Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Werken met secundaire grondstoffen

Dovnload 1.05 Mb.

Werken met secundaire grondstoffen



Pagina1/9
Datum22.05.2018
Grootte1.05 Mb.

Dovnload 1.05 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

WERKEN MET SECUNDAIRE
GRONDSTOFFEN
Interprovinciaal beleid
voor de milieuhygiënisch verant­woorde toepassing
van secundaire grondstoffen in werken


2e en geactualiseerde druk

JUNI 1997

INHOUDSOPGAVE


VOORWOORD ii
DEEL I: BELEID iii
1. INLEIDING 1

1.1 Probleemstelling 1

1.2 Doelstelling en status van de nota 1

1.3 Reikwijdte 2

1.4 Invulling per provincie 3

1.5 Opbouw van de nota 4


2. VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN SECUNDAIRE GRONDSTOF­FEN IN WERKEN 5

2.1 Inleiding 5

2.2 Milieuhygiënische uitgangspunten 5

2.3 Certificering en fabrikant-eigen-verklaringen 6

2.4 Kwaliteitseisen voor grond 6

2.5 Kwaliteitseisen voor secundaire grondstoffen (exclusief grond) 8

2.6 Toepassingseisen 9

2.7 Locatiespecifieke eisen 11

2.8 Procedurele eisen 12
3. UITVOERING 13

3.1 Inleiding 13

3.2 Onderzoek 13

3.3 De beoordeling van secundaire grondstoffen 13

3.4 Samenstellen van secundaire grondstoffen 14

3.5 Immobilisatie 15

3.6 Interpretatie van enkele begrippen 16
4. HANDHAVING 18

4.1 Inleiding 18

4.2 Algemeen 18

4.3 Handhaving bij de bron 19

4.4 Handhaving in 'het veld' 19
DEEL II: TOELICHTING 22
DEEL III: BIJLAGEN 37

VOORWOORD


In december 1994 heeft het InterProvinciaal Overleg (IPO) de beleidsnota Werken met secundai­re grondstoffen vastgesteld. De nota geeft de voor­waarden waarbinnen secundai­re grondstof­fen milieuhygiënisch verantwoord kunnen worden toegepast. De IPO-nota uit 1994 heeft een belangrijke uitwerking gehad. Er is, mede door het in beginsel gelijklui­dende beleid in de twaalf provincies, sprake van een duidelijke tendens naar toene­mend hergebruik van secundaire grondstoffen.
In de nota wordt gesteld dat de afzonderlijke provincies, na afstemming in IPO-verband, het beleid kunnen intrekken, bijstellen en/of aanvullen indien ontwikkelingen en nieuwe inzichten daartoe aanleiding geven.
De provincies vinden het van belang het vigerende IPO‑interimbeleid te actualise­ren. Dit geschiedt in de voorliggende nota. Het doel van de actualisatie is aansluiting zoeken bij het inmiddels gepubliceerde Bouw­stoffen­besluit en de bijbehorende Uitvoe­ringsregeling, het implemen­teren van het convenant sorteerzeefzand, het waarbor­gen van uniformiteit in (de interpretatie van) het beleid, het stimuleren van certificering van secundaire grondstof­fen en het verduidelij­ken van het beleid op onderdelen.
De voorliggende nota bevat géén nieuw beleid. Het vigerende beleid wordt geactuali­seerd; de basis voor het beleid blijft de nota uit 1994. De onderhavige nota is zelfstandig leesbaar. De nota uit 1994 komt te vervallen.
De actualisatie brengt aanzienlijke voordelen met zich mee voor zowel de provincies als de betrokkenen in 'het veld'. De overgang van de interimperiode naar de periode waarin het Bouwstoffenbe­sluit volledig van toepassing is zal soepeler verlopen, de provincies gaan efficiënter werken door de reductie van het aantal interpreta­tiever­schillen en het beleid wordt beter handhaafbaar.
De actualisatie heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

- Het beschrijven van de procedure voor het verkrijgen van toestemming om fabrikant-­eig­en-ver­klaringen te gebruiken in plaats van partijkeuringen.

