Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina11/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   25

7:37‑39


37 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! 38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.

Het Loofhuttenfeest eindigde op de achtste dag. Het was op die laat­ste dag dat de Heer deze geweldige uitnodiging gaf aan het volk en de­ze belofte er aan toevoegde. Zeven dagen lang was er water geschept uit de bron Silóam in een gouden kruik en onder geweldig gejubel werd het water uitgegoten in de tempel. Dat was een herinnering aan het water uit de steenrots in de woestijn. Bovendien heeft deze hande­ling een toekomstige betekenis. Zacharia vertelt over de tijd dat le­vende wateren uit Jeruzalem zullen vlieten” (Zach. 14:8). Ook Eze­chiël zag de wateren als een machtige rivier stromen vanuit de tempel (Ezech. 47). Deze profetieën zullen vervuld worden wanneer de Ko­ning terugkomt in het midden van zijn volk. Op de achtste dag eindig­de de plechtigheid van het uitgieten van het water. En toen sprak de Heer deze woorden over “stromen van levend water”. Dit ziet symbo­lisch terug op de tijd na de reis door de woestijn; toen ging het volk het beloofde land binnen waar de waterbronnen volop voorzagen in hun behoefte.

Nu is hun eigen Koning en Messias bij hen! Alleen door Hem kunnen al deze profetieën vervuld worden. Hij, de geestelijke steenrots die hen volgde (1 Kor. 10:4), is nu in hun midden.

Maar Hij is verworpen. Het uur nadert dat Hij buitengeworpen zal worden en overgeleverd in de handen van de heidenen om verhoogd te worden aan het kruis. Op dit moment kan nog niet alles wat het Loofhuttenfeest symbolisch voorstelt vervuld worden. De “rivier van levend water” kan nog niet uit Jeruzalem stromen.

Op deze laatste dag, als het feest bijna voorbij is, staat de Heer daar en spreekt deze geweldige woorden: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke”! En dan volgt de belofte: “Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zulten uit zijn buik vloeien”. Omdat de belofte aan het volk als geheel niet vervuld kan worden nu zij de Heer verworpen hebben, biedt de Heer aan de enkeling iets nieuws aan: een persoonlijke uitnodiging en een persoonlijke belofte. Hij is de bron van het levende water en Hij nodigt ieder die dorst heeft uit om tot Hem te komen en te drinken. Wie tot Hem gekomen is om te drinken, wie in Hem gelooft, die krijgt de belofte dat stromen van levend water van hem zullen uitgaan.

In het volgende vers blijkt dat de Heer hiermee de gave van de Heilige Geest bedoelt, die allen die in Hem geloven, ontvangen zouden. Deze gave kon pas gegeven worden na het sterven, de opstanding en hemel­vaart van Christus. De woorden “omdat Jezus nog niet verheerlijkt was”, zien op deze grote heilsfeiten.

Deze belofte is vervuld op de Pinksterdag (Handelingen 2). Christus was verheerlijkt en de Persoon die Christus verheerlijkt, de Heilige Geest, kwam van de hemel op de aarde. Hij kwam om te wonen in hen die in Christus geloven. Hij kwam om hen te vervullen met de Heilige Geest. Zo is het gebeurd op die gedenkwaardige dag toen de Heilige Geest werd gegeven.

En zo gebeurt het nog dagelijks: ieder die in Christus gelooft, heeft deel aan die gave en heeft de inwoning van de Heilige Geest. En die Geest openbaart zich in de gelovige als “stromen van levend water” die van hem uitgaan.

Dat betekent niet dat de tegenwoordigheid van de Geest gezien wordt door bovennatuurlijke openbaringen of door opzienbarende tekenen of gaven, zoals bijvoorbeeld het spreken in tongen (wat, tussen twee haakjes, de geringste van alle gaven genoemd wordt). Maar de gelovige behoort de bron te zijn waaruit zegeningen stromen voor anderen, door te getuigen van Christus. Het bezit van de gaven van de Geest kon, althans in de begintijd van de gemeente best gevonden worden bij iemand met een ongoddelijk hart. Een man of een vrouw kon in tongen spreken en toch zijn als een zout dat zijn smaak verloren heeft. Het vervuld zijn met de Geest daarentegen maakt iemand tot een ze­gen in de wereld.

Maarten Luther gaf de volgende krachtige en eenvoudige omschrijving van deze woorden van onze Heer: “Wie tot Mij komt, ontvangt niet alleen zelf de Heilige Geest, maar hij wordt ook een vat waaruit de Heilige Geest stroomt naar anderen, die net zo verkwikt, getroost en gesterkt worden als hijzelf. Petrus bevrijdde op de Pinksterdag, door één toespraak, als door een stroom van water, drie duizend mensen uit het rijk van de satan”.

“Als een mens zich tot de Heer bekeert, wordt hij als een bron vol le­vend water. Stromen van levend water gaan van hem uit naar mensen van alle volken en stammen”.

Zo behoort het te zijn! Kinderen van God moeten geen stilstaande wa­terpoelen zijn of waterbakken die alleen ontvangen en niet doorgeven, maar onze roeping is een rivier te zijn die altijd water geeft, omdat we in ons de bron van levend water hebben.

“Als het water uit een bron al maar stroomt in een vat dan moet dat vat vanzelf overstromen. Of dat vat goot of klein is, maakt niets uit. Als het vat eenmaal vol is, zien we de kracht van de bron in het water dat er uit­stroomt. De gelovige die verzadigd is, geeft de zegeningen van God van­zelf door aan anderen.
Dit is het getuigenis van de Heer Zelf over de gave die Hij geeft. Wat er in de praktijk van terecht komt, hangt af van onze onderworpenheid aan de Heilige Geest die in ons woont. Wat de Heer ons hier laat zien is het beeld van een normale christen. En hoe eenvoudig is de manier waarop dit bereikt kan worden!” (F.W. Grant)

7:40-44


40 Sommigen dan uit de menigte die deze woorden hoorden, zeiden: Deze is waarlijk de profeet. 41 Anderen zeiden: Deze is de Christus. Weer anderen zeiden: Komt de Christus dan soms uit Galiléa? 42 Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Bethlehem, waar David was? 43 Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte om Hem. 44 En sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem.

