacties wordt de korst bruin waardoor de hitte steeds beter geabsorbeerd wordt en ontstaan smaakmoleculen die zich verspreiden en ook de smaak van het binnenste van het brood beïnvloeden. Het brood is klaar als het binnenste helemaal is opgesteven (klinkt hol als je er aan de onderkant optikt).

Tijdens het afkoelen verliest het brood 10-20% van het vocht.


Oudbakken brood

Oudbakkenheid ontstaat doordat het zetmeel gaat kristalliseren, waarbij het water uit de korreltjes geperst wordt (retrograderen). Amylose retrogradeert heel snel en zorgen de eerste dag voor een gewenst opstijven van het brood. Daarna gaan de amylopectinen gedurende enkele dagen langzaam retrograderen en wordt het brood oud. Dit proces kun je tegengaan door het brood tot 60 graden te verhitten (waardoor de kristalstructuur weer wordt verbroken en nog aanwezige water zich weer aan het zetmeel bindt), door emulgatoren toe te voegen, die het water vasthouden of door vet toe te voegen, dat zicht hecht aan het zetmeel, waardoor het minder snel kristalliseert.

Oudbakken worden gaat het snelst vlak boven het vriespunt, en het langzaamst vlak daaronder.

Bijzondere broodsoorten



Zuurdesembrood

Zuurdesembrood bevat bacteriën. Deze bacteriën produceren zuur. Dit zuur maakt het brood goed houdbaar, en zorgt ervoor dat de Maillardreacties (bruiningsreacties) trager verlopen. Bij het maken van zuurdesembrood zijn twee problemen:



  1. De hoeveelheid bacteriën is 100 tot 1000 maal zo groot als die van gist, wat de procuctie van gistgassen verhinderd, waardoor het brood erg compact wordt.

  2. Door de zure omstandigheden en door bacteriele enzymen wordt het gluten verzwakt.

In goed zuurdesembrood moet de groei van bacteriën en de zuurgraad beperkt worden, en de groei van gisten gestimuleerd. Hiervoor moet de starter (een kleine hoeveelheid deeg die al langere tijd heeft kunnen rijzen, de gisten en bacteriën bevat en aan het eigenlijke deeg wordt toegevoegd):



  1. koel zijn (20-25 graden, hierbij gedijen gisten in zure omstandigheden beter dan bacteriën (die graag een temperatuur van 30-35 graden willen).

  2. geregeld worden voorzien van nieuw water en bloem (verminderd de concentratie van het zuur en de bacteriën en verschaft nieuw voedsel).

  3. goed luchtig zijn (gisten hebben zuurstof nodig voor het aanmaken van nieuwe cellen).

  4. halfvast zijn (dan gedijen de bacteriën minder goed).

  5. zout bevatten (vertraagt de bacteriele enzymen).

Roggebrood

De gluteninemoleculen in roggemeel kunnen geen lange ketens vormen, en roggemeel ontkiemt voor de oogst, en bevat dus enzymen die het zetmeel afbreken. Dat betekent dat rogge niet kan rijzen. Om het ‘echte’ roggebrood te maken vindt er eerst zuurdesemfermentatie plaats. Dit beperkt de afbraak van zetmeel, maakt het deeg elastischer en voegt een klein beetje gas toe. Het gaat bij een lage temperatuur (100 - 110 graden) langdurig (tegen een dag) de oven in. Daardoor wordt het brood (dankzij vrije suikers en aminozuren vindt de Maillard-reactie plaats) bruin. Daarnaast blijven zetmeelverterende enzymen lang actief en wordt het brood heel zoet.



Pizza

Een pizza is zacht, heeft een zeer korte bereidingstijd, tot 2 minuten, bij een zeer hoge temperatuur (tot 450 graden, geeft bruiningsreacties). Doordat damp overgaat in stoom rijst het deeg zonder te fermenteren. Er is geen gluten nodig, dus een pizza kan van allerlei soorten graan gemaakt worden.

