Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina10/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25

Hoofdstuk 7

7:1‑9


1 En daarna wandelde Jezus rond in Galiléa; want Hij wilde niet in Judea rondwandelen omdat de Joden Hem trachtten te doden. 2 Nu was het feest van de Joden, het loofhuttenfeest, nabij. 3 Zijn broers dan zeiden tot Hem: Vertrek van hier en ga naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen die U doet; 4 want niemand doet iets in het verborgen en tracht zelf openlijk bekend te zijn. Als U deze dingen doet, openbaar Uzelf dan aan de wereld. 5 Want ook zijn broers geloofden niet in Hem. 6 Jezus dan zei tot hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken; maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn. 8 Gaat u op naar het feest, Ik ga nog niet op naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet is vervuld. 9 En nadat Hij dit tot hen had gezegd, bleef Hijzelf in Galiléa.

De dienst van de Heer, zoals die wordt verhaald in het evangelie naar Johannes, beperkt zich tot Jeruzalem en Judéa (met uitzondering van het eerste, tweede, vierde en zesde hoofdstuk). Na de gebeurtenissen vermeld in het vijfde hoofdstuk, verliet de Heer Judéa en werkte ge­durende enige maanden in Galiléa.

Hij, de Alwetende, wist van de samenzweringen van de Joodse leiders. Hij wist hoe zij Hem haatten, en hoe zij beraadslaagden om Hem te doden. Niet alleen dit wist de Heer, maar Hij wist ook precies wanneer en onder welke omstandigheden zijn lijden zou beginnen. Het was daarvoor nog niet de tijd, en daarom trok de Heer Zich terug uit Ju­déa.

Het Paasfeest, dat gevierd wordt in de lente, was al voorbij. Het Pink­sterfeest, het feest der weken, dat komt na het Paasfeest, wordt hier niet genoemd. Tijdens dat feest ging de Heer niet naar Jeruzalem. Het is een veelzeggend feit dat het Pinksterfeest nergens in de evangeliën genoemd wordt. Dat feest wordt alleen vermeld in de Handelingen (2:1 en 20:16) en eenmaal in 1 Kor. 16:18, waar Paulus zegt dat hij nog tot Pinksteren in Efeze zal blijven.

De wet schreef voor dat iedere mannelijke Israëliet elk jaar de drie grote feesten in Jeruzalem moest bijwonen, het Paasfeest, het Pink­sterfeest en het Loofhuttenfeest (Deut. 16). Volgens de Evangeliën ging de Heer naar Jeruzalem bij het Paasfeest en het Loofhuttenfeest, maar we lezen nergens dat Hij het Pinksterfeest bijgewoond heeft.

Deze feesten hebben ook een zinnebeeldige en een profetische beteke­nis. Bij het Paasfeest denken wij aan het kruis, aan het werk dat het Lam van God daar volbracht heeft. Pinksteren doet ons denken aan de komst van de Heilige Geest en aan de bijeenvergadering van de ge­meente in onze bedeling. En het Loofhuttenfeest ziet op de heerlijke vervulling als Christus terugkomt om zijn aardse volk te zegenen en zijn koninkrijk op te richten.

Gedurende de zomermaanden verbleef de Heer in Galiléa en was Hij niet in Judéa, maar toen het Loofhuttenfeest gevierd zou worden kwam Hij terug in Jeruzalem. Dit is een voorafschaduwing van het ka­rakter van deze bedeling, die begon met het Pinksterfeest. Nu is de Heer niet persoonlijk aanwezig, maar wanneer deze eeuw ten einde loopt komt Hij terug om Zich te openbaren, om zijn heerlijkheid te la­ten zien in Jeruzalem. Dan zal het Loofhuttenfeest op een prachtige wijze vervuld worden. Gedurende het Pinksterfeest daarentegen ver­scheen de Heer niet in Jeruzalem.