Deze woorden trokken de aandacht van de schare. De mensen stonden verbaasd toen ze deze woorden hoorden. Zonder twijfel waren er dor­stige en met zonden beladen mensen die door deze woorden werden aangesproken. Zij dachten dat Hij de Profeet moest zijn die Mozes had aangekondigd (Deur. 18:15‑18). Anderen waren ervan overtuigd dat Hij de Christus was, zij zagen in Hem, wat Hij werkelijk was, de beloofde Messias, de Koning, de Zoon van David. Dit zeiden zij waar­schijnlijk tegen elkaar, zo, dat anderen het konden verstaan. Daarom hadden anderen tegenwerpingen, want zij wisten dat de Messias niet uit Galiléa kon komen. Zij dachten dat de Heer een Galileeër was en daarom kon volgens hen Hij niet de Messias zijn. Zij wisten dat de Messias een Zoon van David moest zijn en uit de stad van David moest komen, uit Bethlehem. En zij meenden te weten dat Hij niet de Zoon van David was uit Bethlehem. Het gevolg was verdeeldheid onder het volk. Sommigen zeiden dat Hij de Profeet was, anderen dat Hij de Christus was; anderen hadden hier bezwaren tegen; weer anderen haat­ten en verachtten Hem. Zo is er nog steeds verdeeldheid onder de menigte om Hem. In de nabije toekomst komt de dag waarop de be­langrijke vraag, “Wat dunkt u van de Christus, wiens Zoon is Hij?” voor altijd beantwoord zal worden voor Jood en heiden: op de dag van de toekomstige heerlijkheid van Christus.


7:45‑53


45 De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en farizeëen, en die zeiden tot hen: Waarom hebt u Hem niet meegebracht? 46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken als deze mens spreekt. 47 De farizeëen dan antwoordden hun: Bent u soms ook misleid? 48 Heeft soms iemand van de oversten in Hem geloofd, of van de farizeëen? 49 Maar deze menigte die de wet niet kent, is vervloekt! 50 Nicodemus, die vroeger ‘s nachts naar Hem toe was gekomen, die één van hen was, zei tot hen: 51 Veroordeelt onze wet soms de mens, tenzij zij eerst van hem hoort en weet wat hij doet? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u soms ook uit Galiléa? Onderzoek en zie dat uit Galiléa geen profeet opstaat. 53 En ieder ging naar zijn huis;

De dienaars waren enkele dagen tevoren uitgezonden (vers 32) om de Heer gevangen te nemen. Zij hadden de Heer goed waargenomen en hadden gewacht op een gunstige gelegenheid om hun opdracht uit te voeren. Maar zij konden het niet doen, omdat zijn uur nog niet geko­men was. Met lege handen komen zij terug. Als hun gevraagd wordt waarom zij Hem niet als gevangene meegebracht hebben, voeren zij tot hun verdediging aan: “Nooit heeft een mens zo gesproken als deze mens”.

Dat zij de Heer niet aangeraakt hebben was geen lafheid, geen angst voor de mensen. De macht en schoonheid van de woorden van de Zoon van God, weerhield hen ervan op te treden. Zij luisterden naar Hem en dachten niet meer aan de opdracht die zij ontvangen hadden.

Dit is ook vaak gebeurd in het leven van evangelisten en zendelingen die trouw het Woord van God predikten. Zij wisten niet dat boze men­sen van plan waren hen kwaad te doen, maar het woord dat zij predik­ten raakte de harten van die mensen en zij konden hun plannen niet uitvoeren.

Zijt ook gij misleid”? zeggen de Farizeeën tot hen. “Heeft iemand van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?” Wie zijn jullie, huurlingen van het Sanhedrin, dat jullie gevangen zijn door zijn woor­den? Wij, de oversten en de Farizeeën, de schriftgeleerden, wij zijn man­nen met gezag”, wij zijn de rechters! Deze ellendige menigte, waarvan sommigen roepen dat Hij de Profeet moet zijn en anderen dat Hij de Christus moet zijn, kent de wet niet; zij is vervloekt. Buiten zichzelf van woede waren zij door afgunst en haat tegen de Heer.

Dan is er plotseling één uit hun midden die spreekt; het is Nicodémus. In sommige handschriften staat er nog achter: “die vroeger tot Hem was gekomen”. Er hoeft geen twijfel te zijn wie hier bedoeld wordt. Zoals we weten uit het derde hoofdstuk was hij een farizeeër, een overste en leraar in Israël. Dat hij nu durft te spreken in de tegenwoor­digheid van zijn collega’s, leden van het Sanhedrin, laat zien dat de woor­den die de Heer in die nacht tot hem gesproken heeft, niet vergeefs zijn geweest; die woorden hebben zijn hart geraakt. Nu durft hij het voor de Heer op te nemen, al is het nog zwakjes. “Veroordeelt onze wet de mens, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en verstaat wat hij doet?” Nicodémus beroept zich op de wet (Deut. 1:17, 17:8 en 19:15). Zij kenden de wet goed en wisten dat het gebruikelijk was dat ieder verdacht persoon gehoord moest worden in de tegenwoordig­heid van getuigen; daarna mocht pas een vonnis geveld worden. Zij wisten dat Nicodémus gelijk had en zij konden hem geen antwoord geven. Daarom zeiden zij spottend tegen hem: “Zijt ook gij uit Gali­léa”? Ben jij zo onwetend, jij, onze grote leraar, de geëerde en gewaar­deerde Nicodémus? Sarcastisch voegden zij er aan toe: “Onderzoek en zie dat uit Galiléa geen profeet opstaat”. Zij waren geheel verblind door hun woede en bitterheid tegen de Heer. Zij waren helemaal ver­geten dat Elia, Elisa, Amos, Jona en waarschijnlijk ook Nahum profe­ten uit Galiléa waren. Daarop ging het Sanhedrin uiteen.

Hoofdstuk 8

8:1‑11


1 maar Jezus ging naar de Olijfberg. 2 En ‘s morgens vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en Hij ging zitten en leerde hen. 3 En de schriftgeleerden en de farizeëen brachten bij Hem een vrouw, op overspel betrapt. En zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: 4 Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op overspel. 5 Nu heeft Mozes ons in de wet geboden zulke vrouwen te stenigen; U dan, wat zegt U? 6 En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij Hem konden aanklagen. Maar Jezus bukte neer en schreef met zijn vinger op de grond. 7 En toen zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tot hen: Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst een steen op haar werpen. 8 En opnieuw bukte Hij neer en schreef op de grond. 9 Maar toen zij dit hoorden, gingen zij weg, één voor één, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten toe; en Hij werd alleen gelaten, en de vrouw die in het midden stond. 10 En Jezus richtte Zich op en zei tot haar: Vrouw, waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld? 11 En zij zei: Niemand, Heer. En Jezus zei tot haar: Ik veroordeel u ook niet; ga heen, zondig voortaan niet meer.

