Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes

Dovnload 1.32 Mb.

Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd Een uiteenzetting van het Evangelie naar Johannes



Pagina12/25
Datum28.10.2017
Grootte1.32 Mb.

Dovnload 1.32 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   25

Hoofdstuk 9

9:1-5


1 En toen Hij voorbijging, zag Hij een mens, blind van de geboorte af. 2 En zijn discipelen vroegen Hem aldus: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren werd? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar de werken van God moeten in hem worden geopenbaard. 4 Ik moet de werken werken van Hem die Mij heeft gezonden, zolang het dag is; de nacht komt wanneer niemand kan werken. 5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.

Het verhaal van de genezing van de blindgeborene vinden we alleen in dit evangelie. Niet zeker is of dit direct na de gebeurtenissen uit het vorige hoofdstuk plaatsvond, dan wel enige tijd later. Waarschijnlijk was het een paar dagen later, op een sabbat (vers 14). Sommigen zijn van mening dat het plaatsvond direct nadat de Heer uit de tempel was gegaan.

En toen Hij voorbijging zag Hij een mens, blind van de geboorte af”.

We lezen niet dat er een woord van de lippen van deze blinde kwam. Waarschijnlijk kende Hij de Heer niet en wist hij niet wat een macht die Persoon had die voorbijging. Hij kon de Heer niet zien, maar de Heer zag de blinde man wel. Waarschijnlijk bleef Hij staan en keek vol medelijden naar hem. Hoe de discipelen wisten dat deze man blindge­boren is weten we niet: misschien was hij (net als de verlamde in Han­delingen 3) een bekend figuur, omdat hij als bedelaar altijd op de­zelfde plaats zat.

De discipelen vragen de Heer: “Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren werd”? Deze vraag is ongetwijfeld het resultaat van de mening van de Joden dat zo’n ziekte wel het gevolg moest zijn van een bijzondere zonde en dat deze blindgeboren man als gevolg daarvan gestraft werd. In zekere zin is elke ziekte en smart inderdaad het gevolg van de zonde. De foutieve mening van de Joden dat lichamelijke gebreken het directe gevolg zijn van een boze daad is misschien ontstaan door een verkeerde uitleg van de woorden die de Heer sprak in Exodus 20:5: “Die de ongerechtigheid der vaderen be­zoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht”.

De vrienden van Job hadden ook dezelfde visie op het lijden; zij beschuldigden Job ervan dat hij een grote zondaar en huichelaar was. Het schijnt dat de inwoners van Malta ook deze gedachte hadden, want toen Paulus door een slang gebeten werd, zeiden zij: “Deze man is een moordenaar” (Hand. 28:4).

Deze gedachte komt ook voor bij sommige extreme pinkstergroepe­ringen. Zij leren dat als een kind van God ziek is, dit het gevolg is van een onbeleden zonde. Sommigen gaan nog verder: ze beweren, dat als hun “zalving met olie” geen resultaat oplevert, deze zieke wel een bij­zondere zonde gedaan moet hebben. Dat is een dwaze, onbijbelse ge­dachte.

De Heer verbetert de foutieve gedachte dat een ziekte als bij deze man het gevolg moet zijn van een speciale zonde. “Noch deze heeft gezon­digd, noch zijn ouders”. Dat deze man blind is geweest van zijn ge­boorte af is niet het gevolg van de één of andere zonde. De blindheid van deze man was bekend bij God. Hij heeft dit toegelaten omdat Hij in zijn wijsheid er een doel mee had: de heerlijkheid, de macht en de genade van God moesten door dit wonder getoond worden, “opdat de werken van God in hem zouden geopenbaard worden”. Een tweevou­dig werk zou in deze man gezien worden: eerst zou hij door een won­der genezen worden; het tweede werk van God was dat hij zou geloven in de Zoon van God, zoals we lezen in 6:29: “Dit is het werk van God, dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft”.