Zijn broers in Galiléa spoorden Hem aan om meteen naar Jeruzalem te vertrekken en Zich daar te laten zien aan de mensen. Er is veel ge­schreven over deze broers van onze Heer. De algemene gedachte is wel dat zij kinderen zijn van Jozef en Maria en jonger zijn dan de Heer. Sommigen veronderstellen dat Jozef eerst getrouwd geweest was met een andere vrouw en dat zij kinderen waren uit dit eerste huwelijk van Jozef. Anderen nemen aan dat ze neven van de Heer waren.

In vers 5 lezen we dat zijn broers niet in Hem geloofden. Zij geloofden niet dat Hij de Messias was en nu drongen ze er bij de Heer op aan (waarschijnlijk was dit sarcastisch bedoeld) om in Jeruzalem in het openbaar aan de bijeengekomen scharen te laten zien dat Hij de be­loofde Messias was. In het eerste hoofdstuk van de Handelingen zien we dat zij later tot bekering zijn gekomen; want daar treffen we hen aan in Jeruzalem met de anderen die eendrachtig volhardden in het ge­bed (Hand. 1:14).

De Heer geeft een kalm antwoord (vers 6). Zijn tijd was er nog niet, maar hun tijd was altijd bereid. Zij hadden niets te vrezen van de Jo­den; de wereld zou hen niet haten, want omdat zij niet bekeerd waren, waren zij nog van de wereld. Met de Heer was het anders. Hij was niet van de wereld en Hij getuigde van de wereld dat haar werken boos zijn; daarom haatte de wereld Hem.

In vers 7 zien we de boosheid van de mens: de Heer Jezus werd ge­haat. Het is zelfbedrog te veronderstellen dat de mens van nature posi­tief reageert op morele reinheid of dat hij een aangeboren bewonde­ring heeft voor waarheid, reinheid, rechtvaardigheid. Er is geen enkele basis om te geloven in het goede in het hart van een mens. God gaf een volmaakt voorbeeld van waarheid, reinheid en liefde in de Persoon van onze Heer ‑ en het antwoord van de mens was haat.

En het hart van de mens is nog niets veranderd. Als de Heer vandaag de dag in vernedering zou terugkeren naar de aarde, dan zouden de mensen Hem weer haten, net als toen. Als christenen leven zoals het christenen betaamt, als zij wandelen zoals de Heer gewandeld heeft en getuigen tegen het verkeerde, als hun leven een voortdurend getuigenis tegen de wereld is dan zullen ze gehaat worden door de wereld. Zo heeft de Heer ook gebeden: “De wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, zoals Ik van de wereld niet ben”. Wat wordt deze waarheid nog weinig gekend in de christenheid vandaag! De grote belijdende kerk zoekt de gunst en de instemming van de wereld; zij maakt gemene zaak met de wereld die in het boze ligt.

Maar als een gelovige in afzondering van de wereld wil leven, dan merkt hij al gauw dat hij gehaat wordt door de wereld en zelfs door de zogenaamde “godsdienstige wereld”. Erasmus heeft eens gezegd dat Luther een gemakkelijk leven had kunnen leiden als hij niet de kroon van de Paus en de buik van de monniken had aangetast.

Als een christen niet geliefd is onder de mensen is dat nog geen bewijs dat hij fout is in zijn geloof of in zijn wandel. Het is een grote vergis­sing als we menen dat het een goed teken is wanneer de mensen goed van ons spreken. Zie alleen maar hoe de wereld dacht en nog denkt over de Heer Jezus. “Wee, wanneer alle mensen goed van u spreken: want zó deden hun vaderen met de valse profeten” (Lukas 6:26). Of waren wij deze tekst vergeten?

De Heer weigerde samen met zijn broers op te gaan naar Jeruzalem. Terwijl dezen al op reis waren, bleef de Heer in Galiléa en wachtte op de tijd dat Hij moest vertrekken.

7:10‑13


10 Maar toen zijn broers waren opgegaan naar het feest, toen ging ook Hijzelf op, niet openlijk maar als in het verborgen. 11 De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij? 12 En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; maar anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte. 13 Toch sprak niemand vrijuit over Hem, door hun bangheid voor de Joden.