Beslag

Dun beslag heeft weinig consistentie en wordt zonder vorm gebakken tot iets duns en kleins. Dik beslag wordt een groter en steviger product in een bakblik. In beslag is de concentratie gluteneiwitten zo laag, dat er alleen een heel los, vloeibaar netwerk ontstaat. De gluteneiwitten voorkomen alleen dat het product gaat kruimelen. Een te ver ontwikkeld gluten maakt het product elastisch en kauwbaar. De samenhang wordt gegeven door de zetmeelkorreltjes, die geleren en aan elkaar plakken. Ze geven een zachte, vochtige stevigheid.



De zachtheid van beslagproducten wordt bevorderd door:

  1. Meel met weinig gluteneiwitten te gebruiken, of paneermeel verdund met zetmeel.

  2. Het gluten niet te ontwikkelen door zo min mogelijk te roeren.

  3. In plaats van melk of water een zuur dikker zuivelproduct te gebruiken, waardoor er minder bloem nodig is om het vocht te binden.

  4. Lucht in het beslag te werken waardoor het dikker wordt en er minder bloem nodig is om het vocht te binden.

Produkten van dun beslag

Flensjes

Dunne, ongerezen pannenkoekjes die gemaakt worden van bloem, melk of water, en eieren. Voorzichtig geroerd om glutenvorming te voorkomen, en minstens een uur rusten om eiwitten en zetmeel water te laten absorberen en lucht te laten ontsnappen. Paar minuten per kant gebakken.



Pannenkoeken

Dikker beslag met meer bloem. Houden luchtbelletjes vast, waardoor ze rijzen in de hete pan. Daarnaast kan voor het rijzen gist, stijfgeklopt eiwit of bakpoeder zijn toegevoegd.



Soezenbeslag

Soesjes zijn balletjes die van binnen hol zijn, en waar bijvoorbeeld crème ingespoten kan worden. Veel water en wat vet worden aan de kook gebracht. Er wordt bloem toegevoegd, en op een laag vuur geroerd totdat er deeg is ontstaan. Dan worden er eieren doorheen geroerd tot het mengsel bijna een beslag is geworden. Daarna worden er balletjes van gemaakt die in de oven worden gebakken. Omdat de buitenkant al opgestijfd is als het binnenste nog vloeibaar is, vloeit de ingevangen lucht samen tot 1 grote bel.



Frituurbeslag

Een goed frituurbeslag moet goed hechten aan het product dat het omhult, en een korst krijgen die niet vet en taai is, of zacht en papperig. Het beslag bevat meel, een vloeistof, soms een rijsmiddel, en eieren om de hechting te bevorderen.

De meel is het belangrijkst. Te veel maakt taai, te weinig maakt kwetsbaar.


  1. Broodmeel bevat eigenlijk teveel eiwitten. De gluteneiwitten worden elastisch en absorberen vet (apolaire restgroepen) en vocht.

  2. Rijstmeel bakt knapperiger en droger omdat zijn eiwitten geen gluten vormen en minder vet en water absorberen.

  3. Maismeel bevat vrij grote zetmeelkorreltjes, die relatief weinig absorberen, wat de knapperigheid bevorderd en het bevat eiwitten die de gluteneiwitten verdunnen.

  4. Maizena verkleint het aandeel van de gluteneiwitten, en zorgt dus ook voor knapperigheid.

  5. Aardappelmeel werkt niet, omdat de zetmeelkorreltjes al bij lage temperaturen uiteenvallen, wat een zachte kleffe korst geeft.

Een beslag hecht beter als het product eerst door bloem of paneermeel gehaald wordt. Dit geeft een ruw oppervlak waar het vochtige beslag zich beter aan hecht. Het beslag moet worden gemaakt met koude vloeistof en weinig roeren omdat dat waterabsorptie en glutenontwikkeling minimaliseert.

Als een beslag te lang staat, lekken gasbelletjes weg, en wordt het chemische rijsmiddel verbruikt, wat een zware korst geeft.