Dit gedeelte (vanaf 7:53 tot en met 8:11) wordt door sommigen ver­worpen; het zou een tussenvoegsel zijn. En wel op grond van de vol­gende argumenten.

1. het komt niet voor in sommige van de oudste handschriften en oude vertalingen;
2. de stijl van dit gedeelte zou verschillen met die van de rest van dit evangelie;
3. dit voorval zou immoraliteit in de hand werken.

Bij nauwkeurig onderzoek blijken al deze argumenten ongeldig te zijn. In sommige van de meest betrouwbare handschriften is dit gedeelte wel vermeld en in andere was het o.i. met opzet weggelaten, omdat de genade van de Heer tegenover deze zondige vrouw niet overeenkwam met de mening van leraars die de wet willen handhaven. Het schijnt dat de vrees dat dit verhaal de mensen tot losbandigheid kon brengen, veel mensen in de vroege Kerk er toe gebracht heeft, dit verhaal af te wijzen. Augustinus haalt in één van zijn werken deze gebeurtenis aan. Als hij spreekt over het geval van een vrouw die overspel gepleegd heeft, zegt hij, dat het gepast is dat haar gelovige man zich weer met haar verzoent, als zij berouw heeft, omdat onze Heer gezegd heeft: “Dan veroordeel Ik u ook niet, ga heen, zondig voortaan niet meer”. Deze woorden hebben echter enkele zwakke gelovigen (of waren zij misschien ongelovigen en vijanden van het christelijk geloof?) ge­schokt, alsof het zou betekenen dat hun vrouwen nu ongestraft kon­den zondigen. Daarom streepten zij in hun evangelie dit gedeelte door ‑ alsof de Heer aan de vrouw toestemming gaf om te zondigen! Inte­gendeel. Hij zei: “Ga heen en zondig voortaan niet meer”.

Het is duidelijk dat dit verhaal hier hoort en dat het wel echt moet zijn. Als we het weglaten wordt het geheel onduidelijk. In vers 53 van het vorige hoofdstuk lezen we dat ieder naar zijn huis ging. Als we de eerste elf verzen van dit hoofdstuk weglaten en we lezen in vers 12: “Jezus dan sprak opnieuw tot hen”, dan is er geen verband met het voorgaande. Maar in het begin van dit hoofdstuk lezen we dat de Heer die nacht op de Olijfberg is geweest en de volgende morgen weer naar de tempel gegaan is, en dat al het volk toen tot Hem kwam. Toen ging de Heer zitten en ging hen leren.

Maar de vijanden van de Heer zaten niet stil. In het vorige hoofdstuk zien we dat het hen niet gelukt was de Heer met geweld gevangen te nemen. De dienaars waren met lege handen teruggekeerd, want het uur was nog niet gekomen.

Nu probeerden ze het met list; ze hoopten dat de Heer iets zou doen waarmee ze Hem konden beschuldigen.

Zij brachten een vrouw tot de Heer die betrapt was op overspel. Ze gingen in een kring om de Heer staan en zetten de vrouw neer naast de Heer. Zo stond daar de Heilige van Israël naast één van zijn zondi­ge, verloren schepsels, voor wie Hij gekomen was om te sterven. Wij weten niet wie deze vrouw was; haar naam en geschiedenis worden niet vermeld. Volgens de wet van Mozes moest zij gestenigd worden (Lev. 20:10. Deut. 22:22). De schriftgeleerden en Farizeeën vroegen de Heer: “Gij dan, wat zegt gij”? Het is niet moeilijk te begrijpen waarom zij deze vraag aan de Heer stelden. In hun slimheid dachten zij dat de Heer misschien zou zeggen dat de wet van Mozes moest worden gehandhaafd en het vonnis moest worden uitgevoerd. Als de Heer dit antwoord had gegeven dan zouden zij meteen naar de Romeinse auto­riteiten zijn gegaan en Hem als een soort rebel hebben aangeklaagd, want het was de Joden niet geoorloofd iemand ter dood te brengen (zie 18:31). Als de Heer zeggen zou dat de vrouw niet hoefde te ster­ven, dan konden zij uit dat antwoord ook munt slaan: zij zouden overal rondvertellen dat Hij de wet van Mozes brak en ongerechtig­heid en zonde verdedigde.

Terwijl zij nog bezig waren hun plannen te beramen kende de Heer hun gedachte. Niets is verborgen voor zijn alziend oog. Nu zwegen zij en wachtten op een antwoord van de Heer. “Maar Jezus bukte neer en schreef met de vinger op de grond”. Dit is de enige keer in de evange­liën dat we lezen dat de Heer schreef. Wat schreef Hij op de grond? Dat weet niemand, want Johannes deelt het ons niet mee. Maar we moeten wel bedenken dat dezelfde vinger die in het stof schreef, de vinger is die de wet schreef. Hij is de wetgever. De wet zegt dat de zon­daar moet sterven; dat staat geschreven in het stof van de dood.

Geen woord kwam van zijn lippen. Maar zij die de vraag gesteld had­den hielden vol, zij wilden een antwoord hebben. En zij kregen een antwoord van de Heer. Nadat Hij was gaan staan zei Hij: “Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst de steen op haar werpen”.

En opnieuw bukte Hij neer en schreef op de grond” . Weer eens zien we de volmaakte wijsheid van de Heer. Hij ging niet op de rechterstoel zitten om het vonnis uit te spreken. Volgens de wet moesten de getui­gen het vonnis uitvoeren. Zij waren gekomen met hun aanklacht. Waren zij zonder zonde of hadden ook zij het gebod: “Gij zult niet echtbreken” overtreden? Als er iemand onder hen was die niet dit ge­bod noch een ander gebod overtreden had, moest die maar naar voren komen en de eerste steen naar de vrouw werpen! Maar zij slopen allen weg, de oudsten het eerst. Hun geweten klaagde hen aan. Als zij de­zelfde zonde hadden begaan als de vrouw, dan hadden zij dezelfde doodstraf verdiend. Hij die tot hen sprak kende hun leven, hun zonde. Wat een getuigenis is dit van de morele toestand van de Joden in de da­gen van onze Heer! Deze schriftgeleerden en Farizeeën, die zo’n hoge plaats innamen en zo vroom leken, waren schuldig aan de ergste zon­den.

De laatste was weggegaan. De aanklagers waren vertrokken en de aan­geklaagde vrouw stond vlak voor Hem die geen zonde kende en in wiens mond geen bedrog gevonden werd. “Vrouw, waar zijn zij, uw beschuldigers? Heeft niemand u veroordeeld”? En zij kon antwoor­den: “Niemand, Heer”.