Zijn broers waren al vertrokken, misschien teleurgesteld door de wei­gering van de Heer om hen te vergezellen. Hij wilde niet de aandacht op Zichzelf vestigen of aanleiding geven tot een herhaling van wat eerder gebeurd was, toen men Hem tot koning wilde maken (6:15). Daarom ging de Heer niet openlijk, niet in een groot gezelschap, maar als in het verborgen.

De Joden, de leidslieden en de farizeeërs, zagen naar Hem uit; ze ver­wachtten dat Hij op het feest zou komen. Zij vroegen: “Waar is Hij?” Letterlijk vertaald vroegen ze: “Waar is die (man)?” Hieruit blijkt hun verachting. Niet alleen de Joodse leiders evenwel verwachtten Hem en zochten Hem; ook de massa zag naar Hem uit en praatte over hem. Hoe kon het ook anders? De genezing van de verlamde en de woorden die de Heer daarna had gesproken, hadden een geweldige indruk op hen gemaakt. Het wonder van de broden was ook bekend onder de menigte. Misschien waren wel veel mensen die dit wonder zelf meege­maakt hadden nu in Jeruzalem; van elke Jood werd immers verwacht dat hij tijdens het Loofhuttenfeest in Jeruzalem was. Ongetwijfeld hebben zij verteld over de dingen die in Galiléa gebeurd waren en over de dingen die de Heer gezegd had; onder andere dat Hij het brood des levens was dat uit de hemel neergedaald is.

De mening van de mensen over de Heer liep uiteen. Sommigen vonden Hem een goed mens; anderen, waarschijnlijk de grootste groep, ont­kenden dat Hij een goed mens was; zij beschouwden Hem als een be­drieger. Maar niemand zei hardop dat de Heer de Messias was, de Ko­ning van Israël. De mensen die in Hem geloofden als een goed mens durfden niet vrijuit over Hem te spreken, uit vrees voor de godsdienstige leiders.


7:14‑20


14 Maar toen het feest al half voorbij was, ging Jezus op naar de tempel en leerde. 15 De Joden dan verwonderden zich en zeiden: Hoe is Deze zo geleerd zonder onderwezen te zijn? 16 Jezus dan antwoordde hun en zei: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij heeft gezonden. 17 Als iemand zijn wil doen wil, zal hij van deze leer erkennen of zij uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek. 18 Wie vanuit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid; maar wie de heerlijkheid zoekt van hem die hem heeft gezonden, die is waarachtig en er is geen ongerechtigheid in hem. 19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waarom tracht u Mij te doden? 20 De menigte antwoordde: U hebt een demon, wie tracht U te doden?

Het Loofhuttenfeest duurde zeven dagen en was (en dat is het nog steeds bij de orthodoxe Joden) een feest van grote vreugde. Men maak­te hutten of priëlen van boomtakken, waarin men een week lang woonde, ter herinnering aan de 40‑jarige omzwerving in de woestijn. De wet schreef voor dat er elke dag van het feest offers moesten worden gebracht (Num. 29:12‑34).

Het Loofhuttenfeest kwam vlak na het feest van het Geklank, een beeld van de toekomstige wedergeboorte van Israël, en de Grote Ver­zoendag, een beeld van het geestelijk herstel van Israël en de verge­ving van hun zonden. Zoals we al gezien hebben is het Loofhutten­feest een beeld van de terugkeer van de Heer op aarde en van de vrede en vreugde die er dan zal zijn.

Toen het feest goed op gang was, in het midden van de week, kwam de Heer. Hij ging meteen naar de tempel om te leren. In de buitenste voorhof van de tempel was het toegestaan om te leren; hier had de Heer ook gezeten, meer dan twintig jaar geleden, temidden van de le­raren, terwijl Hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. Zouden er nog leraren en schriftgeleerden zijn die zich dit herinnerden?

