Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wees blij! (2/2)

Dovnload 29.17 Kb.

Wees blij! (2/2)



Datum04.06.2018
Grootte29.17 Kb.

Dovnload 29.17 Kb.

preek

12 februari 2012

thema

Wees blij! (2/2)

tekst

Filippenzen 4: 4-5

liturgie:




votum en groet

Psalm 33: 1, 2

lezen Filippenzen 4: 4-5




tien geboden

Gezang 158

gebed




lezen 1 Samuël 30: 1-6

Psalm 56: 1, 3

lezen Filippenzen 1: 27 – 2: 18

Psalm 23

preek

Psalm 73: 10 (schoollied De Meerpaal)

gebed




collecte

Liedboek 448

zegen




“Wees blij!” Zo staat het twee keer in onze tekst. “Wees blij!” Maar dat gaat zomaar niet.

Het spreekt niet vanzelf dat je blij bent. Vandaar dat je daartoe de opdracht krijgt. Je kunt die opdracht een paar keer lezen in de korte brief van Paulus aan de Filippenzen. Maar hoe moet je ‘blij zijn’ als je helemaal niet blij bent? Soms zijn de omstandigheden er gewoon niet naar. Dan maak je zoveel mee wat je verdriet geeft. Als dan de opdracht komt om blij te zijn, kun je het gevoel krijgen dat je niet begrepen wordt. Het kan je boos maken.

Het is waardevol om te letten op David.

Hoe reageert hij als er iets verschrikkelijks gebeurt in zijn leven? Wat doet hij als hij echt een dieptepunt meemaakt? Dan zoekt hij steun bij de HEER, zijn God.

In zijn leven heeft David met veel moeite te maken.

Als jonge jongen is hij door God aangewezen als de nieuwe koning van Israël. Daar heeft hij niet om gevraagd maar het is hem overkomen. Daarna is hij getrouwd met één van de prinsessen. Het zag er allemaal heel veelbelovend uit. Maar de oude koning, Saul, keert zich tegen de nieuwe koning. Hij wil niet aanvaarden dat David de nieuwe koning zal zijn en hij doet er alles aan om dat te voorkomen. David zwerft door het land maar Saul drijft hem in het nauw. Het wordt zo erg dat David zich niet langer veilig voelt in het land en naar het buitenland vlucht.

Hij vlucht naar de Filistijnen.

Hij komt terecht bij de grootste vijanden van Israël. Die lui vinden het wel mooi dat hij bij hen komt. Hij is van harte welkom, samen met zijn 600 soldaten en hun gezinnen. Hij is nu buiten het bereik van Saul. Eindelijk heeft hij rust. Van Achis, de koning van Gat, krijgt hij een eigen stad: Siklag. Daar woont hij bijna anderhalf jaar.

David leidt bij de Filistijnen een dubbelleven.

Hij valt allerlei dorpen en steden aan: mensen die leven van roof en moord; vijanden van Israël. Iedereen wordt door hem gedood. Ze mogen hem namelijk niet verklappen.


Hij beweert steeds dat hij tegen Israël gevochten heeft. Koning Achis vindt het prima. Hij denkt dat David zijn bondgenoot is geworden.

Maar op den duur komt David door zijn dubbelleven in de problemen.

Er zal een grote veldslag komen tegen Saul. Alle Filistijnen worden opgetrommeld voor de strijd tegen Israël. Ook David en zijn mannen moeten komen want koning Achis wil dat ze mee gaan vechten.

Het wordt link voor hem.

Gelukkig willen de andere Filistijnen niet dat hij mee gaat. Ze weten van zijn verleden. Ze kennen hem nog als de grote generaal van koning Saul die de dood van heel wat Filistijnen op zijn geweten heeft. Achis doet een goed woordje voor David. Maar de anderen vertrouwen David voor geen cent. Ze willen hem absoluut niet mee hebben.

David wordt uit de problemen gered.

Het is voor hem een geluk dat de andere Filistijnen hem niet vertrouwen. Mopperend vertrekt hij maar in zijn hart is hij opgelucht dat hij niet hoeft mee te vechten tegen zijn eigen volk.

Hij gaat met zijn mannen terug naar Siklag. Maar daar doen ze een vreselijke ontdekking. Daarover lezen we in 1 Samuël 30: 1-6.

David en zijn mannen huilen, tot ze er moe van zijn.

Hun spullen zijn kapot. Hun vrouwen zijn weg. Hun kinderen zijn meegenomen. Ze zijn er kapot van. Alles wat hen blij maakte, is van hen afgepakt. Ze gaan helemaal op in hun verdriet.

Maar na een tijdje slaat de stemming om. De 600 soldaten keren zich tegen hun aanvoerder.