Produkten van dik beslag



Muffins

Muffins hebben een vrij vochtige en dichte textuur, en zijn zoet. Het beslag rijst met bakpoeder of zuiveringszout, en bevat suiker, en een matige hoeveelheid eieren en vet. De ingrediënten worden net genoeg gemengd om de vaste stoffen te bevochtigen, en in kleine porties gebakken. Het vet is onregelmatig verdeeld, waardoor het het zetmeel niet kan beschermen en het product snel oud wordt.



Cake

Cake is zoet en vet. Het bevat bloem, eieren, suiker en boter.

Eieren bevatten voldoende vocht, maar worden soms aangevuld met melk of zure room. Het suiker is meestal kristalsuiker dat veel scherpe randjes heeft en zo door vet en eieren kan snijden. De bloem moet weinig gluteneiwitten bevatten om taaiheid tegen te gaan. Structuur wordt geleverd door het zetmeel in de bloem en de eiwitten in de eieren. De zachte textuur komt door het suiker en vet, die glutenvorming tegengaan, en het netwerk van het zetmeel onderbreken, en door luchtbelletjes.

Om lucht in het cakebeslag te werken, kloppen we de combinaties van ‘vet en suiker’, ‘eieren (wit, dooier of beide) en suiker’, of ‘bloem, eieren, vet en suiker’ luchtig op, waarna de overige ingrediënten voorzichtig toegevoegd worden. Daarnaast hebben suiker en bloem kleine luchtbelletjes op het oppervlak, die in het vet of de vloeistof gebracht worden.

Verreweg het meest gangbaar is het opkloppen van boter en suiker tot een slagroomachtige massa, waarbij het vet de luchtbelletjes vasthoudt. Plantaardige, onverzadigde vetten houden lucht beter vast dan boter. Ze vormen, door hun iets onregelmatiger structuur, kleinere vetkristallen, die kleinere luchtbelletjes vasthouden.

Als je vet gedeeltelijk vervangt door vruchtenpuree, zal hun hoge gehalte aan koolhydraten de vochtigheid en zachtheid van vet behouden. De cake zal echter aanzienlijk dichter worden.


Een cakeblik moet voor 50% gevuld worden. Blikken met een groot en dof oppervlak geleiden de hitte goed naar de inhoud en versnellen de garing. Een zwart blik absorbeert en houdt de hitte goed vast en wordt heter, wat de bruining versnelt. Dikke metalen blikken houden meer warmte vast, worden heter en geleiden hitte gelijkmatiger naar het deeg.

Een cake bakken verloopt net als het bakken van brood in drie fasen: expansie, stollen en bruinen. Suiker vertraagd zowel het stollen van de eiwitten als het geleren van het zetmeel sterk. Cake wordt gebakken bij 175-190 graden. Bij een te lage temperatuur vloeien de gasbelletjes samen voordat de cake gestold is, wordt de textuur minder luchtig en zakt de cake in. Bij een te hoge temperatuur wordt het gebak te bruin, omdat het binnenste niet tijdig gaar is. Als de cake iets krimpt, of als een breinaald er zonder beslag uit komt, moet de cake uit de oven.


Een cake is zeer robuust en kan na 20 minuten gestort worden. In zoeter gebak geleert het zetmeel moeilijker en is de structuur met name gebaseerd op gestolde eiwitten. Deze sluiten luchtbelletjes luchtdicht af waardoor het gebak inzakt bij het afkoelen (dan krimpen de belletjes). Om dat te voorkomen kan je een cake op zijn kop laten afkoelen, waarbij door de zwaartekracht de belletjes stukgetrokken worden.

Pastei


Pasteideeg is altijd een omhulsel voor een vochtige vulling, en bevat bloem, zout, een minimum aan water, zodat de bloem net een samenhangend deeg wordt, en een grote hoeveelheid vet om ofwel kleine deegdeeltjes uit elkaar te houden, ofwel hele vellen uit elkaar te houden, ofwel beide.