- Het opstellen van criteria waar­aan fabrikant-eigen-verklaringen van bedrijven moeten voldoen.

- Het instellen van een bijzondere categorie voor sorteerzeefzand en teerkalkstabilisa­tie.

- Het uitwerken van isolatie-, beheers- en controlemaatregelen conform het Bouwstoffen­be­sluit.

- Een aanpassing van de indeling in categorieën secundaire grondstoffen en een actualisa­tie van de zogeheten kritische parameters.

- Het aansluiten bij de Circulaire Interventiewaarde Bodemsanering voor PAK's.

- Het verduidelijken van het beleid in de eerste nota op onderdelen.


De geactualiseerde nota die voorligt, is tot stand gekomen na overleg in diverse IPO-gremia en de STU(BOW)A-werkgroep Bouwstoffenbesluit. De nota is besproken met diverse branchevereni­gingen (zie bijlage 13).
In deze geactualiseerde nota zijn de hoofdlijnen van het beleid opgenomen in deel I. Een paragraafsgewijze toelichting op het beleid is opgenomen in deel II van de nota. Deel III bevat diverse bijlagen.

DEEL I: BELEID

1 INLEIDING


1.1 Probleemstelling
Het beleid van de provincies is gericht op het zoveel mogelijk stimuleren van hergebruik en nuttige toe­passing van afvalstof­fen. In aansluiting op het landelijke beleid is in nagenoeg ieder provinci­aal milieu­beleids­plan aan­gegeven dat het aan­deel hergebruik of nuttige toepas­sing in de doelmati­ge verwij­dering van afval­stoffen 65% moet bedragen in het jaar 2000. Het stor­ten van afval­stof­fen moet in de periode tot het jaar 2000 afne­men tot 10%. Deze taakstel­lin­gen zijn overge­no­men uit het Nationale MilieubeleidsPlan II.
Om deze doelstelling voor hergebruik te realiseren heeft het IPO eind 1994 het interimbe­leid Werken met secundaire grondstoffen vastgesteld. Deze nota diende als basis voor uniform beleid in alle provincies. Het beleid geeft de milieuhygi­nische kaders aan waarbinnen de toepas­sing van secundaire grond­stoffen in werken kan plaatsvinden. Het IPO-interimbeleid is geïmple­men­teerd in het beleid van de afzonderlijke provincies.
In de IPO-nota van 1994 werd aangegeven dat naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen en inzichten de provincies het beleid kunnen aanpassen. Het Bouwstoffenbesluit is per 1 juli 1996 gedeeltelijk van kracht gewor­den1, het convenant sorteerzeefzand is onderte­kend, er zijn belangrijke ontwikke­lin­gen op het gebied van certificering en de normering voor enkele secundaire grondstoffen is inmiddels gewijzigd. In aanvulling op deze ontwikkelin­gen wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om op enkele onderdelen van het vigerende provinciale beleid meer duidelijkheid te scheppen.
De minister van VROM wijst het IPO in de brief van 2 november 1995 op het belang van het op één lijn houden van het IPO-interimbeleid en het Bouwstof­fenbe­sluit (zie bijlage 10). De motivatie voor deze geactualiseerde beleidsnota vloeit mede voort uit de inhoud van genoemde brief. De systematiek en de hoofdlijnen van het IPO-beleid uit 1994 (het vigerende beleid) blijven in deze beleidsnota gehandhaafd.