David heeft het volgens hen gedaan. Het is zijn schuld dat dit gebeurd is. Hij had het anders moeten regelen. Het is zijn schuld dat hun spullen kapot zijn, hun vrouwen weg zijn, hun kinderen meegenomen zijn. Het is allemaal zijn schuld. Hun verdriet slaat om in woede. Ze praten er al over om David te stenigen.

David gedraagt zich niet meer als de slimme aanvoerder.

Hij verzint geen list om de woede van zijn mannen te overleven. Hij doet iets anders. Hij zoekt steun bij de HEER, zijn God. Het staat er zo eenvoudig. Het is zo goed. David komt in actie. God heeft hem beloofd dat hij de koning van Israël zal zijn. Maar God heeft hem niet beloofd dat zijn vrouwen en zijn kinderen mogen blijven leven. David weet niet of hij hen weer terug zal krijgen en hij weet ook niet hoe het verder zal gaan met deze groep soldaten. Hij laat aan zijn mannen zien waar hij in deze vreselijke situatie zijn kracht aan ontleent.

Hij zoekt steun bij de HEER, zijn God.

We zingen hierover een psalm van David, ongeveer uit diezelfde tijd: Psalm 56: 1 en 3.

“Ik vertrouw op God”. David is angstig en verdrietig, maar hij vertrouwt op God. Die houding kom je eeuwen later ook bij Paulus tegen.

Het gaat niet goed met hem. Hij heeft eerst gevangen gezeten in Jeruzalem. Van Jeruzalem is hij na een tijdje overgebracht naar Caesarea. Daar wordt hij opnieuw in de gevangenis gezet. Hij weet niet hoe het met hem af zal lopen. Zal hij vrijgelaten worden? Zullen zijn tegenstanders hem vermoorden? Gaat er iets anders met hem gebeuren? Hij weet het gewoon niet. Dat valt niet mee. Maar dan krijgt Paulus, in de gevangenis, bezoek. Er komen wat christenen uit het verre Filippi bij hem op bezoek. Ze hebben ook de nodige spullen bij zich: voedsel of geld voor voedsel. Daarmee kunnen ze voor Paulus het leven wat gemakkelijker maken. Deze hulp is een teken van Gods liefde. Als de bezoekers uit Filippi weer vertrekken, krijgen ze van Paulus een brief mee voor de gemeente van Filippi.

Wat heeft Paulus hun vanuit de gevangenis te zeggen? We lezen Filippenzen 1: 27 – 2: 18.

Volhouden! schrijft Paulus hier. Je moet samen volhouden!

Deze gevangene schrijft aan mensen die een speciaal plekje in zijn hart hebben:

Filippenzen 1 vers 27-30:


Luister naar de blijde boodschap van Christus, en gehoorzaam daaraan. Het moet voor jullie niet uitmaken of ik er bij ben of niet. Blijf trouw aan Christus. Je zult hierin Gods genade ervaren.

Filippenzen 2 vers 1-4:


Wees eensgezind en nederig! Daar maak je me heel gelukkig mee! Daar word ik echt blij van!

Filippenzen 2 vers 5-11:


Let op Christus Jezus! Hij was zo eindeloos groot, maar ze hebben hem zo eindeloos vernederd en hij liet het toe! God heeft hem nu eindeloos verheven en iedereen moet en zal voor hem buigen!

Filippenzen 2 vers 12-18:


Heb ontzag voor God! Je zult merken dat je dat wilt en dat je dat doet, omdat God wil dat je dat wilt en dat je dat doet. Dan ben ik blij, samen met jullie. En jullie mogen het zijn, samen met mij.

Paulus schrijft: Wees blij.

Dat schrijft hij in Filippenzen 2 vers 18: “Wees dus ook vol vreugde, samen met mij”. Dat herhaalt hij in Filippenzen 3 vers 1: “ laat de Heer uw vreugde blijven”. En dat schrijft hij tot twee keer toe in Filippenzen 4 vers 4 en 5: “Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij”.

Laten we straks bekijken wat hij bedoelt met die opdracht: Wees blij. We gaan nu eerst zingen. We zingen een psalm van David over thuiskomen bij God en over het geluk dat dat oplevert: Psalm 23.

Ik wil Filippenzen 4 vers 4 en 5 nu bespreken aan de hand van drie vragen: wanneer? waar? waarom?

Vraag 1: Wanneer moet je blij zijn?

Vraag 2: Waar moet je blij zijn?

Vraag 3: Waarom moet je blij zijn?


Vraag 1: Wanneer moet je blij zijn?


Laten we beginnen bij David. Hoe reageert hij op de vreselijke dingen die hij meemaakt?