Wat behandelde de Heer deze vrouw fijngevoelig en vol genade! Hij had haar kunnen vragen naar haar zonde en schuld. Hij had haar kun­nen berispen. Maar dit deed Hij niet, Hij hóefde haar ook niets te vra­gen want Hij kende haar leven. Hij kent ook ons leven!

De vrouw sprak Hem aan met “Heer”. Dat is het bewijs dat zij in Hem geloofde. Dit woord gebruikte Judas Iskariot nooit. En omdat zij in Hem geloofde als Heer, zei Hij tot haar: “Dan veroordeel Ik u ook niet; ga heen, zondig voortaan niet meer”. Hij schonk haar genade, maar die genade vereist altijd heiligheid. Vergeving van zonden moet gevolgd worden door een nieuw leven.


8:12‑20


12 Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. 13 De farizeëen dan zeiden tot Hem: U getuigt van Uzelf; uw getuigenis is niet waar. 14 Jezus antwoordde en zei tot hen: Ook als Ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis waar, want Ik weet waar Ik vandaan ben gekomen en waar Ik heenga; maar u weet niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heenga. 15 U oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand. 16 En als Ik al oordeel, is mijn oordeel waar, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader die Mij heeft gezonden. 17 En er staat ook in uw wet geschreven, dat het getuigenis van twee mensen waar is. 18 Ik ben het die van Mijzelf getuig, en de Vader die Mij heeft gezonden, getuigt van Mij. 19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: U kent noch Mij, noch mijn Vader. Als u Mij zou kennen, zou u ook mijn Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Hij bij de schatkist terwijl Hij leerde in de tempel, en niemand greep Hem, omdat zijn uur nog niet was gekomen.

Het voorval met de vrouw die voor Jezus gebracht werd was voor de Heer een onderbreking. Hij was ‘s morgens vroeg teruggegaan naar de tempel om te leren.

Misschien kwam de zon net op toen de Heer deze woorden sprak. “Ik ben het licht van de wereld”. Weer geeft de Heer een getuigenis over Zichzelf. Hij is het licht; dat is al aangekondigd in het eerste hoofd­stuk van dit evangelie. Dit betekent dat Hij het licht is en licht geeft. ­Buiten Hem is alles donker, maar in zijn licht zien wij het licht. Hij is het licht van de wereld: dit licht bereikt ook de heidenen.

Dat is al aangekondigd in Jesaja 49. Na de klacht van de Messias over Israël. “Tevergeefs heb Ik Mij afgemat, voor niets en vruchteloos Mijn kracht verbruikt” (vers 4), lezen we in vers 6: “Ik stel U tot een licht der volken, opdat Mijn heil reike tot het einde van de aarde”.

En de Heer verzekert ons dat wie Hem volgt niet in de duisternis zal wandelen, maar het licht van het leven zal hebben. Hem volgen houdt in dat we in Hem geloven, want niemand kan Hem volgen als het licht als hij niet in Hem gelooft.

Wat de leraar is voor de leerling, de meester voor de knecht, de gids voor de reiziger, de generaal voor de soldaat, de herder voor het schaap, dat is Christus voor de gelovige die Hem volgt.

Hem volgen betekent in het licht wandelen en niet in de duisternis. De mens bevindt zich, als gevolg van de zonde, moreel en geestelijk in de duisternis. Wie in Christus gelooft en Hem volgt is bevrijd. In zijn ge­meenschap is de gelovige bevrijd van de macht van de duisternis, van de macht van de zonde en van onwetendheid omtrent geestelijke dingen. Over dit onderwerp heeft nooit een profeet in het oude testa­ment gesproken. Dat kan alleen Hij, omdat Hij Heer is en God, het Leven en het Licht.

Dan antwoorden de Farizeeën Hem. “Gij getuigt van Uzelf, uw getui­genis is niet waar”. Omdat de Heer zo over Zichzelf spreekt, be­schouwen zij zijn getuigenis over Zichzelf als onbetrouwbaar. Hun te­genwerping is een bewijs van het verduisterd verstand van de natuurlij­ke mens en van de haat die in hun harten was.

De Heer antwoordt, dat hoewel Hij van Zichzelf getuigt, zijn getuige­nis waar is. Ontelbare zondaars kunnen deze waarheid bevestigen, om­dat zij dit in hun leven ervaren hebben. Nadat zij in de Heer geloofd hebben en Hem gevolgd zijn, verheugen zij zich in het licht en wande­len zij in het licht.

De Heer voegt er aan toe: “Want ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga; maar gij weet niet, vanwaar Ik kom en waar Ik heen­ga”. De Heer weet wie Hij is, de Zoon van God, de Heer der heerlijk­heid. Hij weet van het grote werk van verlossing dat Hij zal volbren­gen; Hij weet ook dat Hij daarna zal terugkeren naar de heerlijkheid, naar de plaats waar Hij vandaan kwam.

Van deze dingen wisten zij niets; anders zouden zij Hem niet aange­klaagd hebben, maar zij zouden aan zijn voeten gevallen zijn om Hem te aanbidden. Zij oordeelden naar wat zij zagen, maar zo beoordeelt de Heer de mens niet. Hij was niet gekomen om de wereld te oordelen. De dag dat Hij het oordeel zal uitvoeren, moet nog komen. Wanneer die tijd van oordeel komt, zal zijn oordeel waarachtig zijn, want in dat oordeel zal Hij niet alleen zijn: “Want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader die Mij gezonden heeft”. Hier zien we nog eens het grote getuigenis van het evangelie naar Johannes: de onafscheidelijke één­heid van de Vader en de Zoon.

In de wet staat geschreven “dat het getuigenis van twee mensen waar is” (Deut. 17:6; 19:15). Welnu, er wàren twee getuigen die van de heer en zijn werk getuigden: de Heer getuigde van Zichzelf en de Va­der getuigde ook van Hem, want Hij had Hem gezonden. Maar, wilden zijn vijanden weten, waar was zijn vader? Door deze vraag lieten zij hun verachting zien, het was of ze wilden zeggen. “Waar is dan die Vader van u? Waarom laat Hij zich niet zien en vertelt Hij ons niet al­les over u”?

De Heer antwoordde: “Gij kent noch Mij, noch mijn Vader. Als gij Mij gekend had, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben”. Dat zijn belangrijke woorden. Daaruit blijkt niet alleen de éénheid van de Va­der en de Zoon, maar we leren hier ook dat we de Vader alleen kun­nen kennen door de Zoon. Als iemand Christus niet kent, kent hij de Vader ook niet. Maar als wij Christus kennen, in Hem geloven, Hem volgen, dan kennen wij de Vader; en als wij Christus beter leren ken­nen, dan leren we de Vader ook beter kennen. “Een ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet; wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader” (1 Joh. 2:23). “Een ieder die belijdt, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem en hij in God” (1 Joh. 4:15). “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het le­ven niet" (1 Joh. 5:12).