Het is een diepe en belangrijke waarheid die de Heer ons hier mee­deelt; het werpt licht op de vraag over de oorsprong en het bestaan van het kwaad dat de mens kan overkomen. God laat het toe en stemt er mee in. opdat de heerlijkheid van God daardoor gezien zal worden. Toch verklaren deze woorden het geheim van het lijden niet ten volle. Het geheim van de Goddelijke voorzienigheid kan niet met het ver­stand van de mens doorgrond worden. Hoe zou een nietig mens de wegen van God kunnen verklaren?

Deze man was voorbeschikt om blind te zijn opdat de werken van God geopenbaard zouden worden. Zo was het ook met Lazarus: God stond toe dat hij stierf “opdat de Zoon van God er door verheerlijkt zou worden” (Joh. 11:4).

Dan spreekt de Heer over het feit dat zijn werk als mens op aarde spoedig zou eindigen. “Ik moet werken de werken van Hem die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt wanneer niemand werken kan”. Maar wat bedoelt de Heer met de nacht die nadert? Zolang Hij hier op aarde was, was het “dag”. Toen Hij de aarde verliet, ver­worpen door de mensen, werd het “nacht”. Het tijdperk waarin wij nu leven is “nacht”. Zo zegt Paulus in Romeinen 13:12: “De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij”. Nu is het nacht. want Christus is hier niet. De dag ziet op zijn terugkomst. Deze uitleg komt ook over­een met de woorden die de Heer dan spreekt: “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld”.

9:6‑7


6 Na dit gezegd te hebben spuwde Hij op de grond en maakte slijk van het speeksel en streek het slijk op zijn ogen 7 en zei tot hem: Ga heen, was u in de vijver Siloam - wat vertaald wordt: uitgezonden. Hij dan ging weg, waste zich en kwam ziende terug.

De blinde man heeft geluisterd naar de woorden van de Heer Jezus, maar we lezen niet dat er een vraag over zijn lippen is gekomen. De Heer geneest hem van zijn blindheid zonder dat hij er om gevraagd heeft, zonder dat hij het verwachtte.

Inplaats van een woord van macht te spreken waarmee Hij de blinde man het gezicht had kunnen geven, deed Hij iets dergelijks als wat Hij gedaan heeft bij de genezing van de doofstomme (Markus 7:33) en bij de genezing van een andere blinde (Markus 8:23).

De Heer spuwt op de grond en maakt slijk van het speeksel en strijkt het slijk op de ogen van de blinde man. Sommigen zeggen dat men in die tijd geloofde dat aarde en speeksel geneeskrachtige eigenschappen zou hebben. Maar zelfs al zou er nog enige waarheid schuilen in dit dwaze bijgeloof, hoe kon een blindgeborene met zo’n geneesmiddel genezen worden? Waarom deed de Heer dit dan? Om dit te doen moest de Heer knielen, net zoals in het vorige hoofdstuk, waar de Heer ook knielde om op de grond te schrijven. De vinger die toen schreef, had ook de wet geschreven, die het doodvonnis uitspreekt over de zondaar. Hier maakt de Heer slijk van speeksel. Dit herinnert ons er aan dat Hij eens de mens gemaakt heeft van stof uit de aardbo­dem en dat Hij daarom de macht heeft een blindgeborene te genezen. Het wonder dat plaatsvond is het bewijs dat Hij die deze man genas, de Almachtige Schepper Zelf was. Speeksel staat in verband met ver­nedering en diepe schande.

Het schijnt mij toe dat de daad van onze Heer getuigt van zijn eigen Persoon. Hij is de Heer die alle macht heeft. Hij kwam in vernedering. Hem werd schande aangedaan. Hij kwam echter om Israël de ogen te openen.

Maar het aanbrengen van het slijk op de ogen van de blinde nam de blindheid niet weg. Als er verder niets gedaan was, zou de man blind gebleven zijn. Maar de Heer stuurde hem naar een vijver: “Ga heen, was u in de vijver Silóam, ‑ wat vertaald wordt: uitgezonden”. Dit deed de man; hij waste zich en kwam ziende terug.

Een soortgelijke opdracht werd gegeven aan Naäman, de melaatse. Elisa zei tegen hem, dat hij zich in de Jordaan moest wassen. Niet dat het water van de Jordaan of van Silóam uit zichzelf de kracht had een melaatse of een blinde te genezen. Het was een beproeving van het geloof en de gehoorzaamheid.