De Heilige Geest heeft het niet nodig gevonden ons te zeggen wat de Heer hier leerde. Het moet wel wondermooi geweest zijn, want de Jo­den verwonderden zich. We horen hen denken: waar heeft Hij al deze kennis vandaan? Heeft Hij een school bezocht? Heeft Hij aan de voe­ten van een grote leraar, zoals Gamaliël, gezeten? Heeft Hij wel vol­daan aan de eisen van de rabbijnse gewoonte, dat als iemand als leraar wilde optreden, hij eerst enkele jaren de metgezel geweest moest zijn van een geleerde rabbi? En bovendien, kwam Hij niet uit Nazareth? Is Hij niet opgevoed in die stad met haar slechte reputatie, met haar onbeschaafde en onwetende bevolking? “Hoe is deze zo geleerd, daar Hij toch niet onderwezen is”?

De Heer geeft een antwoord op hun vraag. Wat Hij sprak had Hij niet van anderen geleerd en het was ook niet iets van Hem Zelf. De Vàder had het Hem geleerd en dáárom sprak Hij deze dingen. Het was de leer van de Vader die Hem in de wereld gezonden had, de Vader met wie Hij één is en zonder wie Hij niets doet. Dezelfde belangrijke waarheid die we in het vijfde hoofdstuk gezien hebben, wordt hier weer voor onze aandacht gebracht. In het twaalfde hoofdstuk spreekt de Heer er opnieuw over. “Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken; maar de Va­der, die Mij gezonden heeft, die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet” (12:49). Alles wat van zijn lippen komt is een openbaring van God. Dan geeft de Heer hen een toetssteen: zij kunnen weten of zijn leer van God is of dat Hij uit Zichzelf spreekt. Als iemand zijn wil doen wil, die zal de waarheid vinden. Als zij maar bereid waren de wil van de Vader te doen! Alleen de geest van gehoorzaamheid doet ons de hemelse dingen duidelijk zien. Iemand die niet het verlangen in zijn hart heeft naar de waarheid, zal ook wei­nig van de waarheid begrijpen. God heeft zijn kinderen lief en het is zijn verlangen dat zij de waarheid verstaan; bovendien bezitten de gelovigen de Geest van de waarheid die hen in de hele waarheid zal leiden.

Dan geeft de Heer nóg een toetssteen. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt altijd zijn eigen eer; hij spreekt vanuit zichzelf en hij spreekt voor zich­zelf; hij probeert zijn eigen belangen te bevorderen. Dit is het kenmerk van alle dwaalleraars, die niet volgens de waarheid van God en door de leiding van de Geest van God spreken, maar uit Zichzelf.

De woorden “Wie de eer zoekt van Hem die Hem gezonden heeft, die is waarachtig en er is geen ongerechtigheid in Hem”, kunnen we echter alleen ten volle op de Heer toepassen, op Hem die de Vader gezonden heeft. Maar ook iedere dienstknecht van God, die de eer van God zoekt en niet zijn eigen eer, zal zich verre houden van wat onwaar en onrechtvaardig is.

De Joden evenwel verwierpen Hem en de leer die Hij hun namens de Vader bracht, en toch beroemden zij zich op de wet die hun door Mo­zes gegeven was. “Heeft Mozes u niet de wet gegeven”? In Deuterono­mium 31:10 lezen we dat de wet om de zeven jaar voorgelezen moest worden op het Loothuttenfeest. Het is best mogelijk dat dit zo’n ze­vende jaar was; dan hebben de woorden van de Heer wel een bijzonde­re betekenis. Want ondanks hun roemen in de wet hielden zij de wet niet. Ook wisten zij niet dat de alwetende, heilige Wetgever voor hen stond. Zij stonden op het punt Hem te doden en zo de wet te breken.

Niet de farizeeërs en schriftgeleerden gaven een antwoord, maar de menigte, zij die dachten dat de Heer geen goed mens was, maar een bedrieger. Zij waren niet op de hoogte van de geheime samenzwering van de godsdienstige leiders. Zij kenden de waarheid niet en zij be­schuldigden de Heer ervan dat Hij een boze geest had. Zo behandelden zij Hem die het Licht en het Leven is!


