Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Werkvertaling Ovidius 2005: Werkvertaling Metamophoses II, 737-751

Dovnload 45.33 Kb.

Werkvertaling Ovidius 2005: Werkvertaling Metamophoses II, 737-751



Datum05.11.2018
Grootte45.33 Kb.

Dovnload 45.33 Kb.

Werkvertaling Ovidius 2005:

Werkvertaling Metamophoses II, 737-751
Een afgescheiden deel van het huis had, versierd met ivoor en schildpad,

drie slaapkamers, waarvan jij, Pandrosos, de rechter,

Aglauros de linker bezat en de middelste Herse.

Zij, die de linker bewoonde, zag als eerste Mecurius

komen en heeft het gewaagd te vragen naar de naam van de god

en de reden van zijn komst; haar antwoordde hij als volgt: "Van Atlas

en van Pleionè ben ik de kleinzoon, die door de lucht de bevolen

woorden van mijn vader breng, mijn vader is Iuppiter zelf.

En ik zal geen redenen verzinnen; jij, moge jij slechts trouw aan je zus

willen zijn en tante van mijn kind genoemd (willen) worden:

Herse is de reden van mijn reis; wij smeken dat je de liefhebbende gunstig gezind bent."

Zij kijkt naar hem met dezelfde ogen / blik, waarmee Aglaouros onlangs

de verborgen geheimen had gezien van de blonde Minerva had gezien,

en in ruil voor die die dienst eist zij voor zichzelf goud van een groot

gewicht; intussen dwingt zij hem uit het paleis weg te gaan.


Werkvertaling Metamophoses II, 752-759
Naar haar wendt de oorlogsgodin haar dreigende ogen

en haalde met zo'n grote beweging diep adem

dat zij haar borst evenzeer als de op haar krachtige borst geplaatste aegis

(hevig) deed schudden. De gedachte kwam bij haar op dat zij (Aglauros) de geheimen

met goddeloze hand heeft onthuld, op dat moment toen zij het zonder moeder voortgebrachte

kind van de Lemnosbewoner zag tegen de opgelegde bepalingen in,

en dat zij geliefd aan een god zal zijn nu en tegelijk geliefd bij haar zus

en rijk, toen het goud, dat zij hebzuchtig geëist had, aangenomen was.




Werkvertaling Metamophoses II, 760-774
Meteen zoekt zij het van zwarte etter vuil zijnde huis

van Jaloezie op: het huis van haar is in het diepst van een dal

verborgen, zon missend, niet toegankelijk voor enige wind,

triest en zeer vol met laffe kou, en zo is dat het

altijd vrij is van vuur, dat het altijd overvloed heeft aan duisternis.

Wanneer zij hier aangekomen is, de vreeswekkende vrouwe van de oorlog,

blijft zij staan voor het huis (want het huis binnen te gaan houdt zij (immers) niet

niet voor passend) en slaat met de punt van haar schild op de deur;

en de hevig geschokte deuren gingen open: zij ziet binnen (haar) eten

het vlees van slangen, het voedsel voor haar eigen gebreken,

Jaloezie, en (haar) gezien hebbend (eig.: van haar gezien zijnde) wendt zij de ogen af; maar zij

staat traag op van de grond en laat achter de half opgegeten

lichamen van de slangen en gaat naar voren met trage pas,

en zodra zij de godin gezien heeft, sierlijk van/wat betreft gestalte en wapens,

slaakte zij een zucht en vertrok haar gezicht tot een zeer diep zuchten.


Werkvertaling Metamophoses II, 775-786
Bleekheid zetelt op haar gelaat, magerheid op haar lichaam helemaal,

nergens een rechte blik, haar tanden zijn grauw van de roest,

haar borsten groen van de gal, haar tong is overgoten van gif.

Een lach is er niet, tenzij pijnen gezien zijn (door haar) (die) iemand beroeren,

noch geniet zij van de slaap, wakker gehouden door de altijd waakzame zorgen,

maar zij ziet de haar onwelkome - en ze kwijnt weg door het zien ervan -

successen van mensen en ze verteert en wordt er tegelijk door verteerd

en is haar eigen straf. Hoewel zij haar haatte, toch

sprak Athene/Minerva haar kort toe met dergelijke woorden:

"Besmet met jouw etter één van de dochters van Cecrops.

Zo is jouw werk; zij is Aglauros." Niets meer gesproken hebbend

ging zij er snel tussenuit en nadat haar lans op de aarde gedrukt was dreef zij (de aarde) terug.