Het water is een beeld van het Woord van God en van de Geest van God. De betekenis van Silóam wordt uitdrukkelijk gegeven, namelijk “uitgezonden”. Het hart moet geloven in Hem die de gezondene is, die door de Vader in de wereld gezonden is om zijn wil te doen en het grote werk te volbrengen aan het kruis. Dan kan de Heilige Geest zijn werk doen.

En zo gehoorzaamde de blinde aan de stem die hij gehoord had, of­schoon hij de persoon die sprak niet zag. Wij weten niet of iemand hem bij de hand genomen heeft of dat hij al tastende zijn weg gevon­den heeft naar de vijver Silóam. Hij ging niet redeneren over de opdracht die hem gegeven was, maar hij gehoorzaamde onvoorwaarde­lijk. Toen was hij genezen en kwam ziende terug. Hetzelfde moet gebeuren met de natuurlijke mens die zich in geestelijke duisternis bevindt.

Als we de evangeliën nauwkeurig bestuderen zullen we zien dat de Heer meer blinden heeft genezen dan andere soorten van zieken. Eens was er een doofstomme onder zijn gehoor en die werd genezen. Ook een verlamde en waterzuchtig mens werd genezen. Van twee melaat­sen en van twee mensen die koorts hadden lezen we dat ze genezen werden; drie doden werden opgewekt, ‑ maar vier of vijf gevallen van blindheid die werden genezen zijn afzonderlijk vermeld. De reden hiervan behoeven we niet ver te zoeken. In de grote profetieën van Jesaja over het rijk van de Messias, het komend duizendjarig rijk, lezen we: “Dan zullen de ogen der blinden geopend worden” (35:5). “Te dien dage... zullen van donkerheid en duisternis verlost, de ogen der blin­den zien” (29:18); en in 42:7 lezen we dat het werk van de Koning zal zijn “blinde ogen te openen”.

Deze wonderen die de Heer deed, toen Hij de ogen van de blinden opende, waren het bewijs dat Hij de beloofde Koning was. Ze lieten aan Israël zien dat de Koning in hun midden was met de krachten van “de komende eeuw”.

Deze genezing van de blindgeborene is ook veelzeggend omdat dit wonder volgt op het grote getuigenis van de Heer over Zichzelf in het vorige hoofdstuk, wat tot gevolg had dat de ongelovige Joden Hem wilden stenigen. Het wonder in dit hoofdstuk laat zien dat Hij Jahweh is en de Koning van Israël.


9:8‑12


8 De buren dan en zij die vroeger hadden gezien dat hij een bedelaar was, zeiden: Is hij dat niet die zat te bedelen? 9 Sommigen zeiden: Hij is het; anderen zeiden: Nee, maar hij lijkt op hem. Hij zei: Ik ben het. 10 Zij zeiden dan tot hem: Hoe zijn uw ogen dan geopend? 11 Hij antwoordde en zei: De mens die Jezus heet, maakte slijk, bestreek mijn ogen en zei tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Dus ging ik weg, waste mij en kon zien. 12 En zij zeiden tot hem: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.

Het wonder trekt grote belangstelling. De buren, die de blinde bede­laar waarschijnlijk al jaren kenden, komen bij elkaar en zien hem gene­zen. Vol verbazing vragen ze: “Is hij dat niet, die zat te bedelen”? Sommigen die hem goed kenden, zeggen: “Hij is het”, terwijl ande­ren uiting geven aan hun twijfel door te zeggen: “Hij lijkt op hem”. Dan maakt hij zelf een eind aan al hun vragen en bevestigt dat hij het is. Zij vragen hem hoe zijn ogen geopend zijn en hij geeft hun een be­knopt verslag van wat gebeurd is. Maar als zij hem vragen: “waar is Hij”? dan moet hij zeggen: “Ik weet het niet”.


9:13‑16


13 Zij brachten hem die vroeger blind was geweest, naar de farizeëen. 14 Nu was het sabbat op de dag dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende. 15 Ook de farizeëen dan vroegen hem opnieuw hoe hij kon zien. En hij zei tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie. 16 Sommigen dan van de farizeëen zeiden: Deze mens is niet van God, want Hij houdt de sabbat niet. Maar anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen.

