Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Werkboek 2007/2010 (ongeïllustreerde versie / juli 2007) rede & religie

Dovnload 268.63 Kb.

Werkboek 2007/2010 (ongeïllustreerde versie / juli 2007) rede & religie



Pagina1/4
Datum12.05.2019
Grootte268.63 Kb.

Dovnload 268.63 Kb.
  1   2   3   4


Werkboek 2007/2010

(ongeïllustreerde versie / juli 2007)

REDE & RELIGIE
Het doel van dit werkboek is de docent handvatten te bieden om de grote hoeveelheid informatie die in het boek van Michiel Leezenberg bij elkaar is gebracht voor de leerling tot leven te brengen. Hiertoe hebben wij een groot aantal vragen, opdrachten en stellingen bij de verschillende thema’s die in het boek worden aangesneden bij elkaar gebracht.

Hoewel dit werkboek de lijnen van het boek van Leezenberg volgt, hebben we er voor gekozen drie afzonderlijke thema’s te onderscheiden:


1. “Kennis” (grotendeels corresponderend met het Leezenberg, hoofdstuk 2, “Kennis en Geloof”);

2. “Zingeving” (grotendeels overeenkomend met hoofdstuk 3 “Geloof, waarden en ervaringen”, maar ook onderdelen bevattend uit hoofdstuk 4);

3. “Moraliteit” (grotendeels corresponderende met hoofdstuk 4 “Redelijke en Religieuze Praktijken”, maar tevens onderdelen bevattend uit hoofdstuk 3).
Bij deze drie thema’s hebben we telkens een casus geschetst waaraan de verschillende vragen, opdrachten en stellingen gekoppeld zijn. Deze casus moet op zichzelf volstaan om aan de slag te gaan met de vragen, opdrachten en stellingen, maar kan eveneens uitgebreid worden door de film, het boek, de literatuur of de krantenartikelen waarop de casus gebaseerd is te betrekken in de lessen.

Wanneer alle vragen, opdrachten en stellingen uit dit werkboek met de leerlingen behandeld zijn, zijn tevens alle eindtermen van het VWO examenonderwerp aan bod gekomen. Voor het gemak van de docenten die hier en daar wat vragen, opdrachten en stellingen willen gebruiken, maar zelf hun eigen les willen samenstellen, hebben we de behandelde eindtermen per item telkens tussen haakjes vermeld. Eveneens hebben we de verschillende primaire teksten in de vragen, opdrachten en stellingen verwerkt en verwijzen we regelmatig naar het boek van Leezenberg.

Het eerste deel bevat geen casus omdat we menen dat de inleiding van Leezenberg daartoe al voldoende aanknopingspunten biedt. Dit deel is vooral bedoeld om de mogelijke tegenstelling tussen rede en religie voor de leerlingen levendig en dringend te maken, hen te inviteren eigen intuïties en ideeën te expliciteren en op zoek te gaan naar informatie om hun standpunten uit te diepen en te verwoorden. We kunnen ons voorstellen dat een aantal van de opdrachten als huiswerk wordt meegegeven terwijl in de lessen ruimte gemaakt wordt om over de verschillende stellingen te discussiëren. We doen in het boek telkens suggesties hoe wij ons dat voorgesteld hebben en vertrouwen erop dat de verschillende docenten hiermee doen wat hun wijs lijkt. Het zal per school, per klas en waarschijnlijk zelfs per leerling verschillen hoezeer het onderwerp tot hun verbeelding spreekt. Dat kan alleen de individuele docent inschatten.

De daarop volgende drie delen bevatten, achtereenvolgens:

Deel 2: de casus “De naam van de roos” en de casus “God als Misvatting”.

Deel 3: de casus “De zin van het leven”.

Deel 4: de casus “Dogville”.

In de delen vindt u een korte introductie en bewegwijzering voor de films, literatuur en boeken die u hierbij zou kunnen betrekken.


Tirza Brüggemann, Ieke Haarsma, Maureen Sie.

DEEL 1: REDE & RELIGIE
Opdrachten

1.