Ingredienten



Bloem

  1. Kruimeldeeg vereist een minimum aan glutenontwikkeling en bevat dan ook een bloemsoort met weinig eiwitten.

  2. Bladerdeeg vraagt om een beheerste glutenontwikkeling en bevat patentbloem.

  3. Strudel- en filodeeg zijn heel dun en vragen om het sterke gluten en hoge eiwitgehalte van broodmeel.

Vet

Bij kruimeldeeg kan alles, maar voor bladerdeeg is vet nodig dat bij keukentemperatuur stevig, maar kneedbaar is: boter, reuzel of margarine.

De consistentie van vast vet bij keukentemperatuur hangt af van het deel van de vetmoleculen dat uitkristalliseert en het deel dat vloeibaar is. Als meer dan 25% is uitgekristalliseert (vast is), is het vet te hard en bros voor een gelijkmatige laag. Onder de 15% is het vet te zacht. Boter voldoet tussen 15 en 20 graden, reuzel tot 25 graden, wat betekent dat boter in de hete keuken vaak gekoeld gebruikt wordt.

De consistentie van margarine kan zo worden aangepast dat het tot een veel hogere temperatuur de juiste vastheid heeft. Nadeel hiervan is dat het vet dan ook in de mond vast blijft. Daarnaast kan de margarine een deeg- of wasachtige nasmaak geven.



Water

Voor bladerdeeg wordt margarine gebruikt die ongeveer 10% water bevat. Boter bevat teveel water waardoor de laagjes deeg niet goed genoeg gescheiden worden, maar een klein beetje is wel nodig om bij verhitting de laagjes uit elkaar te drukken.

Pasteideeg bakken

Bij het bakken wordt het water volledig gebruikt om ongeveer de helft van het zetmeel te laten geleren, en onstaat een droge massa die makkelijk uiteenvalt, waarbij het vet vrijkomt. Tevens ontstaat hierdoor een knapperige structuur en goudbruine korst. Om ook de onderkant van de pastei bruin en droog te maken, wordt deze, eventueel ingesmeerd met eierdooier of eiwit, vaak voorgebakken.

Pastei moet bij een temperatuur van ongeveer 180 graden de oven in. Bij te langzame verhitting smelt het vet in het deeg, en zakt het netwerk van zetmeel en eiwitten in voordat het zetmeel heet genoeg is om water uit het gluten te absorberen en structuur te geven.

Voor wat betreft het bakblik gelden dezelfde opmerkingen als gemaakt bij cake.

Soorten pasteideeg

Kruimeldeeg

Kruimelig maar stevig deeg voor quiches, hartige taarten en vruchtentaarten. Grove stukken boter en eierdooiers worden midden op de juiste hoeveelheid bloem gelegd, waarna alles met de vingers tot een grof deeg wordt gemengd.



Flaky pastry

Zachte en schilferige korst. Vet scheidt zowel kleine als grotere oppervlakken. Dit wordt bereikt door een gedeelte van het vet fijn, en daarna de rest in erwtgrote stukken door de bloem te verspreiden. Vervolgens worden 1 a 2 eetlepels water per 100 gram toegevoegd en wordt alles gekneed. Daarna rust het in de koelkast om af te koelen en het water gelijkmatig te verdelen, en wordt het (met zo min mogelijk rek om glutenvorming te voorkomen) uitgerold. Doordat de bolletjes vet uitgerold worden ontstaat een gelaagde structuur.



Bladerdeeg

Bladerdeeg is een tamelijk vochtig deeg van 50 delen (ijs-) water op 100 delen bloem. Voeg eventueel boter en / of citroen toe om het gluten te verzwakken. Meng voorzichtig om zo min mogelijk gluten te krijgen. Vorm een vierkant van het deeg.