Er ontstaat een grote opwinding onder de mensen door dit wonder. Zij die hem goed kennen zijn er van overtuigd dat er een groot wonder gebeurd is. Hij is blind geweest vanaf zijn geboorte en nu bezit hij het volledige gezichtsvermogen. Het is geen “schijngenezing”, wat we te­genwoordig nog wel eens tegenkomen bij zogenaamde gebedsgenezers, evenals “wonderen” onder hypnose (die ook van heel korte duur zijn; zolang de hypnose duurt).

De mensen komen er niet uit, en daarom brengen ze de man voor de godsdienstige leiders. Die moeten de zaak maar verder onderzoeken! Terloops wordt vermeld dat het op een sabbat was, toen de Heer het slijk maakte en de blinde man genas. De Farizeeën beginnen nu de man te ondervragen. Deze geeft een eerlijk getuigenis van het gebeurde. Zij kunnen geen zwakke plek in zijn getuigenis vinden. Het is al net zo als bij de verlamde in het vijfde hoofdstuk, die ook door de Heer gene­zen werd op sabbat en die zij daarom wilden doden: zij beschuldigen de Heer dat Hij niet van God kan zijn omdat Hij deze daad op sabbat gedaan heeft.

Maar niet alle leiders noemen de Heer een slecht mens om deze daad; anderen zeggen: “Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen”? We twijfelen er niet aan dat Nicodémus ook bij degenen is die de Heer ver­dedigen. Deze vooraanstaande farizeeër en leraar in Israël had zijn ge­loof getoond toen hij de Heer opzocht. Hij was er van overtuigd dat de wonderen die de Heer deed van God waren en dat God met Hem was. Opnieuw was er verdeeldheid onder hen (vgl. 7:43 en 10:19).


9:17‑23


17 Zij zeiden dan opnieuw tot de blinde: Wat zegt u van Hem, omdat Hij uw ogen heeft geopend? En hij zei: Hij is een profeet. 18 De Joden dan geloofden niet van hem dat hij blind was geweest en kon zien, totdat zij de ouders hadden geroepen van hem die ziende was geworden. 19 En zij vroegen hun aldus: Is dit uw zoon, van wie u zegt dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien? 20 Zijn ouders dan antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is; 21 maar hoe hij nu kan zien, weten wij niet; of wie zijn ogen heeft geopend, weten wij niet; vraagt het hemzelf; hij is volwassen, hij zal voor zichzelf spreken. 22 Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang voor de Joden waren; want de Joden waren al overeengekomen dat, als iemand Hem als Christus beleed, hij uit de synagoge zou worden gebannen. 23 Daarom zeiden zijn ouders: Hij is volwassen, vraagt het hemzelf.

Als gevolg van de verdeeldheid onder de leiders van het volk zijn zij verplicht deze zaak zorgvuldig te onderzoeken. Daarom vragen zij de genezen man eerst naar zijn mening over Hem die zijn ogen geopend heeft. Met deze vraag geven zij eigenlijk al toe dat zij geloven dat zijn ogen geopend zijn. Maar omdat de vraag gesteld wordt door mensen die even te voren verklaard hadden: “Deze mens is niet van God, want Hij houdt de sabbat niet” blijkt daaruit hun boosheid, want zij hopen dat deze man een belastende verklaring zal afleggen.

Maar het antwoord dat zij krijgen is: “Hij is een profeet”. Hoe weet die man dat? Hij heeft de Heer immers nog niet gezien. Hij heeft al­leen de stem van de Heer gehoord en die stem gehoorzaamd. Uit vers 35‑38 blijkt duidelijk dat hij de Heer nog niet gezien had. Hoe kan hij dan zeggen dat de Heer een profeet is? Waarschijnlijk heeft hij de men­sen gevraagd wie het was, die hem genezen heeft en hebben zij geant­woord: “Jezus, de profeet van Nazareth”; dat was immers de gangbare mening van het volk. Hoe het ook zij, hij is in zijn hart overtuigd dat de Heer een profeet is en dat spreekt hij ook uit. Zo begint het geloof in zijn ziel te werken.