(a) Wat is de ‘rede’ volgens jou? Bedenk een aantal situaties/voorbeelden die volgens jou typisch illustreren dat wij mensen zoiets als een rede bezitten.



(b) Zoek een aantal definities op van de term ‘redelijk’ en van de term ‘rationaliteit’ en leg uit of je dat goede definities vindt of niet en waarom.
2.

(a) Wat betekent ‘religie’ volgens jou? Probeer de betekenis van het woord “religieus” in je eigen termen te omschrijven. (eindterm 1a)

(b) Zoek een aantal definities op die anderen van de term ‘religie’ of ‘religieus’ gegeven hebben. Ga na of er tegengestelde of ongelijkvormige beschrijvingen/definities tussen zijn en geef op basis van je antwoord op de vorige vraag aan welke je voorkeur heeft en waarom. (eindterm 1b)

(c) Zoek informatie op over een aantal wereldgodsdiensten en bekijk of de definitie die je onder (a) en (b) formuleerde hierop van toepassing zijn. (eindterm 1c)

(d) Lees de tekst van Durkheim en ga na of de definitie die je onder (a) en (b) formuleerde de functies die religie volgens Durkheim vervult, begrijpelijk maakt. (eindtermen 67 en 68)

(e) Leezenberg onderscheidt religie ‘als overtuiging’, ‘als waarde’ en ‘als praktijk’, ga na hoe dit samenhangt met de door jou onder (a) en (b) gegeven definities en omschrijvingen. Wat vind je de meest bevredigende opvatting? Leg uit. (eindterm 2)

(f) Kan ‘patriottisme’ in vergelijking met religiositeit tot eenzelfde soort van intolerantie leiden? Geef een aantal voorbeelden. (eindterm 58)
3.

Volgens velen is er een tegenstelling tussen rede en religie.

(a) Bedenk zelf een aantal argumenten voor die tegenstelling (je hoeft het niet met die argumenten eens te zijn!).

(b) Ga na welke opvattingen over resp. rede en religie achter de door jou geschetste tegenstelling schuil gaan.

(c) Ga na welke argumenten je tegen die opvattingen kunt inbrengen zodat de tegenstelling tussen rede en religie minder scherp wordt.

Lees hoofdstuk 1 van Leezenberg en geef aan:

(d) welke argumenten de stelling ondersteunen dat de rede vanuit ‘kentheoretisch perspectief’ tegenover de religie staat. (eindterm 4)

(e) waarom de relatie tussen rede en religie per historische periode verschilt (eindterm 7a)

(f) waarom de Verlichting de verhouding tussen rede en religie problematisch maakt (eindterm 7b)

(g) hoe de verhouding tussen rede en religie in de klassieke islamitische wereld is. (eindterm 7c)
4.

Lees Hoofdstuk 2 van Leezenberg. Laat zien dat de verhouding rede en religie niet noodzakelijk als problematisch hoeft te worden gezien. Gebruik de visies van Thomas van Aquino, Al Farabi en Averroës in je antwoord. (eindterm 11)



Algemene stellingen

Organiseer een debat. Vorm een aantal groepen en laat de helft van hen de stelling verdedigen, de andere helft opponeren. Of laat de leerlingen een kort argumentatief essay schrijven, bijv. de ene helft voor de stelling de andere helft tegen (of verdeel de stellingen). Laat hen dit essay vervolgens presenteren; reserveer in dat geval ruimte voor discussie.


5.

Stelling: Eigenlijk is iedereen religieus. (eindterm 48)


6.

Stelling: Mensen die redelijk zijn kunnen niet religieus zijn. (eindterm 4)


7.

Stelling: Elke religie is, gezien vanuit de eigen cultuur, even ‘goed’ en ‘waardevol’. (eindterm 38)


8.

Stelling: Mensen die in de Moderniteit staan, zijn per definitie niet religieus. (eindterm 50)


9.

Stelling: De Nederlandse samenleving seculariseert. (eindterm 51)


10.