Dit alles gebeurde in de tempel, bij de schatkist. De Heer had vrijmoe­dig gesproken over het feit dat Hij de Messias was en dat Hij één was met God. Maar niemand greep Hem. Niet dat ze dat niet durfden uit vrees voor de schare, waarvan velen Hem welgezind waren, maar om­dat zijn uur nog niet gekomen was.

Uit deze laatste woorden zien we dat de boze geen kwaad kan doen aan Christus en aan de zijnen, tenzij God hem toestemming geeft. Geen haar kan hem gekrenkt worden, als God het in zijn almacht niet toestaat. Onze tijden zijn in zijn hand. Alle dingen hebben hun bepaal­de tijd; er is een tijd om voor de Heer te werken, en er is een tijd om voor de Heer te lijden. Voordat zijn uur gekomen is om te sterven, zal geen christen sterven; als zijn uur gekomen is, kan niets zijn dood ver­hinderen. Dit is een waarheid die ons een grote troost kan geven. De leden van Christus zijn veilig en onaantastbaar tot hun werk af is. Als een christen lijdt, is dat omdat God het wil en het goed vindt.

8:21‑27


21 Hij dan zei opnieuw tot hen: Ik ga heen en u zult Mij zoeken, en in uw zonde zult u sterven; waar Ik heenga kunt u niet komen. 22 De Joden dan zeiden: Zal Hij soms Zichzelf doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt u niet komen? 23 En Hij zei tot hen: U bent van beneden, Ik ben van boven; u bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. 24 Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven. 25 Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? Jezus zei tot hen: Geheel wat Ik ook tot u spreek. 26 Ik heb veel over u te spreken en te oordelen; maar Hij die Mij heeft gezonden, is waarachtig; en Ik, wat Ik van Hem heb gehoord, dat spreek Ik tot de wereld. 27 Zij begrepen niet dat Hij hun dat van de Vader zei.

Deze woorden heeft de Heer waarschijnlijk later gesproken op dezelf­de dag. Aan het begin van dit gesprek zegt Hij dat Hij heen zal gaan, en zij zullen Hem zoeken. Zij zullen zoeken naar de Messias, maar om­dat zij Hem verworpen hebben, heeft het geen zin om naar Hem te zoeken. Omdat zij de Heer verworpen hebben, zullen zij in hun zonde sterven.

Waar Ik heenga kunt gij niet komen”. Dit is een ernstig woord! Wie niet in Hem gelooft, sterft in zijn zonden, sterft zonder gered te zijn. Voor hem is het onmogelijk ooit in de hemel te komen, waar de Heer Jezus heengegaan is. De mens kan wel theorieën bedenken en zeggen dat er nog hoop is voor degenen die al gestorven zijn, maar deze woor­den van de Heer spreken een heel andere taal.

De Joden begrepen zijn woorden niet. Omdat zij rondliepen met plan­nen om de Heer te doden, kwamen zij op de gedachte dat de Heer van plan was Zich van het leven te beroven. “Zal Hij dan Zichzelf doden”? Dit laat ons zien hoe verschrikkelijk de duisternis is in het hart van de natuurlijke mens.

Dan spreekt de Heer over een dubbele tegenstelling. “Gij zijt van be­neden: Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld” Deze woorden zijn niet alleen waar voor de Joden die naar de Heer luisterden; zij gelden voor alle mensen. Van nature zijn wij allen van beneden en van deze wereld. En omdat wij allen van beneden en van deze wereld zijn, zijn wij verloren zondaars. Wat is het kostbaar te weten door genade, door het werk van Christus, door geloof in Hem, “van bovenaf” geboren te zijn (zie Joh. 3:7; noot Voorh. vert.). Het “van beneden” is veranderd in “van boven”. De wedergeboren gelovi­ge is niet langer van deze wereld. Over deze geweldige waarheid spreekt de Heer ook in zijn gebed voor de zijnen. “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben” (Joh. 17:16).

Dan neemt de Heer zijn vorige gedachte weer op. “Gij zult in uw zon­den sterven”. Wat betekent dat? Bedoelt de Heer alleen hun afzonder­lijke zonden? Het betekent dat de grote zonde waarom zij in hun zon­den zullen sterven, hun ongeloof is. “Want als gij niet gelooft dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven”. Deze waarheid geldt nu nog. Iemand mag nog zo’n grote zondaar zijn ‑ hij kan gered worden als hij gelooft in de Heer Jezus, als hij gelooft dat Hij de Zoon van God is die stierf voor goddelozen. Iemand kan moreel nog zo’n goed leven lijden en veel goede dingen doen ‑ als hij de Heer Jezus verwerpt, als hij weigert in Hem te geloven, dan geldt voor hem net zo als voor de Joden in de dagen toen de Heer op aarde was: “Als gij niet gelooft dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven”.

Deze woorden maakten hen alleen nog kwader. “Wie zijt gij”? Dit was zeker geen eerlijke vraag, waarschijnlijk bedoelden zij dit spottend. Misschien was het wel een strikvraag. Het antwoord van de Heer is kort. “Geheel wat Ik u ook zeg”. Wat Hij sprak was de openbaring van zijn persoon.

Nog eens getuigt de Heer van zijn eenheid met Hem die Hem gezonden heeft, zijn Vader. De Heer had over veel andere dingen kunnen spre­ken. Hij had veel kunnen zeggen over hun toestand, maar Hij spreekt alleen over de dingen die Hij gehoord heeft van Hem die Hem gezon­den heeft. Hun verstand was echter zo verduisterd, hun hart zo onge­lovig dat zij niet begrepen dat de Heer over de Vader sprak.


8:28‑32


28 Jezus dan zei tot hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, dan zult u weten dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe; maar deze dingen spreek Ik zoals de Vader Mij heeft geleerd. 29 En Hij die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is. 30 Toen Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem. 31 Jezus dan zei tot de Joden die in Hem geloofden: Als u in mijn woord blijft, bent u waarlijk mijn discipelen; 32 en u zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.

Eerst spreekt de Heer over zijn sterven. Weer voorspelt Hij zijn sterven aan het kruis en dat zij dit zouden doen. “Wanneer gij de Zoon des mensen zult verhoogd hebben ...”. Maar wat betekenen de woorden van de Heer dat zij dan zullen “erkennen dat Ik het ben en dat Ik uit Mijzelf niets doe”? Betekent het dat sommigen van hen dan in Hem zullen geloven en erkennen dat Hij de Messias is, de Zoon van God? Of bedoelt de Heer dat het oordeel dat over het ongelovig deel van het volk komen zal, hen zal overtuigen dat Hij door de Vader ge­zonden was? Wij geloven dat beide meningen juist kunnen zijn.