Hij ziet de rokende puinhopen van Siklag. Alles wat ze hebben opgebouwd, is kapot. Zijn vrouwen en kinderen zijn weg en hij weet niet wat er met hen gebeurd is. Zijn mannen zijn van plan om hem te doden. Hij zit zo in het nauw. Hoe moet hij verder?

David zoekt steun bij de HEER, zijn God. Precies datzelfde zie je ook bij Paulus.

Ook Paulus maakt veel ellende mee. In zijn brief aan de gemeente in Filippi laat hij dat af en toe doorschemeren.

Eén van zijn medewerkers was ziek; het leek er zelfs op dat hij ging sterven. Maar de man is weer helemaal beter geworden; Paulus is er opgelucht van. Hij heeft van de ziekte van deze broeder zo’n verdriet gehad! voor zijn medestrijder en ook voor zichzelf. Dat zijn broeder nu weer beter is, dat is een geschenk van God. De Heer heeft hem nog meer verdriet bespaard (Fil. 2: 25-27).

Paulus is blij vanwege de christenen in Filippi, maar hij maakt zich ook zorgen over hen.


Ze hebben problemen met mensen in de kerk. Er is bij hen sprake van verdeeldheid, waarschijnlijk door botsende karakters. Maar dat moet niet. Zulke verdeeldheid is niet goed. Ze moeten eensgezind zijn omdat ze één zijn met de Heer (Fil. 4: 2-3).
Ze hebben ook problemen met mensen buiten de kerk. Ze hebben te maken met spot en met pesterijen (Fil. 1: 28).
Zullen ze wel bij de Heer blijven? Daar maakt Paulus zich zorgen over. Wordt het hun wellicht te veel? Straks gaan ze bij de Heer weg. Dat zal toch niet?! Is zijn werk voor Filippi dan voor niets geweest? (Fil. 2: 16-17).

En Paulus zit in de gevangenis. Laat maar eens tot je doordringen wat dat betekent. Een gevangenis is geen vakantiehuisje waar je binnen moet blijven. Het is een afschuwelijke plek om te wezen. Sommige gevangenissen zijn niet meer dan een hol waar mensen vastgeketend aan de muur wachten op hun veroordeling. Het leven in een gevangenis is vreselijk, en de gevolgen van de opsluiting zijn ingrijpend want Paulus kan zijn werk niet goed doen omdat hij vastzit.

Paulus maakt dus genoeg ellende mee om er helemaal aan onderdoor te gaan. Maar net als David zoekt Paulus steun bij de Heer, zijn God.

Wees blij! Dat roept Paulus niet zomaar.

‘Blijf lachen’. Je hart breekt; je hoofd bonkt; je lijf doet zeer. ‘Blijf lachen’. Je moet naar het ziekenhuis want de kanker kwam terug. Je bent bang want je moet sterven. ‘Blijf lachen’. Je bent zo moe. Je kunt niet meer. Opgebrand ben je, helemaal stuk. ‘Blijf lachen’. Je moet in therapie. En je baas schopt je op straat. ‘Blijf lachen’. Geen mens begrijpt het, zelfs God begrijpt het niet. ‘Blijf lachen’. Je hebt gemakkelijk praten. Voel maar eens wat ik voel. ‘Blijf lachen’. De familie reageert belachelijk. ‘Blijf lachen’.

Zo gemakkelijk bedoelt Paulus het niet.

Telkens opnieuw vind je in de brief aan de Filippenzen de oproep om blij te zijn. Dat is niet: probeer de ellende te vergeten, probeer het weg te moffelen, probeer het uit je gedachten te bannen, wees dapper want echte kerels huilen niet.

Wees blij, ook al kan dat een worsteling zijn.

Wees blij als het goed met je gaat. Dat spreekt niet vanzelf. Als het goed met je gaat, baal je misschien wel dat het niet wat beter met je gaat. Als het goed met je gaat, ben je misschien wel bang dat het straks wat minder goed met je gaat. Wees blij!

Wees blij, zelfs als het slecht met je gaat. Dat klinkt raar, maar toch is dat wat Paulus schrijft. Hoe zit dat? Zulke blijdschap spreekt niet vanzelf. Het wordt je aangeleerd. Juist omdat Paulus zelf zo’n ellende meemaakt, kun je het van hem hebben dat hij zo schrijft. Hij weet zeker dat er altijd redenen om blij te zijn.

Wanneer moet je blij zijn? Altijd!

Vraag 2: Waar moet je blij zijn?


Als iemand blij is, kan een ander daarvan genieten.

