Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of transport? Aansprakelijkheid bij opslag en transport Euroforum Studiedag

Dovnload 127.24 Kb.

Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of transport? Aansprakelijkheid bij opslag en transport Euroforum Studiedag



Pagina1/4
Datum01.08.2017
Grootte127.24 Kb.

Dovnload 127.24 Kb.
  1   2   3   4


Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of transport?

Aansprakelijkheid bij opslag en transport

Euroforum Studiedag

26 januari 2006

Prof. mr M.H. Claringbould

Van Traa Advocaten

Rotterdam

Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of opslag?



  1. Inleiding 2



  2. Vervoer of expeditie? 3



    1. Het verschil tussen vervoerovereenkomst en expeditieovereenkomst 3



    2. Wat is overeengekomen: vervoer of expeditie? 4



    3. Zeven uitspraken: expeditie! 5



  3. De toepasselijkheid van de expeditievoorwaarden 9



    1. Toepasselijkheid algemeen 9



    2. Het verschil tussen ‘bestendig gebruikelijk beding’ en ‘gewoonte’ 10



      1. Gewoonte nader gedefinieerd 11



      2. Het bestendig gebruikelijk beding 12



      3. De Fenex-condities en gewoonte 14



      4. Fenex-condities niet altijd van toepassing krachtens bestendig
        gebruikelijk beding 16



      5. De drie ‘Petermann/Frans Maas’-uitspraken 17



    3. Vernietigbaarheid wegens schending van de informatieplicht 20



  4. Opslag 21



    1. Inleiding 21



    2. De wettelijke regeling 22



      1. Zorgplicht van de bewaarnemer 22



      2. Overige wettelijke bepalingen 24



    3. Verschillende versies opslagvoorwaarden 26




Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of opslag?


  1. Inleiding
    Deze voordracht bouwt voort op mijn verhaal dat ik in 2001 heb gehouden voor Euroforum1 onder de titel “Op de grens van vervoer, expeditie en opslag”, maar deze uiteenzetting kan ook heel goed als een zelfstandig stuk gelezen worden.
    De nadruk ligt deze keer op diefstal bij expeditie en opslag om de simpele reden dat diefstal in loodsen maar al te vaak voorkomt.
    Bij diefstal uit loodsen is het van essentieel belang om vast te stellen onder welk aansprakelijkheidsregime die goederen daar lagen.
    Is dat het aansprakelijkheidsregime van

Om die vraag te kunnen beantwoorden moet er eerst worden vastgesteld op grond van welke overeenkomst die goederen in de loods lagen. Is dat uit hoofde van een vervoerovereenkomst (meestal zal dat dan een overeenkomst van wegvervoer zijn en dat is een onderwerp dat Haak zal behandelen!), een expeditieovereenkomst of een bewaarnemingsovereenkomst?

Bij het bestuderen van de jurisprudentie over diefstal bij expeditie en bewaarneming viel mij op dat er nauwelijks uitspraken zijn waarbij de expediteur aansprakelijk werd gehouden voor de diefstal. In feite gingen al die zaken om de vraag of de Fenex-condities van toepassing waren en als dat zo was, ging het meer in het bijzonder over de vraag of rechtbank bevoegd was in verband met het arbitraal beding in de Fenex-condities.

De casus waarbij een expediteur aansprakelijk is uit hoofde van de expeditie-overeenkomst voor diefstal van goederen uit zijn loods, doet zich eigenlijk niet voor, want dan wordt meestal aangenomen dat er sprake is van expeditie èn bewaarneming. Een goed voorbeeld is het vonnis van de Rechtbank Rotterdam2:

Steinweg was gehouden op basis van de tussen haar en Frank & Schutte gesloten overeenkomst, die valt aan te merken als een combinatie van een expeditie- en een bewaarnemingsovereenkomst, zorgvuldig met de nikkelkathoden om te gaan (…)”


Een van de weinige voorbeelden waar wel aansprakelijkheid van de expediteur aan de orde was, is het vonnis van de Rechtbank Rotterdam3 waar de expediteur de te verschepen tweedehands bestelwagen door zijn hulppersoon voor de poort van het stuwadoorsterrein laat pakeren waar de wagen gestolen wordt. De rechtbank acht de expediteur aansprakelijk voor deze diefstal en laat zelfs geen beroep toe op de exoneratie van art. 11 lid 2 Fenex-condities, omdat de betreffende exoneratie, gelet op alle overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is.