Na de dood, opstanding en hemelvaart van de Heer geloofden duizen­den Joden, die eerst ongelovig waren, in zijn naam en waren behou­den. Zijn opstanding was het bewijs dat Hij de Zoon van God is en dat alles wat Hij sprak van de Vader was. Maar de Joden en Jeruzalem die in hun ongeloof bleven volharden, moesten ook erkennen dat Christus de Zoon van God was. De grote Joodse geschiedschrijver Flavius Jose­phus schreef terecht de treurige toestand van het Joodse volk in zijn dagen toe aan de dood van Christus.

Wat een kalmte en zekerheid spreken uit zijn woorden: “En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd wat Hem welbehaaglijk is”. Nooit is die gemeenschap tus­sen de Vader en de Zoon verbroken geweest. Aan het kruis was Hij van God verlaten, maar vooruitziend op dat lijden kon Hij tegen zijn discipelen zeggen: “Gij zult Mij alleen laten; en Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij” (Joh. 16:32).

Toen de Heer deze dingen sprak, geloofden velen in Hem. Maar zij geloofden niet in de ware zin van het woord. Zij waren tot op zekere hoogte overtuigd, maar hun harten en gewetens waren niet geraakt. Wij lezen niet dat zij aan zijn voeten vielen en Hem aangebeden heb­ben of dat zij Hem volgden als echte discipelen.

Dan spreekt Jezus de mensen die belijden in Hem te geloven toe. Uit het antwoord dat zij geven, blijkt dat zij niet echt in Hem geloven. De Heer leert hen hier wat nu echte discipelen zijn. Hoe kun je die her­kennen? “Als gij in Mijn woord blijft, zijt gij waarlijk Mijn discipelen”. Dit is het enige bewijs. Iemand die gered is en een discipel van de Heer Jezus is zal in zijn Woord blijven. “En gij zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken”. De Heer Jezus kennen houdt in de waarheid kennen, want Hij is de waarheid. Bovendien is Hij de sleutel die de deur opent tot de hele waarheid van God, want Hij is het mid­delpunt van de openbaring van God. Christus, de Waarheid, en zijn Woord maken ons vrij van de slavernij en de last van de zonde, vrij om God te dienen in nieuwheid van leven.


8:33-41


33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U: U zult vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. 35 Maar de slaaf blijft niet tot in eeuwigheid in het huis, de zoon blijft er tot in eeuwigheid. 36 Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn. 37 Ik weet dat u Abrahams nageslacht bent; maar u tracht Mij te doden, omdat mijn woord geen ingang bij u vindt. 38 Wat Ik bij mijn Vader gezien heb, spreek Ik; u doet evenzo wat u van uw vader hebt gehoord. 39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen; 40 maar nu tracht u Mij te doden, een mens die de waarheid tot u heeft gesproken die Ik van God heb gehoord; dat deed Abraham niet. 41 U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader: God.

De mensen tegen wie Jezus sprak, hadden beleden dat zij in Hem ge­loofden. Maar nu verraadt hun antwoord hun ware toestand. Als zij echte gelovigen waren, zouden zij zijn woorden aangenomen hebben. Zij waren echter trotse Joden die zichzelf op een voetstuk plaatsten. Hun toestand was nog niet veranderd sinds Johannes hen toeriep zich te bekeren. Toen was hun antwoord geweest: “Wij hebben Abra­ham tot vader” (Matth. 3:9). Hier in vers 33 beroemen zij zich op vrij­heid ‑ en dat terwijl de Romeinen over hen heersen! Hun woorden la­ten de toestand van hun hart zien, dat niet veranderd was, maar trots en zelfgenoegzaam. Zo is het vandaag de dag nog. We vinden duizen­den en duizenden in de belijdende kerk die zich in dezelfde toestand bevinden. Zij hebben nog nooit hun verloren toestand ingezien; zij geloven niet dat zij dood zijn in misdaden en zonden; zij erkennen niet van zichzelf dat zij hulpeloos zijn en slaven van de zonde. Precies zoals de Joden zeggen: “Wij zijn Abrahams nageslacht”, zeggen zij: “Wij gaan naar de kerk... wij zijn gedoopt... wij doen dit en wij doen dat... hoe kunnen wij nu verloren gaan?”

Maar het antwoord van de Heer, ook tot hen, is: “Een ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde”. Deze woorden laten zien welke vrijheid de Heer bedoelt: geen politieke vrijheid, maar vrijheid van de slavernij van de zonde. Want ieder mens is van nature een slaaf van de zonde. De mens is een zondaar; hij heeft een boze natuur en hij kan niet anders dan zondigen. Het is zijn gewoonte om in de zonde te le­ven; hij is overmeesterd door de zonde, hij is een slaaf van de zonde. Alleen de nieuwe natuur, het nieuwe leven in Christus maakt ons vrij van deze slavernij.

De slaaf blijft niet eeuwig in het huis, maar de zoon blijft er eeuwig”.

Zij waren onder het Joodse systeem alleen maar slaven, zonder de hoop ooit vrij te worden of om altijd in het huis te kunnen blijven. Met een zoon is het anders; hij blijft altijd in het huis. Welnu, Hij die tot hun spreekt, in wie zij belijden te geloven, biedt hun het zoon­schap aan. “Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult gij waarlijk vrij zijn”. Dit komt overeen met vers 32; het heeft dezelfde betekenis. Hier mogen we ook nog denken aan vrijheid van het slavenjuk van de wet.

Zij hoefden de Heer niet te vertellen dat zij Abrahams nageslacht wa­ren. Ze wilden de Heer doden, want zij wilden zijn woorden niet aan­nemen en weigerden in Hem te geloven. Daarom kon “de mensen­moordenaar van het begin af” hen gebruiken als zijn instrument. Deze gedachte zien we in vers 37.

In het volgende vers zegt de Heer dat Hij, de Zoon van God, spreekt wat Hij bij zijn Vader gezien heeft, maar zij doen wat zij van hun va­der gehoord hebben. Hun vader is de duivel. (Zie vers 44).