Stelling: Het is goed dat de Nederlandse samenleving seculariseert. (eindterm 49)



Ter voorbereiding van het debat over de stellingen 9 en 10 kunnen relevante gedeelte uit het boek van Leezenberg gelezen worden, hoofdstuk 4 (eindtermen 52 en 53).
12.

Stelling: Wetenschap is rationeel en stelt ons steeds beter in staat de wereld te zien zoals deze werkelijk is. (eindterm 5)


DEEL 2: KENNIS
De volgende cases behandelen de eindtermen bij hoofdstuk 2. De eerste casus is de film De Naam van de Roos. De bijbehorende eindtermen gaan voornamelijk over bronnen van kennis en over de verhouding tussen kennis en geloof. De tweede casus betreft een discussie in de krant naar aanleiding van het verschijnen van het boek The God Delusion van Richard Dawkins.
Casus 1 De Naam van de Roos

Voor deze casus is het niet nodig om het boek te hebben gelezen. De vragen en opdrachten gaan over de film. Het is handig om de ‘special edition’ uitgave van de film aan te schaffen.

Umberto Eco, De Naam van de Roos, uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1984 (1980). (citaten verwijzen naar deze uitgave).

The Name of the Rose 1986, regie: Jean Jacques Annaud, met: Sean Connery (William van Baskerville), Christian Slater (Adso van Melk) en F. Murray Abraham (Bernardo Gui).
De Naam van de Roos is de titel van een roman geschreven door Umberto Eco in 1980. De roman werd een bestseller. Critici zeiden: “Als iets een bestseller wordt, dan kan het geen niveau hebben”. Toch heeft De Naam van de Roos wél niveau. Verschillende niveaus zelfs: Je kunt de roman lezen als een detective, als een historische roman, bijna als een filosofisch naslagwerk en ook als een liefdesroman. In 1986 is de roman verfilmd door Jean Jacques Annaud. De film won twee British Academy Awards (‘best actor’: Sean Connery en ‘best make up artist’: Hasso von Hugo)
Historische setting

Een franciscaner monnik en zijn novice bezoeken in het najaar van 1327 een abdij in Italië. De monnik, William van Baskerville - een geleerd en scherpzinnig man -, is op last van de keizer naar de abdij getrokken. Hij moet ervoor zorgen dat volgelingen van de paus en volgelingen van de keizer met elkaar praten over de vraag of Jezus arm was. Een belangrijke kwestie. De toenmalige paus, Johannes de 22ste, was een rijk en wreed man. Hij kwam zelf uit Frankrijk, maar heerste met harde hand over het Italiaanse volk. Lodewijk, de keizer van Italië, wilde het keizerrijk in Italië herstellen en dacht dat de hulp van franciscaner monniken hem daarbij goed van pas zou komen. Franciscanen prediken namelijk de armoede van Christus. Als Christus arm was geweest, dan zouden zijn volgelingen (waaronder de paus en de kloosters) dit ook moeten zijn. Als besloten zou worden dat Christus inderdaad arm was geweest en Lodewijk en de franciscanen dus gelijk zouden krijgen, dan zou de macht van paus Johannes afbrokkelen en zouden de kloosters het geld dat zij de boerenbevolking hadden afgetroggeld, moeten teruggeven.


Het verhaal

Met de taak dit gesprek te organiseren, trekt William van Baskerville naar een benedictijner – en dus ook erg rijk - klooster, gelegen in Italië. Zijn hulpje Adso van Melk, een benedictijner novice, is meegekomen om iets van de wereld te zien.