(dwz. ze ging omhoog van de aarde)


Werkvertaling Metamophoses II, 787-796
Zij, terwijl zij met scheve blik de godin er tussenuit zag gaan

gaf een weinig gemompel en dat het Minerva zou lukken

betreurt zij en neemt haar staf, die (omgezet in passief) helemaal

omringd wordt door banden van doornen, en bedekt is met donkere wolken,

waarlangs zij ook maar voortgaat, zij vertrapt de bloeiende velden

en verschroeit het gras en rukt de toppen van de papavers af

en met haar ademen bevuilt zij de volken en steden en huizen,

en eindelijk aanschouwt zij de burcht van Pallas Athene

door talenten en rijkdom en feestelijke vrede bloeiend

en zij houdt nauwelijks haar tranen in bedwang, omdat zij niets ziet dat tranen verdient.




Werkvertaling Metamophoses IV, 55 – 64
Pyramus en Thisbe, de één de mooiste van de jongemannen,

de ander de uitverkorene onder de meisjes, die het Oosten heeft,

bewoonden aangrenzende huizen, daar waar men zegt dat

Semiramis de hoge stad omringd heeft met bakstenen muren.

Het buren zijn veroozaakte de kenismaking en de eerste stappen (op het pad der liefde)

mettertijd groeide de liefde; en ze zouden ook officiëel in het huwelijk getreden zijn,

maar hun vaders verboden het: maar konden dat niet verbieden,

nadat hun geesten/harten gegrepen waren stonden beiden in gelijke mate in vuur en vlam.

Niemand wist ervan af, zij spraken door middel van knikken en tekens/gebaren,

en hoe meer het bedekt/geheim gehouden werd, des te meer brandde het bedekte/geheime vuur.




Werkvertaling Metamophoses IV, 65 – 80
Hij was gespleten met een dunne scheur, die hij opgelopen had vroeger,

toen hij gebouwd werd; de wand gemeenschappelijk aan elk van beide huizen;

deze fout/dit gebrek eeuwenlang door niemand opgemerkt

hebben jullie ( war merkt de liefde niet?) als eersten gezien, geliefden,

en gemaakt tot een doortocht voor de stem; en daardoor heen plachten veilig

jullie lieve woordjes met zeer zacht gefluister te gaan.

Dikwijls, wanneer ze waren gaan staan aan deze kant Thisbe, Pyramus aan de andere kant

en beurtelings de ademtocht van de mond was opgevangen,

zeiden ze: "Jaloerse muur, waarom sta jij geliefden in de weg?

Hoe weinig moeite zou het zijn, om toe te staan dat wij met ons hele lichaam verbonden worden,

of, als dat te veel (moeite) is, tenminste open te staan om kusjes te geven!

Maar wij zijn niet ondakbaar, wij bekennen dat wij het aan jou te danken hebben,

dat er een doortocht gegeven is aan de woorden naar de oren van de geliefde."

Nadat zij dergelijke woorden tevergeefs op verschillende plaatsen gesproken hadden

zeiden zij bij het vallen van de nacht: "Vaarwel", en gaven ze kusjes

elk aan hun eigen kant die de overkant niet bereikten.




Werkvertaling Metamophoses IV, 81 – 90
De volgende Dageraad had de nachtelijke vuren verdreven

en de zon had met haar stralen de bedauwde grassen gedroogd:

zij kwamen bijeen op de gebruikelijke plaats. Dan na met zacht gefluister

eerst veel geklaagd te hebben besluiten zij om te proberen in de stilte van de nacht

de wachters te misleiden en de deur uit te gaan,

en om wanneer zij het huis uit gegaan zijn, ook de huizen van de stad achter zich te laten,

en om, opdat er niet gedwaald door de wandelaars op de wijde akkers,

samen te komen bij het graf van Ninus en te schuilen onder de schaduw

van een boom: er was daar een boom zeer rijk beladen met sneeuwwitte vruchten,

een hoge moerbeiboom, grenzend aan een ijskoude bron.




Werkvertaling Metamophoses IV, 91 – 104
De afspraken vallen in de smaak; en het (zon)licht, dat maar traag scheen te wijken

zinkt in de wateren, en uit dezelfde wateren komt de nacht (tevoorschijn):

slim gaat door de duisternis na het openen van de deur Thisbe

naar buiten en blijft onopgemerkt voor haar ouders, en met het gezicht bedekt

komt zij aan bij de grafheuvel en gaat zitten onder de afgesproken boom:

vermetel maakte de liefde (haar). kijk daar komt een leeuwin

haar schuimende kaken besmeurd met het verse bloed van runderen

om haar dorst te lessen met het water van de naburige bron;

haar zag van verre bij de stralen van de maan de Babylonische Thisbe

en met angstige voet vluchtte zij een donkere grot in,

en terwijl zij vluchtte, liet zij de sluier achter die van de rug gegleden was.

Wanneer de woeste leeuwin haar dorst gelest heeft met veel water,

verscheurde zij, terwijl zij terugkeert naar de bossen, de toevallig zonder haarzelf gevonden

dunne sluier met haar bebloede bek.