Nog eens zeiden zij: “Abraham is onze vader”; waarschijnlijk omdat de Heer had gesproken van zijn Vader in tegenstelling tot hun vader. Maar als zij werkelijk kinderen van Abraham waren zouden zij ook werken van Abraham doen. Hoe konden zij echter de werken van Abraham doen, als zij niet het geloof van Abraham hadden? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Hij in wie Abraham geloofde stond nu voor hen, en toch geloofden zij niet in Hem. Daaruit bleek dat zij geen echte kinderen van Abraham waren. De Heer liet zien wat er in hun harten leefde.

In vers 40 zegt de Heer dat zij proberen Hem te doden en Hij noemt Zichzelf “een mens” die hun de waarheid gezegd heeft. Zou Abraham ook zoiets gedaan hebben? Hier hebben we het bewijs dat zij niet de werken van Abraham deden, maar de werken van een andere vader.

Hiertegen komen zij in opstand en in de satanische boosheid van hun hart durven zij te beweren dat God hun Vader is.


8:42‑47


42 Jezus zei tot hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Want Ik ben ook niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43 Waarom kent u mijn spraak niet? Omdat u mijn woord niet kunt horen. 44 U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan. 45 Maar omdat Ik de waarheid zeg, gelooft u Mij niet. 46 Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet? 47 Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent.

Maar is hun bewering waar? Jezus is de Zoon, Hem kunnen zij zien, maar zij haten Hem. Als God hun Vader was zou dat blijken uit het liefhebben van de Zoon, die God gezonden had en die tot hen geko­men was. Liefde is het onfeilbare kenmerk van alle ware kinderen van God. Willen we graag weten of we wedergeboren zijn, of we kinderen van God zijn? Er is een eenvoudige manier om dit te weten: hebben we Christus lief? Hebben we Hem niet lief, dan heeft het ook geen zin om over God te praten als onze Vader en over onszelf als kinderen van God. Waar geen liefde is tot Christus, daar is geen zoonschap van God. De Joden begrepen de woorden van de Heer niet, omdat zij niet wil­den luisteren en zijn woorden aannemen.

Dan vertelt de Heer hen onomwonden wie Hij bedoelde toen Hij sprak over hun vader. Hier in vers 44 vertelt de Heer ons wie de duivel is, de vijand van God. Zij volgden de duivel, want zij waren bereid zijn wil te doen, en de Heer der heerlijkheid te doden. Satan is een men­senmoorder van het begin en staat niet in de waarheid, want er is geen waarheid in hem. Sommigen zeggen dat deze woorden slaan op het feit dat de duivel Kaïn ertoe heeft aangezet zijn broer te vermoorden; maar het ziet m.i. meer op het feit dat de duivel vanaf het begin vast­besloten is geweest zonde en dood te brengen. Hij is een leugenaar en de vader ervan.

De Heer zegt hier duidelijk wie de Satan is. Toch waagt de moderne theologie het, het bestaan en de val van Satan te loochenen! Als de duivel kan lachen, zal hij zeker lachen over deze theologische geleer­den, die hij zo verblind heeft dat zij het bestaan van hun eigen meester ontkennen.

De duivel spreekt de leugen, en de Joden geloofden die leugen; de Zoon van God spreekt de waarheid en zij geloofden Hem niet.

Dan volgt de vraag: “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” Op deze vraag komt geen antwoord. In Hem was geen zonde; Hij was heilig en rein, er was geen enkele smet in zijn vlekkeloos, heilig leven.

Op de tweede vraag: “Als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?” blijven zij ook het antwoord schuldig. De Heer geeft Zelf het antwoord: “Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt”. Zij waren niet uit God, daarom haatten zij Hem en geloofden zijn woorden niet.

8:48‑53


48 De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt? 49 Jezus antwoordde: Ik heb geen demon, maar Ik eer mijn Vader en u onteert Mij. 50 Maar Ik zoek mijn heerlijkheid niet; er is Een die haar zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord bewaart, zal hij de dood geenszins aanschouwen tot in eeuwigheid. 52 De Joden dan zeiden tot Hem: Nu weten wij dat U een demon hebt: Abraham is gestorven en de profeten, en U zegt: Als iemand mijn woord bewaart, zal hij de dood geenszins smaken tot in eeuwigheid. 53 Bent U soms groter dan onze vader Abraham die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven, Wie maakt U Zichzelf?

De Heer had van de ongelovige Joden gezegd dat zij van hun vader, de duivel, waren (vers 44). Nu geven zij zelf het bewijs dat deze woorden waar zijn, want wat zij nu van de Heer zeggen is bedrog en laster van de satan. Zij begrepen niet wat de Heer tot hen gezegd had; hun na­tuurlijk verstand kon het niet vatten. Toch moeten ze wel iets gevoeld hebben van de macht van zijn woorden en de macht van zijn persoon. Maar omdat zij niet in staat zijn de Heer te antwoorden, geven zij uiting aan hun woede door te zeggen dat de Heer een Samaritaan is en een boze geest heeft. Een Jood een Samaritaan noemen, betekende dat zo iemand een verworpene was, een misleide, boze afvallige. Door te zeggen dat de Heer een boze geest had, begingen zij dezelfde zonde die in Mattheüs 12:31 “lastering van de Geest” genoemd wordt.

Maar bij deze verschrikkelijke beschuldiging blijkt de heerlijkheid van de Heer Jezus Christus des te meer. Hij antwoordt niet met scherpe woorden, wat zij wel verdiend hadden. Men voelt de rust in het ant­woord dat Hij geeft: “Ik heb geen boze geest, maar Ik eer mijn Vader en gij onteert Mij”. Dit is een duidelijke ontkenning van hun lasterlijke beschuldiging. In al zijn woorden en in al zijn werken eerde Hij de Vader, die Hem gezonden had. Maar zij onteerden Hem. Als de Heer gekomen was om alleen zijn eigen eer te zoeken, dan zou hun beschuldiging voor Hem vernederend zijn geweest in zijn streven, maar de Heer kwam niet om zijn eigen eer te zoeken. Hij zocht alleen de eer van de Vader. Daarom hadden zij God beledigd.

Dan voegt de Heer de ernstige woorden er aan toe: “Er is Een, die haar zoekt en oordeelt”. Hij bedoelt de Vader. De Zoon kwam om de eer van de Vader te zoeken en de Vader zoekt de eer van de Zoon. Als wij, als gelovigen, de Zoon eren, zijn eer zoeken, zijn naam verhogen, dan behagen wij de Vader; want de vreugde van de Vader is in de Zoon. Maar de Vader zoekt niet alleen de eer van de Zoon, Hij oor­deelt ook. Hij zal afrekenen met allen die zijn geliefde Zoon onteren. “Wat hebt u gedaan met Mijn Zoon?” zal de grote vraag zijn die Hij zal stellen aan de ongelovigen, aan hen die het evangelie verworpen hebben.