Omdat deze man weer zo’n duidelijk antwoord geeft dat zij niet an­ders kunnen uitleggen, proberen ze het op een andere manier. Nu trachten zij het wonder in diskrediet te brengen door niet te willen geloven dat de man blind geweest is. Zij roepen zijn ouders en hopen iets te horen waardoor zij een andere uitleg aan dit wonder kunnen ge­ven. Zij vragen hen of hij hun zoon is en of hij werkelijk blind geboren is. Zonder te aarzelen geven de ouders een bevestigend antwoord op deze vraag: “Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is”. Hierover kon niet de minste twijfel bestaan.

Maar dan komt de vraag: “Hoe ziet hij dan nu”? In plaats van te ver­tellen hoe hun zoon genezen is, doen zij alsof ze niet weten hoe het komt dat hij nu ziet en wie het gedaan heeft. “Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf, hij zal voor zichzelf spreken”. Met andere woor­den: wij zijn niet meer verantwoordelijk voor hem. We lezen in de vol­gende verzen ook waarom zij zo reageren. Zij zijn bang voor de macht van hun leidslieden. Als iemand het waagde te zeggen dat deze Jezus uit Nazareth de Christus was, zou hij uit de synagoge gebannen wor­den. Ze zijn bang dat dit hun lot zou zijn, als zij zouden vertellen wat zij gehoord hadden en hoe de Heer Jezus dit wonder gedaan had.

9:24‑29


24 Zij riepen dan voor de tweede keer de mens die blind was geweest en zeiden tot hem: Geef God heerlijkheid; wij weten dat deze mens een zondaar is. 25 Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie. 26 Zij zeiden dan tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend? 27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, en u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het opnieuw horen? Wilt u soms ook zijn discipelen worden? 28 En zij scholden hem uit en zeiden: U bent een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes. 29 Wij weten dat God tot Mozes heeft gesproken, maar wij weten niet waar Deze vandaan is.

De poging om het verhaal van deze man over zijn genezing omver te werpen is mislukt. Van de ouders zijn ook geen bruikbare inlichtin­gen te krijgen om het wonder te kunnen ontkennen. Dan moeten zij de man zelf weer roepen.

Nu beginnen zij heel vroom: “Geef God de eer”. Erken toch dat alleen God zo’n wonder kan doen!

Inderdaad: alleen God kan de ogen openen van iemand die blind gebo­ren is. Maar hun vrome woorden zijn huichelarij, want zij voegen er aan toe: “Wij weten dat deze mens een zondaar is”. Zij proberen de man zo ver te krijgen dat hij toegeeft dat God hem genezen heeft en dat hij Hem die dit wonder gedaan heeft, verwerpt.

Maar wat geeft de man een eenvoudig antwoord. Hij spreekt over twee dingen; eerst over iets dat bij niet weet: “Of Hij een zondaar is, weet ik niet”. Dan spreekt hij over iets dat hij weet: “Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie”. Hij kan nog niet getuigen over de Persoon die hem genezen heeft, want hij weet niet wie Hij is. Later openbaart de Heer Zich aan hem en dan valt hij aan de voeten van de Heer om Hem te aanbidden.

Maar één ding is zeker. Aan één ding hoeft nooit meer getwijfeld te worden: ik was blind, en nu zie ik. De verschrikkelijke nacht van de duisternis is verdwenen; hij ziet de zon, een nieuw leven staat voor hem. Een geweldige verandering is over hem gekomen en niemand ter wereld kan zijn getuigenis doen wankelen!

En miljoenen na hem hebben de woorden van zijn getuigenis gebruikt, nadat ze wisten door genade gered te zijn. Dit is de ware belijdenis van ieder kind van God die van de dood overgegaan is in het leven; van de duisternis tot het licht, van de macht van Satan tot God: “Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie”.

De grote verandering, teweeggebracht door de werking van de Heilige Geest in het hart en leven van een gelovige, is een even groot wonder als de genezing van deze blindgeborene.