Het vet (boter; half zoveel als de bloem) wordt met een roller bewerkt tot het even flexibel is als het deeg. Nu wordt het op het deeg gelegd. Deze tweelagenstructuur wordt meerdere malen opgevouwen en uitgerold. Bij iedere uitrolling wordt het gluten verder ontwikkeld en ontstaan extra, steeds dunnere, laagjes deeg en vet. Hierna rust het deeg minstens een uur, waarna het tot een dikte van 6 mm wordt uitgerold. De stukjes moeten met een zeer scherp mes worden gesneden, om te voorkomen dat de laagjes samengedrukt worden en de expansie beperkt. Tijdens het bakken neemt het volume met een factor 4 toe.

Filodeeg is een stijf deeg van 40 delen water op 100 delen bloem, met wat zuur en olie voor de zachtheid. Het gluten moet ontwikkeld worden en wordt dus grondig gekneed. Het blijft een nacht rusten, en wordt dan uitgerold, tot het ongeveer 0.1 mm dik is en doorzichtig. Hierdoor droogt het snel uit; daarom wordt het met olie of boter bestreken. Deze velletjes worden vlak voor het bakken op elkaar gelegd.

Strudeldeeg bevat meer water (55 tot 70 delen water op 100 delen bloem), een klein beetje vet en een heel ei. Het deeg wordt eerst gekneed, blijft dan rusten, wordt dan uitgerold, blijft weer rusten en wordt dan met de hand uitgerekt. Daarna wordt het als verpakking voor een vulling gebruikt.

Getourd gistdeeg

Dit deeg is feitelijk brooddeeg, maar de bereiding van de producten lijkt op die van bladerdeeg.

Croissants

Het deeg voor croissants is stevig en minimaal gekneed, en bevat bloem, melk (50 tot 70 delen water op 100 delen bloem) en gist en eventueel wat boter zodat het deeg makkelijker uitrolt. Na het kneden kan het 1 uur rijzen, wat een korte fermentatie geeft, en dus relatief weinig smaak en luchtigheid. Het gerezen deeg wordt kort gekneed om koolstofdioxide te laten ontsnappen, gekoeld, uitgerold, met een laagje margarine bestreken en herhaaldelijk opgevouwen, uitgerold en gekoeld (4 tot 6 keer).

Tenslotte wordt het in driehoekjes gesneden, in toelopende cylinders gedraaid en rijst het nog een uurtje op een koele temperatuur (vet mag niet smelten).

Pate a pate

Bak voor vleespasteien en patés. Moet het vocht vasthouden en zacht blijven. Vrij veel water (50 delen water op 100 delen bloem) en 35 delen reuzel. Water en de reuzel tegen de kook aan gemengd, bloem erdoor geroerd tot een homogene massa ontstaat. Rusten. Vet beperkt de glutenontwikkeling en geeft zachtheid, en werkt waterafstotend. Bij het voorbakken zwelt en geleert een deel van het zetmeel, dat water absorbeert en het deeg minder elastisch, dikker en hanteerbaarder maakt.

Koekjes


Koekjes bevatten veel suiker en veel vet, maar zijn door een zwak gluten ook zacht.
De bloem is meestal Zeeuwse bloem of patentbloem met een laag eiwitgehalte. Weinig water beperkt de glutenontwikkeling en de gelering van het zetmeel, en geeft een kruimelige structuur. Veel water geeft beperkt door verdunning nog steeds de glutenontwikkeling, maar het zetmeel geleert wel, en geeft een zachte en cakeachtige, ofwel een harde en knapperige structuur. (Des te meer vocht er uit het koekje verdwijnt tijdens het bakken, des te harder het koekje.)

Als het deeg in de oven zijn vorm moet behouden, zijn veel bloem en enige glutenontwikkeling noodzakelijk. Vloeibaar beslag kan door koelen enige stevigheid krijgen. Bloem vervangen door gemalen noten geeft brosheid.