En nog eens spreekt de Heer over de geweldige waarheid die we steeds weer tegenkomen in dit evangelie, over het eeuwige leven: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord zal bewaren, die zal de dood niet zien tot in eeuwigheid”.

Ook in hoofdstuk 6 heeft de Heer deze waarheid naar voren gebracht en nu zegt Hij het weer. Als iemand de woorden die de Heer gespro­ken heeft, zal bewaren en in Hem gelooft en Hem gehoorzaamt, zal hij de dood niet zien. Dit kan niet betekenen de lichamelijke dood, maar de tweede dood, het eeuwig verderf. Augustinus zei van deze tekst: “De dood, waarvan de Heer ons kwam bevrijden, is de tweede dood, de eeuwige dood, de dood van de hel, de dood van verdoemenis met de duivel en zijn engelen”.

Deze geweldige woorden over het eeuwige leven brachten de luisteren­de Joden er alleen maar toe hun pas uitgesproken beschuldiging te herhalen. Hun hart was verduisterd en daarom vonden zij in deze woorden van de Heer een bewijs dat hun beschuldiging waar was. “Nu weten wij dat gij een boze geest hebt”. Zij redeneerden menselijk. Zij dachten aan Abraham en de profeten; die zijn allen gestorven ‑ en hier is een mens die beweert, dat als iemand zijn woord zal bewaren, hij “de dood niet smaken zal tot in eeuwigheid”! Dat had de Heer echter niet gezegd, zij citeerden zijn woorden verkeerd. Zij verdraai­den zijn woorden altijd. Vandaag doet de blinde wereld nog precies zo.

8:54‑59

54 Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf verheerlijk, is mijn heerlijkheid niets; mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van Wie u zegt: Hij is onze God. 55 En toch kent u Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg dat Ik Hem niet ken, zal Ik u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en bewaar zijn woord. 56 Uw vader Abraham verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en zich verblijd. 57 De Joden dan zeiden tot Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien? 58 Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik. 59 Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel.

De Heer wijst alle eer voor Zichzelf af; het is de Vader die Hem eert. De Joden zeggen: “Hij is onze God”, de God van Abraham, Isaäk en Jakob. Maar de Heer zegt hun dat zij God niet kennen. Zij belijden God te kennen, maar hun daden loochenen het.

Maar Hij, de Zoon, kent de Vader. Als Hij zou zeggen: Ik ken Hem niet, dan zou Hij aan hen gelijk zijn: een leugenaar. De Zoon kent Hem en bewaart zijn woord.

Dan volgt in vers 56 een belangrijke gedachte: “Abraham, uw vader, verheugde zich erop, dat hij mijn dag zien zou; en hij heeft die gezien en zich verblijd”. Even tevoren hadden zij gevraagd: “Zijt gij groter dan onze vader Abraham”? Deze vraag beantwoordt de Heer nu. Hij zegt niet “onze vader Abraham”, zoals de Joden nog steeds doen als ze over hun stamvader spreken, maar de Heer zegt “uw vader”. Hij was de Zoon van David en de Zoon van Abraham, maar toch was Hij niet de Zoon van Abraham op dezelfde manier als elke andere Jood dit was.

Dan zegt de Heer, die alles weet, dat Abraham zich er op verheugde zijn dag te zien en dat hij die gezien heeft en zich verblijdde. Dit laat ons zien dat Abraham kennis had van de komst van de Messias, zijn nageslacht, in wie alle volken gezegend zouden worden. De Heilige Geest opende de ogen van de vader van de gelovigen en liet hem in de toekomst de beloofde Messias zien. Wij weten niet wanneer dit ge­beurd is. Misschien toen de Heer hem bezocht in de tent te Mamre, misschien toen hij zijn geliefde zoon op het altaar legde om hem te offeren en toen hij hem terug ontving ‑ een prachtig beeld van de dood en opstanding van onze Heer. Uit de woorden van de Heer zien we in ieder geval dat Abraham verlangde naar de dag dat Hij, de Heer der heerlijkheid, in het midden van zijn volk zou zijn.

Verbaasd over deze woorden van de Heer, zeiden de Joden: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt gij Abraham gezien”? Dachten de mensen dat de Heer al bijna vijftig jaar oud was? Sommigen veronderstellen dat de Heer er oud heeft uitgezien door zijn smart over de zonde. Waarschijnlijk gebruikten zij een staande uitdrukking en wisten zij de juiste leeftijd van de Heer niet. Nu zegt de Heer wat Hij bedoelde: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik”. Zonder twijfel is dit één van de grootste getuigenissen van de Heer over Zich­zelf. Een getuigenis dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is! De Heer spreekt over Zichzelf als Jahweh, de IK BEN, degene die altijd bestaan heeft. Voor hem staat dezelfde Persoon die verscheen in de brandende braambos en die tot Mozes zei: “Aldus zult gij tot de Israëlieten zeg­gen: IK BEN heeft mij tot u gezonden” (Ex. 3:14). “Voor Abraham werd (niet: ‘was IK’, maar) Ik ben”.

Dat begrepen de Joden maar al te goed. Zij twijfelden er niet aan wat dit betekende. De Heer had vol overtuiging gesproken en zij beseften dat hij zei dat Hij Jahweh was, God Zelf. We zien wat een haat er was in hun ongelovig hart. Zij namen stenen op om Hem te stenigen. Zij lieten zien dat ze volgelingen waren van hun meester, de moordenaar van het begin. Dit is één van de pogingen van Satan om de Heer te do­den. “Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel” . Verstopte de Heer Zich of deed Hij een wonder door plotseling te verdwijnen? Wij geloven het laatste. Augustinus zei hiervan: “Jezus verborg Zich niet in een hoekje van de tempel alsof Hij bang was, Hij vluchtte niet in een huis; Hij ging niet gauw achter een muur of een pilaar staan. Maar door zijn hemelse macht maakte Hij Zichzelf onzichtbaar voor zijn vij­anden en ging zo tussen hen door”. Wij geloven dat het zo gebeurd is. Zijn vijanden konden Hem niet aanraken voordat het van te voren be­paalde uur van zijn lijden en sterven was gekomen. En toen dat uur gekomen was leed en stierf Hij, niet omdat Hij niet kon ontsnappen, maar omdat Hij dat niet wilde.


1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   25

  • 7:40-44
  • 7:45‑53
  • 8:1‑11
  • 8:12‑20
  • 8:21‑27
  • 8:28‑32
  • 8:33-41
  • 8:42‑47
  • 8:48‑53

  • Dovnload 1.32 Mb.