De Joodse leiders zijn weer verslagen. Zij hadden toegegeven dat de man genezen was en nu hebben zijn woorden dit feit nog eens duide­lijk onderstreept.

Maar ze hebben hun moed nog niet verloren. Nog eens ondervragen zij de man naar de manier hoe onze Heer zijn ogen geopend heeft. Maar deze vraag is de oorzaak van hun definitieve nederlaag. Het is of de ge­nezen bedelaar zijn geduld verliest. Hij had hun net nog verteld dat deze mens slijk op zijn ogen gedaan had, dat hij zich had moeten was­sen in de vijver, en dat hij nu weer ziet. En nu vragen zij wéér: “Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?” In bijtende spot antwoordt de man nu en vraagt waarom zij het opnieuw willen horen. Of willen zij misschien ook zijn discipelen worden?

Zij schelden de man uit om zijn vermetele taal, maken hem belachelijk en beschuldigen hem ervan dat hij een discipel is van de Heer; dat be­schouwden zij als een grote schande. “Maar”, zeggen ze, “wij zijn discipelen van Mozes”. Zij zijn er van overtuigd dat God tot Mozes ge­sproken heeft. Hierin zijn zij nog beter dan veel godsdienstige leiders uit onze tijd die dat loochenen.

Maar zij ontkennen dat de Heer, die zij verachtelijk met “deze” aan­duiden, door God gezonden is. Zij geloven niet dat hij een Goddelijke zending heeft. Toch is de Heer Jezus Christus aan Mozes verschenen en heeft aan Mozes opdrachten gegeven. Hij is groter dan Mozes!


9:30‑34


30 De mens antwoordde en zei tot hen: Hierin is toch iets wonderlijks, dat u niet weet waar Hij vandaan is, en toch heeft Hij mijn ogen geopend. 31 Wij weten dat God geen zondaars hoort, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, die hoort Hij. 32 Van eeuwigheid af is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. 33 Als Deze niet van God was, zou Hij helemaal niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: U bent geheel in zonden geboren en leert u ons? En zij wierpen hem naar buiten.

Wij twijfelen er niet aan dat de blindgeborene geleid werd door de Hei­lige Geest toen hij antwoord gaf. Dat blijkt wel uit de geweldige ge­dachten die hij uitspreekt. Eerst spreekt hij zijn verwondering uit dat deze leiders van het volk zeggen dat zij Hem niet kennen en niet weten wie Hem zo’n kracht gegeven heeft om zo’n groot wonder te doen. Dan verklaart hij dat het onmógelijk is dat Hij die zijn ogen geopend heeft een zondaar is. God hoort immers niet naar een zondaar! Maar als God zijn macht laat zien door een mens, dan moet deze mens wel godvrezend zijn en gehoorzaam zijn aan God. Hij wordt stoutmoediger en verklaart dat sinds de wereld begon het niet gehoord is, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Dan bekroont hij zijn geweldig betoog door te zeggen dat hij ervan overtuigd is dat de man die hem genezen heeft van God moet zijn.

De grote leiders van het volk blijven hierop het antwoord schuldig. Op dit getuigenis kunnen ze geen antwoord geven. Ze zijn verslagen. Ze kunnen alleen nog maar of dit getuigenis aannemen of het verwerpen. Natuurlijk kiezen ze het tweede; ze worden woedend. Zij beschuldigen hem ervan dat hij geheel in zonden geboren is, dat hij een boos iemand is en zij werpen hem uit. Zij doen met hem wat we lazen in vers 22: zij bannen hem uit de synagoge.

9:35‑41


35 Jezus hoorde dat zij hem naar buiten hadden geworpen en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tot hem: Gelooft u in de Zoon des mensen? 36 Hij antwoordde en zei: En Wie is Hij, Heer, opdat ik in Hem geloof? 37 Jezus zei tot hem: U hebt Hem niet alleen gezien, maar Hij die met u spreekt, Die is het. 38 En hij zei: Ik geloof, Heer. En hij aanbad Hem. 39 En Jezus zei: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zouden zien, en die zien, blind worden. 40 En zij die van de farizeëen bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind? 41 Jezus zei tot hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde.