7:21‑24


21 Jezus antwoordde en zei tot hen: Een werk heb Ik gedaan en u verwondert zich allen daarover. 22 Mozes gaf u de besnijdenis (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en u besnijdt een mens op sabbat. 23 Als een mens de besnijdenis ontvangt op sabbat, opdat de wet van Mozes niet wordt verbroken, bent u dan verbitterd tegen Mij omdat Ik een hele mens heb gezond gemaakt op sabbat? 24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel.

Uit deze woorden van de Heer blijkt dat de eigenlijke reden van hun haat de genezing van de verlamde in Bethesda was. Dat waren zij nog niet vergeten; zij vervolgden de Heer en wilden Hem doden omdat Hij deze man op de sabbat genezen had. De Heer herinnert hen aan de be­snijdenis die hun door Mozes gegeven was, maar die toch niet door Mo­zes was ingesteld, want de besnijdenis was al vóór de wet aan de vaderen gegeven. In de wet staat dat de sabbat geheiligd moet worden en dat op die dag geen werk gedaan mag worden; maar in de wet staat óók dat elke zoon op de achtste dag besneden moet worden. Als die dag een sabbat was, dan werd het kind toch op die dag besneden, opdat de wet van Mozes niet verbroken zou worden. De Heer liet hen zien dat zij daardoor op de sabbat ook werk deden, een godsdienstige handeling die verricht moest worden omdat het een gebod van God was.

Maar wat is de besnijdenis in vergelijking met het grote werk dat Hij gedaan had! Hij had een mens helemaal gezond gemaakt en God ver­heerlijkt. Moesten zij nu kwaad op Hem zijn omdat Hij een hele mens op de sabbat genezen had? Zij hadden veel te haastig geoordeeld over de Heer. Zij hadden Hem veroordeeld omdat zij vast hielden aan een vormendienst, aan de letter van de wet. Dat standpunt verdedigden zij. Maar door de woorden van de Heer waren zij tot zwijgen gebracht; ze konden Hem hierop geen antwoord geven.

7:25‑27


25 Sommigen dan van de Jeruzalemmers zeiden: Is Deze het niet die zij trachten te doden? 26 En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden de oversten soms waarlijk hebben erkend dat Deze de Christus is? 27 Maar van Deze weten wij vanwaar Hij is; maar wanneer de Christus komt, weet niemand vanwaar Hij is.

Jeruzalem was vol mensen tijdens het Loothuttenfeest. Zij die nu spraken waren geen bezoekers, maar inwoners van Jeruzalem. In vers 20 hadden de mensen gezegd: “Wie tracht u te doden?” De inwoners van Jeruzalem waren beter op de hoogte; zij wisten iets van de haat van de leidslieden en van de plannen die gemaakt werden om de Heer te doden. “Is deze het niet die zij trachtten te doden?”

Zij stonden verbaasd dat de Heer zo openlijk stond te praten en dat niemand van de oudsten en de priesters iets tegen Hem zei; ze deden hun mond niet open om Hem tegen te spreken, ze probeerden niet Hem gevangen te nemen. De inwoners van Jeruzalem begrepen de hou­ding van hun leidslieden niet nu er toch zo’n goede gelegenheid was om Hem gevangen te nemen. Sommigen meenden dat zij van gedachten veranderd waren. “Zouden de oversten waarlijk erkend hebben dat deze de Christus is”?

Zij meenden dat zij wisten waar de Heer vandaan kwam. Zij kenden Hem bij de naam “Jezus van Nazareth”. Deze hoogmoedige inwoners van Jeruzalem zeiden: “Hij is maar een inwoner van Galiléa, Hij komt uit dat kleine stadje Nazareth”. Later, toen de Heer zijn intocht hield in Jeruzalem, zeiden de mensen: “Deze is Jezus, de profeet, van Naza­reth” (Matth. 21:11). En boven het kruis stonden deze woorden: “Je­zus van Nazareth, de koning van de Joden”.