In het klooster heerst bij hun aankomst een grimmige sfeer. Vlak voordat William en Adso arriveren is één van de monniken dood aangetroffen. De oversten van het klooster tasten in het duister over de oorzaak van zijn dood. Aan William wordt gevraagd of hij zijn scherpzinnigheid kan inzetten om helderheid te brengen in deze zaak. De abt Abbone probeert ervoor te zorgen dat Williams onderzoek geen schade toebrengt aan de machtsverhoudingen in het klooster. William is wars van de beperkingen die de abt hem oplegt en omzeilt de verboden die in het klooster gelden. Het gaat William niet om de macht van het klooster, van de abt of van wie dan ook, maar veeleer om het achterhalen van de waarheid over het mysterie van het sterfgeval en de eventuele linken met het sterfgeval en het verbod op het betreden van de bibliotheek. Hoewel William zich een voorbeeldige detective toont, kan hij niet voorkomen dat er in de week dat hij en Adso in het klooster verblijven zes monniken de dood vinden. William heeft het vermoeden dat de sleutel tot het mysterie van hun dood zich in de bibliotheek bevindt en wel in de vorm van een boek. Hij baseert dit vermoeden op de vondst van een stukje papier met daarop een regel in het Grieks die een van de slachtoffers, Venantius genaamd, vlak voor hij stierf heeft opgeschreven. Naast deze regel staat ook een code die, zoals later zal blijken, toegang geeft tot het ‘Finis Africae’, het meest geheime deel van de bibliotheek. Steeds als William het boek bijna in handen heeft, sterft een monnik. Na Venantius sterft de hulpbibliothecaris Berenger en na Berenger de bibliothecaris Malachias. Bij het onderzoeken van de lijken ziet William dat ze allemaal een blauwe tong en blauwe vingers hebben, waaruit hij opmaakt dat ze kort voor hun dood het boek hebben gelezen (de monniken maken hun vingers met hun tong nat als ze de bladzijden omslaan).

Als William de abt over zijn bevindingen vertelt, is deze niet onder de indruk. Het zint hem niet dat William hem met klem verzoekt toegang tot de bibliotheek te verlenen. Hij wil niet dat er aan verboden wordt gemorreld en bovendien is hij bang voor het vertrouwen dat William in de rede stelt. Hij roept de hulp in van de inquisitie. De abt wil de rust in het klooster bewaren en de waarheid die William zoekt gaat hem minder aan het hart. De inquisitie krijgt de taak om met behulp van brandstapels de duivel uit te roken. William zet alles op alles om de waarheid op tijd aan het licht te brengen, maar Bernardo Gui, het hoofd van de inquisitie, heeft al twee tamelijk willekeurig gekozen monniken tot de brandstapel veroordeeld.

Ondertussen is het gesprek over armoede op niets uitgelopen en ook daarin heeft William gefaald. Adso heeft een overweldigende seksuele ervaring met een arm boerenmeisje in het klooster en vraagt zich voortdurend af of zijn meester wel op de goede weg is. Het hoofd van de franciscaner orde, Ubertino de Casale, heeft een geheel andere uitleg van de sterfgevallen in de abdij. Hij legt de omstandigheden van hun sterven uit als een voorbode van de Apocalyps. De beeldende religieuze taal die Ubertino daarbij gebruikt trekt Adso meer aan dan de redelijke manier van denken van zijn meester.
De Apocalyps wordt voorafgegaan door veel symbolische gebeurtenissen, waaronder het klinken van zeven bazuinen. Bij de eerste bazuin komt er hagel en vuur, vermengd met bloed. Bij de tweede bazuin valt een grote ster op de aarde in rivieren en waterbronnen en bij één van de laatste bazuinen worden sprinkhanen en schorpioenen genoemd die de aarde zullen regeren. Er lijkt inderdaad reden om de moorden in het klooster in verband te brengen met de Apocalyps. Zo wordt Berenger in water gevonden en Malachias noemt in zijn doodstrijd ‘de macht van duizend schorpioenen’.

Adso dringt er na de moord op Berenger op aan dat zijn meester aandacht schenkt aan het boek van de Apocalyps. William reageert daarop geërgerd door te zeggen: ‘That is not the book we are looking for.’ Uit dit antwoord blijkt dat William ervan overtuigd is dat zijn theorie over een boek ‘waarvoor men moordt of dat zelf moordt’ klopt. Hij weet alleen niet welk boek het is en waarom het zo’n belangrijke rol speelt. Uiteindelijk blijkt het dan ook toeval te zijn dat de gebeurtenissen in de abdij lijken op het verhaal van de Apocalyps.