Met andere woorden, in geval van diefstal bij de expediteur gaat het vooral om toepasselijkheid en vernietigbaarheid van de Fenex-condities en daarom wordt aan dat onderwerp ruimschoots aandacht gegeven.

Bij bewaarneming speelt die toepasselijkheid en vernietigbaarheid van opslagvoorwaarden ook een vooraanstaande rol, maar er is ook de nodige jurisprudentie over de vraag tot hoever de zorgplicht van een (zorgvuldig) bewaarnemer zich uitstrekt: die jurisprudentie wordt behandeld.
Maar alvorens deze onderwerpen te behandelen, moet eerst de prangende vraag ‘vervoer of expeditie?’ worden opgelost. De vraag ‘expeditie of opslag?’ wordt in de praktijk minder gesteld; in mijn Euroforum voordracht 2001 heb ik toen in dat kader uitgebreid behandeld het vonnis van de Rechtbank Haarlem4 in de Samsung/Van Ommeren-zaak.


  1. Vervoer of expeditie?



    1. Het verschil tussen vervoerovereenkomst en expeditieovereenkomst
      De definitie van de vervoerovereenkomst luidt (art. 8:20 BW):



De overeenkomst van goederenvervoer is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt zaken te vervoeren.”
In deze definitie wordt aangegeven wie vervoerder is (namelijk hij die vervoer van goederen overeenkomt) en wie afzender is (de contractuele wederpartij van de vervoerder).
Naar Nederlands recht is geen element van de vervoerovereenkomst dat er vracht wordt bedongen; dus ook gratis vervoer valt onder de definitie.
Evenmin vereist de definitie dat er van A naar B wordt vervoerd; ook vervoer van A naar B en weer terug naar A valt onder de definitie van de vervoerovereenkomst5.

Als allerbelangrijkste element van deze definitie van de vervoerovereenkomst geldt dat ook de ‘papieren’ vervoerder valt onder deze definitie. Het gaat er om dat de vervoerder contractueel het vervoer overeenkomt en hij hoeft dus niet zelf met eigen wagens te rijden. In het wegvervoer is de ‘papieren’ of ‘hoofdvervoerder’ eerder regel dan uitzondering: de wegvervoerder werkt heel vaak met ondervervoerders.

De definitie van de expeditieovereenkomst luidt (art. 8:60 BW):

De overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de expediteur) zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever) verbindt tot het te haren behoeve met een vervoerder sluiten van een of meer overeenkomsten van vervoer van door deze wederpartij ter beschikking te stellen zaken”.


Bij expeditie gaat het dus om doen vervoeren; de expediteur regelt het vervoer: hij sluit een vervoerovereenkomst met een vervoerder, hetzij op eigen naam (de expediteur wordt dan ook afzender) hetzij op naam van zijn opdrachtgever. Omdat een expediteur niet zelf vervoert net zomin als een ‘papieren’ vervoerder (die immers ook weer een vervoerovereenkomst sluit met een (onder)vervoerder), lijken de expediteur en de ‘papieren’ vervoerder door lekenogen gezien nogal op elkaar, maar juridisch bezien is er een wereld van verschil: wanneer tijdens het transport landingschade ontstaat, is de expediteur normaal gesproken niet aansprakelijk voor een dergelijke ladingschade en de ‘papieren’ vervoerder is dat wel (tenzij de vervoerder zich op vervoerdersovermacht kan beroepen, maar dat is tegenwoordig vrijwel niet meer mogelijk6).
Het zij nog eens benadrukt dat de expediteur bij een gewone ladingschade die is ontstaan tijdens het (weg)vervoer, ‘er tussen uit valt’, de expediteur niet aansprakelijk is voor deze ladingschade en eventuele vorderingsrechten tegen de vervoerder draagt hij over aan zijn opdrachtgever door de zogenoemde ‘expediteursverklaring’ af te geven, zie art. 8:63 lid 2 BW.
Wanneer een expediteur toch door zijn opdrachtgever wordt belaagd met een ladingclaim, behoeft hij zich niet krampachtig te beroepen op toepasselijkheid van de Fenex-condities met de daarin opgenomen limieten van 4 SDR per kilo met een maximum van 7500 SDR per zending (art. 11 lid 3 Fenex), maar kan hij volstaan met het aanbod om de expediteursverklaring af te geven op basis waarvan zijn opdrachtgever zich rechtstreeks tot de vervoerder kan wenden en ladingschade kan vorderen onder de vervoerovereenkomst.
Het is dan wel zaak dat die expediteur ook echt expediteur is en niet ‘papieren’ vervoerder want dan komt op deze vermeende expediteur gewoon vervoerdersaansprakelijkheid te rusten. Daarom is het essentieel om te weten wat is overeengekomen: vervoer of expeditie?