Werkvertaling Metamophoses IV, 105 – 127
Te laat naar buiten gegaan zag hij de voetsporen in het diepe

stof, die zeker van een wild dier waren en hij verbleekte over zijn hele gezicht

Pyramus. maar toen hij ook de sluier, gekleurd door het bloed

vond: zei hij "één nacht zal twee geliefden te gronde richten,

van wie zij het meest een lang leven waard was/verdiende;

onze/mijn ziel/geest is schuldig! Ik heb jou, beklagenswaardige, gedood,

(ik) die jou beval 's nachts te komen naar een gebied vol vrees

en niet eerder gekomen ben. Verscheurt ons/mijn lichaam

en eet met een woeste beet (mijn) misdaadige ingewanden op

o jullie leeuwen, die (ook maar) onder deze rots wonen!

Maar het is eigen aan een bangerik de dood (alleen maar) te wensen." De sluier van Thisbe

pakte hij op en nam die met zich mee naar de schaduw van de afgesproken boom,

en toen hij tranen gestort had en kusjes gegeven had aan de bekende sluier,

zei hij: "Neem nu ook slokken van ons/mijn bloed aan!"

En het zwaard waarmee hij omgord was stak hij in zijn ingewanden,

zonder dralen, en stervend trok hij het uit de gloeiende wond

en hij lag achterover op de grond: het bloed spoot hoog op,

niet anders dan wanneer een waterleidingbuis omdat het lood verrot is

scheurt/springt en door een sissende kleine opening lange

waterstralen naar buiten werpt en met stoten de lucht doorbreekt,

De boomvruchten veranderen door het spatten van het bloed in

een donker uiterlijk, en de wortel, nat gemaakt door het bloed

kleurt de eraan hangende moerbeivruchten met purperen kleur.


Werkvertaling Metamophoses IV, 128 – 146
Kijk terwijl ze haar vrees nog niet afgelegd heeft, haar geliefde teleur te stellen,

keert zij terug en zoekt de jongeman met haar ogen en in haar geest,

en verlangt vurig te vertellen hoe grote gevaren zij vermeden heeft.

En hoewel ze de plaats en de vorm in de geziene boom herkent,

maakt toch de kleur van de vrucht haar onzeker: ze aarzelt, of het deze wel is.

Terwijl zij twijfelt, ziet zij de stuiptrekkende ledematen slaan

tegen de bebloede grond en ze deed een stap terug en een gezicht bleker

dan buxushout hebbend huivert zij gelijk een wateroppervlak,

dat trilt, wanneer het oppervlak beroerd wordt door een licht briesje.

Maar toen zij na te zijn blijven staan haar geliefde herkende,

slaat zij haar onwaardige (boven)armen met luide slagen

en zich de haren uittrekkend en en het geliefde lichaam omarmend

vulde zij de wond(en) met tranen en vermengde haar tranenstroom

met het bloed, en kusjes drukkend op het ijskoude gezicht

riep zij "Pyramus, welk ongeval heeft jou aan mij ontnomen?

Pyramus, antwoord! Jouw allerliefste Thisbe roept jou

bij je naam: hoor me en til je liggende oogleden op!"

Op de naam van Thisbe sloeg Pyramus zijn door de dood reeds zwaar geworden

oogleden op en nadat hij haar gezien had, sloot hij ze weer.


Werkvertaling Metamophoses IV, 147 – 166
Nadat zij haar eigen sluier herkend en de ivoren schede

gezien had zonder het zwaard, zei zij "Jouw hand en jouw liefde hebben jou

te gronde gericht, ongelukkige! Ook ik heb een krachtige hand

voor dit ene, ook ik heb liefde: deze zal kracht(en) geven om een wond toe te brengen!

Ik zal de dode volgen en zal genoemd worden de zeer ongelukkige oorzaak

van jouw dood en de metgezel van jou daarin; en jij die door de dood alleen van mij

weggerukt kon worden - wee! - zal zelfs niet door de dood weggerukt worden.

Weest toch hierom gevraagd door de woorden van beide,

o zeer ongelukkige vaders van mij en van hem,

dat u hen die een zeker liefde, die het allerlaatste uur verbond,

niet misgunt bijgezet te worden in dezelfde grafheuvel/hetzelfde graf!

Maar jij boom, die met je takken nu het beklagenswaardige lichaam

bedekt van één en spoedig de bedekking zult zijn van twee (lichamen),

behoud de tekenen van het bloed(bad) en houd altijd je donkere vruchten

passend bij rouw, als gedenkteken van onze dubbele dood!"

Zo sprak zij en na de punt van het zwaard onder tegen haar borst gezet te hebben

stortte zij zich in het zwaard, dat nog lauw was van het bloed(bad).

Toch beroerden haar wensen de goden, beroerden de vaders:

want de kleur in/van de vrucht is, wanneer hij rijp is, donker(rood),

en war van de brandstapel over is, rust in één urn.




Dovnload 45.33 Kb.