William heeft alleen de regel Grieks, opgeschreven door Venantius, en leidt daaruit af dat de moorden draaien om een boek in het Grieks. De regel die Venantius heeft opgeschreven beschrijft een situatie waarin de lach of iets grappigs tot inzicht kan leiden. William kauwt lang op die zin, totdat hij – ook min of meer toevallig - een gesprek in het scriptorium voert met één van de oudste monniken in de abdij Jorge van Burgos. William en Jorge slaan elkaar om de oren met tekstgedeelten uit de bijbel en uit de bijbelse geschiedenis waarin de lach aan de orde komt. William heeft geen enkel probleem met de lach en verwondert zich erover dat Jorge dat wel doet. William haalt Aristoteles aan, die in De Komedie, het tweede deel van de Poëtica, beweert dat humor een goed instrument kan zijn om de waarheid te ontdekken. De Komedie is een verloren gegaan werk van Aristoteles en Jorge vraagt dan ook aan William of hij het gelezen heeft. William ontkent en zegt dat dit natuurlijk niet kan, omdat het boek verloren gegaan is. Jorge haalt dan uit en zegt dat het boek nooit geschreven is. Een onhandige zet van Jorge, want het staat vast dat het boek geschreven is, omdat verschillende schrijvers in de Oudheid naar het werk hebben verwezen. Door deze snauw raakt William geïntrigeerd in de redenen van Jorge om de lach zo sterk af te wijzen.
De inquisiteur Bernardo Gui is een oude vijand van William. William is in zijn jonge jaren ook inquisiteur geweest en heeft toen een door Bernardo Gui uitgesproken veroordeling aangevochten. Iemand die dat doet, wordt ook veroordeeld, omdat het aanvechten van het oordeel van de inquisitie gelijk staat aan ketterij. Gui laat William met opzet meedenken in het veroordelen van de twee willekeurig gekozen monniken, omdat hij William graag ook weer veroordeeld ziet voor ketterij. Als William verklaart dat de twee monniken helemaal niet schuldig zijn aan de moorden in de abdij, heeft Gui bereikt waar het hem om te doen was en zegt hij dat William mee moet naar de paus om daar veroordeeld te worden.

Als William en Adso meedoen aan de metten, valt tijdens de viering de hulpbibliothecaris dood uit zijn bank. Hij schreeuwt dat ‘het’ de macht heeft van duizend schorpioenen. In de verwarring die dan volgt weten William en Adso zich te onttrekken aan de aandacht van hun bewaker en rennen naar de bibliotheek. William heeft de raadsels over de toegang tot het Finis Africae opgelost en als ze binnenkomen zit daar Jorge van Burgos gebogen over het boek waar William zo lang naar op zoek was: De Komedie van Aristoteles.


Het blijkt dat Jorge wilde voorkomen dat dit boek gelezen werd, omdat hij bang was dat als Aristoteles (die in de Middeleeuwen ‘De Filosoof’ genoemd werd) humor goed zou vinden, het gedaan zou zijn met de Waarheid van de Kerk. Lachen en ironie kan leiden tot twijfel. En twijfel kan leiden tot verlies van het geloof. Dit conflict tussen Jorge en William staat symbool voor de vete tussen de overtuiging dat de waarheid iets is wat vaststaat, aan mensen geopenbaard wordt (of niet), en geen interpretatie behoeft en het idee dat waarheid interpretatie nodig heeft om geformuleerd te kunnen worden en niet helder en duidelijk aan mensen geopenbaard wordt. Jorge besmeurde het boek met arsenicum, zodat een ieder die het zou gaan lezen zichzelf zou vergiftigen (omdat monniken hun vingers bevochtigen bij het omslaan van de pagina’s). Het werk zelf was volgens hem de schuldige van de doden in de abdij.