1.2 Doelstelling en status van de nota
Het doel van deze nota is - in afwachting van het volledig van toepassing zijn van het Bouwstof­fenbesluit - het stimuleren van het hergebruik van secun­daire grond­stoffen in werken op milieuhygi­nisch verant­woor­de wijze. Als zodanig geeft deze nota, voorzover sprake is van afvalstof­fen, tevens een interpro­vin­ciale invul­ling aan de begrippen "van daartoe naar aard en sa­men­stelling geschikte afvalstoffen" en "milieuhygiënisch verant­woord" uit het Inrichtingen- en vergunningenbe­sluit milieubeheer (IVB) van de Wet Milieubeheer (Wm).2

Deze nota geeft tevens invulling aan één van de doelstellin­gen van het Structuur­schema Oppervlaktedelfstoffen (SOD). Immers, het gebruik van primaire grondstoffen zal door het hergebruik van secun­daire grondstof­fen afnemen.


Deze nota is de basis voor de bijstelling van het vigerende beleid van de provincies. Het door de provincies geïmplemen­teerde beleid dient als toetsingska­der voor de vergunning­verlening en handha­ving. Het door de provincies vastgestelde beleid is daarmee maat­ge­vend voor onder meer af­valverwij­derings­be­drijven, adviesbureaus, producen­ten, leveranciers en gebrui­kers van secun­daire grondstoffen.
De kernpunten van het beleid, die in deze geactualiseerde nota onveranderd blijven, zijn reeds door de provincies eerder geïmplementeerd en zijn dus reeds van kracht.
De afzonderlijke provincies behouden bij de implementatie va het IPO-beleid ten aanzien van een zeer beperkt aantal onderdelen beleidsvrijheid. In paragraaf 1.4 wordt aangegeven om welke onderdelen het gaat.