Zij wisten dat de Messias uit Bethlehem zou komen. Maar deze man, zo zeiden zij, is een Nazarener, een timmerman uit Nazareth. Zij wis­ten niets van de maagdelijke geboorte van de Heer; evenmin wisten ze dat Hij geboren was in de stad van David, in Bethlehem. Hun onwe­tendheid bleek uit hun woorden: “Wanneer de Christus komt, weet niemand vanwaar Hij is”.

7:28‑32


28 Jezus dan riep in de tempel, terwijl Hij aldus leerde: U kent Mij en ook weet u vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij die Mij heeft gezonden, is waarachtig, die u niet kent. 29 Ik ken Hem, omdat Ik van Hem ben uitgegaan en Hij Mij heeft gezonden. 30 Zij trachtten Hem dan te grijpen; en niemand sloeg de hand aan Hem, omdat zijn uur nog niet gekomen was. 31 Uit de menigte echter geloofden velen in Hem en zeiden: Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doen dan Deze gedaan heeft? 32 De farizeëen hoorden dat de menigte dit over Hem mompelde; en de overpriesters en de farizeëen zonden dienaars om Hem te grijpen.

Dit is één van de weinige plaatsen in de evangeliën waar we lezen dat de Heer riep, dat Hij met stemverheffing sprak. De profeet Jesaja had aangekondigd: “Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen” (Jes. 42:2). Toch lezen we nog een paar maal dat de Heer met een luide stem sprak (vers 37; zie ook Joh. 12:44; ook riep de Heer met een luide stem aan het kruis: Matth. 27:46,50).

Gij kent Mij en gij weet vanwaar Ik ben”. De Heer geeft toe dat zij gelijk hebben als zij zeggen dat zij Hem kennen, maar zij kennen Hem niet in de ware betekenis van het woord. Zij weten dat Hij uit Naza­reth komt; zij kennen zijn broers; zij weten dat Hij langer dan dertig jaar in Nazareth gewoond heeft; ‑ maar zij weten niets van zijn wonderbaarlijke geboorte en van zijn Godheid.

En juist hierover spreekt de Heer: “Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarachtig, die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik ben van Hem uit­gegaan en Hij heeft Mij gezonden”. Dit is een kort, maar een heel be­langrijk woord. Nog eens getuigt de Heer van zijn Godheid en van zijn éénheid met de Vader. Hij is de gezondene van God, Hij is van God en Hij kent God. Hij was altijd bij God, één met Hem en aan Hem gelijk.

Zij begrepen meteen wat de Heer bedoelde. Misschien herinnerden zij zich ook nog de woorden die Hij gesproken had bij de genezing van de verlamde: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook” (5:17). Toen hadden ze ook geprobeerd Hem te doden. En nu maakte Hij weer een dergelijke opmerking. Hun vijandschap werd nog groter en zij probeerden Hem te grijpen, maar God verhinderde het. Niemand kon de hand aan Hem slaan, want zijn uur was nog niet gekomen.

Het uur dat Hij in de handen van de mensen zou worden overgeleverd, dat Hij gekruisigd zou worden en het werk zou volbrengen waarvoor Hij gekomen was, was al bepaald. Dat tijdstip was door God bepaald. Daarom is het niet juist te zeggen dat de Heer “een vroegtijdige dood” is gestorven, dat Hij veel langer had kunnen leven. Want het uur waar­op Hij zou sterven was door God tevoren bepaald.

Een ander gevolg van de woorden van onze Heer was dat velen in Hem geloofden. Misschien geloofden zij op dezelfde manier als de mensen die vermeld worden aan het eind van het tweede hoofdstuk. Misschien waren zij wel van Galiléa, want zij zeiden: “Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doen dan deze gedaan heeft?” De Heer had immers weinig wonderen en tekenen gedaan in Jeruzalem; zijn grote wonderen en tekenen had Hij gedaan in Galiléa. Het schijnt dat zij ervan overtuigd waren dat Hij de Messias was, maar we lezen ner­gens dat zij Hem beleden als Heer en Heiland of dat zij Hem volgden.