Jorge prijst de scherpzinnigheid van William, maar als blijkt dat William door heeft dat de bladzijden met arsenicum besmeurd zijn, rent Jorge met het boek weg. William en Adso rennen achter hem aan, maar raken de weg kwijt in de bibliotheek. Op het moment dat Adso dichtbij Jorge staat en hem wil overmeesteren, voelt Jorge de warmte van de kaars die Adso vastheeft. Hij slaat de kaars uit Adso’s handen. De kaars belandt tussen de boeken. In een mum van tijd staan allerlei vertrekken in de bibliotheek in vuur en vlam. Jorge propt bladzijden van de Komedie in zijn mond om het boek maar niet in verkeerde handen te laten vallen en sterft door het vuur en het arsenicum.


Buiten is Bernardo Gui bezig met zijn brandstapels, maar de monniken letten daar niet meer op als ze zien dat de hele bibliotheek brandt. Ze proberen de brand te blussen, maar daar is het veel te laat voor. In de bibliotheek probeert William boeken te beschermen tegen de vlammen. Hij beveelt Adso naar buiten te gaan en zo zichzelf te redden. Het lukt William een aantal boeken onder zijn pij mee naar buiten te nemen. Eenmaal buiten gekomen, valt Adso hem in de armen.

Bernardo probeert te vluchten, maar door zijn haast kantelt zijn koets en valt hij in zijn eigen martelwerktuigen. William en Adso trekken weg van het klooster. Adso ziet het meisje met wie hij de seksuele ervaring had en die net op tijd werd gered van de brandstapel langs de weg staan en wordt een korte tijd verscheurd door de keuze tussen een wereldlijk leven en een religieus leven. Hij kiest uiteindelijk voor het laatste en vertelt de kijker dat hij nooit spijt van die keuze heeft gehad.


Opdrachten Klassikaal

1.

Jorge van Burgos, Ubertino de Casale, William van Baskerville en de abt Abbone staan voor verschillende manieren waarop met de verhouding tussen rede en religie kan worden omgegaan .



Verdeel de klas in vier groepen die alle vier voor één van deze personen staan. Maak een zaak met je groepje waarom jouw opvatting over de waarheid de beste is. Gebruik ook de door Leezenberg in hoofdstuk 2 genoemde posities. Maak een schema met links de vier posities kort gekarakteriseerd. Daarnaast schrijf je de posities van Al Farabi, Thomas van Aquino en Averroës. En daarnaast de overeenkomsten met (neo-) platoonse en aristotelische invloeden. Welke overeenkomsten en welke verschillen zie je? (eindtermen 10, 11, 12, 41)

(b) De abt Abbone verschuilt zich achter zijn gemeenschap en haar tradities om de machtsverhoudingen in stand te houden. Geef zo mogelijk hedendaagse voorbeelden van een dergelijke praktijk. Is een beroep op tradities en gemeenschap als argument altijd problematisch? Licht toe. (eindterm 59)




Opdrachten Individueel

Laat de leerlingen bijvoorbeeld deze opdrachten als huiswerk maken of verdeel de klas in groepjes en laat ze gezamenlijk een antwoord formuleren.


2.

Probeer, zonder termen van oorzakelijkheid te gebruiken, de zes moorden te beschrijven. Probeer feit en theorie te scheiden. Lukt dit goed? Wanneer niet?


3.

Denk je dat Quine een punt heeft als hij zegt dat feiten niet afzonderlijk en niet zonder referentie aan de theorie beschreven kunnen worden? Betrek in je antwoord opdracht 2. (eindterm 20)


4.

Kun je het feit van de moord beschrijven louter in termen van de zintuiglijke waarneming? Is iets als een 'moord' ooit als zondanig waarneembaar? (eindtermen 18, 41)


5.

Kun je Jorge een fundamentalist noemen? Waarom wel/niet? Gebruik voor je antwoord de passages van Leezenberg over fundamentalisme (eindtermen 3, 10 en 14)


In de passage hieronder ontkent William het bestaan van universele begrippen buiten de geest en geeft hij aan dat alleen individuele dingen bestaan. Deze discussie staat bekend als de ‘universaliënstrijd’ en werd tijdens de gehele Middeleeuwen gevoerd. De discussie loopt ook door het hele boek heen. De titel van het boek refereert ook aan deze strijd. De titel De Naam van de Roos komt terug in de laatste zin van het boek: “stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus”, wat betekent: De roos van vroeger bestaat als naam, naakte namen houden we over.