Je geniet van je kind dat blij naar school gaat. Je geniet van het enthousiasme waarmee iemand praat over zijn werk, zijn sport, zijn hobby ... Sluit je alsjeblieft niet af voor dit enthousiasme. Misschien ervaar je pijn of ben je jaloers, omdat die leuke dingen er voor jou niet zijn. Stel je open voor de blijdschap en laat je erin meeslepen. Daar word je zelf wat vrolijker van. En het heeft zijn uitstraling in je omgeving. Wees blij.

Paulus voegt daar direct aan toe: “Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen” (vs. 5).

Dat is niet zo moeilijk in een kring waarin iedereen je leuk vindt en je waardeert. Als iedereen positief doet naar jou, is het niet zo moeilijk om positief terug te doen. Maar hoe moet dat als ze onaardig tegen je doen? Hoe reageer je als iemand boos is op jou?

Gebruik deze tekst niet als wapen in de strijd.

Dat heb ik wel eens meegemaakt. Dan was iemand woest en dan zei een ander met een uitgestreken gezicht: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend”. Dat is echt stom. Het gebeurt wel vaker dat de bijbel (of een tekst uit de bijbel) gebruikt wordt als een knuppel om er een ander knock-out mee te slaan. De Geest is er dan allang uit, want hier doet God niet aan mee. Daar is de bijbel niet voor gegeven!

Gebruik deze tekst als een aansporing voor jezelf.

“Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen”. Paulus vraagt van jou niet een verstarde glimlach op je gezicht, een glimlach als een masker waarachter je je eigenlijke gezicht verstopt. Je hoeft niet lievig met elkaar om te gaan; daar krijg je jeuk van. Maar het moet wel zorgzaam zijn. Je geeft elkaar de ruimte; je gaat niet expres bij iemand op de tenen staan. Je bent welwillend tegenover een ander. Je doet niet zo moeilijk want je kunt wel iets hebben van een ander. Je haalt een ander niet onderuit. Je wilt niet het onderste uit de kan maar je gunt een ander wel eens een extraatje. Als je iets positief uit kunt leggen, en negatief, dan geef je de ander het voordeel van de twijfel. Je wilt niet ten koste van een ander jouw recht halen. Zo is je opstelling thuis, in je familie, in je vriendenclub, in de kerk, op je werk, … overal! Laat de mensen maar merken dat je blij bent, laat ze er maar van genieten dat je christen bent. Wees blij.

Waar moet je blij zijn? Overal!

Vraag 3: Waarom moet je blij zijn?


Niemand is zomaar blij. Blijdschap heeft altijd een reden.

Paulus bijvoorbeeld is blij als hij bidt voor de gemeente in Filippi; want hij herinnert zich hoe ze hebben bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie (Fil. 1: 4, 5).


Hij is blij omdat Christus wordt verkondigd, door sommigen uit eigenbelang, door anderen uit liefde, maar Christus wordt verkondigd (Fil. 1: 18).
Hij is blij omdat de gemeente in Filippi in God gelooft en God wil dienen (Fil. 2: 17).
Hij is blij met de aandacht die de gemeente in Filippi aan hem persoonlijk geeft, in zijn moeilijke situatie (Fil. 4: 10).

Blijdschap wordt ondersteund en versterkt door gebed en gezang.

Zo heeft Paulus dat zelf ervaren, uitgerekend in Filippi. Hij was daar in de gevangenis, samen met Silas. Midden in de nacht gingen ze bidden en daarna gingen ze lofliederen zingen (Hand. 16: 25). Biddend en zingend klommen ze omhoog naar God.

Wie de nabijheid van God zoekt, vindt troost.

God is niet ver weg. Hij is vlakbij. Paulus schrijft dat aan de Filippenzen, maar je leest het zó vaak in de bijbel! Je hebt het blijkbaar nodig om het steeds weer te horen. Ik ben met u om u te redden. Ik ben met u om u te bevrijden. Ik ben met u, alle dagen. Jezus Christus zei het zelf. In zijn persoon is God echt bij ons, mens geworden onder de mensen. Dat maakt je zo blij! Paulus leert het je. Hij zou lang kunnen vertellen over het verdriet in zijn eigen leven. Maar hij benadrukt: “Ik ben tegen alles bestand door hem die mij kracht geeft” (Fil. 4: 13).

Waarom moet je blij zijn? Vanwege de Heer!



Heer onze God,
We horen wat uw apostel schrijft. Hij wil dat we blij zijn. Dat klinkt zo eenvoudig maar het is soms zo’n worsteling. Vervul ons met uw Geest zodat we zijn woorden weten toe te passen in ons eigen leven. Leer ons blij te zijn, altijd, overal, vanwege u.
Amen.

W.F.Wisselink (Leek) – blz.

  • Vraag 1: Wanneer moet je blij zijn
  • Vraag 2: Waar moet je blij zijn
  • Vraag 3: Waarom moet je blij zijn

  • Dovnload 29.17 Kb.