    1. Wat is overeengekomen: vervoer of expeditie?
      Wanneer er een ladingschade is en een expeditiebedrijf heeft het vervoer geregeld, zal dat expeditiebedrijf als in een soort pavlovreactie roepen dat hij niet aansprakelijk is, dat de Fenex-condities van toepassing zijn en dat hij alleen maar expediteur was.
      Maar als het onduidelijk is of we met een echte expediteur dan wel een ‘papieren’ vervoerder van doen hebben, is het inmiddels vaste rechtspraak geworden dat hij, die stelt expediteur te zijn, dat dan ook maar moet bewijzen7. Dit principe is mooi en kernachtig verwoord door Haak in zijn oratie8: “De expediteur moet zeggen wat hij doet en doen wat hij zegt”.

      Om vast te stellen of partijen nu vervoer dan wel expeditie zijn overeengekomen, moeten we de volgende regel betreffende het uitleggen van ‘vage’, niet duidelijke overeenkomsten (zowel mondeling als schriftelijk gesloten) als uitgangspunt nemen9:



Steeds komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
Deze regel van uitleg over hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen, noemen we ook wel het Haviltex-criterium waarbij drie factoren bij de toepassing van dat criterium van belang zijn:

  • de verklaringen van beide partijen;

  • de gedragingen van beide partijen;

  • de verwachtingen die partijen van elkaar mochten hebben

en dit alles overgoten met het sausje van ‘redelijkheid’.



    1. Zeven uitspraken: expeditie!
      In Schip & Schade zijn tot en met 2005 57 zaken gepubliceerd onder het trefwoord ‘vervoer of expeditie’. Van die 57 zaken zijn er slechts zes uitspraken waarin de rechter tot het oordeel komt dat er inderdaad sprake is van expeditie.

      Alvorens aandacht te besteden aan die zes ‘expeditie-uitspraken’, eerst nog even een recente uitspraak waar uiteindelijk geoordeeld wordt dat het (toch) om vervoer gaat.


      Het betreft het zeer uitvoerig gemotiveerde (r.o. 4.5.1 – r.o. 4.5.4) arrest van het Hof Den Bosch10, als bijlage bijgevoegd, waarin het hof, anders dan de Rechtbank Breda, oordeelt dat er sprake is van vervoer.
      In r.o. 4.5.1 begint het hof op te merken dat aan de taalkundige betekenis van de woorden in de overeenkomst geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aangezien de termen vervoer(der) en expeditie/expediteur vaak willekeurig door elkaar worden gebruikt.
      Vervolgens past het hof voor de vraag van uitleg of in een concreet geval sprake is van een vervoer- of expeditieovereenkomst, het hiervoor genoemde Haviltex-criterium toe.
      In r.o. 4.5.2 kijkt het hof naar de feiten. In de offerte staat: “Betreft: offerte autotransport Istanbul”; in die offerte wordt per zending steeds één bedrag aan vrachtkosten berekend. De factuur vermeldt “transportkosten Istanbul-Oisterwijk”.
      Vervolgens geeft het hof in r.o. 4.5.3 de belangrijke regel dat het de expediteur is die duidelijkheid moet verschaffen over zijn positie: “Hij dient zich bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk als expediteur te presenteren aan zijn wederpartij, bij gebreke waarvan er in beginsel van moet worden uitgegaan dat een vervoerovereenkomst tot stand is gekomen.” Van die duidelijkheid zijdens de expediteur is hier niet gebleken.
      Zowel de offerte als de factuur – en dat geldt ook voor de eerdere offertes en facturen – vermelden één all-in bedrag en geen expediteurshonorarium. Dat de vermeende expediteur, Ritra, de opdracht van haar opdrachtgever Bremtex (kennelijk) heeft doorgegeven aan een ondervervoerder, betekent niet dat Ritra niet rechtens is opgetreden als vervoerder. Ook het feit dat Ritra als ‘agent’ in het handelsregister staat ingeschreven, maakt dat niet anders.
      En, zo voegt het hof er tot slot nog aan toe, dat de Fenex-condities in casu op offertes en facturen van toepassing zijn verklaard, brengt niet mee dat er in dit geval van een expeditieovereenkomst sprake is11. Die voorwaarden zijn in het algemeen van toepassing in het geval van een expeditieovereenkomst, maar zij bewerkstelligen op zichzelf niet dat een overeenkomst als expeditieovereenkomst moet worden aangemerkt.
      De slotconclusie van het hof, r.o. 4.5.4, is dan ook dat – en het zij nog eens benadrukt: anders dan de Rechtbank Breda, die van mening was dat er wel expeditie was – in dit geval sprake is van een vervoerovereenkomst en niet van een expeditieovereenkomst.