Als er met suiker, en vet of eieren een schuim geklopt wordt, wordt het mengsel luchtiger. Suiker verhoogt de geleringstemperatuur van het zetmeel, zodat het eindresultaat harder en knapperiger wordt. Het vocht en de eiwitten in eieren zorgen ervoor dat de bloemdeeltjes bij elkaar blijven zodat het deeg steviger wordt. Het vet in de dooier zorgt voor volheid en de emulgatoren voor vocht. Veel eieren geeft een meer cakeachtige structuur. Boter is de belangrijkste leverancier van vocht in koekjes met weinig eieren. Voor luchtbelletjes (die koekjes zachter maken) kunnen we zowel het beslag handmatig kloppen of chemische rijsmiddelen zoals basisch zuiveringszout gebruiken (mits het deeg ook zure ingrediënten als honing, bruine suiker of cakemeel bevat).

Indeling


  1. Zacht deeg dat met theelepels op een bakplaat gelegd wordt en uitvloeit.

  2. Stijver deeg dat wordt uitgestoken en op een bakplaat gelegd.

  3. Gekoeld beslag dat met een spuit op een bakplaat of in een vormpje wordt gespoten.

  4. Beslag dat in 1 groot blik wordt gebakken en na afkoeling in partjes gesneden.

  5. Plakjes van een rol deeg die in de koelkast worden bewaard.

Koekjes zijn klein, dun en bevatten veel suiker, waardoor ze snel bruin worden. Tegengaan door oventemperatuur te verlagen of witte bakplaat te gebruiken. Direct na het bakken kunnen koekjes nog gevormd worden.

Koekjes bevatten weinig water, en kunnen bij opslag snel hun textuur verliezen. Droge koekjes absorberen vocht en worden zacht; vochtige koekjes verliezen vocht en drogen uit. Daarom moeten ze luchtdicht worden bewaard. Ze bederven nauwelijks door weinig vocht en veel suiker.

Pasta en noedels

Pasta

Pasta is een kleiachtig deeg wat niet wordt gebakken maar gekookt. Het bevat alleen bloem en, ten opzichte van brooddeeg (70 delen water op 100 delen bloem), relatief weinig water (45 delen water op 100 delen bloem). Voor lang houdbare gedroogde pasta wordt bloem (‘semolina’) van durumtarwe gebruikt. De tarwe wordt vrij grof vermalen om het zetmeel niet te beschadigen. Durumtarwe heeft een hoog glutengehalte, maar de gluten zijn minder elastisch dan in brooddeeg. Hierdoor is het deeg na het kneden en het rusten makkelijker uit te rollen, zodat luchtbelletjes, die de structuur van het deeg verzwakken, ontsnappen en het gluten zich ontwikkelt. Vervolgens wordt het deeg door gaatjes geperst om er vorm aan te geven. Hierna wordt het 2-5 uur gedroogd. Eerst kort op 84 graden om enzymen uit te schakelen die voor een bruine verkleuring zorgen en om het dwarsverbindingen in het gluten aan te leggen, daarna langer op een lagere temperatuur.


Voor verse pasta wordt het relatief eiwitarme broodtarwe en eieren gebruikt. De eierdooiers geven kleur en een volle smaak, en leveren eiwitten ter compensatie van de relatief eiwitarme bloem.
Pasta al dente koken betekent dat de garing gestaakt wordt als het binnenste nog net niet helemaal gaar is. Op dat moment bestaat het oppervlak voor 80-90 % uit water, en het midden voor 40-60 %. De pasta dient in minstens 10 keer zijn eigen gewicht aan water gekookt te worden, zodat het 1,6-1,8 maal zijn eigen gewicht aan water kan absorberen, en het ontsnapte zetmeel voldoende verdund wordt waardoor de pasta niet gaan plakken. Hard water met calcium- en magnesiumionen vergroot de kleverigheid van de pasta. Kookwater is het beste een beetje aangezuurd, want het licht basische leidingwater verzwakt het het laagje eiwitten en zetmeel op het oppervlak, en vergroot dus het kookverlies.