Deze zin slaat op een discussie die in de Middeleeuwen gevoerd werd: die tussen het realisme en het nominalisme. De zin over de roos komt bij de middeleeuwse filosoof Abélard (1079 – 1142) vandaan die de vraag stelde: als er geen rozen meer zijn, hoe zouden we dan nog in zinnen naar ze kunnen verwijzen? Algemener gezegd: hoe krijgt een woord betekenis? Abélard denkt dat een woord twee verschillende soorten betekenis heeft: de direct verwijzende functie (refererend) afhankelijk van het werkelijke bestaan van de dingen en de betekenisfunctie (signifiërend), onafhankelijk van het bestaan van de dingen. Deze kwestie wordt in de late middeleeuwen weer opgepakt door Willem van Ockham. Hij vraagt zich af of algemene begrippen (‘paarden’, ‘mensen’ enzovoort) echt bestaan of slechts een begrip in het denken zijn. De realisten geloven dat de algemene begrippen echt bestaan buiten de menselijke geest en de nominalisten geloven dat algemene begrippen slechts entiteiten in het denken zijn. Hoewel de positie van de nominalist voor de hand lijkt te liggen, zitten hier toch wel haken en ogen aan.

In het boek neemt William van Baskerville stelling in het debat en kiest de kant van de nominalisten: algemene begrippen bestaan slechts in de geest en niet werkelijk. De echte dingen zijn altijd individuele dingen. Hoewel dit, zoals gezegd, voor de hand lijkt te liggen (iedereen weet toch dat algemeenheden of abstracties niet écht bestaan!) wordt het ingewikkeld als je eens nagaat hoe vaak we net doen alsóf algemene begrippen wel bestaan: zoals in de volgende zinnen:

- de man is minder emotioneel dan de vrouw

- mensen zijn op zoek naar het geluk
Beide zinnen kunnen grote consequenties hebben en zelfs als je zou denken dat iedereen verschillend is, zou je deze zinnen als waar en direct verwijzend naar de werkelijkheid kunnen opvatten.

Deze kwestie komt in het boek herhaaldelijk naar voren als het gaat over ketters. William onderscheidt allerlei verschillende soorten ketters. De abt en de inquisitie maken slechts twee indelingen: ketters en volgelingen van de paus. Dit heeft tot gevolg dat mensen die de paus bekritiseren direct tot ketters worden veroordeeld.

In de volgende passage wachten William en Adso op Nicola die nieuwe lenzen voor William heeft gemaakt.
‘Maar zoals je ziet, werk ik met dingen van de natuur. Ook in het onderzoek dat we op het ogenblik uitvoeren, wil ik niet weten wie goed of slecht is, maar wie er gisteravond in het scriptorium was, wie mijn oogglazen heeft gepakt, wie in de sneeuw de sporen heeft achtergelaten van een lichaam dat een ander lichaam meesleept, en waar Berenger is. Dit zijn feiten, vervolgens probeer ik ze met elkaar in verband te brengen als dat tenminste mogelijk is, want het is moeilijk te zeggen welk gevolg voortkomt uit welke oorzaak; de tussenkomst van een engel zou al voldoende zijn om alles te veranderen, daarom is het niet verwonderlijk als je niet kunt bewijzen dat iets de oorzaak van iets anders is. Ook al moet je het altijd blijven proberen, zoals ik doe.’

‘Een moeilijk leven dat van u’, zei ik.

‘Maar ik heb Brunello gevonden!’ riep William uit, verwijzend naar het paard van twee dagen geleden.

‘Dus er is een orde van de wereld!’ riep ik triomfantelijk.

‘Dus er is een beetje orde in dit arme hoofd van mij’, antwoordde

William.