1.3 Reikwijdte
Deze nota geeft een milieuhygiënisch kader voor de toepassing van secun­daire grond­stoffen in werken. Deze nota geeft tevens een invul­ling aan de begrippen "daartoe naar aard en sa­men­stelling geschikt" en "milieuhygiënisch verantwoord" uit het IVB. Hierbij gaat het om de beïnvloe­ding van de kwaliteit van de bodem door het op of in de bodem brengen van afvalstof­fen en om eventuele andere aspecten waaronder blootstelling. Voor alle secun­daire grondstof­fen, dus ook voor de secundaire grondstoffen die geen afvalstof­fen zijn, gelden in het interimbe­leid de­zelfde milieuhy­giëni­sche randvoor­waar­den.
De onderhavige nota, die aansluit bij het Bouwstof­fenbe­sluit, is van kracht tot het moment dat de regels van het Bouwstof­fenbesluit volledig van toepassing zijn of tot het moment dat de in het kader van het Bouwstof­fenbesluit beoogde kwaliteitsver­kla­ringen (ministeri­le regelingen) voor de betreffende secundai­re bouwstof ­van kracht zijn.
De nota spreekt zich uit over de toepassin­gen van se­cundai­re grondstoffen in functionele werken zowel op het land als in opper­vlak­tewater en de waterbodem en in het bijzon­der over de secundaire grondstoffen zoals opgenomen in bijlage 4. Het gaat daarbij om steen­achtige al dan niet vormge­geven secundaire grondstoffen en grond.3 De bepaling of sprake is van een secundaire grondstof die valt onder de werking van onderhavig beleid vindt, indien noodzakelijk, plaats overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Uitvoerings­regeling Bouwstoffenbesluit.
Kunst­stoffen, hout, metalen, vlakglas en groenaf­val vallen niet onder de reikwijd­te van deze nota. De nota spreekt zich evenmin uit over het toepassen van primaire grond­stoffen en gevaarlijk afval. De toepas­sing van gevaarlijk afval in werken moet worden beoordeeld op basis van de Wm.4
Voor het toepassen van secundaire grondstoffen in oppervlaktewater is (naast de verplich­tingen op grond van de Wm) een WVO-vergunning vereist. De beoordeling of een toepassing uit oogpunt van de bescherming van de waterkwaliteit accepta­bel is, ligt bij de waterkwaliteitsbe­heerder. Deze nota spreekt zich daar niet over uit.
Deze nota heeft geen betrekking op het verspreiden van secundaire grond­stof­fen op de bodem. Hiervoor gelden andere wettelijke regelingen zoals het Besluit kwaliteit en gebruik Overige Organi­sche Meststoffen (BOOM) en het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Bij het verspreiden worden stoffen min of meer gelijk­ma­tig over de bodem ver­deeld en maken als zodanig onderdeel uit van de bodem; er is geen sprake van een grond-, weg- of water­bouwkun­dig werk. In tegenstel­ling tot het versprei­den van secundaire grondstoffen mag bij het toepassen van secundaire grondstof­fen in een werk de aan­gewende secundaire grondstof nooit onder­deel (gaan) uitma­ken van de bodem (zie verder paragraaf 3.6).
Deze nota is niet bedoeld als toet­sings­kader voor de reinigbaar­heid van veront­reinigde grond en de variantkeuze bij saneringen, maar spreekt zich slechts uit over de mogelijk­heid van nuttige toepassing van grond.
Het interimbeleid is niet van toepassing op schone grond. Het eerste deel van het Bouw­stof­fenbesluit, dat per 1 juli 1996 van toepassing is geworden, ziet hier namelijk op toe.
De nota is geen toetsingskader voor het bepalen van de doelmatig­heid van de afvalverwij­dering. Het toepassen van bepaalde afvalstoffen is wettelijk uitgeslo­ten door het Besluit stortver­bod afvalstoffen. Boven­dien kunnen provincies de rechtstreek­se toepassing van be­paalde afvalstof­fen, ook al voldoen deze aan alle technische en milieuhy­gië­nische voorwaar­den in deze nota, vanwege doelmatig­heidsredenen uitsluiten (bijvoorbeeld in het geval van de aan­wezigheid van een hoogwaar­diger toepas­sings- of bewerkingsmoge­lijkheid).
De nota is niet van toepassing op een situatie waarin een secundaire grondstof tijdelijk wordt verplaatst of uit een werk wordt genomen en die secundaire grondstof na de verplaatsing of het wegnemen, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk wordt aangebracht.
De nota is evenmin van toepassing op het gebruik van secundaire grondstoffen in werken die binnen een gebouw worden aangelegd.
Een bodemsanerings­locatie wordt in deze nota niet beschouwd als een werk. Dit betekent niet dat op zo'n locatie geen secundaire grondstoffen kunnen worden gebruikt. In het kader van een saneringsplan kan bijvoorbeeld worden opgeno­men dat secundaire grond­stoffen worden gebruikt bij de aanleg van een werk op de saneringslocatie (zie ook paragraaf 3.6)
De nota heeft evenmin betrekking op het storten van afvalstof­fen binnen inrichtingen, grondver­zet en natuurontwikkeling, civieltechnische eisen voor wat betreft de toepas­singssfeer, hinderaspecten van de aanleg, het gebruik of de uitvoer van een werk en arbeidshy­giënische aspecten.

1.4 Invulling per provincie
Het beleid voor het toepassen van secundaire grondstoffen is in alle provincies op hoofdlijnen identiek. Op een beperkt aantal onderdelen is het mogelijk dat de provincies het beleid een eigen invulling geven:

- Het beleid voor het toepassen van grond kan nader worden uitgewerkt in een zone­ringsbe­leid.

- Voor gebieden met een bijzon­dere, waarde­vol­le of gevoelige functie kunnen in afwijking van de nota strengere eisen worden gesteld.

- Het melden van bepaalde toepassingen van secundaire grondstoffen (zie ook paragraaf 2.8.1).



1.5 Opbouw van de nota
Deze nota bestaat uit drie delen.

In deel I zijn de hoofdlijnen van het beleid opgenomen. In hoofdstuk 2 worden de randvoorwaar­den beschreven waaronder secundaire grondstoffen milieuhygiënisch verantwoord kunnen worden toegepast in werken. In hoofdstuk 3 staat de beoordeling van secundaire grondstoffen centraal. Hoofdstuk 4 gaat over de handhaving van het beleid.