      Ik denk dat dit arrest een mooi voorbeeld is van het afwegen van alle factoren die van belang zijn bij de vraag “Is er vervoer of expeditie?” en ik ben het evenzeer met het hof eens dat hier de balans ten gunste van vervoer doorslaat. Het ging voor Ritra al verkeerd toen zij in haar offerte vermeldde: ‘Autotransport Istanbul’; op zich zou dat kopje ‘Autotransport’ nog wel gekund hebben, maar dan had er tenminste verder in de offerte heel duidelijk moeten staan dat het om expeditie ging. Wat dat betreft hecht ik, anders dan de rechtbank, ook minder waarde aan de anderhalf jaar voor de onderhavige opdracht opgestelde ‘Routingorder’. In dit document, waarvoor weliswaar het briefpapier van Ritra is gebruikt, richt Bremtex zich tot zijn verkoper in Istanbul met de instructie “to forward our consignments in accordance with the instructions you will receive from our forwarding agent”. Deze ‘Routingorder’ beheerst strikt genomen de relatie tussen Bremtex en zijn verkoper. Kortom, bij het offreren van de afzonderlijke transporten moet Ritra nog meer duidelijkheid verschaffen over haar hoedanigheid.



      Nu de zes uitspraken waar het toch expeditie is.




  1. Rechtbank Roermond, 27 november 1986, S&S 1988, 97
    De verwijzingen naar de Fenex-condities in de offerte uit 1976 en in de daarop gebaseerde afspraak uit 1982, worden telkens voorafgegaan en gemotiveerd door de mededeling “onze werkzaamheden zijn expeditiewerkzaamheden”.



  2. Hof Amsterdam, 10 januari 1991, S&S 1991, 55
    De expediteur Bleckmann had voldoende duidelijk gemaakt expediteur te zijn: “Niet alleen noemt Bleckmann zich expeditiebedrijf, maar ook vermeldt het briefpapier waarop de offerte is gesteld uitdrukkelijk dat haar werkzaamheden expediteurswerkzaamheden zijn en dat derhalve hierop van toepassing zijn de Fenex-condities. De inhoud van de offerte is hiermee in overeenstemming”.



  3. Hof Den Bosch, 19 juni 2000, S&S 2001, 34

In een uitvoerige overweging laat het Hof de volgende factoren meewegen:

            • Niet vrachtprijs en provisie afzonderlijk in de factuur gespecificeerd: wijst op vervoer;

            • Op facturen wordt vermeld: “in uw opdracht (had) laten vervoeren”: wijst op expeditie;

            • uit de door de opdrachtgever overgelegde ‘international waybill’ blijkt niet van enige betrokkenheid van Burando als vervoerder;

Mitsdien zijn de aanwijzingen dat er sprake was van expeditie sterker dan de aanwijzingen die in de richting van vervoer wijzen.