Op dat moment kwam Nicola weer binnen met een bijna voltooid vorkje dat hij triomfantelijk liet zien.

‘En als dit vorkje straks op die arme neus van mij zal staan’, zei William’, ‘zal mijn arme hoofd misschien nog beter geordend zijn’.


6.

Leg uit waarom William op de zin ‘dus er is een orde van de wereld’ van Adso antwoordt: ‘dus er is een beetje orde in dit arme hoofd van mij’, hoe kan deze uitspraak samengaan met de eerdere uitspraak van William over de vondst van Brunello? Waarom komt er meer orde in zijn hoofd als hij de wereld beter ziet? Leg je antwoord uit met behulp van de bevinding van Kant aangaande het synthetisch oordeel a priori. Kant zegt dat causaliteit geen gegeven is in de werkelijkheid, maar één van de categorieën in ons hoofd die ons de werkelijkheid laat zien. Gebruik hierbij steeds hoofdstuk 2 van Leezenberg. (eindtermen 16, 17)


7.

Leg uit waarom uit het antwoord van William van Baskerville blijkt dat hij een ontologisch godsbewijs zoals dat van Thomas van Aquino of van Anselmus zelf nooit zou kunnen geven. Lees hiervoor ook de tekst van Anselmus (eindtermen 15, 26)


8.

William van Baskerville neemt een positie in het rede – religie debat in, die je eventueel modern zou kunnen noemen. In het boek blijkt zelfs ergens, dat hij twijfelt aan het bestaan van God. Denk je dat het noodzakelijk zo is, dat modernisering leidt tot verlies van religieuze waarden? (eindterm 36)


9.

Waarom is het bij Anselmus zo, dat alleen de dwaas het bestaan van God kan ontkennen? (eindterm 27. Gebruik voor het antwoord op deze vraag hoofdstuk 3 van Leezenberg en de tekst van Anselmus)


10.

Geef aan waarin de hedendaagse en premoderne debatten over de verhouding tussen wetenschappelijke kennis en religieuze dogma’s van elkaar verschillen. Geef voorbeelden uit de film en gebruik Leezenberg hoofdstuk 3. (eindterm 13)


11.

De kloosterorde waarin William en Adso zich bevinden is een voorbeeld van een religieuze praktijk. Leg uit waarom en gebruik hoofdstuk 4 van Leezenberg voor je antwoord. (eindterm 46)


12.

(a) Leg uit welke drie vormen van machtsuitoefening Foucault onderscheidt en verbindt deze met de praktijk van de kloosterorde. Geef daarbij ook aan wat Foucault verstaat onder ‘pastorale macht’ en geef aan of er in de orde van het klooster sprake is van een dergelijke macht. (eindtermen 72 en 73a)

(b) Leg uit waarom er in onze moderne samenleving nog steeds sprake van dit soort van machtsuitoefening volgens Foucault. Geef een aantal voorbeelden. (eindterm 73b, 74a)

(c) Formuleer op basis van de analyse van Foucault een visie op het verschijnsel secularisatie en/of secularisme (eindterm 74b)


13.

Hoe zou Foucault kijken naar de machtsstructuren in het klooster. In hoeverre zou hij disciplinering en normalisering herkennen in de kloosterorde? (eindterm 60)


14.

William biedt ook verzet tegen de machtsverhoudingen. Verbind dit verzet met de vormen van verzet die Foucault bedoelt. Waarom zijn vormen van verzet van kardinaal belang volgens Foucault en blijkt dit ook uit het verzet dat William geeft? (eindterm 71)


15.

Waarom kan, in het debat over armoede tussen de franciscanen en benedictijnen cultureel of ethisch relativisme geen rol spelen?


  1   2   3   4

  • DEEL 1: REDE RELIGIE Opdrachten
  • Algemene stellingen
  • DEEL 2: KENNIS
  • Casus 1 De Naam van de Roos
  • Opdrachten Klassikaal
  • Opdrachten Individueel

  • Dovnload 268.63 Kb.