In deel II van de nota is, voorzover nodig, per paragraaf een toelichting gegeven op het beleid in deel I.

Tenslotte zijn in deel III diverse bijlagen opgenomen.



2 VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN SECUNDAIRE GROND­STOF­FEN IN WERKEN


2.1 Inleiding
In lijn met het Bouwstoffenbesluit worden aan het toepassen van secundaire grondstoffen eisen gesteld. In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden opgenomen voor de toepassing van secundai­re grondstoffen in werken. De voorwaar­den die worden gesteld aan het toepassen van secundaire grondstoffen bestaan uit kwaliteitseisen, toepassings­eisen, locatiespecifieke eisen en procedure­le eisen.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen grond en secundaire grondstoffen die geen grond zijn. De reden hiervoor is dat bij het ge­bruik van grond als secun­daire grondstof eerder dan bij het gebruik van an­dere secun­daire grondstof­fen onduide­lijkheid kan ontstaan over de vraag of wordt voldaan aan de zorgplicht van de Wet Bodem­bescher­ming (WBB). Grond die in een werk wordt toege­past is immers visu­eel moeilij­ker dan andere secun­daire grond­stoffen te onder­scheiden van grond als onder­deel van de onderlig­gende bo­dem.


In de paragrafen 2.2 en 2.3 worden de milieuhygiënische uitgangs­punten van het beleid en het instrument certificering besproken.
In de paragrafen 2.4 tot en met 2.8 zijn de voorwaar­den aangege­ven voor het milieuhy­giënisch verant­woord toepassen van secundaire grondstof­fen in werken.

2.2 Milieuhygiënische uitgangspunten
Op grond van de WBB en dan met name het zorg­plichtarti­kel, mag de bodem niet verontreinigd raken door welke activiteit dan ook. Teneinde bodemverontrei­niging te voorko­men, worden onder meer eisen gesteld aan de toe te passen secundai­re grondstof­fen. De eisen hebben vooral betrekking op het uitloog­gedrag en de samenstelling van de chemische compo­nen­ten in het toe te passen mate­riaal (zie paragraaf 2.4 en 2.5) en de wijze van toepassing (paragraaf 2.6).
Het uitlooggedrag wordt in het laboratori­um bepaald op grond van uitloogproe­ven (zie paragraaf 3.2). Een toepas­sing van secundaire grondstoffen is mogelijk wanneer op grond van het laboratori­umonderzoek­ kan worden gecon­cludeerd dat de bodem slechts mar­ginaal wordt belast. Het (theoretische) criteri­um 'marginale bodembelas­ting' heeft in het interimbeleid een praktische vertaling gevonden in uitloog­waarden. Deze ­waarden zijn momen­teel vastgesteld voor anorgani­sche verbindin­gen zoals bijvoorbeeld zware metalen. Voor de organische verbin­dingen zoals PAK's en minerale olie zijn nog geen ade­­quate uitloogtes­ten beschik­baar. Daarom zijn voor de organische verbindin­gen voor­­lopig alleen samen­stellingseisen geformuleerd. Secundaire grondstof­fen waarvan de eigenschap­pen vallen binnen de marges van deze samenstel­lings­ei­sen worden geacht een aanvaard­baar uitloogge­drag te ver­tonen.
Secundaire grondstoffen behoren tot categorie 1 indien deze een zodanige aard en samenstelling bezitten dat de toepassing ervan zonder aanvullende voorzieningen de bodem niet meer dan marginaal belast. De toetswaar­den behorend bij categorie 1 zijn opgeno­men in de bijlagen 1, 2 en 3.1 voor grond en in de bijlagen 3.1, 3.3 en 5 voor secundaire grondstoffen niet zijnde grond.
In het geval waarin een bepaalde partij secundai­re grond­stof niet voldoet aan de samen­stel­lings- en uitloogwaar­den van categorie 1, dan is toepas­sing van die partij echter niet bij voorbaat uitgeslo­ten.
Secundaire grond­stof­fen behoren tot categorie 2 indien deze een zodanige aard en samenstelling bezitten dat de toepassing ervan slechts met aanvullende voorzie­ningen de bodem niet meer dan marginaal belas­t. De toetswaar­den behorend bij categorie 2 zijn opgeno­men in de bijlagen 1, 2 en 3.2 voor grond en in de bijlagen 3.2, 3.3 en 5 voor secundaire grondstoffen niet zijnde grond. In paragraaf 2.6 komen de noodzakelijke voorzie­ningen voor het toepassen van categorie 2 secundaire grondstoffen aan de orde.
Er zijn enkele secundaire grondstoffen die niet (altijd) voldoen aan deze algemene kwali­teits­ei­sen. Echter, de kwaliteit van vrijwel al deze secundaire grondstoffen zal in de loop van de tijd verbeteren. Teneinde bestaand hergebruik niet te frus­treren, accepteren de provincies voor een aantal secun­daire grondstoffen een tijdelijke afwijking van de algemene kwali­teitsei­sen. Het betreft teerhou­dend asfaltgranu­laat (inclusief teerkalkstabilisa­tie), AVI-bodemas en sorteerzeef­zand. In paragraaf 2.6 komen de noodzakelijke voorzie­ningen voor het toepassen van deze secundaire grondstoffen uit de bijzondere categorieën aan de orde.