De Farizeeën merkten dat de Persoon die zij zo haatten in het middel­punt van de belangstelling stond tijdens het feest. Iedereen sprak over Hem. Toen zij ook nog hoorden dat er veel mensen waren die dachten dat Hij de Messias was, vonden zij dat de tijd aangebroken was om op te treden. Daarom stuurden zij dienaars uit om Hem te grijpen.


7:33‑36


33 Jezus dan zei: Nog een korte tijd ben Ik bij u, en dan ga Ik heen naar Hem die Mij heeft gezonden. 34 U zult Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben kunt u niet komen. 35 De Joden dan zeiden tot elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij soms naar de verstrooiden onder de Grieken gaan en de Grieken leren? 36 Wat is dit woord dat Hij heeft gezegd: U zult Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben kunt u niet komen?

Veel mensen stonden bij de Heer te luisteren. De dienaars kwamen dichterbij om het bevel van de Farizeeën en overpriesters uit te voeren. Maar de Heer sprak verder, en de dienaars waren machteloos om te doen wat hun was opgedragen, zij móesten wel luisteren naar de woor­den van de Heer. In vers 46 zien we dat zij hun opdrachtgevers vertel­den welke woorden zij van de Heer gehoord hadden.

Zij waren gekomen om Hem gevangen te nemen. Maar de Heer vertelt hen dat dit niet mogelijk is: Hij zou nog een korte tijd bij hen zijn, en wanneer die tijd voorbij was, zou Hij terug gaan tot de Vader die Hem gezonden had. De Heer weet precies wat er zal gebeuren. Hij zal het grote werk volbrengen en dan teruggaan tot de Vader. En daarna “zult gij Mij zoeken en Mij niet vinden”. Dit is een profetische uitspraak, die verder gaat dan de mensen begrepen die toen naar Hem luisterden. Het gaat over het hele volk dat, nadat de Heer teruggegaan is naar de Vader, tevergeefs zal zoeken naar de beloofde Messias. Zij zullen Hem zoeken en niet vinden.

Nog ernstiger is de volgende zin: “Waar Ik ben, kunt gij niet komen”. De Heer zegt hier niet: “Waar Ik heenga”, maar “Waar Ik ben”. De plaats waar de Heer over spreekt is de hemel. Die plaats is van Hem; zelfs toen Hij op aarde was in de gedaante van een mens, was Hij als Zoon van God in de hemel (zie Joh. 3:13). Wij moeten wel erkennen dat dit voor ons te wonderbaar is om te begrijpen.

Zij die Hem verwerpen, die niet in Hem geloven, kunnen nooit in die plaats komen waar Hij is. Deze ene zin is een duidelijk antwoord op al de onbijbelse theorieën over een tweede kans voor degenen die Christus verwerpen en sterven zonder gered te zijn. Het is totaal on­mogelijk dat zij die in hun zonden en ongeloof sterven, ooit de plaats kunnen bereiken waar Hij is. Zoiets klinkt misschien wel vriendelijk en liefdevol, en men laat zien een ruim hart te bezitten als men leert dat alle mensen uiteindelijk in de hemel zullen komen, maar deze woor­den van de Heer werpen deze theorie omver: de hemel is een plaats waar de ongelovigen niet kunnen komen.

Maar de mensen begrepen de woorden van de Heer niet. Zij dachten dat de Heer van plan was om naar de Joden te gaan die verstrooid wa­ren onder de Grieken en dan ook de Grieken te leren. Zij wisten niet dat dit zou gebeuren na de dood, opstanding en hemelvaart van de Heer. Dan zou de Heilige Geest van de hemel komen en het getuigenis zou eerst gegeven worden in Jeruzalem. Het beloofde koninkrijk zou nog eenmaal gepredikt worden; die boodschap zou echter ook verwor­pen worden en dan zou het evangelie gepredikt worden aan de heide­nen.


1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25

  • 7:10‑13
  • 7:14‑20
  • 7:21‑24
  • 7:25‑27
  • 7:28‑32
  • 7:33‑36

  • Dovnload 1.32 Mb.