Het is de arme man of zijn wereld ineenstort. Hij beeft bij de gedachte dat hij buiten de gemeenschap is geplaatst. Het was een schande uitge­worpen te worden; nu is hij een verschoppeling, iemand die geen recht heeft de godsdienstoefeningen bij te wonen en geen deel meer heeft aan de zegeningen van het Joodse volk. Nu is hij een verloren ziel. De Joden hebben hem uitgeworpen, maar hiermee hebben ze hem al­leen maar geworpen in de armen van de Heer Jezus, de Zoon van God. Wij weten niet waar de Heer was toen dit alles gebeurde; wel weten we dat Hij wist wat er gebeurd was en wat er gesproken was. Toen de uitwerping van de genezen man algemeen bekend gemaakt was, zocht de Heer de man op. Hoewel de Heer hem nooit uit het oog verloren had, lezen we toch dat de Heer hem “vond”.

Chrysostomus zei van dit gedeelte:

“Degenen die hebben te lijden om de waarheid en beledigd worden ter wille van Christus, worden op bijzondere wijze geëerd door de Heer Zelf. Zo gebeurde het ook met de genezen blinde man. De Joden werpen hem uit de tempel. maar de Heer van de tempel vindt hem. Hij wordt veracht door degenen die Christus verachten, maar hij wordt geëerd door de Heer van de engelen”.

Hij verliest de synagoge, maar hij vindt de Heer, de hemel en de heer­lijkheid. In de synagoge is geen plaats meer voor hem, maar hij wordt een schaap van de goede Herder.

De Heer stelt de blindgeborene een persoonlijke vraag: “Gelooft gij in de Zoon van God”? In het antwoord horen we het verlangen in zijn hart: “Wie is Hij, Heer, opdat ik in Hem moge geloven”? Hij hoeft niet te wachten op een antwoord. De Heer openbaart Zich aan hem. “Gij hebt Hem gezien, Hij die met u spreekt, die is het”.

Ook hier getuigt de Heer van zijn Godheid. Weet de man dat Hij die met hem spreekt de Persoon is die hem genezen heeft? We lezen het niet in de tekst. Zoals we weten heeft de blinde man de Heer niet ge­zien nadat zijn ogen geopend zijn. Ofschoon de Heer niet tegen hem zegt, dat Hij het is die Hem genezen heeft, moet de man het toch ge­voeld en geweten hebben, toen de Heer hem aansprak en Zich open­baarde als de Zoon van God. Misschien herkent hij de Heer aan de klank van zijn stem. En de man zegt: “Ik geloof, Heer”. En hij aanbidt de Heer. Geloof en ware aanbidding gaan samen.

Als de Heer vervolgens verklaart dat Hij tot een oordeel in deze wereld gekomen is, betekent dit niet dat Hij gekomen is om de wereld te veroordelen (vgl. 3:17). Hij kwam om de ware toestand van het volk aan te tonen, om in zijn alwetendheid de toestand van hun hart bloot te leggen.

Zij die niet zien”, dit mogen we toepassen op de heidenen. “Die zien” (of menen te zien), zijn dan de Joden. De Joden, vooral de Farizeeën, beroemden zich erop dat zij het licht bezaten. Paulus getuigt hier over in Romeinen 2:19: “Gij beeldt u in een leidsman te zijn van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn”.

En toen Hij kwam die het Licht van de wereld is, verwierpen zij hem. Zo werden zij blind, ondanks hun belijdenis dat zij ziende waren.

Enigen van de Farizeeën luisteren naar deze woorden van de Heer. Zij geven meteen uiting aan hun ongenoegen; zij begrijpen heel goed wat de Heer bedoelt. “Zijn wij dan ook blind”? Dit is een spottende vraag. Het antwoord dat zij krijgen stelt hun toestand in het licht. Als zij werkelijk blind waren, zouden zij geen zonde hebben. Maar zij hadden de Heer verworpen en zij beroemden zich erop dat zij ziende waren. Daarom bleef hun zonde.

1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   25

  • 9:8‑12
  • 9:13‑16
  • 9:17‑23
  • 9:24‑29
  • 9:30‑34
  • 9:35‑41

  • Dovnload 1.32 Mb.