2.3 Certificering en fabrikant-eigen-verklaringen
In het Bouwstoffenbesluit nemen kwaliteitsverklaringen van secundaire grondstoffen een belangrijke plaats in. Indien een secundaire grondstof wordt gedekt door een door de ministers van VROM en V&W erkende kwaliteitsverklaring, wordt deze geacht te voldoen aan de eisen die het Bouwstoffenbesluit stelt. Het Bouwstoffenbesluit biedt daarnaast de mogelijkheid van partijkeu­ringen.
De procedure die in het kader van het Bouwstoffenbesluit moet worden doorlopen om een kwaliteitsverklaring erkend te krijgen door de ministeries van VROM en V&W, kost veel tijd. Aangezien de provincies certificering van secundaire grondstoffen van belang vinden, bieden zij gedurende deze periode de mogelijkheid om, in afwachting van ministeriële erkenning, fabrikant-­eigen-ver­klaringen te gebruiken.
Een fabrikant-eigen-verklaring dient (minimaal) een gelijkwaardig alternatief te zijn voor een partijkeu­ring. Het gebruik van een fabrikant-eigen-verklaring als alternatief voor een partijkeu­ring staan de provincies toe, mits wordt voldaan aan de criteria in bijlage 7 van deze nota. Het gebruik van een fabrikant-­eigen-verklaring kan slechts dan plaatsvinden als de procedure in bijlage 7 is doorlopen.
Het is nadrukke­lijk de bedoe­ling via het gebruik van fab­rikant-eigen-verklaringen in de interim­periode de certificering in het kader van het Bouw­stoffen­besluit te stimuleren. Indien de lijst met erkende kwaliteitsverklarin­gen van de ministers van VROM en V&W vóór het volledig van toepassing zijn van het Bouwstoffenbesluit wordt gepubliceerd, dan conformeren de provincies zich aan die lijst.