  1. Rechtbank Leeuwarden, 13 juni 2001, S&S 2004, 99
    Aan de hand van het Haviltex-criterium waardeert de Rechtbank een tweetal getuigenverklaringen, waarbij elk van de twee getuigen uitdrukkelijk heeft verklaard dat RP optrad als expediteur van Philips.
    De getuige De Bruijn, voormalig werknemer van RP verklaart onder meer dat RP uitsluitend als expediteur optrad en dat zulks ook blijkt uit het door haar gehanteerde briefhoofd en uit de verwijzing in alle stukken, waaronder de offerte, naar de Fenex-condities.
    Ook de andere getuige, een gepensioneerd Philips werknemer en destijds werkzaam op de afdeling Logistiek, heeft betoogd dat RP altijd optrad als expediteur en dus ook in dit geval optrad als expediteur van Philips.
    Interessant is te vermelden dat de beide getuigen ook hebben verklaard dat de vrachtbrief is opgesteld door Philips en dat RP daarin ten onrechte is aangeduid als vervoerder. Dat Philips later RP als vervoerder aansprakelijk heeft gesteld is volgens de gepensioneerde Philips werknemer op deze fout terug te voeren.
    De rechtbank acht RP geslaagd in het bewijs dat RP slechts is opgetreden als expediteur.
    Ik vind dit typisch een geval van ‘kantje boord’. Wat zeker zal hebben meegespeeld is dat opdrachtgever Philips en RP Forwarding B.V. gezamenlijk optrokken tegen de CMR-vervoerder Groborz en de procedure in feite ging tussen ladingbelanghebbende Philips tegen de CMR-vervoerder wiens Poolse ondervervoerder de zending elektrische apparaten aan onbekenden in een fruit en groenten loods in Moskou heeft afgeleverd.12



  2. Rechtbank Rotterdam, 20 augustus 2003, S&S 2004, 125 ‘Arabella C.’
    Ook hier CMR-vervoer naar Moskou met tussenkomst van een expediteur DBS.
    De multimodaal vervoerder KNSM-Kroonburgh twijfelt eraan dat DBS (de afzender onder de vervoerovereenkomst met KNSM) handelde als expediteur voor Emborg; KNSM was van mening dat er tussen Emborg en DBS ook een vervoerovereenkomst was gesloten.

    DBS legt echter een expediteursverklaring over, waarin wordt verklaard dat DBS van Emborg opdracht heeft gekregen tot het doen vervoeren van een vijftal containers met boter. DBS verklaart ook nog schriftelijk dat zij sedert vele jaren werkzaam is als expediteur voor Emborg in het doen vervoeren van goederen en die verklaring wordt door Emborg weer schriftelijk bevestigd.

    Met andere woorden, Emborg en DBS zijn het roerend met elkaar eens dat er tussen hen een ‘expeditieverhouding’ was en de rechtbank neemt dan ook aan dat er in casu sprake was van een expeditieopdracht.
    Vervolgens gaat de procedure over de aansprakelijkheid van multimodaal vervoerder KNSM-Kroonburgh. Die aansprakelijkheid (als CMR-vervoerder) wordt aangenomen maar tot een doorbreking van de limiet komt het niet.



  3. Rechtbank Rotterdam, 14 april 2004, S&S 2005, 103
    Tot slot van de bespreking van de jurisprudentie in S&S waar de rechter oordeelt dat er in casu expeditie is, een wat wonderlijke verklaring voor recht procedure.
    TCM Expeditie vordert voor recht te verklaren dat zij jegens Metaal Transport is opgetreden als expediteur en niet als vervoerder. Metaal Transport heeft buitengerechtelijk al verklaard dat dit zo is. De rechter heeft er dan ook geen moeite mee voor recht te verklaren dat TCM inderdaad als expediteur is opgetreden; TCM wordt in de kosten van deze procedure veroordeeld.

    Voor expediteur TCM had dit declaratoire vonnis, in de internationale context waarin het geschil zich afspeelt, kennelijk meer waarde dan de buitengerechtelijke verklaring van haar opdrachtgever Metaal Transport.





Er is nog een zevende uitspraak waarin een rechter tot het oordeel komt dat er toch sprake is van expeditie. Dit vonnis van de Rechtbank Amsterdam, dat alweer dateert van 14 mei 2003, zal in een van de komende maanden in S&S worden gepubliceerd; het is als bijlage bijgevoegd.



  1. Rechtbank Amsterdam, 14 mei 2003
    Het gaat om de export van Grolsch bier van Groenlo naar Liepaja in Letland. Voor de export van het bier doet Grolsch zaken met Thor Shipping B.V.
    Tussen Grolsch en Thor is er een raamovereenkomst die vrijwel geheel wordt weergegeven in r.o. 1 sub b van het vonnis. Helaas kwamen in de tekst (het was niet een (door juristen opgestelde) overeenkomst, maar een rapport van een bespreking tussen partijen) niet de sacrale woorden ‘expeditie’ of – beter nog – ‘doen vervoeren’ voor.