Vlak nadat ze in de pan gaan, kunnen pastadeeltjes aan elkaar plakken. Ze zuigen het water tussen elkaar op, waarna het gedeeltelijk gegeleerde zetmeel aan elkaar kleeft. Zout vertraagt de gelering en gaat dus plakkerigheid tegen. Vaak roeren. Kleverigheid na afloop van het koken komt door opdrogend zetmeel op het oppervlak wat een lijmachtige consistentie krijgt. Bevochtigen met saus of olie.



Couscous

Couscous wordt gemaakt door volkorenmeel te besprenkelen met zout water. Dit wordt daarna met de vingers geroerd waardoor kleine stukjes deeg ontstaan. Die worden gezeefd om stukjes van 1-3 mm over te houden. Omdat er niet gekneed wordt ontstaat er geen gluten. Doordat ze zo klein zijn kunnen ze gestoomd worden. Doordat de korreltjes zo klein zijn is het oppervlak groot en werken ze het beste met een dunne saus.



Gnocchi

Het deeg voor gnocchi bestaat uit aardappels, net genoeg bloem om door gluten en vochtabsorptie structuur te geven en soms eieren voor extra stevigheid. Als aardappels gebruiken we liefst oude afkokers, deze bevatten minder water en meer zetmeel, waardoor er minder bloem nodig is. Om zoveel mogelijk vocht kwijt te raken worden de aardappels gaar geschild en gelijk gepureerd. Ze koelen af, worden samen met de bloem minimaal gekneed om het resultaat zo zacht mogelijk te houden, en gekookt. Als de gnocchi tegen het kookpunt komt en dus gaar is vullen de luchtbelletjes zich met waterdamp en stijgt de gnocchi op.

Aziatische noedels

Tarwenoedels

Witte noedels bevatten bloem met weinig eiwitten en zetmeelkorreltjes met veel amylopectine. Daardoor zijn ze flexibel en zacht. Zout (2%) stabiliseert de zetmeelkorreltjes. Om het deeg de juiste vorm te geven worden vellen deeg in reepjes gesneden.

Gele noedels zijn gemaakt met basische zouten en hardere tarwesoorten. Onder basische omstandigheden kleuren fenolen (flavonen) uit met name de zemel en kiem geel. De hardere tarwesoorten geven een fijnere textuur. Basiditeit maakt de noedels steviger en bevorderd wateropname door een langere kooktijd.

Japanse noedels worden in aangezuurd water bereid. Na het uitlekken worden ze in koud water afgekoeld. Hierbij wordt het oppervlak vochtig, maar niet kleverig door het opstijven van los zetmeel.



Zetmeelnoedels

Een kleine hoeveelheid van het amyloserijke zetmeel, wat een glibberige maar stevige textuur geeft, wordt met water gekookt, en daarna met de rest tot een samenhangend deeg gemengd. Dat deeg wordt door gaatjes geperst en meteen gekookt totdat de zetmeelkorreltjes volledig uit elkaar zijn gevallen. Doordat deze noedels dus een uniform mengsel zijn van losse zetmeelmoleculen en water krijgen ze een karakteristieke doorschijnendheid en hoogglans. De noedels lekken uit en worden aan de lucht gedroogd, waarbij de zetmeelmoleculen retrograderen. Bij de uiteindelijke bereiding hoeven ze nog maar een paar minuten te weken in hete vloeistof.



Rijstnoedels

Ook rijst is rijk aan amylose, maar bevat tevens eiwitten en celwanddeeltjes, die de noedels ondoorzichtig maken. De rijst wordt geweekt, er wordt een pasta van gemalen en deze wordt gekookt, zodat het zetmeel grotendeels geleert. Het deeg wordt gekneed, door gaatjes geperst, gestoomd om het zetmeel volledig te geleren, men laat het minstens 12 uur rusten en daarna wordt het met hete lucht gedroogd, waarbij retrogradatie plaatsvindt.

  • Boter

  • Dovnload 72.49 Kb.