2.4 Kwaliteitseisen voor grond

2.4.1 Inleiding
In deze paragraaf zijn de kwaliteitseisen voor grond opgenomen. De mogelijkheden voor hergebruik van secundaire grondstoffen worden in het algemeen primair bepaald door de uitloging van stoffen die in de secundaire grondstoffen aanwezig zijn. De samenstel­ling is daarbij, met uitzonde­ring van de organische parameters, niet van belang. Echter, in geval van het toepassen van grond moet altijd de samenstel­ling worden onderzocht om te beoordelen of deze kan worden toege­past. Afhankelijk van deze analyseresultaten, kan het bepalen van het uitloog­ge­drag nodig zijn. Het uit­loogge­drag van grond is niet alleen bepalend voor de vraag òf grond mag worden toegepast maar bovendien voor de vraag hòe grond moet worden toegepast (met of zonder IBC-voorzie­ningen). In het interimbeleid wordt onder­scheid gemaakt tussen categorie 1 grond, categorie 2 grond en grond die niet kan worden toegepast. Verontreinigde grond (zowel gereinigd als ongereinigd) is een niet-vormgege­ven secundai­re grondstof.

2.4.2 Categorie 1 grond
Grond kan als een categorie 1 secundaire grondstof, dus zonder bodembescher­mende IBC-voorzie­nin­gen, worden toegepast op zowel de land- als de waterbo­dem indien:

- de samenstelling van de grond de grenswaarden van de parame­ters in de bijlagen 1 en 2 niet overschrijdt en

- de grond voor wat betreft uitloging de uitloogwaarden U1 voor de parameters in bijlage 3.1 niet overschrijdt.

Het betreft hier de vlakken Ia en Ib in figuur 2.1.
Ongereinigde grond kan als een categorie 1 secundaire grondstof, dus zonder bodembe­scher­mende IBC-voorzieningen, worden toegepast op zowel de land- als de waterbodem indien:

- de samenstelling van de ongereinigde grond de tussengrenswaarden van de anorgani­sche parameters in bijlage 1 niet overschrijdt en

- de samenstelling van de ongereinigde grond de grenswaarden voor de organi­sche parameters in bijlage 2 niet overschrijdt.

Het betreft hier vlak Ia in figuur 2.1.

2.4.3 Categorie 2 grond
Grond kan als een categorie 2 secundaire grondstof, dus met bodembescher­mende IBC-voorzienin­gen, worden toegepast op zowel de land- als de waterbodem indien:

- de samenstelling van de grond de grenswaarden van de parame­ters uit de bijlagen 1 en 2 niet overschrijdt en

- de grond voor wat betreft de uitloging de uitloogwaarden U2 voor de parameters uit bijlage 3.2 niet overschrijdt.

Het betreft hier de vlakken IIa en IIb in figuur 2.1.

2.4.4 Grond die niet mag worden toegepast
Het is niet toegestaan grond onder de condities van het interimbeleid toe te passen indien:

- de samenstelling van de grond de grenswaarden van één of meer parame­ters uit de bijlagen 1 en 2 overschrijdt (het betreft hier vlak IV in figuur 2.1) en/of

- de grond voor wat betreft de uitloging de uitloogwaarden U2 voor één of meer parameters in bijlage 3.2 overschrijdt (het betreft de vlakken IIIa en IIIb in figuur 2.1).




Figuur 2.1 Mogelijkheden voor het toepassen van grond

toelichting bij de figuur: De tussengrenswaarde geldt alleen voor ongereinigde grond (zie paragraaf 2.4.2)
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • DEEL I: BELEID 1 INLEIDING 1.1 Probleemstelling
  • 1.2 Doelstelling en status van de nota
  • 1.4 Invulling per provincie
  • 2 VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN SECUNDAIRE GROND­STOF­FEN IN WERKEN 2.1 Inleiding
  • 2.2 Milieuhygiënische uitgangspunten
  • 2.3 Certificering en fabrikant-eigen-verklaringen
  • 2.4 Kwaliteitseisen voor grond 2.4.1 Inleiding
  • 2.4.4 Grond die niet mag worden toegepast
  • Figuur 2.1 Mogelijkheden voor het toepassen van grond

  • Dovnload 1.05 Mb.