    De rechtbank begint dan ook (r.o. 8) met het Haviltex-criterium en vervolgens somt de rechtbank de omstandigheden op die bij de uitleg van de overeenkomst een rol spelen. Vervolgens komen die omstandigheden in de rechtsoverwegingen 9 t/m 15 aan de orde:



    1. Thor heeft zowel vóór als na de totstandkoming van de raamovereenkomst in dezelfde hoedanigheid werkzaamheden ten behoeve van de export van bier verricht. Vast staat dat zij nimmer zelf het feitelijk vervoer heeft verricht;

    2. Er werd telkens een kopie van de condities, waaronder de verschillende feitelijke vervoerders werkten, verstrekt aan Grolsch International; daarin kan een aanwijzing zijn gelegen dat Thor niet als vervoerder optrad, omdat voor Grolsch niet relevant was onder welke condities de ondervervoerders werkten als zij een vervoerovereenkomst had gesloten met Thor;

    3. Ook in de bewoordingen van de raamovereenkomst kan een aanwijzing worden gevonden dat Thor optrad als expediteur; zowel het voortransport als de ‘handling’ geschiedt via Thor, maar niet door Thor; in the booking notes is vermeld dat ‘booking will be forwarded for your account’ terwijl Thor zichzelf duidt als ‘agent’;

    4. In de factuur is geen apart bedrag voor expeditie of commissieloon in rekening gebracht, maar in de raamovereenkomst is vermeld dat de prijs voor de zeevracht inclusief administratie/verzekering/winst is; daarin kan een aanwijzing zijn gelegen dat Thor expeditieloon in rekening bracht onder de benaming ‘winst’; de vermelding van de vrachtprijs in de factuur sluit niet uit dat sprake is van een expeditieovereenkomst;

    5. Naam en doelomschrijving bieden geen uitkomst, zij zijn geen belangrijke factor bij de kwalificatie van de overeenkomst aangezien het er om gaat wat partijen zijn overeengekomen;

    6. De door Grolsch ingeschakelde schade-expert heeft Thor beschouwd als expediteur;

    7. In het cognossement dat voor het onderhavige zeevervoer is afgegeven staat Grolsch vermeld als afzender, waartegen zij niet geprotesteerd heeft;

    8. De omstandigheid dat de ladingverzekeraars zelf de rederij hebben aangesproken en Thor daarin niet hebben betrokken, kan erop wijzen dat Thor niet als vervoerder, maar als expediteur is opgetreden.

De rechtbank eindigt dan ook met de mooie volzin (r.o. 16): “Alle hiervoor vermelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wijzen meer in de richting van een expeditieovereenkomst dan van een vervoerovereenkomst”. Maar de rechtbank voegt er voorzichtigheidshalve aan toe dat als Grolsch redelijkerwijze heeft mogen begrijpen, op grond van uitlatingen en/of gedragingen van Thor, dat zij een vervoerovereenkomst met Thor was aangegaan, de overeenkomst toch als een vervoerovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Het is aan Grolsch om haar stelling op dit punt te bewijzen.


Zover is het echter niet meer gekomen; partijen hebben deze zaak inmiddels geschikt.

Volgens mij is dit de eerste zaak waarbij een rechtbank aan de hand van een afweging van een groot aantal omstandigheden tot het oordeel is komt dat er voorshands sprake is van expeditie. Dat Grolsch alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om te bewijzen dat het toch om vervoer ging, lijkt mij procestechnisch gezien wel juist, maar praktisch bezien een zeer lastige opgave, omdat Grolsch waarschijnlijk al alle omstandigheden die wijzen op vervoer uit de kast heeft gehaald!




  1   2   3   4

  • Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of opslag
  • Wie is aansprakelijk voor diefstal bij expeditie of opslag Inleiding
  • Vervoer of expeditie Het verschil tussen vervoerovereenkomst en expeditieovereenkomst
  • Wat is overeengekomen : vervoer of expeditie
  • Zeven uitspraken: expeditie!

  • Dovnload 127.24 Kb.